O, dat breien, dat breien... Een weerzin grijpt haar als een weeë hand
midden in de maag, neemt naar boven en naar onder haar lijf in bezit en
slaat het achteruit in haar stoel, haar kleverige heete handen laten af
van de ruige, zwarte kous, die tuimelt langs haar beenen omlaag, de
losse pen rolt hem na met een zacht getink, de pluizig-gespannen draad
trekt de kluw uit haar schoot op den grond, ontspant zich en zinkt als
met een zucht ineen. Slap en wee, als werd je heelemaal los en vochtig,
voelt de tegenzin, maar woede is anders, die kookt in je hoofd, die is
heet en rap.... die stuipt als een bliksem door je lijf.... en ze zit
plotseling weer rechtop, de heete handen tusschen haar knieën tezamen.
Waar staat dan toch ook geschreven, verdorie, dat alle kousen voor alle
jongens van de wereld door hun zusjes moeten worden gebreid....
verdorie.... verdorie.... verdorie.... wie heeft nu eigenlijk die
gemeene wet gemaakt? Ze spelen toch ook maar allemaal baas over je, en
ze plakken je in je stoel en duwen je dat rasperige, vieze tuig in je
handen.... acht naadjes boven je teekje en als het mooi is, zelfs wel
eens tien! En ga je je haasten, dan snijdt de draad in je nagel, en je
rilt over je heele lijf als hoorde je zagen scherpen of een
rechtgehouden griffel grissen over een lei.... of je begint van het
reppen zoo te beven dat je bij het omslaan drie, vier keer de punt van
de breipen mist.... en het benauwde zweet breekt je uit.... en de
steken glippen tusschen je vingers weg.... knoester je die dan maar
weer zoo’n beetje in, dan vallen er knoedels en kuilen, heele
„Jacobs-ladders” in je kous, dat mag dan ook weer niet blijven....
neen, je kunt je met breien niet overhaasten, je kunt onmogelijk je
breitaak maar afraffelen, je moet breien.... hoe zegt juffrouw De Boer
ook weer.... vlug en kalm en met volle attentie....
Pas op het heffen en op het minderen
Brei met lust en zing met vlijt
Vroolijkheid voegt aan de kinderen
Als de arbeid er niet door lijdt.
Wie maar steek op steek laat vallen
En met smart haar taak voltooit
Zou des levens zoet vergallen
En komt aan het einde nooit.
Dat zingen ze, onder het breien.... en moeder kent het ook al. En het
eindigt: „Wie geen goede kous kan breien, wordt nooit een knappe
burgervrouw” Knappe burgervrouw.... knappe burgervrouw.... Neen,
gerust, daar zou je het om doen.... neen, maar daar doe je veel voor om
een knappe burgervrouw te worden.... knappe burgervrouw.... zeker
eentje met zoo’n zwarte wollen balletjes-muts. Knappe.... knappe....
knappe.... knap-koek.... die kosten een cent en ze glimmen en hebben
overal kapotte blaren en in het midden zit een amandel.... maar het
smaakt meer naar een schijfje kurk of een plakje hout.
Hè, nu is ze wel weer lekker afgekoeld en gekalmeerd.... en ze kijkt
eens over den rechten hoek van haar knieën, want haar voeten staan op
een hooge stoof, ze ziet op den grond de kous, het lange rechte stuk
dat een kous worden moet.... aan het zilveren driehoek-figuurtje met
uitstekende punten.... hij lijkt wel in het water gevallen en
verdronken.... hij lijkt wel van het dak gevallen en morsdood.... hei,
zeg, leef je nog.... leef je nog, slappe Tinus....? Als een heele dunne
kettingbrug rijst de draad omhoog en hangt als met haren haakjes een
eindweegs aan haar rok gehecht en daalt weer naar de kluw.... geef je
er een rukje aan, dan.... hei zeg, slappe Tinus.... hij schrikt zich
dood.... maar je schrikt ook zelf.... alsof een dood beest vlak voor je
voeten weer leven ging.... haar hart ging er heelemaal van kloppen. „De
drenkeling werd op het droge gehaald....” dat lees je in de krant....
één keer heeft ze het bijna zelfs gezien.... achter het
politie-bureau.... je palmt met twee handen je touw.... daar komt
hij.... hij sleept door het water, hij gaat de hoogte in.... hij zweeft
bungelend tusschen hemel en aarde.... en je hebt hem op schoot.... ah
bah.... ah bah.... het is die misselijke breikous maar....
