Geen halfuur geleden kwam ze van de speelplaats in de school, nu staat
ze boven op de stoep, de voeten even over den rand en half in het
opene, alleen.... Ze kijkt, de oogen wijd, ze kijkt naar buiten en
beneden en rondom de groote najaarsstilte tegemoet en in haar hoofd
gaat alles dat gebeurde, nog eens over. Ze zaten nog niet recht en
langzaam zonk en zakte het rumoer van binnenkomen, schoolbegin.... toen
stond ineens een jongen in de deur, de oogen wijd, de mond half open,
zijn arm reikte naar den meester heen.... een toegevouwen blauw
papier.... het was een telegram.... de meester sloeg het uit en woorden
sloeg hij bloot, en las, en plotseling is hun klas als in een
stilte-kuil geploft.... het roezen rondom steeg tot helsch lawaai....
Die stilte.... het wordt wel vaker stil, ineens.... de deurknop draait,
de meester schrikt, zijn hand met het krijt valt neer.... de deur gaat
open, de witte gangmuur in een schemerlicht.... de Schoolopziener, met
een hoogen hoed.... wat blijft er dan nog aan geluid, dat nu vervlood,
wat laat je dan, en nu niet, je aan geluid ontgaan....? Ze voelt en
hoort het nog, het stond als leegte om hun hoofden heen.... een
oogenblik.... en dan, een klinkstap uit de verten van de gang..... die
sneller werd..... en nader kwam.... de bovenmeester.... en ze praatten,
overleiden.... wat was de meester bleek.... ze mochten weg, naar
huis.... In andere klassen ging het leeren door, maar hunne werd er
tusschen uit gesneden, de ramen open, als in het middaguur, de sponzen,
krijtjes, liniaal, pas uitgehaald, geborgen, de dag ineens, als in een
bliksemvaart, aan het eind, en niet begonnen, morgen vroeg.... Een
dood-geboren dag.... Zij bleef het laatst, zij heeft de week, de koude
lucht woei in en stroomde uit de hooge ramen af.... en door de leege,
breede gangen ging ze op de teenen heen met kloppend hart, tusschen de
klompenrijen aan weerszijden, als donkere zoomen langs het patroon van
blauw en wit.... de dichte deuren een na een voorbij, waarachter een
jongen las, een meester praatte.... en aan de knoppen, alweer meer dan
gisteren, en het dubbele van verleden week, de winterkleeren.... grauwe
vanen over het blauw tot op den klompenrand.... er komen er van ver, de
ochtenden zijn koud.
October raakt zijn eind.... een dag of drie.... dan staat November aan
de poort van het jaar.... de late herfst voelt om je heen.... als aan
je lippen voelt een koude, vochte vrucht, een groote pruim met weinig
zoetheid, nagenoeg geen reuk. Als je in de zon staat, op het bruggetje
bij huis.... je kijkt in het water.... boomen zijn daar niet.... je
kunt gelooven dat je in den zomer leeft.... fluweelen strooken mollig
licht, in zilveren randen, frisch gespring van spitse spikkels tusschen
bronzen boorden, die vloeien zoet en zonnig uit.... en in de modderige
luwte van de schoeiïng, uit schemer op, een gouden vonk, een zonnetje,
een zomerkers.... goudgele zonnetjes de blaren ook.... maar keer je om
en ga één stap, je stapt den winter in.... En ’s morgens vroeg is alles
ruig van nat.
De zon schijnt door de klaarten van den dag, zooals bij stil en
vriezend weer door pegels aan de goot, die blikkren vuur, maar blijven
ijs.
Kijk je uit September er naar toe.... wat klinkt October hard en hol en
kaal en koud.... kijk je uit Augustus naar September.... wat klinkt
September laat en bruin en nat en nevelig.... kijk je uit October
achterom.... dan is September honigzoet en blond, fluweelig warm en
licht. Kijk je October uit, November tegemoet.... dat klinkt als ijzige
regen, barre wind.... October klinkt dan stil, nog zomerachtig.... Koud
is October uit September.... warm is October uit November.... het is
met alle dingen zoo.... het is zooals de meester met de bakjes water
deed, één koud, één warm, en een.... en een dat koud was aan de hand
die uit het warme, warm was aan de hand die uit het koude kwam.
