„Om verwarring te voorkomen van negen met zeven, roepe men voor het
laatste getal in de telefoon _zeuven_”. — Int. telefoongids.
Hij, die wat keuv’len wil per telefoon,
Onthaakt den hoorn, versierd met ribb’ en gleuven,
Hij drukt het ding krampachtig aan de koon,
En — zoekt hij _zeven_, — zegt op zachten toon:
„Hello! met zeuven!”
Dat wordt nu maar zoo kalm gedecreteerd,
Van wege de gelijkenis der klanken,
Maar ik heb van ons voorgeslacht geleerd
Te zeggen, als ’k iets gek vind, of verkeerd:
„_Ik_ zou je danken!”
Zie, ’k ben geen knapper taalman dan de rest,
Maar ’k meen, dat _zeuven_ Brabantsch dialect is;
Nietwaar? in ons geliefd gemeenebest,
Daar spreekt, om zoo te zeggen, elk gewest
Zoo als ’t gebekt is.
En waarom moest het telefoonbestuur
Nu aan _dit_ dialect de voorkeur geven?
Wat blaast het aan het middeleeuwsche vuur?
Wil ’t der gewesten strijd t’ onzaalger uur
Weer doen herleven?
Klinkt dan het Betuwsch tongespel zoo slecht?
Waarom die goede lieden gindsch te grieven?
Heeft daar dan d’ inboorling niet ’t zelfde recht,
Waar men — tenzij ik ’t heelemaal mis heb — zegt
Zoo iets als „_zieven_”?
En van ons Noordervolkje, daar bij d’ Eem,
Is toch de tongval waarlijk óók zoo plat niet;
Dáár — onze taal is kneedbaar, murw als leem —
Klinkt het fatale woord zoowat als „_see’m_”,
Waarom dan dat niet?
Enfin. Men _wil_ den strijd — dien ik verfoei.
Welnu, verkiest men ’t vechten boven vrede,
Dan, op! te wapen voor (Noord-)Holland’s bloei!
Komt d’ eer van mijn provincie in de knoei,
Dan vecht ik mede!
Ja, door ons allen stroomt wienneerlandsch bloed,
Maar: Holland bovenaan! Dat ’t steeds zoo blijve!
Als _ik_ dus nummer zeven roepen moet,
Dan spreek ik Amsterdamsch — dat ken ik goed —
Dan zeg ik: „_sijve!_”