Vier, bijna vijf naadjes boven het teekje heeft ze al, had ze al, toen
ze er ineens zoo verschrikkelijk genoeg van kreeg, dat ze niet meer
kon.... drie naadjes nog en ze is klaar, maar haar lijf zit vol hekel,
tot hoog in haar keel.... kijk nu toch ook eens even wat een keep
schuin-onder over je wijsvinger, en de glooiing naar je duim heelemaal
zwart.... en door de smalle kier van het venster kruipt zoetjes een
zoele wind naar je toe en aait je wangen en lijkt je naar buiten te
roepen.... en buiten schijnt nu de zon, ofschoon het al October is....
en het is zoo stil.... je zoudt gewoon niet gelooven dat het
Woensdagmiddag was.... Geen jongen op het pad.... ze zijn ver weg en
zij mag hier zitten breien.... ze zijn naar de haven, haar broertje
ook.... en zij mag zijn kousen breien.... ze zijn naar de haven, want
van morgen op school vertelde Meindert Kools, en die weet het, want
zijn vader is balkenvlotter, dat alle kinderen die maar willen op de
„Haydarabad” mogen—, die ontzaglijke Indische boot, die eergister-avond
laat in donker, toen iedereen al sliep, vol ongepelde rijst de haven is
binnengeloopen.... De jolletjes, waarmee de bruine mannen over het
blauwe water naar den oever komen, nemen de jongens bij troepen mee
terug en die mogen overal vrij rondloopen, die mogen alles zien.... en
ze krijgen de brokken scheepsbeschuit bij handen vol.... Meindert Kools
bracht van morgen een heele mee, dik en glad van boven en met gaatjes
als matsos.... die met de boot uit Indië is gekomen.... en dan brengt
een jol ze weer terug.... en soms staan ze met de bruine mannen, en
vlak naast de bruine mannen, in hetzelfde schuitje....
Daar zijn ze nu allemaal heen en zij moet breien, en moest ze niet
breien, dan mocht het toch nog niet, omdat het voor meisjes geen pas
geeft.... En dat zou ze nu toch eindelijk ook wel eens willen weten....
waar dàt geschreven staat en wie die wet maakte, dat jongens maar alles
mogen en meisjes niet.... verdorie.... verdorie.... en waarom zij
dan.... verdorie.... juist een meisje moest zijn.... om kousen te
breien en niet op de Indische boot te mogen.
Als je denkt dat iets strak gespannen zit.... kun je het toch nog
makkelijk tot een boogje rekken.... een bruggetje wordt het teekje, nu
ze het oplicht met haar pen.... het zit flink stevig.... moeder heeft
het erin vastgebreid.... ai.... het komt eruit.... het is er uit....
het ligt als een klein groen slangetje boven-op de kous.... je kunt het
laten omvallen en rondkronkelen.... Zou nu iemand in staat zijn om te
zien wat ze vandaag heeft gebreid en wat gisteren en de vorige
dagen....? Wel neen, want het teekje is immers weg.... Die ribbel....
maar dat lijkt zoo, omdat zij het weet.... zulke ribbels zijn overal...
Hoe krijg je je teekje er weer in.... hoe doet moeder dat eigenlijk?
Het rolde heelemaal naar onderen af.... tot bij de geribde boord,
verbeeld je eens even dat ze dat heele stuk vanmiddag had gebreid....
de pen is een zware, lange, zilveren staaf.... die reikt ze naar de
groene slang.... asjeblieft hier, groene slang.... het is een giftige
zie je, je kunt niet te voorzichtig zijn.... neen stil.... het is een
teekje... en hier zat het.... en ze heeft, laat eens tellen.... ze
heeft acht naadjes gebreid vanmiddag.... precies haar taak.... Vast
wurmen met de pen, alleen maar voor de grap.... dat het net zoo stevig
zit als moeder het insloeg.... geen zweem, geen pluis, geen gaping meer
waar het wezenlijk gezeten heeft.... en, zóó dicht bij de hiel, geen
merkbaar verschil in de lengte van het overige deel.... Wie nu niet
beter wist.... haar heele taak lijkt af.... Stil zitten laten....? Stil
zitten laten en lekker wegloopen....? Moeder is bij overbuurvrouw Spoel
op kraamvisite.... en ze mocht buiten gaan spelen als ze klaar was. Zoo
kom je gauw en makkelijk klaar.... je hoeft niet steek voor steek en
toer voor toer te breien.... je verlegt eenvoudig je teekje naar
onderen.... Je kunt het natuurlijk niet altijd zoo doen, nu ja, je wilt
het ook niet altijd zoo doen.
