Is Vader niet thuis? Komt Vader niet aan tafel? Neen.... Vader is naar
de groote Stad. Dat gebeurt wel meer, maar vandaag is er een bijzondere
reden voor; ze zien het, ze voelen het.... Is het prettig of naar?
Moeder hoeft al niets meer te zeggen, ze kennen moeders gezicht al zoo
lang. Zij kijken elkaar aan en moeten dan ineens hardop lachen: als je
over iets verbaasd bent, of over iets nadenkt, trek je altijd zoo’n
mal-suffe snoet, dat zie je niet van jezelf, maar wel van een ander, nu
zagen ze het van elkaar, precies op hetzelfde oogenblik.
Om een prettige reden dus is Vader naar de stad. Er liggen in de verte
veel prettige dingen: kijk je over de dagen naar het eind van de maand,
dan zie je de kermis, kijk je achter langs de kermis om dan zie je een
groote week verder, „Rousj Hasjono”, maar dat lijkt veel verder, want
ertusschen ligt de scheiding tusschen zomer en herfst, altijd, al valt
het nog zoo vroeg. Vader zal toch niet nu al om vijgen en dadels en
rozijnen en amandelen te koopen naar de stad zijn gegaan? Neen, Moeders
gezicht blijft naar lachen staan. Weer denken.... Maar heeft het
dan.... en ze opperen het aarzelend, want ze begrijpen zelf niet hoe
het zou zijn.... heeft het dan misschien iets te maken met wat de
laatste maanden in huis is gebeurd en wat ze niet weten mochten?
Avond-aan-avond zat Vader alleen in de voorkamer, van dadelijk na
broodeten, tot donker toe.... ze mochten niet binnenkomen, niet
storen.... maar toch hebben ze, buiten spelend, menigmaal door het raam
gezien hoe Vader bij de tafel zat en altijd door op groote vellen
schreef.... en een paar keer hebben ze Moeder zien binnenkomen en naar
Vader gaan en over Vaders schouder in de papieren kijken, dan praatte
Vader achterom naar Moeder op.... Ook hebben ze Vader eens de papieren
weg zien bergen, ze gingen in een groot, glad bruin pak.... maar sinds
een week, heeft Vader niet meer ’s avonds in de voorkamer gezeten en op
de vellen papier geschreven. Is dat niet allemaal zoo, Moeder....? Ja,
dat is allemaal zoo en het heeft er óók mee te maken dat Vader vandaag
naar de stad is gegaan, dat voelen ze, dat zien ze aan Moeders gezicht.
Maar hoe....? Wat is het....? Hoe zit het aan elkaar....?
Vader heeft.... Wat zei Moeder daar nu? Heeft Vader een Boek
geschreven? Een echt boek, een boek dat je lezen kunt? Op die groote,
witte vellen papier....? Ja, en verleden week was het af.... en toen
heeft Vader het in het bruine papier gepakt.... en naar de stad
gestuurd.... En vanmorgen kwam er een brief, juist toen zij naar school
waren, en Vader is met de boot van tienen weggegaan en komt vanmiddag
met de boot van halfzes terug....
O, wat willen ze nu ineens veel vragen, hun borst zit plotseling vol
vragen, een dikke prop van vragen, maar juist als wanneer je soms
allemaal het eerst de smalle deur in dringen wilt van ’t Joodsche
school—je duwt elkaar opzij, en niemand komt erin.... en zoo ook nu....
omdat ze alles tegelijk zouden willen vragen, vragen ze niets.... staan
stokstijf stil en kijken elkaar aan.
Vader heeft een Boek geschreven.... Dat Vader ontzaglijk knap is, dat
wisten ze wel—zou Vader anders vier beroepen kunnen hebben?—maar een
Boek, een Boek.... En wat voor boek, Moeder—? En komt het hier in huis
en mogen we het lezen....? Ja, elke week komt er een stuk van in huis,
in het „Joodsche Familieblad”, want het is een feuilleton.... O, een
feuilleton.... En staat er dan ook telkens „Wordt Vervolgd” onder? Ja,
en Vader zal de feuilletons uitknippen en dan hebben ze het heele boek,
Hoe heet het boek? Staat Vaders naam erop? En mogen de andere menschen
het weten? Ze vragen beurt om beurt en voelen toch dat ze het rechte
nog niet vragen.... want de prop blijft precies even dik in hun borst.
