56. WIJ DUITSCHERS, VOORHEEN EN THANS.

Helfferich in den Rijksdag, 21 April ’21: „Het Verdrag van Versailles is

gegrondvest op den leugen van Duitschland’s schuld aan den oorlog.”

Dr. Riesser: „Het staat voor den geschiedschrijver vast, dat Duitschland

alles gedaan heeft wat binnen zijn bereik lag om der uitgeputte wereld

vrede te brengen.”

Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog.

De schurken schoolden saam, en legden listig lagen,

Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen;

Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.

Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar,

Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is,

Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is;

Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”

Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein!

De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede!

Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede,

Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.

En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd,

Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven,

Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven.

Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.

Ruize-rijmen · 第 111 / 248 题