De wind blaast van den havenkant, koeler en schrieler dan toen ze
binnen zat, hij heeft geen reuk, hij komt uit open klaarten en wijde
ruimten, er bloeien nergens bloemen meer. Zoo is October, alles is
klaar en koel, en klaar en koel schijnt er de zon doorheen uit het
zware, strakgespannen blauw, en alles lijkt overal zoo ruim en wijd
door de ijlheid van de boomen, nu bijna bladerloos.
Het is al niet meer vroeg, ze zal de jongens op den thuisweg
tegenkomen.... ze zal van de „Haydarabad” alles hooren.... den hoek
om.... en ze ziet ze vast.... maar neen.... ze loopt al op den dijk, ze
is al dichter bij de haven dan bij huis.... ze ziet de schepen en het
water in de laagte tot de verre bocht. Een bruine rand zoomt langs het
blauwe water, de boomen maken met hun beetje loof een groot vertoon....
een goudig-groene franje is het riet.
De jongens staan er nog, en lijken bijna in het riet verzonken.... zoo
hunkeren ze over het water naar de boot.... je ziet het eer je het
weet—ze zijn nog niet geweest.... Of komen ze er alweer vandaan?
Neen.... neen.... het duurt wel lang.... maar het gaat gebeuren.... er
waren er te veel voor ééns.... de grooteren gingen voor, die zijn er
nu.... en blijven maar... je ziet ze loopen.... kijk.... Klaas Dral....
en Meindert Kools.... ze beenen langs den rand, hoog, hoog, hoog op het
hooge schip.... maar komen die terug, dan mogen zij!
Ze staat en kijkt.... kijkt voor zich uit.... kijkt verder heen.... en
kijkt haar weg terug.... Hoe staat ze hier ineens.... hoe kwam ze hier
ineens.... ze zat daar net nog thuis.... ze wist niet.... wilde niet.
Of Moeder goedvond dat ze ging? Stt.... Moeder weet van niets.... ze
was ook niets van plan, ze wou hem tegemoet.... nu staat ze hier....
In stooten komt de wind het water over, droog, somber ritst het
najaarsriet.... veel blauwer dan de hemel is het water, een woelig,
zwaar, een bijna-angstig blauw.... dat diepten, koud en peilloos, vol
geheim lijkt af te dekken.... het klotst in het riet, het botst van
onder bits en kort de dikke halmen dat ze schokken, hun pluimen zwaaien
bovenuit, wilder gedreven door water dan door wind.... het drijft het
trillend schuim tezaam en klutst het tot een vette, gele pap, die
lillend, dieper in de halmen dringt en daar tot stilstand komt. Ze
staan vlakbij, vlak achter het riet, zoo dicht ze kunnen bij de boot,
ze staan veel lager dan de weg, veel hooger lijkt de stille, grijze
boot en trekt ze bij van elk twee strakke oogen, bij van elk een groot
verlangen naar zich toe....
Ze komen.... ze komen.... het bootje ving ze een voor een onder de
groote, schuine trap.... het maakt zich los en komt nu schommelend het
schommelend water over, en dijt geleidelijk in de zijden uit.... die
bruine roeier heeft maar kracht.... Hoera.... Hoera.... de modder sopt,
zooals hun voeten dansend trappelen.... Hoera.... hoera.... en was het
eenig.... was het mooi....? Ze lachen, zwaaien de armen, toonen
scheepsbeschuit.... zoo’n blank stuk aan een witte hand is mooi in al
dat blauw.... De bruine roeier wendt het hoofd, de witte blinkstreep
van zijn tanden maakt hij bloot, hij lacht....
Nu zij.... nu zij.... pas op, de anderen eerst eraf.... ze houdt haar
broertje aan zijn hes terug.... pas op.... pas op.... De grooten
springen een voor een aan wal.... hun armen breiden het ritselig riet
uiteen.... hun knieën buigen ze.... de modder smakt.... één
glibbert.... ligt voorover op zijn buik, maar lacht.... En mochten ze
alles.... mochten ze overal....? O ja.... ruim in, ruim uit, trap op,
trap af.... Hoe is het er....? hoe is het er....? Een dorp, een stad,
een wereld bij elkaar.... veel, veel meer dan je denken, dan je
onthouden kunt.... Hoera.... hoera.... pas op.... pas op....
voorzichtig.... één voor één.... niet op den rand.... de bruine roeier
sloeg zijn hand in het riet en houdt het bootje recht en keert den
blooten blinkstreep van zijn tanden naar ze op. Over den rand
ineens.... hup een.... hup twee.... sprong bijna mis, je hoorde zijn
hakken klakkeren.... hup drie.... hup allemaal.... en allemaal lachend,
allemaal op een hoop.... en zij alleen staat aan het water, staat
alleen.... De bruine roeier vaart niet weg.... zijn hand blijft in het
riet.... hij kijkt haar aan.... hij lacht.... wenkt met zijn hoofd....
waarom blijft zij daar staan.... waarom vaart zij niet mee....?
