HET NIEUWE PARK

In alle huizen aan den eenen kant van de straat staan de dakraampjes

open als een lange rij van gapende monden en steken lange, dunne

tongen, de vlaggestokken uit. De allerlangsten duwen het rood van de

vlaggen het boomengroen binnen, het fonkelt tusschen de bladeren en

lijkt er nog vuriger door. De vlaggen hangen zonder plooi of kreuk,

omdat ze zoo zwaar en vol van den regen zijn, die na het onweer vallen

bleef, den heelen nacht door, dat was een klaaglijk zingen en suizen in

de duisternis. Het leek of de dag bederven moest, maar met den vroegen

morgenstond ontwaakte een machtige wind, hij duwde alvast in het Oosten

wat wolken opzij, en maakte ruim baan voor de zon. Die kwam in het open

gat voor den dag en plotseling leefde de heele wereld van schittering

in licht, en rilde van zilver, van goud en van groen, het leek of de

regen ervan schrok, zoo wonderlijk ineenen, met een schok, hield hij op

en het werd zoo gek-stil, je hoorde elken verdwaalden droppel vallen.

Maar de wind bleef aan het werk, geweldige opruiming hield hij aan den

hemel, hij bezemde zoo gauw, je kon niet zien waar de wolken bleven, al

maar meer zuiver donker blauw kwam open en bloot, en op school mochten

ze zingen zoo hard ze wilden „Ho-jo, Ho-jo, de wind steekt op....!” en

half-overeind staan in de banken en elkaar de groote wolken wijzen die

in een vaart hals-over-kop naar beneden kwamen tuimelen, zóó als de

wind ze op de hielen zat, en dat gebeurde allemaal in het reken-uur,

maar het is ook geen gewone dag vandaag....

Het Park wordt geopend, vandaag voor het eerst, om drie uur vanmiddag

en iedereen mag er dan in, want het hoort van iedereen, omdat mijnheer

Westerling het aan iedereen gegeven heeft. En gelukkig beleeft hij nu

ook zelf, dat het geopend wordt. Hij is heel oud en beloofde het al

toen hij zijn gouden bruiloft vierde, lang geleden in Januari. Hij is

de oudste en de rijkste mijnheer Westerling en iedereen noemt hem Kees.

In de groote eerepoort tegenover zijn huis, met de hooge bordessen en

de ruiter-beelden staat het zoo-maar „Leve Kees.” En dat mag! En zoo

vreemd doen nu soms de groote menschen! De armste mannen op straat noem

je nog behoorlijk bij hun achternaam, die maar een beetje fatsoenlijk

is, heet al mijnheer, althans in zijn Zondagsche jas en de rijke heeren

Westerling hoor je bij hun voornaam noemen. Iedereen doet het, het mag,

ze weten het zelf heel goed, zegt Vader, en worden er niet kwaad om! Ze

heeten Kees, Geert-Jan en Siem, zelfs geen mooie of deftige namen

hebben ze en zijn toch heel voornaam en wonen in de allermooiste

huizen, de haven hoort van ze, en al het hout hoort van ze en als je

eens even probeert te denken dat ze er heelemaal niet zouden zijn, dat

er geen Westerlingen aan den Breeden-weg zouden wonen, dan voel je pas

hoe onmogelijk dat is....

Er is ook een oude dame, de zuster van Kees, Geert-Jan en Siem, die

noemen ze maar gewoonweg Ma, dat is een ouderwetsche afkorting voor

Marie, maar de meiden uit den polder willen niet eens meer zoo heeten,

je moet Marie of Mie tegen ze zeggen! Kees is de oudste, Geert-Jan de

deftigste—een mooie heer met groote snorren en prachtige witte boorden

om!—Siem de vriendelijkste en „Ma” de vroolijkste, ze is een „oude

vrijster,” ze woont in een laag, lang huis waar een zilveren visch

zwemt in zilver water, boven de deur, „De zilveren Zeelt” en heeft een

équipage, Kees en Geert-Jan hebben elk twee équipages, één met twee

paarden en een met één, Siem heeft er een, net als Ma,—ze heeft een

stem als een man en lacht en praat heel luid over straat en laat haar

hoed, een groote zwarte, met paarse bloemen en zwarte linten, aan haar

arm bungelen, niemand draagt zoo’n hoed en niemand die zoo doet—de

menschen zeggen dat ze in den tuin op klompen loopt!—maar niemand lacht

haar uit, niemand zou daaraan denken.