Leeg is de speelplaats, groot beschaduwd om één zonneblok.... en geen
geluid, alleen.... er wordt luidop gelezen in de eerste klas, het gaat
op maat, de juffrouw klapt.... wat is dat lang voorbij voor haar, wat
is dat ver.... ze rilt, staat stil.... wat word je groot....! De
meester van de vierde komt aan het raam, zijn mond beweegt.... hij
geeft dictee.... ineens niet meer.... hij ziet haar, wenkt haar van de
plaats.... waarom, ze deed toch niets.... een meester leeft niet als
hij niet verbieden kan....
Niets is zoo vreemd als het veranderen dat de wereld onder schooltijd
doet. Ze is de poort uit, staat op straat.... en hoort er niet en wordt
er niet verwacht en mag er eigenlijk niet wezen en mag niet zien, wat
allemaal gebeurt.... Half tien.... ze staat op straat.... en geen
vacantie.... ook niet ziek.... een weeksche Donderdag! Achter uit
gangetjes komen vrouwen en worden grooter, dikker naar de straat, en
dragen kleedjes om te kloppen uit.... die blijven alle dagen thuis, den
heelen dag.... En kleine kinderen om den groentekar.... ze ging een
half uur geleden hier voorbij en nu alweer, terug, en het licht is
vreemd, de straat is vreemd... en het huis is vreemd... de deur is
dicht, en weet niet wat ze wil.... verwacht haar niet... en kan er
binnen iets veranderd zijn.... het voelt zoo vreemd....
Ja, ze is er weer.... Maar toch niet weggestuurd, niet ziek, niet zij
alleen? Neen, allemaal.... de meester kreeg een telegram.... Wat moet
ze nu? Ze kijkt de kamer rond.... de stoelen staan te hoop
geschoven.... het vloerkleed sâamgelicht, tot in het midden van het
naakte bruine zeil.... en Vader klaar om uit te gaan. Een doelloos,
droef gevoel.... ze leunt aan het raam.... wat ligt het water roerloos
in de sloot, te dik... te moe.... te traag.... de achterhuizen doodsch
en plomp en zwaar-verzakt.... misvormde spiegelingen.... geen
geluid.... de tijd hokt.... en haar hart staat stil...
Wat moet ze nu? Hier loopt ze in den weg. Het beste was, ze ging met
Vader mee! Waarheen? Naar Heilbron, om het sjabbosvleesch te koopen en
alles voor de soep, sigaren.... loterij-lijst nazien.... en op de markt
naar ouden Mousje Fles.
Er springt iets op, er breekt iets los, haar hart tikt en de tijd
schiet in een vaart vooruit.... wat was dat vreemd, als zat je, in een
schuitje, aan den grond, maar het water vliet weer en de schuit loopt
vlot... het is Donderdag, het is markt.... weg doelloos, droef gevoel,
de tijd, die hokte, loopt.... het lijkt, als vaart een tinteling van
leven door de sloot.... en langs de achtereinden.
Ze kijkt naar Vader.... voor Vader is de straat en alles nu gewoon,
maar zij voelt tegengezind de wereld om zich heen. Ze vat het nu: de
klok van negen trekt een streep, neen beter, richt een dikken ribbel
op.... daar mogen kinderen niet overheen....
Een naakte klaarte, en ze staat, ze staart....
„Je kijkt,.... je ziet het niet... je weet niet wat het is?” En Roos en
Schoon aan weerszij aan het raam en beiden lachend, beiden dik. De
achterkamer frisch aan kant, met reuk van koffie en van meubelwas....
maar iets is afgestroopt.... maar iets is weg? Ja zeker, iets is in de
wasch..., dus daarom staat het raam zoo naakt en staart het licht naar
binnen, het water over, klaar en kaal. Ze hoort, veraf en buiten,
karren rijden, hoeven klakken.... het is druk, het is Donderdag.... de
school is droom.... ze hoort, dichtbij en binnen, Vader praten.... ze
hoort het kleverig vleesch, dat neersmakt tegen het blok, dat smakt en
plakt, ’t is zwaar, ’t is malsch, ’t is Sjabbosvleesch, en Heilbron
lacht, met wijde keel, en tante Na komt zoetjes sloffend in.