Ze dacht niet meer.... ze nam den sprong.... het water spat tot tegen
haar gezicht, ze staat tusschen de jongens in het enge
schuitjesdiep.... rondom vlak bij is het water, woelig, zwaar en
blauw.... geen handbreed van den rand, het schuitje als een kuil er in
geduwd.... de schuimfiguren zijn als dungespreide sluiers.... die
slinken rekkend tot hun uiterste, verstrooien zich en gaan teloor....
maar nieuwe sluiers weven zich uit flarden, die sidderen aan en zoetjes
hechten in elkaar.
Het stadje wordt een vreemde stad voor haar wijdkijkende oogen.... het
is als de schuifprent op het orgel van Jan Stap.... blauw water op den
voorgrond, daar als hier.... en rood en wit tusschen het
boomengroen.... en torens ook.... maar daar meest lager, dikker,
somber-ruig begroeid.... en het wonderlijkste, mooiste, daar als hier,
dat anders worden, openbreken.... het langzaam naderen.... vol in het
oog zijn.... en verdwijnen.... en al dat vreemde in een stadje waar je
woont.... Je hoofd verdeelt den wind, één stroom ijlt fluisterend
verder langs elk oor en overal geplapper tusschen stil, strak
hemelblauw en zwaarder woelig waterblauw.
De jol gaat op den grijzen bergmuur af, die breidt zich breeder, rijst
al hooger.... je ligt heel laag, heel laag, rondom in het water, in je
enge schuitjeskuil, je moet je hoofd ver achterover buigen om boven het
hooge grijze nog het blauw te zien.... je ziet het ver.... je ziet er
tegen-aan een rij van vier, vijf donkere koppen naast elkaar, dat
lijken groote chocolade-flikken, in elk de blinkend witte tandenstreep.
De trap hangt af, hangt bot tot op het water neer, maar komt nu in het
schuitje als een voet vooruitgeschoven.... wat ijlt hij steil omhoog,
langs het morsig grijs—dat leek veel klaarder en de trap veel schuiner
van den wal—wat ijlt hij steil, wat is hij smal en leuningloos, een
ribbeltje.... een rij van streepjes die het blauwsel-blauwe,
rag-besluierde in smalle vakjes deelen, geen ander steunsel dan die
kale romp, rond als een plompe buik, die nergens houvast biedt....
Zwevende weeë leegten diep in de maag, warme knikkingen door de beenen,
klukkingen in de keel en om het hart.... streepje voor streepje als
loop je op water.... met niets onder je voeten.... en de beenen al
zwaarder.... de leden al stroever.... het lijf al stugger, houterig van
bangheid.... achter de jongens aan.... in haar ooren een groot
gesuis.... doorplapperd van den wind en het watergeklots dat al dieper
zinkt en slinkt.... en langs haar rug het roepen van hoog boven waar de
koppen hangen als chocolade-flikken, als donkere volle-manen
onder-tegen het blauw, het roepen naar den roeier die in het schuitje
achterbleef..... en de oogen, troebel, in verschietende wazigheden
vooruit.... star vooruit.... want kijk je links, dan is er het bloote,
blauwe water, strak naast je, vlak aan je, waar je kaal tegen aan
staat, zonder scheiding of schut.... en kijk je rechts dan is er die
grijze romp, die ronde buik, die geen eind heeft, die zich uitbreidt,
breed en hoog, die gesloten wand, waartegen je bang komt opgekropen....
en die lijkt je van zich af en in het water te willen stooten om dan
zelf over je heen te storten.... En omhoog kijken durft ze ook niet....
en niets leeft er meer, en geen vin roert er meer aan haar dan de al
zwaarder beenen, de al stroever voeten, al het overige verstold,
verstokt.... tot ze dan eindelijk boven het morsig grijs van dien
eindeloozen wand luchten en hemelen uitbreken ziet en haar hoofd reikt
vrij in de ruimten vooruit, dan haar lijf.... en nu staat ze, verstomd,
voor die nieuwe, wonderlijke bovenwereld.... waar alles blinkt en
plappert... en vlak bij haar hangen over de verschansing de mannen,
waarvan ze daareven de donkere gezichten zag hoog boven zich
onder-tegen het donkere hemelblauw, als volle-manen, als groote
chocolade-flikken met blinkend-witten tandenstreep....
