„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost,
De eerste bezitter van het woud en van de rots”.
(_Van Looy_ in de _Gids_)
„Naar torens op de kust, wanneer ze langs
Hun boorden varend, den oranje glans.”
(_Gorter’s Mei_)
„Van licht in licht, lichtwenteling —
’t Is nachtdood, morgenkentering.”
(_Van Eeden, Ellen_)
„O, Moeder in den hemel! Wees
Gij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”
(_Hofdijk_, Reynouts’ tocht.)
’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt
zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgende
_Ballade_ hier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is;
maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.