„Jij niet naar school, jij zoo met Vader mee?”
Ze hoort het dreuntje van de stem nog in haar ooren na, terwijl ze
kijkt.... het lijkt wel of de heele koek aan plakken moet.... Ze
vallen, stapelen, loopen hoog.... Voor Roos en Schoon, voor Ies en
Barend, voor Heilbron en zichzelf, voor Vader en voor haar.... Ze staat
aan het raam en kijkt het water over. Hier zaten ze.... en het was
feest.... het was Rousj-Hasjono.... het was September.... het licht
fluweelig, honig-zoet.... het water jong en blauw.... nu oud en traag,
nu grauwig-zilver onder neveldamp.... en schepen varen langzaam,
zwaar.... het laatste boomblad, aan den overkant, is weg en stil staan
er de huizen, spits, vierkant, aan het witte licht en weten niet meer
wat....
Maar koffie drinken met de groote menschen, op een weekschen
morgen....! De winkel uit, de gang door, komt de kamer dreunend
volgestapt.... de mannen en de zonen, hun praten kaatst in het kale
licht.... de heete, vingerdikke boog springt uit de bruine tuit en in
de witte kopjes stijgt het zwarte snel, de melk er door, de koek op
schoteljes.... zoo warm, zoo prettig, zoo ineens, zoo onverwacht....
een zoete soezigheid.... en nu praat tante Na.... ja, tante Na, ja
zeker, tante Na.... nu luisteren.... want alle mannen, vader, zonen,
knechten, staan om Heilbron heen, de beenen wijd, de koffiekopjes in de
hand.... die boer dacht Heilbron te bedotten, maar Heilbron was dien
boer te slim....!
Het pakje ligt in bruin papier.... de weeke ronding bergt het groote
vleesch, de bobbels zijn de beentjes voor de soep.... wel drie keer,
vier keer, gleed haar denken langs het zachte blauwe goed, bij Roos op
schoot.... een vluchte vraag kwam op en gleed weer af, naar dieper toe
of vloog in ruimten weg, of werd een zoete soezigheid, te traag voor
woorden, als een zwaarte op de oogen.... nu zit het vast en wil ze
ineenen weten....
Krijgt Schoon een nieuwe jurk? Of Roos? En wat een mooie.... is het
zij? Ze staat naast Roos, ze voelt het goed, ze ruikt het.... nieuw
goed ruikt zoet, voelt zacht, doet zoete schommeling door je leden gaan
en in je keel. En Roos kijkt op en lacht.... zoo dichtbij zag ze nooit
nog haar gezicht.... het lacht.... Roos vindt haar lief.... haar
vingertoppen over het zachte goed, de zoete reuk, een blauwe
zilverglans, het gezicht van Roos, dat lacht, vlak bij.... uit alles
bij elkaar een zoete soezigheid, een lichte duizeligheid....
Is het van Grashuis, is het duur en voor wanneer....? Er komt toch nu
geen Jomtof meer? Neen, het jaar is kaal en zwart, want Simchas-touro
was de laatste bloem....
Nu lachen ze allebei en buigen naar elkaar, naar haar, en fluisteren,
elk bij een oor.... het goed is niet voor Roos, is niet voor Schoon....
maar is voor beiden... want beiden hebben zich verloofd... met
broers... en neen, niet uit de Kille hier, van ver vandaan, zij kent ze
niet... maar Sjabbos-veertien-dagen komen ze over, dan is het feest....
en daarvoor zijn de blauwe jurken bestemd en daarom zijn de
raamgordijnen naar den wasch.... En gaan ze dan ook trouwen? Nu lachen
ze allebei luid-op.... je gaat nog maar zoo één-twee-drie niet trouwen!
