Ze zitten op de houten stoep, die bont is van schaduw en zon, de straat
is ook bont van schaduw en zon en de open doos met de gekleurde
papiertjes tusschen hen in en het stijfselbergje op het schoteltje,
waarin de kleurige snippers zitten gekleefd als in sneeuw, en zij-zelf,
hun kleeren en hun handen, alles is bont van schaduw en zon.
Onbewegelijk lijkt het bont patroon, maar zit je stil en kijk je scherp
op je handen neer, dan zie je het zachtjes schommelen, zou er in een
zoo grooten boom als de olm voor hun huis dan altijd beweging wezen?
Grappig is het op je handen te letten wanneer je ze brengt naar de doos
en naar de stijfsel toe, dan glijden de patronen erover heen, zonder
dat je er iets van voelt. Al te lang erop letten moet je niet, dan kom
je niet verder, ze hebben het druk, ze willen op het mooist hun tollen
versieren, want vanmiddag is er wedstrijd in tollen op de koeienmarkt.
Ze hebben er eerst de oude snippers afgekrabd, daar zaten er drie, vier
lagen van tot een korst in elkaar gegroeid, ze hebben, bij wat ze nog
hadden, gezameld wat ze maar bemachtigen konden, van moeder de stijfsel
afgevleid en op den drempel, tusschen hen in, alles plezierig
uitgestald en gezellig ingericht.
Het is nog altijd vacantie, de vacantie is nog zelfs niet tot den top
gestegen. De vacantie zie je als een berg, met een top, ook de dag is
een berg met een top, twaalfuur is de top van den dag,—op den
vacantieberg klim je elken dag hooger, de top is precies op de helft—,
zoolang je daar nog niet bent, zie je alleen de vacantie zelf, maar
voorbij den top moet je wel kijken naar de school, of je wilt of niet.
Elken dag zie je hem dan duidelijker, elken dag kom je er dichter bij.
Ze zijn nog niet aan den top en denken nog niet aan de school. De dagen
zijn glad en lang, de dikke brokken van het schoolgaan, die ook de rest
in afgepaste eindjes sneden, zijn eruit genomen, de vrije tijd van
elken dag vloeide met de vacantie-vrijheid ineen tot een overvloed van
uren, waarin je je heerlijk-weelderig beweegt, waar je door heen
glijdt, naar den avond toe en den anderen dag weer even zoo. Je moet er
soms van zuchten, zoo prettig als je je voelt. Vandaag vooral, nu alles
bont is van schaduw en zon, nu ze vanmiddag tollen-wedstrijd houden.
Drie prijzen zijn er, van twee-en-een-half, van anderhalf en van een
cent, ze hebben met hun tienen elk een halfje bijgelegd en Klaas, hij
is de grootste, heeft ze ingewisseld, ze spraken af hoe lang de zweep,
hoe lang het touw mocht wezen en dadelijk na het eten gaan ze weg! Maar
hoe vind-je het, dat we juist vandaag toevallig gort met pruimen eten?
Alle heerlijks loopt bij elkaar, het pruttelen en de reuk komt naar ze
toe van achter in huis, waar Moeder staat te koken.
Bont van zon-en-schaduw is ook de open doos met de gekleurde strookjes.
Rood in schaduw is eigenlijk een heel andere kleur dan rood in zon. Het
rood is het mooist, zacht en glad, verblindend glanzig; wat zacht en
glad is voelt ook altijd koel al is de heele wereld heet, ze hebben ook
geel en groen dat zacht en glad is en verblindend glanzig, die snippers
kregen ze van boekbinder Koets, hij gaf ze aan allen tezamen en Klaas
heeft ze eerlijk verdeeld. De andere hebben ze zelf gezameld. Een
zwarte rand om een wit biljet vandaan lijkt apart veel breeder en veel
zwarter, die groene rondjes stonden als stippen op een oud plakkaat,
dat hing naast de school op een muur, één boven een i en één aan het
eind, het waren „leesteekens” nu zijn het groene rondjes, ze lijken wel
zes keer zoo groot, en je ziet pas nu de mooie zware kleur. Wat werd
ook dat rose blaadje eensklaps anders met de andere in de doos, in
Vaders zakboek leek het vaal en dof.... maar het wonderlijkst is die
bruine strook. Er lag een krant op het kastje, die vergeten werd, een
krant van wel zes weken geleden. Een reep stak over den rand en alle
dagen kwam de zon om den hoek van het raam, scheen op die reep en ging
weer verder.... ze zagen ineens die krant, toen ze kleurpapier
zamelden.... de rand was bruin verbrand, maar bleef toch in je weten
een witte rand van een witte krant. Ze knipten hem af.... en nu is het
ineens bruin papier.... dat de zon het maakte van wit.... wie het niet
wist zou het nooit raden.... het is bruin papier, je moet het voor
bruin gebruiken, leg het naast wit, het lijkt er niet meer op....