Weet Moeder wat er in staat? Heeft Moeder het gelezen?
Ja, en het is prachtig, Moeder heeft erom gehuild. Is het dan zoo
droevig? Neen, maar het is „aangrijpend.” En hoe heet het, Moeder, hoe
heet het? Zoo, nu wordt gaandeweg de prop iets minder dik en
benauwend.... hoe heet het toch, Moeder? Moeder weet eigenlijk niet of
ze dat wel zeggen mag, of ze er zelfs wel zooveel van vertellen mag.
Ach toe, alsjeblieft, laat Moeder het toch maar doen. Hun harten
trillen, het wordt ineens stil in de kamer.... Vaders boek heet
„Christenhaat en Jodenwraak.” O, en Moeder, och toe alsjeblieft, waar
is het over? Het is.... och, neen, onmogelijk, dat Moeder dat allemaal
zoo maar vertellen kan. Iets dan tenminste, een klein beetje toch
maar.... Nu dan.... de hoofdzaak is dit, dat er een trotsch, voornaam
heer, een Christen-heer in voorkomt, en die wil niet dat zijn zoon met
de dochter van Rebbe Salomon ben Adazja trouwt.... Maar dat mag toch
ook niet, dat zou toch precies zoo zijn, als de zoon van Mol, en dat
wou Vader toen zelf niet hebben! Ja, maar Alonzo had Jood willen worden
en zelfs Rabbijn, en hij las in den Talmud alle avonden met Rebbe
Salomon, maar Rebbe Salomon las den Talmud tot diep in den nacht. Dan
was de heele wereld stil.... en zoo heeft hij de roovers verstaan, die
fluisterden in de donkere straat, achter zijn woning, hij heeft gehoord
dat ze den Vader van Alonzo willen overvallen en plunderen en
vermoorden... en... die vader van Alonzo.... was zijn verbitterde
vijand.... die had Rebbe Salomon bij het Gerecht aangeklaagd.... en
zijn leven was in gevaar en ook van zijn vrouw, en Rebecca zou haar
verdere dagen in een klooster moeten slijten.... en Rebbe Salomon wist
dat allemaal... want Alonzo had hem ervoor gewaarschuwd.... en hij....
hij is uit zijn huis geslopen.... en op straat gegaan.... waar de
roovers liepen.... naar het huis.... en heeft den Edelman gewekt....
het was juist bijtijds.... want de roovers waren al in aantocht, langs
een korteren weg.... en ze hebben de roovers gevangen genomen en die
zijn toen allemaal.... Ja, naar Alonzo? Mocht hij daarna Jood worden?
Mocht hij met Rebecca trouwen? Werden Rebbe Salomon en de Edelman later
goede vrienden? Ja, alles kwam in orde maar de trotsche Moeder kon het
niet verkroppen.... en ze stierf weldra van woede en spijt. Net goed!
En staat dat allemaal in Vaders boek? Nog veel meer, dat moeder zoo
gauw niet kon vertellen, dat Moeder ook zoo precies niet meer weet. En
is het echt gebeurd? Ja, heel lang geleden, in den ouden tijd. Hoe kan
dat nu, daar kan Vader dan toch niet bij zijn geweest! Natuurlijk
niet—, maar Vader heeft zich in den ouden tijd verplaatst. O, kan dat,
kan iemand zichzelf verplaatsen? Dus het is heel lang geleden? Dan
dragen de menschen ook zeker gewaden in plaats van kleeren? Ja,
prachtige gewaden draagt vooral de Edelman en hij woont in een
paleis-achtig huis, met een plat dak en een tuin waar granaatappelen en
dadelpalmen bloeien.... Maar, Moeder, waar is dat dan allemaal? In
Spanje.... in een stad die Zaragossa heet.... O, hoe mooi, hoe prachtig
klinkt dat.... Zaragossa! Heeft Vader zich dan ook naar die stad
verplaatst?