In alle straten bijna hangen vlaggen, ze strijken uit de dakramen langs

de huizen neer, uit lage huizen reiken ze tot vlak boven den grond,

breed-uit hangen ze tusschen het huis en den boom ervoor en ze maken

meteen van zoo’n boom een prachtige, groene versiering, het lijkt

ineens alsof de boomen er niet altijd stonden, maar pas neergezet zijn,

toen de vlaggen werden uitgehangen. De menschen zijn mooi gekleed en

loopen door de straten en zullen straks allemaal naar het Park gaan.

Zij ook, ze moet alleen maar even schortebont halen, en nog allen tijd,

haar nette jurk heeft ze immers al aan. De Duitsche muzikanten zijn er

ook, en het is niet eens hun dag, hoe zouden die menschen te weten zijn

gekomen dat vandaag het Park geopend wordt....? Alles is heerlijk en

feestelijk, anders dan Zondag, want Zondag is saai, anders dan kermis,

want met kermis wordt gevochten, anders dan de schutterij, want wie zou

daar nu voor vlaggen! In de zij-straat zonder boomen waar de winkel is

lijken de vlaggen veel minder mooi....

De juffrouw moest het schortebont nog laten halen, uit het magazijn,

maar het is vlak-bij en ze wil best even wachten, in de open deur. Deze

straat is wel kaal zonder boomen en ook te breed voor de kleine, lage

huizen, het waren er vroeger twee met een water ertusschen dat nu is

gedempt, en het is er altijd een beetje Zondag-achtig en de menschen

kijken of ze uit de kerk komen, maar hij loopt uit in den Breeden-weg,

juist waar de stalhouderij inspringt tusschen de andere huizen. En daar

is een drukte en een fonkeling in de zon! Een komen en gaan van

rijtuigen, voortdurend. Weer een draaft aan, zwenkt het gele pleintje

op, nu komt het oogenblik dat het plotseling aan alle kanten vuurschiet

en bliksemt.... nu stort het zich in donker en dooft uit. Er is iets

dat vreemd is en niet heelemaal prettig aan het uit-elkaar-nemen van

paard en rijtuig. Dravend op straat lijken ze samen één ding, dat je

liever in elkaar zoudt moeten laten. Het paard stapt weg, hoog naast

den kleinen man, de blauwe arm lijkt tegen den opgeheven bruinen kop te

rusten, de lange boomen nikken naar de straat, de vigelante is ineens

een ander ding, het leefde en is nu dood. Hoog uit den gevel, boven de

poort, staart de paardekop neer op alles wat gebeurt, met groote

oogen....

Nu eens kijken naar den anderen kant. De naaste buren hebben een

prachtige groote vlag, zoo zie je geen tweede in de heele straat, die

oploopt en vol zon staat in de verte.... het huis is geel met hoekraam

en poort en boven voor het venster zitten kinderen trotsch te kijken

naar hun vlag.... De lucht ruikt naar vanilje telkens als de wind wat

sterker wordt, die komt van den overkant, waar heliotroop onderlangs

een hekje groeit.... de straat is breed, toch zie je het bleeke, teere

paars.... nu ruik je het niet.... en nu weer wel.... je proeft het tot

diep in je keel, zoo zoet. Korte, knallende geluiden maakt de vlag, een

breede roode zoom flapt om en zit als vastgeplakt, veel minder vurig

dan het enkele is het dubbele rood. En zie, nu rijst de heele vlag de

hoogte in, langzaam vaart hij op en het wit komt naar voren gebold

tusschen het rood en het blauw, de roode zoom raakt los en rolt weer

uit, de donkere klad is weg en al het rood straalt ongeschonden

vurig.... Dat doet nu allemaal de wind, hij is achter de vlag en beurt

hem als met twee handen onder het rood en blauw de hoogte in en blaast

terwijl als uit een mond middenin tegen het wit, dat het zoetjes naar

voren bolt.... het gaat niet licht, het moet wel moeite kosten, de vlag

is ook zoo volgezogen, zwaar van nat, dat je glinsteren ziet, maar hij

rijst toch al hooger en hangt half schuin, de zon schijnt er door....