Hun doos is mooi, ze kan er niet genoeg van krijgen, als je hem
zachtjes heen en weer beweegt, glijdt bont van zon en schaduw over rood
en geel en blauw.... witte blinkingen dooven en leven weer op.... „Maak
toch wat voort, je komt niet klaar....!”
Ja, ze zijn al zoo lang aan den gang, naar het moet altijd mooier wezen
dan het worden wil en telkens moet wat zat weer afgepulkt, haar vingers
staan van de stijfsel zoo stram dat het is of ze aan elk een duimelot
en een vingerhoed draagt, één en den duim hielden ze allebei schoon of
het zou in de doos een kleefboel worden. Nog weer eens allebei opnieuw
beginnen en dan laten zitten wat zit? Ja, want het moet dicht bij
etenstijd zijn. Haar hart klukt plotseling zachtjes op, ze heeft een
prachtig plan, lange reepen van alle kleuren kruiswijs overeen geplakt,
dat geeft vanzelf een ster! En jij? Groene en roode pikkels op glimmend
wit, ook mooi! Vanmiddag zal ze kijken wat het mooiste staat....
Wat zitten er een pruimen in de gort vandaag, wat zijn ze zacht en bol
en vochtig opgezwollen, je mag in elkaars bord de pruimen niet tellen,
maar je ziet ineens hoeveel ieder heeft, dat is geen tellen. Je mag in
Sjoel de mannen niet tellen—het is verboden, omdat er geschreven staat
„Jacobs kroost zult gij niet tellen”—maar toch moet je weten of er tien
voor Minjan zijn. Hoe doe je dat dan? Dat zie je, zegt Vader, in één
oogopslag, dat mag, dat is geen tellen. Zoo zie je, hoeveel pruimen elk
heeft, in één oogopslag, je telt ze niet. Zou moeder als ze deelt ze
tellen of het ook met oog-opslagen doen? Meestal heeft elk er even
veel. Je kunt van alles ermee doen. Je kunt ze allemaal tot het laatst
bewaren, dan heb je straks volop genot, maar eerst een bordvol kale
gort, je kunt ze, als Vader, dadelijk moezen en mengen door je gort,
dan heb je nooit je kale gort, maar nooit volop genot, je kunt er een
nemen bij elken derden hap, dan duurt het wachten niet zoo lang, dan
heb je nasmaak, voorsmaak, smaak.... zoo doet ze zelf!
De afspraak is bij het hek van Hart, drie staan er al, als ze zelf de
koemarkt overkomen, ze hebben lekker veel gegeten en de wedstrijd
begint zoo-meteen. Elk heeft zijn tol in zijn zak en zijn zweep in zijn
hand, nu staan ze met vijf en kijken door de spijlen. Er is geen zon in
den tuin bij Hart, in het schaduw-gras gloeien de roode geraniums, vlak
achter het hek en als je naar ze kijkt, lijken ze terug te kijken. Eens
hebben hier gele tulpen gestaan, die zwierden stijf en statig voorbij
de spijlen, want het woei, en ze gaven een zwakken, zoeten reuk.... de
hemel was bewolkt, ze zijn weg.... ze zijn dood.... de roode geraniums
komen na de tulpen, dan is alles vervuld, dan is de zomer vol.... lang
geleden is de lente, lang geleden is die dag, dat de hemel bewolkt was,
dat het zachtjes drupte en zoetjes woei en dat ze hier stond en naar de
zwierende gele tulpen keek en hun vreemde, zoete lucht in haar keel
voelde komen met het regenvocht....