Ze zijn weer stil en slikken, en ademen diep.... de prop zit er nog,
als moesten ze met vragen nog bijna beginnen en toch zit hun hoofd al
vol van alles wat moeder ze heeft verteld. Er is wel even een zoete
zinking.... Staat dat nu allemaal op die groote vellen, Moeder, in het
bruine pak? En wat gebeurt er dan verder, hoe wordt dat dan een
feuilleton in het „Joodsch Familieblad.”? Vader heeft het toch immers
naar den Uitgever gestuurd! Een úítgever.... Is dat ook al een apart
beroep? En kun je dan nog wat anders uitgeven dan geld? Hè, waarom zou
dat nu zoo moeilijk om uit te leggen zijn? Laat Moeder het maar eens
probeeren, ze zullen goed luisteren en best alles begrijpen.... Wat is
een uitgever? Dat is de mijnheer, waar de krant van hoort.... De
Uitgever van het Joodsch Familieblad heet mijnheer.... Moeder kan
ineens op den naam niet komen.... Wacht maar even, wacht maar even....
waar is de krant van verleden week.... het staat er altijd bovenop....
kijk.... hier: „Rosenstein en Van Gelder”, het zijn er wel twee,
Moeder! Neen, dat is de Firma. Hè...? Toch maar weer niet vragen,
liever doen of ze alles begrijpen wat Moeder zegt. De Firma, juist!
Stil, moeder weet het al, de uitgever heet mijnheer Wittelsthal, en
diezelfde mijnheer Wittelsthal....
Daar gaat de bel.... dat zal de eierenboer zijn en moeder moet naar hem
toe, dat duurt, met uitzoeken en rekenen en tellen, meestal een heele
poos! De klok slaat, het is half twee en gelukkig Woensdagmiddag. Denk
eens even, dat we nu naar school moesten.... we zouden toch onmogelijk
kunnen opletten.... we zouden toch zeker aldoor aan Vaders Boek moeten
denken.... en aan Zaragossa.... en aan den edelen Rabbijn Salomon ben
Adazja.... Dat Vader zoo iets bedenken kon en dat het een feuilleton
wordt, zoo’n echt, met „Wordt Vervolgd” eronder.... Vader is ontzaglijk
knap, dat wisten ze.... laatst heeft Vader ook iets geschreven, dat in
de krant moest komen, het was geen verhaal, het was een „stuk” tegen
een Professor, het was over de besnijdenis, en die Professor had er wat
op te zeggen gehad. Ze hebben overal wat op te zeggen, en ze weten,
zegt Vader, niets ervan af, misschien geen vijf-en-twintig van de
zes-honderd-en-dertien ge- en verboden kennen ze, ze weten van voren
niet dat ze van achteren leven, ze doen het maar om weer eens iets te
kunnen aanmerken! Voor het stuk over de besnijdenis hebben ze elk een
stuiver van Vader gehad, voor het overschrijven.... om de beurt een
bladzij..... op hun mooist,.... er waren een boel vreemde en moeilijke
woorden in, soms stond een woord er heelemaal niet, daar was enkel de
ruimte voor open gelaten.... „Als je goed nagaat, heeft Vader nu vijf
beroepen....” Vijf...? Ja, vijf! Want ten eerste is Vader sjoumer van
het Rabbinaat... voor de boeren die de koosjere kaas moeten maken. Daar
gaat Vader rond, en hij komt op onverwachte tijden, om te zien of ze
geen wrongel voor de kaas gebruiken.... want wrongel is uit een
kalvermaag.... en je mag natuurlijk geen vleesch met melk vermengen.
Daarom is treifene kaas dan ook treife.... Nu hoef je niet te vragen,
hoe de Opperrabbijn Vader vertrouwt, zonder Vader aten de menschen in
de stad, aten zij-zelf misschien treifene kaas! Ten tweede is Vader
Vertegenwoordiger, in het opkamertje achter den winkel van Zadok Krant,
die nu dood is. Daar staan de kisten met de mooie en gewone tefilles en
magsouriem [1], de doozen met dure en goedkoope talleisiem [2], met
fijne en daagsche „arbang-kanfous” [3], de pakjes witte en gekleurde
hafdolo-kaarsen [4] die de menschen elkaar cadeau willen geven, en die
ze dan bij Vader komen uitzoeken.... Vader is geen winkelier, Vader is
vertegenwoordiger...., en het is Vaders tweede beroep en daardoor heeft
Vader ook zijn derde beroep gekregen. Want sinds Zadok Krant is
gestorven, houdt Vader voor de oude juffrouw „de boeken bij.” Die
boeken hebben niets te maken met boeken die je schrijft, je ziet ze
liggen op de toonbanken in de winkels, ze zijn heel dik, met figuren op
sneê, met roode en blauwe lijnen, met verschrikkelijk veel cijfers.