Blauw is het mooist in de schaduw, rood in de zon. Moet je nu eigenlijk

altijd maar blijven zeggen, dat de wind onzichtbaar is? Je ziet hem nu

toch duidelijk de vlag in de hoogte beuren.... Zie je nu enkel een vlag

of zie je ook wind? De kinderen aan het raam hebben pret, een oude

bleeke dame is bij ze komen staan, die kijkt over hun hoofden naar de

vlag, ze ziet hem in de hoogte varen.... ze is in huis en kan den wind

niet voelen, ze zou niet kunnen weten dat het waait.... maar ze ziet

het, dus.... ze ziet den wind.... en kijk.... dan kun je toch ook niet

zeggen dat de wind onzichtbaar is...! De vlag is niet hooger gekomen,

bleef even roerloos, en zakt nu weer, het wit kruipt tusschen het rood

en blauw terug, vlak hangt de vlag, en recht naar beneden. De kinderen

lachen, wijzen, praten met de oude dame. Zeggen ze misschien hetzelfde

dat zij denkt? Dat zoete in haar keel is nu niet van de heliotroop

alleen, het is er altijd als ze voor moeilijke vragen een antwoord

vond.... Hoor in de verte de muzikanten! „Lang zal hij leven”—spelen ze

en de menschen zingen mee! Er gebeurt toch niet iets waar zij niet bij

zou zijn? Hollen op een draf, den hoek om, en ze ziet het voor zich

uit. Wimpels wapperen, alle kleuren tegen het blauw, bijna rechtstandig

de hoogte in.... de muzikanten spelen en de menschen zingen rondom en

ònder de hooge eerepoort.... ze zijn al aan het „hiep-hiep-hoera....”

gauw-gauw.... als je je voorstelt dat je aan het hoepelen bent—want je

hoepel trekt je mee!—kun je dadelijk veel harder loopen!

Haar hart hamert als met rukken, het doet bijna pijn en water welt

onder haar tong. Zooals ze ook rende—, in niets, in een oogenblik, dien

heelen afstand, verwonderd kijkt ze even om, daarginds was ze zooeven

en nu staat ze hier!

Midden in den tuin blinkt het vierkante, witte huis. Altijd is het in

den zomer boven deuren en ramen, met een kleurigen breeden band als

rondom omwonden, dat zijn de balkons die bonte bloemen dragen, maar nu

is het voorbalkon nog apart versierd, er hangen fleurige slingers af,

die schommelen zacht en heeten bloemfestoenen en „bloemfestoenen” is

een mooi, een heerlijk, bont, een zoet en zonnig woord. Op

behangselpapier heb je ze soms, bloemfestoenen, zoodat je dan

plotseling in den winter den zomer voelt. Tegen den rand staan „Kees”

en Mevrouw en hij zwaait met zijn gelen hoed, wat lijkt die midden in

de lucht toch klein, hij is nu niet in het grijs, maar heelemaal in het

zwart.

Gaan ze weg, de muzikanten en de menschen, kwam ze nu toch net te laat?

Er is beweging van onzekerheid, schuifelen, kijken, zachtjes lachen. De

muzikanten weten ook niet recht.... en lachen ook zoo’n beetje onder

elkaar, maar brengen dan toch de stralende trompetten, de zwarte,

zilver-beslagen fluiten weer naar den mond en stellen zich stevig op de

beenen, de gezichten heel ernstig weer ineens. Daar staat zij in een

groot gedruisch van muziek en gezang.... „Lang zullen ze leven....” ze

wil meezingen, maar er komt geen geluid, rillingen ritsen over haar

hoofd en haar oogen zijn ineens vol tranen....