Maar daar is Klaas, met de prijzen. Hij haalt ze uit zijn zak en laat
ze zien.... hij heeft ze stijf in zilverpapier gepakt, leeuwen en
letters dringen er door, het lijken zilveren munten, gulden, halve
gulden, kwartje, dubbeltje! Ze gaan tollen om zilveren prijzen.... ze
kan het goed.... ze zal misschien de gulden winnen. Een rilling
doorvaart haar, ze kijkt niet meer in den tuin, wat beginnen gaat lijkt
haar ineens veel grooter, veel echter.... ze zullen om zilveren prijzen
tollen.
Haar vingers beven en worden plotseling kil; nu ze het touwtje in de
gleuf wilde winden, glijdt het er tweemaal in groote, open krullen weer
uit, maar met winden moeten ze op elkaar wachten, pas als elk met zijn
duim zijn tol tegen den zweep houdt gedrukt, telt Klaas tot drie, dan
wordt er niet meer gewacht, dan gaat het om het langste voor een prijs!
Ze kan het goed en is weer kalm, haar vingers droog en bijna warm, ze
staat al klaar, het eene been vooruit. Andere kinderen, groote jongens,
volwassen menschen zelfs blijven staan kijken, het wordt een kring om
ze heen, een wijde kring, want ze moeten de ruimte hebben, zachtjes
achteruit loopend, verwijden ze den kring. Ze kwamen allemaal klaar....
en stonden heel stil.... en Klaas telde tot drie, toen hoorde je
niets.... en toen ineens hoorde je de tollen vallen en de zweepen
petsen, vlug, vlug, de eerste oogenblikken zoo vlug als je kunt, om ze
op gang te krijgen. Hebben ze eenmaal vaart in, dan is kalmte de zaak,
en flink te durven slaan, niet bang zijn dat je hem uitslaan zult, van
je zweep sekuur zijn en raak te klappen, daar komt het op aan. Hij
springt wel op van den grond, maar komt op zijn pootjes terecht en
draait weer door en draait al harder, tot hij kaarsrecht over de
steenen vliegt. Sla zoo hard je maar kunt, sla lenig en stevig, houd
hem in je buurt, dat hij niet uitgaat eer je bij hem bent, blijf erop
ranselen, zoolang er nog leven in is, het is gebeurd dat een tol weer
prachtig kwam te staan, terwijl hij al waggelde als een dronkeman, al
schuin hing over zijn eenen kant.... Rietje is af.... pèts.... Kees is
af, Meindert is af.... ze staan in den kring tusschen de menschen en de
kinderen, hun zweepen in de hand, en ze kijken met spijtige gezichten,
voor hen zijn de zilveren prijzen niet... Ai, wat een sprong...
achteruit daar alsjeblieft, we hebben de ruimte noodig.... wat is het
heerlijk, je tol te laten springen waar hij wil, en hem toch baas te
blijven, hem op een afstand in het oog te houden, hem te beheerschen
met je zweep. Heb je durf, dan laat je hem draaien zonder hem aan te
raken tot hij wankelt en geeft hem dan met éénen zweep zijn volle vaart
terug; zij heeft dien durf, ze doet dat nu al voor den tweeden keer, en
terwijl ze stilstaat, hoort ze haar hart. Scherp in het oog houden en
nu weer slaan, geen seconde te laat, geen seconde te vroeg.