Zulke boeken worden niet geschreven, maar „bijgehouden” en dat doet
Vader voor juffrouw Krant, dat is Vaders derde beroep.
Ten vierde is Vader nog Secretaris. Soms moeten ze met brieven naar den
rijken mijnheer Israëls en antwoord wachten. In het open hokje, dat
Vader liet, schrijft hij dan: „I. Israëls, Voorzitter.” Maar Vader
schrijft veel mooier! Zoodat Vader vier beroepen had en er nu vijf
heeft!
Daar is moeder met de schaal vol eieren. Nu weten ze al wat er vóór
alles gebeurt: ze moeten moeder helpen uitrekenen of moeder ditmaal
eens den eierenboer of dat de eierenboer Moeder weer beet heeft gehad.
Nooit hooren ze Vader zoo lachen, als om moeder met den eierenboer en
Vader zegt, dat de boer altijd moeder bedot, maar Moeder houdt vol dat
ze even vaak hem bedot. Voor de laatste twee centen van de gulden het
kleinste ei uit de mand op den koop toe, en dan nog weer even gauw drie
kleine voor twee groote ruilen.... zoo goochelen ze met elkaar.... en
erg goed rekenen kan Moeder niet, dat hebben ze al vaak genoeg gemerkt!
Nu kun je toch zien, hoe Moeder ook aan niets dan aan Vaders boek kan
denken, ze gaat zonder meer de eieren naar de keuken brengen. Moeder,
is het schrijven van een boek eigenlijk een Beroep? Met de schaal in de
hand staat Moeder stil.... Waarom vragen ze dat? Omdat ze willen weten
of Vader nu vijf beroepen heeft, inplaats van vier? Vier? Alles wat de
mensch doet, noem je nog geen beroep, Sjoumer zijn is een ambt.... het
is zelfs bijna een bediening! En een boek schrijven is.... nu, een
„beroep” is het in elk geval niet. Dus Vader krijgt er dan ook geen
geld voor? O ja, dat wel, dat hoopt Moeder tenminste heel erg, het zou
zelfs verschrikkelijk zijn, als Vader er geen geld voor kreeg, Vader
krijgt er stellig geld voor.
Veel geld, moeder, en heeft Vader dat vanavond in zijn zak, als Vader
thuis komt?
Moeder komt halfweg terug, zet de schaal op tafel en blijft er bij
staan.... Dat is nu juist precies de groote vraag.... of Vader geld
meebrengt en hoeveel. Er moet eerst nog iets afgerekend worden. En met
wien dan wel? Met mijnheer Wittelsthal, want hij is dezelfde van wien
ook de magsouriem en de talleisiem hooren.... Wat nu.... en hooren die
dan soms niet van Vader? Neen, want dan was Vader winkelier, maar omdat
de kisten, de pakken en de doozen in het opkamertje achter de winkel
van Krant van mijnheer Wittelsthal hooren, daarom is Vader
vertegenwoordiger. Maar wie krijgt dan het geld, mijnheer Wittelsthal
en Vader niet? Mijnheer Wittelsthal krijgt het meeste, maar Vader
krijgt „commissie”—, zoo heet dat. Vader ontvangt eerst het geld van de
menschen.... Ja, natuurlijk.... en dan stuurt Vader het dadelijk aan
mijnheer Wittelsthal. Waarom trekt moeder nu zoo’n vreemd gezicht, als
weet ze zelf niet of ze lachen of bedroefd kijken zal? Gaat het dan zoo
niet? Meestentijds wel.... maar een enkelen keer laat Vader het eerst
wat oploopen.... want dat sturen bij kleine beetjes is dikwijls te
lastig.... daarvoor heeft Vader ook niet altijd tijd, met Vaders vele
beroepen.... en zoo heeft Vader nu juist den laatsten tijd gedaan en
het was zelfs nogal hoog opgeloopen.... en daarom weet Moeder niet of
Vader nog wel iets mee naar huis krijgt van het geld voor het Boek, als
alles uitgerekend en afgerekend is! En daarom wou Moeder maar dat het
alvast half zes was.... Hè ja, zij ook! Mogen ze Vader van de boot gaan
halen? Ja.... en als Vaders koffertje zwaar is, dan kunnen ze gerust
gelooven dat Vader nog wel geld in zijn zak heeft ook.... Maar niet
dadelijk laten merken, dat Moeder ze al zoo veel van alles heeft
verteld....