Die geweldige, achterover-hellende torens, dikker dan de dikste boom,
met klinknagels als groote knoopen, in de geelbruine verf verzonken en
verstompt, zijn dat de schoorsteen-pijpen.... en wat beduiden die
gebogen buizen als kelen van beesten, die daaronder verborgen zitten,
brekend uit den planken vloer, wijd-open kelen en wijd-open muilen,
waaruit je woest geschreeuw verwacht.... en wat beduidt dit hier, dat
daar, en alles met elkaar....? Duizelingen geven haar flapperwind en
flikkerzon, duizelingen zendt haar van onder-op het water.... Ze loopt
maar her en der met het jongenstroepje, en niemand weet waar het eerst
en wat het liefst, je moogt nog hooger, je kunt veel lager, je kunt ook
over de verschansing kijken. Dan voel je hoog en wonderlijk je in die
hooge, wonderlijke wereld staan.... die kwam maar even en gaat weer
heen.... dan kijk je naar wat blijft, het bierhuis aan den weg, den
spoordijk en de polders over.... Je ziet de groote, donkere schaduw
over het water, waarin het bootje ligt en spat en plast heel klein,
heel laag, de zware schaduw die het blauwe zwart doet lijken.... en op
het uiterst randje van die schaduw, in een vloeiend-vagen zoom....
je-zelf, je-zelf.... o kijk.... het schuift als je beweegt.... je bent
het zelf.... zoo ver was nooit haar schaduw van haar af.... zoo eenzaam
van haar los.... Maar daarvoor is ze niet gekomen....
Bruine mannetjes loopen overal rond, lijken van leuninglooze trapjes af
te rollen zoo vlug, schieten achter deurtjes, boven diepten voor den
dag, roepen, praten, lachen.... lijken allemaal op elkaar.... je vraagt
je af hoe ze zichzelf uit elkaar kunnen houden. Dit sissen....
knetteren.... knappen, ineens vlak-bij, komt weer een ander open
deurtje uit, en een warme walm, en een lekkere lucht van uien in heet
vet.... daar staan er twee in wat een klein, halfdonker keukentje
lijkt.... een heeft er om een lang, dun mes zijn bruine hand gevuist,
hij kerft en snijdt de blanke uien, het rauwe, roode vleesch en houdt
met de andere hand in vollen greep de brokjes bij elkaar.... de andere
kijkt maar toe en allebei praten.... en alles gaat zoo vlug, zoo vlug,
het kerven, zie nu toch dat rappe grijpen naar de peperbus, dat radde
strooien, door elkander werken, en weer strooien.... en hun mond staat
geen seconde stil.... aldoor dat lachen en die vreemde taal vol
vreemden, diepen klank, aldoor dat tandgeblink. Wat haakt hij nu weer
van den wand.... wat hangt er allemaal.... wat staat er op de plank....
wat wonderlijk gerei.... roetzwarte potjes op lage pootjes... lepels...
vreemdgevormd en scheef... het vleesch, de uien gingen in de pot, die
niet meer knettert, spat en sist, domp en gesmoord te pruttelen
staat.... en lekker ruikt, maar scherp, bij vleugen zoet en vreemd....
Ze heeft de jongens uit het oog verloren.... ze hoort ze loopen ergens
onder zich, een stommelen, hol, alsof ze over kelderruimten gingen....
ze staat alleen en staart en soest.... waar is dit toch.... wat is dit
toch.... Een wereld boven de andere uit.... een top... een dak....
ineenen weet ze het: een hoogvlakte is dit waarop ze staat, een
hoogvlakte van planken, planken, planken en elke plank is breeder dan
de lengte van haar voet.... de planken liggen over ruimten, de luiken
dekken donkere holten af, de trappen leiden in het diepe onbekende....
en alleszamen is de boot, die „Haydarabad” heet, die over het blauwe
water zwarte schaduw slaat.... en waar het water ophoudt is het riet,
de boomen, de spoordijk en het uitgeoogste land....