Ze gaan, met Vader. Moeder kan niet mee, ze heeft het te druk, ze moet

het bontgoed verstellen. Moeder houdt ook niet van volte op straat,

liever gaat ze aanstaande Sjabbos na sjoel-tijd met Vader alleen. Zeg,

is het niet grappig dat we iets dat we nog nooit van ons leven zagen,

telkens in het klein voor onze oogen zien, precies en precies zooals

het is? Dat komt door de teekening in het Woensdagsche krantje die

Vader lang geleden uitknipte en zorgvuldig bewaarde, want die teekening

kennen ze uit hun hoofd, ze hoeven hun oogen maar dicht te knijpen en

alles staat erop, het heele park, de Oost-poort en de West-poort en het

„heuveltje” en de „muziektent” en het „paviljoen” en de „vijver” en dat

zullen ze dadelijk allemaal zien in het echt, en het Park is ontzaglijk

groot, het is een H.A., en al die grond hoorde van „Kees” Westerling,

die heeft het gegeven, aan allemaal samen, met de boomen en de bloemen

en het gras en alles....

De klok heeft nog geen drie geslagen, de groote hekken zijn nog dicht,

de spijlen mooi met drie-kleur-lint omwonden. Zij staan met heel velen

voor de Oost-poort, verderop zie je de menschen voor de West-poort

staan, die staan aan den kant van het spoor, zij aan den kant van het

water. Zooals zij naar die menschen kijken, kijken die menschen nu

stellig ook naar hen en herkennen hier geen gezichten, maar daarginds

van elkander wèl, net als zij van elkander hier. Er zijn er veel die ze

kennen; van de menschen hier tot aan de menschen ginds zie je rijen,

rijen ijzeren spijlen, zoo lang is het hek, zoo groot is het Park. Alle

menschen zijn ongeduldig, alle menschen verlangen, alle menschen kijken

naar de klok. Wat komt het goed uit dat de toren vlak bij is en dat de

zon juist op de wijzerplaat schijnt. Je moest eens zooveel geduld

hebben om tien minuten lang te blijven kijken, dat je den grooten

wijzer ziet loopen naar de twaalf! Zullen ze het eens probeeren? Maar

Vader trekt ze bij de hand, ze moeten zeker ergens anders naar kijken.

Achter het hek, in het Park, over de nieuwe witte paden, loopen

plotseling menschen, die waren er zooeven niet, die komen uit het

Paviljoen, het is blinkend bruin met veranda’s rondom en het staat

midden op een plein van grint, dat lijkt wel haast sneeuw, zoo

nieuw.... het zijn „Geert-Jan” en „Siem” en de mevrouwen, en „Ma” en de

dochters van Geert-Jan en van Siem en de getrouwde zonen ook, dat zijn

zelf al groote heeren.... die twee jongens in witte pakken zijn

kleinzonen van „Kees,” die wonen hier niet.... De menschen rondom

wijzen naar binnen, de meesten kennen ze wel, zij-zelf ook, maar toch

niet allemaal.... wat doen ze nu al in het Park, Vader? Er is een

„feestmaaltijd” geweest in het Paviljoen, en zij zijn de „genoodigden.”

Hoe zou dat wel voelen, om „genoodigde” te zijn? Het is net alsof je

ineens nog meer verlangt, nu je al die anderen, die genoodigden, daar

lachend en pratend en kijkend ziet loopen. Je voelt een prikkeligheid

en telkens gaat het zoo raar door je hoofd en over je rug.... het duurt

wel lang, maar het zal en moet toch gauw gebeuren. Eer het „vanavond”.

is, eer je weer een boterham eet, eer je weer thuis bij moeder bent,

eer er iets anders, wat ook, gebeurt, zijn de hekken open gegaan en ben

je erin geweest, het gebeurt van alles wat er verder in je leven

gebeuren zal, het allereerst! Al maar meer menschen, hier en ginds; die

van den spoorkant kwamen, blijven aan de Oostpoort staan, maar zij met

Vader wachten voor de Westpoort, bij het breede, blauwe water, want

over de brug zijn ze gekomen.

Daar komt een heer.... je hoort zijn voeten over het witte grint....

hij loopt vlug naar het hek.... en van den toren komt tegelijk de

eerste slag, hij is bij het hek en wacht met de hand aan de

drie-kleur-strik en lacht naar de menschen die binnen zijn, de

„genoodigden,” de tweede slag.... de derde slag.... de strik is los, de

linten zijn eraf.... wijd wijken de helften van het hooge hek vaneen,

ze mogen in het Park... ze zijn in het Park.... door het andere hek zie

je gelijktijdig de menschen verdwijnen. Wat ruikt het dadelijk veel

lekkerder in het Park dan buiten op den weg. Theerozen.... meloen....

je zoudt het niet kunnen zeggen, het is fijn en zoet.

