Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte
overschreden.” — (_W. B._)
De Keizer liet den commandant der troepen
Toen tot zich roepen.
En zei:
„De zege is ons nabij;
In diepen deemoed heb ik God gebeden,
Hij was tevreden
Over mij.
Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”
De Czar ontbood zijn legercommandanten
Van alle kanten.
Hij sprak:
„Ik heb de zege al in mijn zak!
In diepen deemoed heb ik God gebeden,
Hij was tevreden
En zei: „„hak
Er flink op los! Steek Insterburg in brand,
Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
De Koning van Brittannië riep: „ga halen
Mijn admiralen,
Aanstonds!
De zege is aan de kinderen Albions.
In diepen deemoed heb ik God gebeden,
Hij was tevreden
Over ons
En zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,
Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
De Koning liet ook aan zijn verre helden
De mare melden:
„Ik ben
In oorlog met het ergste, dat ik ken.”
De Hindoes hebben toen tot God gebeden
Die was tevreden
Over hen
En zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,
Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
Toen bad ook de Mikádo op zijn eiland
Tot aller Heiland:
„Mijn God,
Daar is een volk, dat listig samenrot.
Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.
God was tevreden;
Zeide tot
Den Mikado: „„trek naar den overkant.
Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””
Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:
„Ik ben op jaren,
Maar tuk
Op wraak en nog verzot op krijgsgeluk.
Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.
Hij was tevreden
En zei: „„ruk
Nu Servië in. Neem dat als onderpand.
Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””
De Sultan ging toen aan de Dardanellen
Zijn schepen tellen.
Hij dacht
„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”
De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,
God was tevreden.
En zei: „„slacht
Grieksch-Katholiek en Roomsch en Protestant
Ter eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””
De President zei: „vrienden, draagt de tijden
Van hoon en lijden
Met mij.
Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......
Wij hebben voor gerechte zaak gestreden
Wij wilden vrede,
Oorlog zij!
Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.
De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”
Hoog op de duinen staat een blonde Koning;
Hij heeft geen woning;
Zijn rijk
Werd aan een dorre woestenij gelijk.
Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,
Ligt het vertreden;
Handvol slijk
En smalle kuststrook hield hij van zijn land;
Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.
Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.
Hij bidt. Hij keerde
’t Gelaat
Niet naar rumoer van marktplein en van straat,
Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...
Hij heeft gebeden
En hij gaat,
Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,
Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.