Een scheeve deur hangt over hoogen drempel half naar binnen open....
een waterig schemerlicht.... een zoete, zware reuk.... ze kent dat
mensch.... dat lange, dunne mensch.... dat magere gezicht.... het roode
pluishaar uit den zwarten hoed, in bonte zijden kleeren door de
week.... de witte, bloote hals, die bolt naar voren als een krop en
glooit terug in schaduwhol waarin het medaillon aan zwart fluweelen
band bij elk bewegen buitelingen maakt.... en midden in de kin dien
weeken, misselijken deuk, als had ze er twee.... haar mond naar voren
tot een dorren, dikken knop.... ze kent dat mensch.... de tweede
dochter uit het bierhuis aan den dijk, dat achter boomen diep in
schaduw staat, welks ruiten onder vlaggen weggeschilderd zijn,
uitheemsche, vierendeelde, rood-en-blauw-bekruist en goud besterd,
gestreept als stangen pepermunt.... aan bruine stokjes overhoeks
gekruist.... Daar woont ze.... en hoe komt ze hier.... wat moet ze met
dien dikken, rooden man....?
Ze keken op.... ze glipte vlug de deur voorbij.... en hoort hem
dichtslaan in het slikkend slot....
Oh.... eindelijk... gelukkig... daar, den heelen anderen kant, daar
rijzen ze naar boven uit een luik.... verschijnen een voor een.... nu
gauw er heen.... maar gauw, ze loopen van haar af.... ze zijn den hoek
al om en weg....
Er staan twee mannen aan den rand geleund, den rug naar het water en
die het dichtste bij is ziet haar komen, ziet haar tegemoet.... hij
stoot den andere aan, die kijkt nu ook.... de witte streep breekt uit
zijn bruin gezicht, dat was zooeven strak en dicht.... ze is
vlak-bij.... en voelt zich plotseling bang.... als in het donker....
als in schemer-grauwen droom.... door engten langs een afgrond....
zoodat je rug verkrimpt.... tusschen de schouderbladen.... haar beenen
stokken plotseling.... maar ze moet voorbij.... ze lachen, werpen
doffe, diepe klanken naar haar uit, haar tegemoet, en het vreemde is
dat ze niets verstaat en toch zich gloeiend rood voelt worden.... Ze
kan niet verder.... ze blijft staan, de eene, die haar het eerste zag,
komt van den rand, komt naar haar toe.... zijn hand is om haar arm, hij
buigt zijn lachend hoofd naar haar gezicht.... ze voelt de hitte van
zijn hand.... ze voelt de hitte van zijn zoo dicht bij haar staan....
ze ruikt hem.... en wat ruikt hij vreemd en akelig-muf....
Ze denkt aan niets, ze rukt zich weg.... ze loopt.... ze loopt....
recht voor zich uit.... de heete hand knelt om haar arm.... de muffe
lucht drong in haar keel.... en achter haar de doffe, diepe klanken van
hun lachen....
O, weg.... weg.... weg.... naar huis.... naar huis.... het blauwe water
over naar den wal.... het riet, de boomen.... huizen.... al het
bekende.... maar weg.... weg.... weg.... Dáár.... dáár.... zoo vlak
bij, waar ze niet kan komen, niet alleen, niet zonder hen, niet anders
dan in het schuitje en met weer zoo’n man.... en honderden zijn
hier.... sluipen uit elke deur.... springen van elke trap.... stijgen
boven ieder luik.... en griezel, gruwel zijn ze allemaal....
Boven de hemel, rondom het water, dicht-bij de wal maar onbereikbaar
als uren ver.... en zij hier gevangen, zij hier hoog boven op de
hoogvlakte van planken en deuren, trappen, luiken, schoorsteenpijpen,
beesten-kelen.... opgesloten, gevangen.... komt ze ooit hier weg....
zal ze ooit weer daar op den weg, tusschen de boomen loopen? Er gaat
een vader met twee meisjes langs, die blijven even staan en jongens
kijken uit het riet.... en mogelijk zien ze haar.... zooals zij straks
de anderen zag.... Klaas Dral.... en Meindert Kools.... en ze
benijdde.... nu benijdt ze die daar loopen op den weg en haakt er
heen.... En nooit meer.... nooit meer....
Ze stond en keek en vatte alles in het verlangen van haar oogen.....
den vasten weg.... de menschen die er gaan.... ze zag het alles, nu
niet meer.... er was iets anders.... is iets anders.... Ze dacht...
„nooit meer... nooit meer....” nu weet ze het.... nu voelt ze het
ineens en vast.... Dus dáárom.... dáárom mag het niet dat meisjes op de
schepen komen....