Ze willen wel dadelijk de teekening herkennen, maar dat kan niet, het

Park is zoo ontzaglijk groot. Ja, als je nu, zegt Vader, met een

luchtballon er boven kon zweven, dan ging het wel, dan zou je het heele

Park zien als de teekening in de krant en veel mooier, in wit en groen

en vijverblauw. Dan waren de bloemperken bonte vlekken en keek je op

het dak van het Paviljoen, daar verloor je bij! En daarom is het dan

ook maar goed dat ze niet in een luchtballon zitten—, daar heeft Vader

gelijk in. Ze willen nu eerst het Paviljoen bekijken.... Boven tusschen

de bruine spijlen van de veranda is het hout als kant zoo fijn besneden

en uitgeschulpt in bogen en van elken boog hangt een rotsachtig mandje

vol bloemen en groene sprieten af.... Zou dat versiering zijn, Vader,

of zou dat blijven? Dat blijft.... maar de dikke slingers tusschen de

spijlen, van sparregroen met versche rozen bestoken, dat is versiering,

dat gaat weg. Kijk.... een gedekte tafel binnen in de groote schemerige

ruimte.... er loopen knechten.... je hoort gerinkel.... daar is de

„feestmaaltijd” van de „genoodigden” geweest en een heerlijke reuk van

meloenen komt naar buiten. Verleden jaar was dit alles nog weiland, met

koeien erin! Kunnen ze dan die grindpaden zoo maar maken.... kunnen ze

dan zoo ’n heel park maar maken? De banken zien er zoo glimmend uit, je

kunt haast niet gelooven dat ze droog zijn.... de menschen voelen met

hun vingers, eer ze durven zitten gaan, maar ze geven niet af. Straks

gaan ze ook zitten, maar eerst willen ze alles zien.

Ze kennen het Park en ze kennen het toch weer niet. Ze kennen het klein

van een prentje, ze kennen het al lang, en wonderlijk....

wonderlijk.... nu is het alles zoo geworden en zien ze het in het groot

en het echt, elk ding precies op zijn plaats, elk ding nieuw en

bekend.... Drie banken in een boog staan boven-op het „heuveltje” en je

kijkt neer in een dal van gras en op den bodem van dat dal bloeit een

perk van de allermooiste rozen, een groene kom vol rozengeur is het

dal.... en dal is ook een heel mooi woord: „Omhoog, omlaag, langs berg

en dal ben ik in de hand des Heeren.”

Waar dient een muziektent eigenlijk voor, Vader? Ja, dat wil ze óók wel

eens weten. Er zullen concerten in gegeven worden, er komen stoelen en

lessenaars voor de muzikanten. Wat je nu hoort, zou je ook voor muziek

kunnen houden, als je hier vreemd was en niet beter wist.... het lijkt

op het zingen van een heel groote waterketel, maar muziek-achtiger, en

het is de houtzagerij, die staat over de sloot en de sloot is zoo vlak

achter het park dat het hek erover heen schijnt te liggen. Dan kon je

zoo naar den anderen kant!

Licht-bruine balken liggen boven-op de sloot, zoodat je niet veel van

den hemel erin ziet en daardoor ruikt het bijna net als aan de

haven.... niet heelemaal.... land met koeien en bloemen heeft een eigen

reuk. Al die balken worden tot planken gezaagd en wat er zoo zingt zijn

de zagen, het zijn, zegt Vader, machinale zagen.... de planken zijn

prachtig blank, hooge stapels liggen er onder de loodsen en overal

staan de loodsen en de koeien loopen er tusschen in en er zijn bruine

schuiten, maar er is enkel dat eene geluid.... ginds van een molen, die

fel zwart en heel hoog lijkt tegen het groen en blauw wappert rechtop

uit den kap een kleine vlag, die molen hoort van „Kees” en het land en

de loodsen en de balken en de slooten, alles, tot den ronden spoordijk

toe, maar die koeien hooren van boeren.