Het zachte goed, dat koel is aan de vingers, zilverig voor het oog en
zoet onder half-open mond.... de warme hoofden, roode wangen, oogen nat
van lachen, zoo dichtbij en zoo lief.... er loopt een zilverdraad de
toekomst in, ze is gevraagd voor het feest....
De drukte vloeit de straten door, loopt uit en samen op de markt....
zoodat het woelen aldoor dichter, het wemelen bonter wordt, zoodat
rumoer en drukte zwellen naar de wolken tot een blij geweld.
Half-Zondags zijn de vrouwen, als voor de schutterij, maar er is toch
een onderscheid, want dan lachen ze en praten ze, nu loopen ze
zwijgend, de gezichten strak, ook als ze samen gaan.... en de oogen
naar links en rechts over de stalletjes en alles schijnen ze te zien.
Blijven ze staan, dan pakken ze elk ding met de handen beet en tasten
rukkend overal met de vingers tusschen en rommelen alles door elkaar en
fluisteren met elkaar, en kijken den koopman met harde, koude oogen aan
en spreken hem met bitse, wantrouwige stemmen toe en de koopman lacht
niet meer en zingt niet meer en maakt geen grappen meer, en zijn
gezicht lijkt kleiner te worden.... ze heeft daar soms wel tijden bij
staan kijken en merkte dan ineens de dikte van een hekel binnen in zich
aan die vrouwen.... niet altijd, op marktdag maar alleen... omdat ze
dan zoo bazig en zoo redderig zijn, zoo stuursch en zuur....
De oude Mousje Fles zit op een boekenkist, hij leest, zijn baard is dik
en wit, wat zou hij mager wezen zonder baard. Hij zit van de anderen
af, met zijn oogen naar het plantsoen en met zijn rug naar de boeren,
die staan ook met hun ruggen toe naar hem, een haag, een dubbele, drie
dubbele haag van boeren, op zwaar gewortelte van dikke zwarte beenen,
waarachter biggen wriemelen, schapenruggen deinen, waaruit geluid
omhoog gaat van verwoede kippen, van verschrikte eenden en gelach,
geklap, geroep.... de voeten schuiflen en de beenen warrelen en de
heele haag beweegt.... en manden knoersen, kratten knarsen over steenen
dat het koud gaat langs je rug. Zij sluiten als een donkere muur het
marktzicht van de oogen af, al wat je daar te wezen weet, tot aan de
dwarsstraat toe, het lintjes-wapperen, als versiering voor een feest,
het blinken, stralen van de hoeden-bloemen, de tintel-kleuren van de
echte.... maar het geluid komt door.... één slaat met pannendeksels dat
het dreunt.... dat moest je zelf eens mogen doen!
Alleen, apart zit oude Mousje Fles, hij hoort er eigenlijk niet en had
hij geen zorgen, hij zat er ook nooit, maar bleef in het warme nauwe
straatje ginds, waar geleerde heeren zijn kleinen donkeren winkel
binnendalen, twee trapjes af, en oude boeken koopen, die, vreemd
genoeg, soms duurder dan nieuwe boeken zijn.... zelf is hij bijna een
heer en zelf is hij bijna een geleerde, maar zijn vrouw is ziek en zijn
dochter is gebrekkig en zijn zoon is dood, en zijn kleinzoon wil hij
laten leeren.... dat weet ze van Vader, want Vader kent hem goed en
zoekt hem elke week bij zijn stalletje op.
Als met vingers, onzichtbaar en voorzichtig tippend, bladert de wind in
de openliggende boeken dat ze ritselen.... met geluidjes van droog
loof, en tot trillende waaiertjes staan de dunne blaadjes uit,
rechtstandig naar boven, naar rechts, naar links en voegen zich tot
bosjes en vallen toe en vallen af en aan, naar rechts of naar links....
en ritsen sidderend weer op.... en zoo hangt het dus feitelijk van den
wind af, welke blaadjes bloot en boven komen en wat je zonder koopen
kunt te weten komen, van elk boek! Ze heeft zich in het kijken daarnaar
en in het denken daarover zoo verdiept dat ze niets hoorde van wat
Vader en oude Mousje Fles tezamen spraken, maar ze voelt ineens zich
als gewekt nu ze zwijgen en ze merkt dat ze naar haar kijken.
