MENSCHEN EN MENSCHEN

In vroeger jaren al, toen Kleij nog niet zooveel grond had als nu, nog

met de groentekar langs de menschen ging, nog Kleij de groenteman

heette,—nu zegt Moeder altijd Kleij de tuinier—mochten ze elken

Donderdag de peterselie en de selderie voor de soep van Vrijdagavond

bij hem uit de kweekerij komen halen. Die werden dan, voor een stuiver

van elk, waar ze bij stonden, versch gesneden, want uit peterselie en

selderie gaat, zegt Moeder, door het hotsen en schudden op de kar, het

aroma verloren en voor de Sjabbossoep kan niets te goed en te geurig

zijn. Nu hebben ze groente van schelen Muis, want Kleij komt niet

langer met de kar, hij heeft geld geërfd en een mooi huis laten bouwen,

bij zijn kweekerij, dat „Eben Haëzer” heet: Kleij is fijn—, maar ze

komen nog wekelijks voor de soepgroente, beurt om beurt, en wie van de

twee thuis blijft helpt Moeder de lepels en vorken poetsen, dat ze als

echt zilver zullen glimmen naast de borden, Vrijdagavond, onder de

Sjabboslamp.

Het is allebei prettig en het weer maakt uit wat het prettigst is, want

Kleij woont een heel eind weg, in een buurt waar ze zelden komen, omdat

er hun scholen en winkels niet staan en ze er geen bekenden hebben,

zoodat het bijna lijkt, alsof ze op reis gaan naar een vreemde stad of

dorp. Zij treft het vandaag met haar beurt, want het is zomerweer....

Het is ook al Mei, en de dagen worden langer. Dinsdagavond raakte de

rand van de zon juist aan de aarde, toen ze om zeven uur thuis kwamen

uit het Joodsche school—, en nu is het al weer twee dagen verder, en

het is ook meer dan twee uur vroeger—, de heele marktplaats ligt nog in

de volle zon.

In de gouden zon, breed en leeg en toch heel anders dan andere dagen,

want vandaag is het markt geweest en de markt is nauwelijks

afgeloopen.... zooeven is ze nog de dikke hoedenvrouw, die altijd

schreeuwt en grappen maakt—een aardig mensch, maar je durft niet goed

naar haar kijken, want haar eene oog is troebel en dof, een melkoog

noemen ze dat—tegengekomen, haar pak op den rug, het reikte nog hooger

dan haar hoofd en is zoo geweldig groot en zwaar, dat ze zich bijna

niet roeren kon. Ze was heesch van het schreeuwen en maakte toch nog

grappen met den boeken-man. Hier stonden ze, over den slager, naast

elkaar. Nu ze even in de zon op de leege markt blijft staan is het

precies alsof ze ze allemaal nog ziet.... de hoeden-vrouw en de

boeken-man en de lintjes-juffrouw en het oude kereltje met potten en

pannen.... allemaal zijn den heelen dag aan het grappen-maken en

zingend roepen.... en de boeren, die niet lachen en schreeuwen, maar

binnensmonds mompelen en halfluid fluiten en pruimen en spuwen voor

zich uit, en de bloemen-mannen, die je half-boeren zou kunnen noemen,

want ze dragen geen klompen en jasjes over hun boezeroens, maar petten

weer wèl en geen halfhemdjes.... je ziet ze allemaal nog staan,

ofschoon ze er niet meer zijn, dat komt omdat het nog zoo kort geleden

is dat je ze werkelijk zag, een paar uur nog maar.... in het middaguur,

allemaal bij elkaar. Het zag eruit, alsof het zoo hoorde en altijd zoo

blijven zou.... en nu zijn ze weg, de paarden voor wagentjes

weggedraafd.... de koeien met nieuwe meesters naar vreemde stallen

gegaan.... nu is elk een kant uit, ze weten misschien niet eens van

elkaar waar ze wonen en zoo gaat het elke week.... Over de marktplaats

gaat ze iederen dag, en ook verderop, tot voorbij de sluis, zijn weg en

huizen en winkels goed bekend, maar verder dan de bocht komt ze maar

zelden en daar kent ze de menschen ook niet. De straat is breed, maar

niet mooi, eigenlijk meer een weg, met maar aan één kant huizen in

onafgebroken rij en daarvan de meeste kleine houten woningen, een enkel

maar grooter en van steen en in een tuin—, aan den overkant, in het

zachte, staan scheefgezakte boomen, de huizen hoogstens met twee of

drie bijeen en telkens ertusschen weer een zijpad dat het land in gaat.

