(Welkomstrijm aan „_De Toekomst_.”)
Aan Prof. Sleeswijk, dr. van Vredenburch en Prof. Valckenier Kips,
Redacteuren.
Heil U, hoog erhavene Lieden!
Luistert naar mijn Woord een Wijl,
En gestaat m’ U Lof te bieden,
Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!
Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt,
Te verspreiden Duitschen Geest,
Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijt
Door ’t Gezindel, dat U vreest.
Gij, die Gij zoo groote Dingen
U te onderstaan verzoekt,
Glanzend moge Uw Werk gelingen,
Looft den Pruis — den Brit vervloekt!
Is het ja niet te beduren,
Dat men Pruisische Kultur,
Plaats ze immer aan te vuren,
Hier verkent, als ik ervoer?
Ach, bestreeft U met elkandren,
Keizer Wilhelm trouw ten Dood,
Ons almalig om te andren,
Duitsch te maken, Pruisisch — groot.
Schade, dat niet langst in dezen
Oorde klinkt de Wacht aan Rijn!
Ach! dat waar te schoon gewezen,
Ach! dat heeft niet zullen zijn!
Met begeesteringsvolle Wijding
U ontledigend van Uw Taak,
Teigt G’ in d’ Omslag van Uw Tijding
Schoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.
Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zich
Doch om zoo veel beter, ziet:
D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zich
Lezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?
Ja, ’k verloof m’ U in te laden,
(’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?)
Tuisch den naam om, laat u raden,
Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!
Ach, Uw werk is lievenswaardig,
En gevallig ied’ren Pruis,
Uiterdien bestemd grootaardig,
Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!
’k Vrees mij slechts door andre Proffen,
Schrijvers in Onze Eeuw of Gids,
Wordt naast Uw Vereen van —
Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).
En ’k verwacht zoovoort niet anders
Als dat hier straks even goed
d’ Oorlog _tusschen Nederlanders_
Zooals nu in ’t Uitland, woedt......
Wederig is mij alle tanken
Innerhalf mijn dure land;
’t Bruist een Roep in heetere Klanken:
Wapen neder! Hader bant!
Maar t’ is Tijd om optehooren,
’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs,
Lof zij God, die U verkoren,
Schleswig, Friedenburg en Kiffs!