Ze hebben naar dat allemaal door het achterhek staan kijken en ernstig

staan praten, maar nu moeten ze alles verder zien in het Park.

Wat hebben ze midden op dat grasveld tusschen heuveltje en paviljoen

toch een klein, nietig boompje gezet. Vader lacht.... dat boompje is

een bruine beuk en bruine beuken worden groot, eenmaal zal daar een

hooge, dikke boom staan in het gras, met een zwaren stam en takken naar

alle kanten en daar weer kleinere en kleinste twijgen aan en groote,

sterke bladeren, die het gras eronder donker van schaduw zullen maken,

wijd-rondom. En hoe lang zal dat duren, Vader? Ja.... hoelang....? Ze

staan op het grindpad dat in een boog om het grasveld gaat, ze staan

met hun voeten vlak voor het gras, niet erop natuurlijk, naast Vaders

linkerschoen bloeien bijna op dezelfde plek een paardebloem en een

madelief. Ja.... hoelang? Een dertig jaar, denkt Vader, zal dat

duren.... dan zal dat boompje, ’t lijkt een dikke tak in het gras

vandaag, een hooge boom geworden zijn, een dichte kroon van zware

takken boven op een sterken stam!

Voeten schuifelen over het grind, achter ze langs, het Park is vol van

menschen, je hoort en ziet ze overal, en toch is het alsof ze ineens

alleen met Vader zijn en of er nu iets gebeurt.... Zou dat kunnen,

Vader dat wijzelf dan ook hier stonden, met ons drieën, net als nu?

Vader lacht erom.... dan zijn jullie veertig jaar en Vader over de

tachtig.... Ze lachten ook.... en toch is het om te rillen zoo

vreemd.... Zij beiden veertig.... groote menschen, oude menschen al....

want veertig is al oud.... Vader over de tachtig.... ouder dan nu de

Opperrabbijn is.... met spierwit haar, met witten baard.... kan Vader

zoo worden en is het dan Vader nog? En Moeder....? Dat is toch

makkelijk uit te rekenen, Vader en moeder schelen precies tien jaar,

dan is moeder dus over de zeventig.... Zoo zal het allemaal wezen, als

dat boompje een groote boom geworden is. En natuurlijk gebeurt er in

dien tijd nog veel, veel meer.... En wat dan, Vader, wat dan....? Daar

kun je toch vooruit niets van weten. Ja, het gebeurt, je moet het wel

gelooven, het zal met je-zelf en met de heele wereld gebeuren, vanzelf

gebeuren. Het is altijd door gebeurd. Als je op een huis „1685” ziet

staan, dan weet je toch ook dat al die jaren voorbij dat huis gegaan

zijn, en dat huis staat er nog, het is oud.... maar eenmaal werd het

gebouwd! Daar heb je nooit aan gedacht. Ze komen naar je toe, al die

jaren.... en ze gaan door je heen.... en ze gaan weer van je af.... en

eenmaal zullen ze veertig jaar zijn, en Moeder zeventig en Vader

tachtig....

Waar neemt Vader ze nu ineens mee naar toe? En waar haasten zich alle

menschen plotseling heen? In de muziektent zal een heer een redevoering

houden! Gauw erbij, de meesten zijn er al. Je hoort nu plotseling geen

voeten en geen stemmen meer, je hoort den wind die over de kleine

blaadjes gaat, je hoort ineens de vogels, je hoort de muziek van de

houtzagerij....

Vader zegt dat de heer heel mooi heeft gesproken. Zij hebben niet zoo

heel goed geluisterd en niet zoo heel veel verstaan—; tusschen de

lijven en beenen van groote menschen zag je grappige grindfiguren. Nu

is het tijd om naar huis te gaan, door het andere hek, dan waardoor ze

kwamen. Kijk, het boompje....! De teere blaadjes ritselen in den wind,

glinsteren in de zon als waren ze dun met zilver bestreken of

overstrooid. Is het niet net alsof ze iets met het boompje te maken

hebben? Ze zullen groot en oud worden met het boompje gelijk.... En

zullen ze dan over dertig jaar weer hier met Vader staan?

Avontuurtjes · 第 9 / 24 题