(_Vrij naar Schiller_)
Er leefd’ in overouden tijd
In ’t land van Granada,
Zijn vorst in trouwen dienst gewijd,
Een wakkre ridderkna.
De koning had den jonker lief,
En jacht, en sport, en spel
Werd bloot voor ’s gunstelinge gerief
Ten Hove ingestel.
Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak,
Door bode en klokgelui,
Genood tot ’t griezelig kijkvermaak
Rondom den leeuwenkui.
Eens op een dag zijn maagd en borst,
En ridders, rij aan rij,
Verzameld bij den ouden vorst,
In ’t lustpark van ’t palei;
Rondom den diepen leeuwenkuil,
Die dreigend gaapt benee:
_Hier_ ’t jolig juichen — _daar_ ’t gehuil
Van tijger en van lee.
Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed
Met grage blikken na;
En d’ oude vorst schertst welgemoed:
„’t Is beter hier, dan da!”
De jonge ridder zit naast háár —
De jonkvrouw, trotsch van zin,
Maar ’t schoonste van de maagdenschaar,
En fel van hem bemin.
Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor;
Hij schijnt wat schuw, wat bleu;
Dan vat hij moed, en als-maar-door,
Ruischt zijn verliefd gekeu.
Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij:
„Mint gij mij waarlijk zoo?
Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!”
Dan roept z’ op luiden too:
„Wie uwer mint mij sterk genoeg,
Dat hij uit louter min
Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg,
Mij weerbrengt van daargin?”
Mèt werpt zij fluks den handschoen af;
Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” —
— „Wie waagt zich in dit levend graf?...”
Het denkbeeld is afschu.
Zij ziet haar fellen minnaar aan
Met hoonend killen lach:
Kies — d’ arme heeft den blik verstaan —
Mijn liefd’ — of mijn verach!
Daar ziet de schare, stom van schrik,
Vervuld van ’t naadrend wee,
Hoe hij met somber-strakken blik
Zich naar den kuil begee.
Snel daalt hij in de diepte neer......
Loopt op de beesten toe......
En — brengt den handschoen veilig weer,
Met gruwbre heldenmoe.
Nu groet den Ridder Onversaagd
Een donderend hoera!
Maar hij — hij werpt der snoode maagd
Den handschoen...... _in ’t gela_!
„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw,
Mijn declaratie zóó!
Ik _was_ verliefd op je, maar nou —
Wat mij betreft — val doo!”