Wanneer je uit de smalte van de steile glooiïng—tusschen de hooge
tuinschuttingen van de groote huizen om den hoek—uit het straatje komt,
zie je dadelijk altijd breed-uit het water en het water is altijd mooi
en geeft een heerlijken, frisschen reuk van zich af. Aan de koperen
glanzen op de plooien van het water, aan de diepe kleur van den toren,
die rondom in de zon staat, zie je dadelijk, dat de dagen al korter
worden, dat het nu al naar den avond gaat. Zoo dadelijk zal je de klok
half zes hooren slaan en even daarna zal de boot om den hoek voorbij de
zwemschool te voorschijn komen en zullen ze hem zien. Tusschen de
glibberige ronde steenen van den schuinen hoogen wal bloeit nog het
paarse kaarsjeskruid, met zijn slappe, zachte blaadjes, je vindt het
nergens dan daar, je kunt het plukken als je met je buik over de
steenen ligt, je hoofd hangt dan naar beneden en een ander houdt je bij
je beenen vast... Gauw over de sluis, eer hij open gaat.... den hoek
om, de laagte in, daar is de steiger, nu ruik je het water pas goed en
telkens even komt uit de verte de houtlucht van de haven naar je toe,
maar je moet het niet opzettelijk willen.... Kom je pardoes alsof je er
moet zijn, met groote stappen den steiger opgeloopen, dan kan je je
gemakkelijk verbeelden, dat je met de boot gaat, dat je uitgaat. Met de
boot van zessen, hè? En vanavond met de boot van tienen terug! Och,
waarom dan maar niet meteen met de laatste boot, met de boot van elven,
als je het voor het zeggen hebt? O, het zal wel eens eenmaal werkelijk
gebeuren, dat ze ’s avonds in donker over het water komen, in de
verlichte boot! Als je je bukt, zie je door de naden tusschen de
planken het water, zilver krioelt over zwart, je hoort het zachtjes
smakken tegen de paaltjes aan. Zit daar aan den overkant niet juffrouw
Krant boven den winkel voor het raam? Ze hebben ineens medelijden met
oude juffrouw Krant. Sinds haar mans dood is ze alleen en dan nog
bovendien woont ze het verst van de andere Joden af, er woont er geen
een op dezen weg en de overigen allemaal dicht bij elkaar, bijna in een
kring.... het is haast alsof ze er niet bij hoort, alsof ze buiten de
kilte woont....
De boot! Rook kwam boven de verre boomen uit.... nu vaart hij den hoek
om, en is nog onzichtbaar, nog even.... nog even.... en je ziet hem....
kijk.... dwars-uit komt hij naar het midden geschoten.... rakelings dat
sleepbootje voorbij.... het gaf een schreeuw van angst. Hij vaart voor
de zon uit en lijkt zwart, hij keert de voorsteven naar den steiger en
lijkt ineens wel niemendal, zoo kort en smal, hij neemt een zwenk en
wordt weer langer en breeder.... hij gaat daar nu dadelijk fluiten....
dan worden ze den steiger afgejaagd.... dan komen de hekken ervoor, de
mannen houden ze al klaar en kijken wel al leelijk over hun witte
pijpen, maar zeggen nog niets....
Zag je dat? Eerst kwam de rook uit de pijp en toen hoorde je het pas!
Eraf.... eraf.... ja, hoor, we gaan al, we zijn al weg.... een man rolt
zwarte vaten aan, het rommelt als donder, en twee kantelen groote witte
kisten om en om, dat het stof uit de planken vliegt, pas zelf op je
voeten, zulke mannen kijken niet uit.... Je ziet de menschen al aan het
dek, je hoort de boot stampen en stoomen.... nu ineens niet meer.... nu
moet de kapitein iets door de spreekbuis naar beneden geroepen
hebben.... hij drijft zonder het minste geluid.... hij drijft zoetjes
naar den steiger toe.... alles aan hem wordt elke seconde grooter en
duidelijker.... hij doet nu geen moeite meer.... uit is de reis.... en
een klein half uur mag hij rusten, wordt in dien tijd leeggehaald....
wordt weer volgeladen.... en is dan de boot van zessen geworden....!