Ieder dier paden kan ze kiezen, en overal schijnt de zon. Er bloeien

nog tulpen; die verdorren niet, maar de blaadjes beginnen al meer op

rimpelig satijn te lijken en eindelijk tuimelen ze een voor een

ruggelings van het randje om het kale knobbeltje af en dat staat dan,

in zijn eentje boven op de lange gladde steel, beteuterd rond te

kijken. Het hooge gras houdt de gevallen bladen tegen, er liggen er

witte, rose en rood-met-geel gevlamde, als schuitjes in een groene zee,

sommige gekanteld en sommige over den kop geslagen.

Van de zijpaden gaat ze èèn het liefst, dat om den hoek van de groote

Roomsche Kerk begint en „Kloosterstraat” heet, maar dat je altijd „’t

Roomsche pad” hoort noemen. Het wonderlijke is, dat er zoo weinig

kinderen, en zooveel oude vrouwtjes wonen, bijna huis aan huis, en nu

zitten ze buiten in de zon, de voeten op een stoof en de meesten in

grijze en schotsche en bonte sjaals, de armen daaronder stijf over

elkaar, en de bovendeurtjes van hun huisjes staan open, die hebben

kleine, blauwe portaaltjes, geen echte gang, zooals thuis. Maar wel

veel bloemen in potten en ook tuintjes en overal schijnt de zon. Alle

oude vrouwtjes knikken haar tegemoet en lachen met mummelmondjes en

zeggen soms iets dat ze niet verstaat en hun hoofden gaan met haar

loopen mee—, ze babbelen maar met zichzelf, want met elkander babbelen

kunnen ze niet, hun stemmetjes zijn te zwak. De huisjes zijn aan den

eenen kant, en haagjes aan den overkant, van dichtgevlochten groene

palm; ze lijken allemaal even hoog, maar aan de schaduwen op den grond

zie je de verschillen. In het midden is de Roomsche School en het huis

waar de „zusters” wonen, maar je ziet niet veel ervan, want de

gebouwen, groot, mooi, nieuw, staan rondom een plein achter een poort

en die poort is maar heel zelden open, nu juist wel, en het plein is

één-en-al zon, een groote ronde zee van zon, met een eiland van groen

in het midden, dat zijn de hooge seringenboomen, maar er loopt geen

mensch. Ze blijft even staan voor de halfopen steenen poort—, je ziet

door de opening de onderkanten der gebouwen, het is héél stil, er

fluiten vogels. De „zusters” zijn geweldig knap in handwerken, nuttig

en fraai, zij naaien alles, ook het fijnste, met de hand, op den draad,

steekje-voor-steekje, stikken en rolzoom en Engelsche naad, ze stoppen

tafellakens op het patroon, al zijn ook de moeilijkste bloemen erin

geweven.... Moeder weet ervan mee te praten, want als meisje woonde

Moeder in een dorp, waar bijna niets dan Roomschen en drie echte

kloosters waren, in één er van woonden mannen, die hun gansche leven

niet spreken mochten en elk groef zich zijn graf met zijn eigen handen.

Op de naaischool waren ook een paar Protestantsche meisjes, daar hadden

de Roomsche meisjes een liedje op gemaakt: Protestantsche katten,

zitten op de latten, en als de latten brekken, staan ze in de hel te

kwekken”.... dat doet haar altijd denken aan heel dunne latten,

griezelig gespannen boven een breede, diepe, grauwe kuil, die de aarde

ingaat, tot héél beneden, tot de Hel! Maar de Protestanten hadden ook

hun liedje: „Roomsche papen, liggen te gapen, in de kist, daar het

Roomsche brood in is, maar ze denken niet aan God, wel aan den rand van

den....” Dat zegt Moeder niet, maar je kunt het natuurlijk wel raden!

Bij dat liedje zie je diepe kisten, in elke kist een mensch met zijn

oogen dicht en zijn mond open, met aan elken kant naast zich een brood;

dat ze niet denken aan God, maar wel aan dat andere, kun je onmogelijk

aan ze zien.... het is immers juist dikwijls zoo veilig, dat niemand

aan je gezicht kan zien, wat je denkt.

Binnen de poort fluiten de vogels, ze hebben hun wonen op het groene

eiland, midden in de groote goudgele zee; ze staat in de zon, die

schijnt in haar nek, maar ineens niet meer, er komt een koelte naar

haar toe, haar schaduw, die vóór haar uit ligt tot in de poort, lijkt

te bewegen, te veranderen, te groeien, en is nu haar eigen schaduw niet

meer, maar van een ander, die achter haar kwam—ze draait zich schielijk

om en kijkt op en ze ziet, diep in de schaduw van een witten koker,

waarover aan weerszijden de zwarte sluier hangt, een zacht-lachend

gezicht, van een egale bleek-gele kleur, waarin groote donkere oogen

als vochtig glanzen onder wenkbrauwen als boogjes in een teekening zoo

zuiver en scherp.... Ze bleef even, zonder groeten, zonder uit den weg

te gaan, staren in dien witten koker, naar dat zacht-lachende gezicht,

tot ze begreep dat de „zuster” hier wezen moest, de poort in en dat zij

den ingang versperde.... toen week ze gauw opzij, en haar schaduw kwam

weer los en klom op tegen den rooden steen en de non ging door de

poort, maar keek nog even om en haar hart begon te kloppen: en wat

houdt ze nu ineens van die non....