Een helle blauwe flits, die vloog als een vogel omhoog uit de kist, die
komt over de boeken naar haar toe en ze strekt de handen uit.... het
ruikt wat duf, maar heelemaal niet naar, het voelt wat klam en de
bladen zitten stijf als geplakt.... „De Aarde en hare Volkeren”.
Volkeren is toch een mooi, een warm, mollig woord.... Hare Volkeren....
de Volkeren die rondom op de Aarde wonen en die dus Hare Volkeren zijn.
Maar hier leest ze ineens iets dat nog mooier klinkt: „De Kleine Steden
in Toscane en hare Kunstschatten”.... Ook weer: hare.... hare is mooi!
Het boek is groot en zwaar, ze houdt het met één hand tegen den buik en
slaat met de andere blaadjes om. Er tintelen zilverigheidjes tusschen
het fijne, zwarte gestreep van de prentjes, als je er lang op kijkt....
Hier menschjes klein en zwart in schaduw van een machtig-hooge donkere
poort.... eronder: Bas-relief.... en nog weer, hier paleizen, oude
poorten, hoog welvend en er onder telkens: Bas-relief.... Niet
vragen.... rustig bergen bij de dingen die je niet begrijpt....! „De
Kleine Steden in Toscane en hare Kunstschatten”. Het klinkt heel mooi
en diep en wonderlijk.... „Reizen door Sumatra”. Dat is ineens veel
verder dan Toscane, je zoudt het zien, al wist je het niet.... ’t is
Indië, de menschen zijn er zwart en gaan er naakt. „Meisje uit
Soeroelangoen”. Soeroelangoen heeft een mooien klank.... Tos-cane
ook.... Soeroelangoen is anders.... Toscane komt ineens weer dichter
bij.... Het meisje heeft een rond, groot hoofd, een dik gezicht.... wat
staat ze rank en recht, wat is haar lichaam dun.... „Meisje”.... zoo
vreemd.... zoo ver.... zoo’n heel ander wezen, en dat toch als zij en
grooteren, zoo maar gewoon-weg „Meisje” heet. Je zoudt er een anderen
naam voor willen kiezen, maar wat?
O.... dit is mooi....! „De Batang-Hari en de monding van de Potar”....
staat er onder en je ziet heelemaal niets dan water, water dat breed
zich breidt, water dat lang-uit zich strekt, water dat doodstil
uitligt, wijd en vlak en blank, dat overal over uitligt, dat zich
spreidt, naar weerszij verder gaat en niet beweegt, den heelen hemel
vat en wederkaatst, water zonder rimpeling.... water, eenzaam en groot,
water, machtig en verlaten, want nergens varen schepen en van menschen
geen spoor. Noch bruggen, noch huizen.... alleen, ver-weg, tegen een
diepe lucht van zilverig tintelgestreep twee palmen, klein, bij elkaar,
één recht en één scheef, tezamen aan het water dat langs ze stroomt en
waarin ze zich spiegelen. Hoe komen ze zoo ver, en zoo alleen, als uit
een tuin verdwaald, als uit een bosch verjaagd.... staan ze daar jaren
aan dat water, en staren naar dat water, dat jaren staart naar hen....
zoo is dus daarginds op Sumatra de Batang-Hari en de monding van de
Potar....
