_Iambisch-choriambische Ode aan de Pers, bedoeld als scandeer-oefening
voor de Gymnasiale jeugd._
Hoog bezoek. Vergezeld van zijn oom, Prins Heinrich van Pruisen, zijn
adjudant en den burgemeester van Wieringen, bracht de ex-kroonprins van
Duitschland Zaterdagmiddag een bezoek aan huize Duinwijk alhier, om
zich door zijn tandarts te laten behandelen. Na een verblijf van eenige
uren op Duinwijk aanvaardde het gezelschap, in 2 auto’s gezeten, den
terugtocht naar Wieringen. — _O. H. C._
Het Plebs, en zijn slavin, de Pers,
Vergapen zich aan
Den Schijn.
Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-vers
Van heden gewijd
Zal zijn.
Ex-kroonprins, arme kerel, zeg,
’k Heb medelij, man,
Met jou;
Daar zit je vele mijlen weg,
Gescheiden van kroost,
En vrouw.
Je bent gevangen in een oord,
Daar erregens aan
De pool,
Waarvan geen mensch ooit had gehoord,
Dan soms in de les,
Op school.
De streek is dor als een woestijn,
Verlaten en kil,
En kaal;
Je huis is somber, grauw en klein,
Naar, burgerlijk en
Banaal.
Met de notab’len van ’t gehucht,
Een kringetje, klein,
En triest,
Speel j’ elken avond, met een zucht,
Een robbertje bridge,
Of whist.
Je gaat naar Pa, maar nooit alleen;
Eerst vraag j’ of het mag
Aan Ruys;
Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen,
En net zoo terug,
Naar huis.
Je droomde j’eens een ander lot......
Jou wachtte een
Keizerskroon!
Je vader hield zich voor een god,
En jou voor een
Godenzoon......
Omringd van vleiers groeide j’op,
Je zwelgd’ in hun hoofsch
Gelal;
Jij, jeugdig godje in den dop,
Beheerscher — ééns! — van
’t Heelal!
Zoo peinzend sta je aan den dijk,
Spuwt kringetjes in
De sloot;
Je voelt jezelf een levend lijk,
Een mummie, lang voor
Je dood.
Hoor! Troost je met dit zoet bedrog,
Verongelukt schip
Op ’t strand!
Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog:
De leutertaal van
De krant.
Dat ’t dan met gulden lettren sta
In ’t princelijk
Levensboek:
„Wanneer ik naar Mijn tandarts ga,
Dan heet dat nog
HOOG BEZOEK.”