48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.

Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte

overschreden.” — (_W. B._)

De Keizer liet den commandant der troepen

Toen tot zich roepen.

En zei:

„De zege is ons nabij;

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

Over mij.

Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”

De Czar ontbood zijn legercommandanten

Van alle kanten.

Hij sprak:

„Ik heb de zege al in mijn zak!

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

En zei: „„hak

Er flink op los! Steek Insterburg in brand,

Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning van Brittannië riep: „ga halen

Mijn admiralen,

Aanstonds!

De zege is aan de kinderen Albions.

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

Over ons

En zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,

Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning liet ook aan zijn verre helden

De mare melden:

„Ik ben

In oorlog met het ergste, dat ik ken.”

De Hindoes hebben toen tot God gebeden

Die was tevreden

Over hen

En zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,

Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

Toen bad ook de Mikádo op zijn eiland

Tot aller Heiland:

„Mijn God,

Daar is een volk, dat listig samenrot.

Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.

God was tevreden;

Zeide tot

Den Mikado: „„trek naar den overkant.

Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””

Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:

„Ik ben op jaren,

Maar tuk

Op wraak en nog verzot op krijgsgeluk.

Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.

Hij was tevreden

En zei: „„ruk

Nu Servië in. Neem dat als onderpand.

Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””

De Sultan ging toen aan de Dardanellen

Zijn schepen tellen.

Hij dacht

„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”

De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,

God was tevreden.

En zei: „„slacht

Grieksch-Katholiek en Roomsch en Protestant

Ter eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””

De President zei: „vrienden, draagt de tijden

Van hoon en lijden

Met mij.

Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......

Wij hebben voor gerechte zaak gestreden

Wij wilden vrede,

Oorlog zij!

Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.

De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”

Hoog op de duinen staat een blonde Koning;

Hij heeft geen woning;

Zijn rijk

Werd aan een dorre woestenij gelijk.

Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,

Ligt het vertreden;

Handvol slijk

En smalle kuststrook hield hij van zijn land;

Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.

Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.

Hij bidt. Hij keerde

’t Gelaat

Niet naar rumoer van marktplein en van straat,

Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...

Hij heeft gebeden

En hij gaat,

Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,

Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.

Ruize-rijmen · 第 101 / 248 题