Christientje is af.... ze sloeg eenmaal ernaast, ze sloeg tweemaal
ernaast, ze raakte den kluts kwijt en het hout van de zweep schuurde
over de steenen.... toen sloeg ze wildweg, en raakte niet meer, geen
enkele maal, de tol begon te slingeren, de tol begon te waggelen, al
dichter naar den grond, maar bleef nog draaien, zoolang de rand niet
aan de steenen raakte, ging eindelijk over stag, rolde opzij en lag als
dood.... Christientje is af. Arie is af.... zij allebei zijn er nog
bij.... al grooter wordt hun kans op een zilveren prijs; ze gaan langs
elkaar en lachen tegen elkaar, hun tollen staan allebei even mooi, ze
springen gezweept omhoog, komen luchtigjes neer op de punt en huppelen
rechtop verder, ze hebben een vaart in, één lenigen slag nu en dan is
genoeg, je zorgt alleen met groote stappen bij te blijven. Heerlijk
gaat het, heerlijk heersch je over je tol. Je kunt best eens even
blijven staan, je zweep laten zakken, je voorhoofd afvegen.... maar hem
geen seconde uit je oog laten gaan. Een vreemde jongen keek naar haar,
wees met zijn hoofd naar haar tol, of ze hem niet vergeet.... ze
lacht.... geen nood.... ze heeft hem vast met haar oogen, zoo, even een
lenig klapje met de zweep, en daar huppelt hij weer, en ze huppelt nu
zelf ook, de tol achterna, zoo heerlijk als dat gaat.
Vijf draaien er nog, ze zijn er alle twee bij, o als ze eens allebei
met een prijs gingen strijken.... zij de eerste en hij de tweede.... of
andersom,... bijna blijft het gelijk, maar liefst toch zou ze zelf de
eerste winnen.... De steenen zijn bont van schaduw en zon, de tollen
vliegen er doorheen, erin en eruit, in de zon, in de schaduw, in de
zon.... Zoo was vanmorgen hun stoep en de straat, zoo zaten ze in het
bonte van schaduw en zon hun tollen te versieren.... ze bewoog de doos
door schaduw en zon en het bonte verschoof over de kleurtjes heen....
het schoof over de groene rondjes en over de bruine strook.... ze
versierden de tollen.... zij had een ster van alle kleuren.... ai,
bijna vergat ze te slaan, nu was de wenk van den vreemden jongen niet
overbodig.... Vlak voor haar voeten draait de tol.... maar waar is de
ster van alle kleuren.... er is er geen.... er is niets dan een
draaiend vlak van wit.... de heele ster van kleuren is wit.... is niets
dan wit.... is effen wit! En zijn tol, de spikkels rood en groen op
blinkend wit.... waar is hij.... waar is hij? Ook wit, ook niets dan
wit.... dan effen wit. Waarom is haar ster van kleuren, waarom zijn
zijn roode-en-groene spikkels wit, waardoor werden ze wit.... waar
bleven de kleuren.... waar gingen ze heen.... waarom gaan de kleuren
weg.... waarom heeft ze er nooit eerder opgelet....? „Heé, je tol....
je tol....” Dat riep de vreemde jongen uit den kring, ze springt een
slag om, zoo vlug dat ze duizelt.... toch te laat. Ze sloeg, maar de
zweep tikte tegen de steenen, het touwtje kronkelde machteloos en
slap.... er sprong geen kracht uit om haar tol tot leven op te
zweepen.... hij trilt, hij schommelt, hij waggelt, hij valt.... en zie,
in het al langzamer waggelen breken de kleuren weer voor den dag en het
wit is weg.... en nu hij stil ligt blinkt de ster in alle kleuren.
Af.... ze is af.... ze moet naar den kant, ze krijgt geen zilveren
prijs. Ze raapt haar tol van den grond en gaat bij Christientje staan.
Even denkt ze dat het eigenlijk niet mag gelden, omdat ze haar tol
vergat doordat ze aan wat anders dacht.... maar de anderen zullen het
toch niet willen, omdat je zoo wel aan den gang blijven kunt. En
goed-beschouwd, eerlijk is eerlijk.... had ze dan maar niet aan de ster
en de spikkels gedacht! Al dien tijd dat ze tolde kwam het niet in haar
op.... toen ineens.... en het is toch ook wonderlijk, want waar gingen
de kleuren heen, want waar kwam dat wit ineens vandaan....? Ze kijkt
naar de tol in haar hand.... geen snippertje wit zit erop.... en toen
hij draaide was er niets dan wit.... en die nu nog draaien zijn ook
wit, de eene blanker wit, de andere grijziger wit, maar van de heldere
kleuren zie je niets. Wonderlijk is het wel.... nog wonderlijker is
het, dat ze er vandaag pas voor het eerst op heeft gelet. Maar
jammer.... Want de zilveren prijs is ze kwijt!