Dag Vader.... dag Vader! Draagt Vader het koffertje zwaar? Och, hoe wil
je dat nu zien! Al zat het ook vol met lood, kon je het nog aan Vader
niet merken, zoo’n sterke man... De menschen gaan de loopplank over en
komen tusschen de hekken door. Vader geeft zijn kaartje aan den oudsten
man, gelukkig, al drie achter elkaar hebben het hunne aan den dikkop
gegeven.... Dag Vader.... dag Vader! Wie mag Vaders koffertje dragen?
Beurt om beurt, maar manvolk gaat vóór. Hij pakt het blij en gauw van
Vader aan en achter Vader om vragen haar oogen en antwoorden de
zijne.... ja, het is zwaar, het is kolossaal zwaar....! Dus.... dus....
dus....!! Maar ze mogen niets vragen, zelfs niets blijken laten. De
dikke prop van vanmiddag zit er plotseling weer, alsof ze alles nog
eens moet over-vragen, aan Vader.... Vader weet alles precies.... Vader
heeft toch zelf het boek geschreven....
Ze zegt niets, kijkt enkel in de schuinte omhoog naar Vaders
gezicht.... Dat is Vader, die een boek geschreven heeft.... die zich in
den ouden tijd en in een verre stad heeft verplaatst... En denk eens
aan Vaders verschillende beroepen.... o, wat is Vader knap!
Tot den grutter op den hoek mocht hij het koffertje dragen, daar
blijven ze nu staan en hij geeft het haar over. Was het erg zwaar? Ja,
als Vader het zelf vráágt.... ze krijgen allebei een kleur en schieten
allebei in den lach.... Vader lacht ook.... en ze loopen verder. En of
het zwaar is, het hangt aan haar hand.... heerlijk, zoo alle drie naar
huis, naar Moeder te gaan, tusschen de vreemde menschen door.... En
Vader weet toch niet precies wat zij weten, maar zij weten ook niet,
wat Vader weet, dat zij weten....
Nu gaan ze de glooiïng in de smalte tusschen de tuinschuttingen af, nu
zijn ze in de kalmte van hun straatje en bijna thuis. Doodstil ligt het
water in de slootjes, aan weerszijden van het bruggetje, doodstil en
groen en lijkt wel zoo dik als erwtensoep. Moeder staat op het stoepje
en tuurt.... en tuurt.... maar ziet ze niet en zij zien Moeder allang,
ze is ook een beetje kippig. Dag Moeder.... dag Moeder.... ha, nu
wuifde ze eindelijk terug. Even naar Vader gekeken.... en dan met een
pijnlijk gezicht, want zóó vreeselijk zwaar speelt ze nu maar dat het
is, het koffertje een eindje de hoogte in. En of Moeder het
begrijpt.... o, ze lacht.... ze lacht....
Nu hoef je niet te denken, dat Vader er dadelijk over begint, zoodra ze
in huis zullen zijn. O neen.... bij Vader gaat alles zijn geregelde
gang. Hoed en jas op de kapstok en Moeder krijgt een zoen. En dan is
altijd de eerste vraag: „Brieven of Boodschappen?” Je hoort het Vader
al vragen, als je er maar alleen aan denkt...
Heeft Vader het ditmaal gevraagd? Ze zou er op letten en heeft het toch
niet gedaan. Vader heeft het koffertje op tafel gezet en ze staan erom
heen.... en Moeder kijkt Vader aan en vraagt met haar oogen.... aan
Vaders gezicht kun je niets zien.... het zou ineens evengoed naar als
blij kunnen zijn, wat Vader te zeggen heeft.... alleen.... het
koffertje was toch zoo zwaar! Ze zien Moeders gezicht duidelijk al
angstiger worden, haar mond gaat open.... En....?
„Elf....” Wat klinkt dat stroef en droog.... ze kijken naar elkaar, ze
kijken naar Vader, ze kijken naar Moeder.... hè, Moeder ziet heelemaal
bleek....
„Elf stuivers....?” Moeder zegt het zoo zacht alsof ze het schier niet
uitbrengen kan. Ja, het zou ook wel heel weinig wezen.
„Elf Gulden....” het klinkt weer precies even effen.... maar ze
beseffen het opeens. Het is louter voor de grap, dat Vader zoo praat,
dat Vader zoo doet! Want kijk maar naar Moeders gezicht! En ja, nu
lacht Vader zelf ook, en zij ook. Ja, Moeder, wij wisten het al
dadelijk, want voel ook eens even hoe zwaar dat koffertje is....