8. RIJM-RIJM.

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,

De eerste bezitter van het woud en van de rots”.

(_Van Looy_ in de _Gids_)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langs

Hun boorden varend, den oranje glans.”

(_Gorter’s Mei_)

„Van licht in licht, lichtwenteling —

’t Is nachtdood, morgenkentering.”

(_Van Eeden, Ellen_)

„O, Moeder in den hemel! Wees

Gij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”

(_Hofdijk_, Reynouts’ tocht.)

’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt

zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgende

_Ballade_ hier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is;

maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.

Ruize-rijmen · 第 150 / 248 题