Leegte in haar handen, leegte in haar oogen, naakte verlatenheid in de
kilte, het blijde geweld van zooeven een schril rumoer onder bleek,
valsch wolkenlicht.... oude Mousje Fles trok haar lachend het boek van
tusschen de vingers en borg het in zijn kist. Het leven hokt.... de
schuit zit aan den grond, ze zou niet willen en niet kunnen voortloopen
naast Vader, als niet vanzelf haar beenen zich verzetten, links voor
rechts en rechts voor links en als je eraan denkt, is het gek, maar
tegelijk.... nu ze er aan denkt, wordt weer stil-aan die zwaarte van
haar weggetild en ergens binnen-in flapt een luikje open, licht en
lichtheid stroomen in.... maar spijt en heimwee blijven op den
achtergrond, naar de Batang-Hari en de monding van de Potar, die ze
even bezat en ineens verloor.
De sigarenwinkelier op den hoek verkoopt behalve sigaren, ook suiker,
koffie en thee, die zullen zeker fijner en wel duurder wezen dan bij
den kruidenier, hij verkoopt ook witte drop. Witte drop is kostbaar
omdat ze, zegt Vader, van Arabische gom wordt gemaakt.... ze weet wel
iets van Arabië, er zijn er meer dan een en één ervan heet Gelukkig
Arabië.... en dat klinkt vol en zoet als muziek en daar groeit zeker de
Arabische gom, waarvan de witte drop wordt gemaakt. Katjes en stokjes
en veters verkoopen ze bij vrouw Kluyt, gomballen bij Hofman, den
drogist, maar witte drop, van Arabische gom, die zie je alleen hier, in
een wijde, tintelende flacon, waarvan de wanden dun als een zeepbel
zijn, hoog op een plank tusschen de fijnste sigaren in. Er brandt een
kacheltje, maar de deur mag openblijven, zoo is het er winter en zomer
al naar je je keert, want er zijn toch nog bloemen ter markt
gebracht.... Heeren en mannen loopen in, langs haar heen, en zoo
vlakbij lijk je jezelf dan klein en hun praten gaat in de hoogte boven
je uit.... het altijd-brandende blauw-gele vlammetje dat uit het ronde,
open mondje stulpt, is het warme, lieve van den winkel, al de heeren en
de mannen houden er tusschen gesplitste lippen hun sigaar naar toe....
Wie koopt er witte drop.... voor wien laat mijnheer Braat tusschen twee
groote open handen den breeden tintelenden flacon kantelen en dalen van
de plank en schudt de ronde blanke plakjes door elkaar dat ze rammelen
tegen den zeepbel-helderen wand....? Zij kijkt de mannen en de heeren
aan, kijkt Vader aan.... maar Vader heeft juist betaald, heeft pas de
sigaren weggeborgen, behalve de eene die, versch-aangestoken, feestgeur
spreidt.... het deksel werd er bij den tintelende diamantknop
uitgelicht.... hij kantelt, in twee handen, over de bruine toonbank
naar haar toe.... de heeren lachen, maken plaats.... praten tegen
Vader.... ze komt dichtbij.... ze mag... ze krijgt... ze gleden af...
ze reiken tot den grooten ronden mond... ze grijpt er een, die koel en
week voelt.... ze staat en kijkt.... de heeren lachen.... en ze wordt
heelemaal warm en steekt hem ineens in haar mond....
Op straat weer, en aan Vaders hand.... en rondzien, dingen aankijken,
menschen aankijken, huizen langs gaan, door menschen aangekeken worden
en onder alles door en binnen in het donker van haar mond verborgen,
wat niemand weet.... die zachtheid.... zoetheid.... fluweelen
streeling.... weekte en geur.... als bloemengeur.... een smaak als
bloemen ruiken.... een heerlijkheid.... de heerlijkheid en het zoete
geluk van Gelukkig Arabië, omdat witte drop wordt gemaakt van Arabische
gom, zoo proef je den smaak van het zoete geluk van Gelukkig Arabië....
als je stil in je zelf „Gelukkig Arabië” denkt, terwijl de witte drop,
ongedacht verkregen heerlijkheid, zoetjes verborgen ligt te smelten in
het vochtige en het donkere van je mond.... Je kunt wel ademen in je
eigen mond.... je lippen vast, je wangen bol en achter uit je keel de
lucht.... dan worden ruiken en proeven één, dan weet je niet meer of je
ruikt of proeft.... Nu lijkt wel alles wat je wenschen kon, vervuld....
en een luchtigheid tilt je.... en je gaan is als huppeling en je geluk
rijst hooger dan zingen-willen, het reikt in een stilte daarboven uit.
Nu moet je alleen maar eens even denken, hoe alles nu zou lijken, als
je niet met je meedroeg, binnen in het vochtig donker van je mond, wat
je nooit had gedacht te zullen proeven, de witte drop van Gelukkig
Arabië....
Maar de ochtend ging om, de torenklok loopt naar twaalf, en wanneer het
nu waar is dat „negen uur” een streep trekt, een ribbel opricht, dan
zal ook „twaalf uur” die streep moeten uitwisschen en dien ribbel
neerhalen, daar wil ze nu op letten. En zie, het geschiedt! Twaalf
slagen kwamen zingend tusschen de scheepsmasten door, langs pijpen en
wimpels, achter pakhuizen om, want het water is hier druk, van de
overkant over, en het gebeurde! Huizen en menschen veranderden op slag
en ze zenden haar een goedkeuring, bijna een welkomst toe, ze mag hier
nu weer loopen, elken dag op dit uur ziet ze de straat en ziet er niets
vreemds aan, ze ziet er nu ook niets vreemds meer aan.
Donker zet zich de middag in. Het werd half twee en haar broertje ging
naar zijn school en zij bleef achter, ze keek naar de klok en naarmate
de wijzer klom, naderde het vreemde, de wijzer overschreed de twaalf en
het vreemde was er weer, maar anders dan vanmorgen, niet alsof ze iets
verbodens deed, maar alsof ze ziek is geweest en niet voor morgen
school mag gaan. De hemel daalt, het huis vult zich met stilte en met
schemering.... rondom in stilte en schemering staat het.... ze zou wel
verwend willen worden, iets krijgen of iets mogen dat je anders niet
krijgt en niet moogt.
Daar vliegt het stuiven van den grooten waterkraan door de geluidlooze
leegte en ze is er al heen.... en ze weet meteen, wat ze begeert....
bij dat werk moeder mogen helpen, of beter, dat werk van moeder
overnemen.... Mag het Vader, mag ze voor dezen eenen keer, nu ze thuis
is, het vleesch koosjer maken? Ze weet precies hoe het moet: een uur in
het water en dan overspoelen frisch en ruim en dan op de baret [5] en
met zout overstrooien en een half uur zoo laten en nog weer spoelen,
het groote, roode vleesch en de kleine stukjes en de beentjes voor de
soep, dat alles zijn beurt krijgt, want dan pas is het koosjer en niet
al, zooals de anderen denken, wanneer het maar bij den koosjeren slager
is gehaald, want dan pas is het bloed er uit, en bloed is „ziel” en
„ziel” zult gij niet eten, zelfs niet wat van je eigen ziel naar buiten
perst door de huid, als je je prikt of snijdt, in groote, donkerroode
parels.... ja, waarom eigenlijk niet, Vader, waarom mag je van je eigen
ziel wat verloren zou gaan niet terugnemen.... het is toch je eigen
ziel, die huist in je eigen bloed? Ja, dat het vies is, daar heeft
moeder gelijk in, ze wil het ook niet doen, ze wil maar enkel weten
waarom het niet mag.... De grijze teil loopt ruischend vol, van hoog
uit valt de stijve straal, die is als een ijzen staaf en boort zich
diep het water in en kolkt het op en woelt het om dat zilveren blaasjes
samenbubbelen tot licht en tintelig schuim.... hoe fel dat neerkomt op
je hand, naar alle kanten wegspat.... maar eer het water stillen
kon.... daar davert weer de straal, ze trok haar hand terug, en een
geweld, dat komt omdat je vlakbij staat en nergens anders op let. Roept
Moeder daar? Genoeg... genoeg.... ze schrikt er van, het steeg ineenen
tot den rand, het springt er dadelijk overheen. Nu moest de kraan eens
niet dicht willen gaan, nu moest die waterstaaf aan het neerslaan
blijven.... Maar neen.... hij kroop terug in het donker, binnen het
koper, tot achter den muur, ’t werd stil, opeens, en het tintelende
schuim vervliegt, nu het water rustig wordt.
De klok is goed voor schoolgaan, uitgaan, slaaptijd, etensuur, maar
Vaders horloge mag alleen den tijd voor heilige en gewijde dingen
meten.... het ligt op tafel, een zachte rondheid van zilver en glas in
het rood.... ze is uit de keuken gekomen, en net als moeder heeft ze
gezegd: „Het vleesch staat in het water, Vader.” En Vader heeft zijn
horloge uitgehaald en voor zich gelegd, het wijst tien minuten voor
half drie. Is het nu tien minuten voor half vier, dan zal Vader zeggen:
„Het vleesch moet uit het water”, want nooit zegt Moeder dat uit
zichzelf, of doet het uit zich zelf, het zal dus tot het voorschrift
hooren, zooals ook bij den Seider „de Heer des Huizes” en hij alleen
bepaalde dingen doet.... Zij zal wel telkens kijken, en wel vragen,
maar wachten met doen op wat Vader zegt....
Het uur duurt lang.... stil, schemerachtig staat het huis, daar buiten
alles stil en schemerachtig is, niet droevig nu, niet doodsch en
doelloos, als vanmorgen, maar met bezigheid van gedachten en
verwachting naar het eind. Hoe laat is het en hoe lang nog, Vader....?
Ze wil nu niet meer kijken, en onverwacht zal het dan komen. „Het
vleesch moet in het zout”. Wie had het verleden week gedacht, dat zij
dat zou mogen, zij dat zou doen?
Ze beurt het tastend uit het troebele, roode, naar omhoog, je ziet geen
bodem, je ziet geen vleesch, het kon een zee zijn honderd meter diep,
waarin de hand verzinkt, waaruit hij opkomt, en weer afdaalt, zelf
onzichtbaar wordt.... den steelnap vat ze beet en schept uit
fonkel-klaren emmer en wendt en keert de eene hand en sproeit en giet
met de andere, vergeet geen hoekje, hoort haar eigen adem, en diamanten
druipen langs haar vingers, langs het verbleekte vleesch, gaan in de
troebele, roode zee verloren met klein getinkel en geruisch en moeder
staat erbij, maar vindt niets aan te merken.... En nu ligt alles bleek
en vochtig uit en krijgt zijn eerlijk deel aan zout....
„Het vleesch staat in het zout, Vader.”
Er was een orgel, er kwam een bedelman, en moeder zette thee.... dit
half uur ijlde langs haar weg en zonder dat ze het voelde, maar Vaders
pen staat plotseling stil en Vaders stem klinkt op: „Het vleesch is
koosjer.” Een kleine schok, een rilling, licht en even maar.... waarom?
Om iets dat voorbij is, en iets dat begint, om een klank in Vaders
stem, omdat Vader nu het horloge weer van de tafel neemt en in zijn
vestzak bergt.... om alles, om niets. Haar deel aan het werk is nu
volbracht, ze droogt de handen, ziet hoe moeder doet. De pan staat al
te vuur en het bleekroode vleesch gaat nu zwellen en wordt grijs en
maakt het reuklooze, kleurlooze water tot geurige, krachtige, vette
bouillon. Dan neemt Moeder het vleesch eruit en het wordt met zout en
peper fijn en licht overstrooid, met muskaatnoot dun en luchtig
overraspt en Moeder komt met de schotel bij Vader staan, dat de geurige
damp tegen Vaders lorgnetglazen slaat en Vader neemt het lorgnet van de
neus en kijkt en Vader zegt: het is goed. Maar dat is nog lang niet en
dan is het licht op en dan is het avond en de avond wijst naar den
Vrijdag heen en de Vrijdag is een vlakke vlugge weg, daar aan het einde
de Sjabboslamp lonkt....