Verderop, een zijpad in, staan vijf huizen vlak naast elkaar, die wel

bijna boerderijen lijken, nergens is het gras als op die vijf bleekjes,

zoo donker en dicht, zoo sappig en zoo glanzend, zoo vol madelieven,

als margrieten groot en star, en nog boven de hoogste sprieten uit. Als

je over het laagste hekje hangt, kun je het ruiken. Het groen lijkt nog

donkerder, doordat ze uit de zon kwam en dit heele padje in de schaduw

ligt, de madelieven zou je niet kunnen tellen, de achterdeuren staan

open, die springen uit den zijkant van het huis, de klompen staan op de

smalle klinkerpaadjes. En nu komt ze opnieuw in de zon, maar heeft het

prettigste van den weg gehad.... dwars over het einde van het lange

smalle pad, geen handbreed hooger dan de sloot, zonder steenen, waar je

glibbert in den modder als het geregend heeft, staat het mooie roode

huis, dat „Eben Haëzer” heet, dat Kleij heeft laten bouwen, eigenlijk

veel te mooi voor dit armelijk achterpad.... maar eer ze daar is, moet

ze het oude, grauwe krot voorbij, dat eenmaal een smederij is geweest,

en daar staat het schrikding op het dak! Het is een schoorsteenpijp,

kort, grauw-zwart, verzakt en scheefgezegen, en een vreemd, krullig

ding erop dat toen hij recht stond, naar boven gericht was, wijst nu

naar den horizon, ver, ver over het land, als gebeurde daar altijd-door

iets dat gruwelijk en wonderlijk is.... nooit heeft ze graag naar die

schoorsteenpijp gekeken, noch de richting uit, die het krulding wijst,

maar sinds den nacht, dat het in haar droom is geweest, twee dagen na

den onweersdag, durft ze er niet meer naar kijken, durft ze er

nauwelijks langs te gaan. Dien middag wees het zóó dwingend, dat ze,

tegen zichzelf, wel kijken moest en wat ze zag was ver weg over de

velden, waar de koeien angstig liepen te hoop, onder lage kleigrauwe

wolken, een lucht die somberen kopergloed straalde en waartegen

molentjes, klein, scherp-zwart, als dol van angst, te wieken stonden.

En al de lange slooten kaatsten dat koper en het groen was bang en wild

en vaal en er was overal een suizen en grommelen, als kwam het onder de

aarde vandaan. Het onweer dreef af.... maar ’s nachts kwam het ding in

haar droom. Er was schemering, een schemering zooals je in

werkelijkheid nimmer ziet—, ze liep het stadje door en zocht haar

broertje, die verloren was, ze liep al harder, want hij was telkens

voor haar uit, haar loopen werd zweven—want het is hollen of stilstaan

in een droom en soms lijk je van lood en kunt geen voet verzetten!—maar

ze kwam toch niet dichter bij hem.... het was haar stadje en ook weer

niet, want ze herkende wel huizen, maar ze waren het toch niet echt, ze

waren als hielden ze zich maar zoo en overal hoeken, gangen,

dwarswegen, kronkelingen, altijd nieuwe en telkens verdween, op even

grooten afstand voor haar uit, haar broertje om zoo’n hoek, in zoo’n

gang, achter zoo’n kronkeling, zoodat ze hem nooit inhalen, nooit

grijpen, nooit krijgen kon, en ook geen geluid kon ze geven.... toen

waren ze ineens tusschen de huizen vandaan aan de haven, waar de lange

platte en de korte hooge bruggetjes in een wijden krans over het water

en over de balkenvlotten liggen.... Zoo was het ook in den droom, maar

er waren geen schepen, geen lucht, geen boomen, enkel die gele

schemering.... en ze rende, zooals je in werkelijkheid nooit zou durven

over de lange platte en de korte hooge bruggetjes, omdat ze maar één

leuning hebben en altijd zag ze haar broertje voor zich uit.... en hij

zweefde nu werkelijk, ze zag zijn beenen niet.... toen hielden ineens

de bruggetjes op, het laatste was een hoog, en verder en rondom niets

meer dan water, dat gelig schemerde, en waar geen eind aan was, ze

vloog bij het laatste bruggetje op, en haar broertje was verdwenen....

en bovenop stond het schrikding van het dak van de smederij en de krul

wees het water in, als een groote, kromme vinger wees het neer, maar

het water was gesloten en stil, niets roerde, niets repte, ook geen

geluid.... en toen kwam ineens, ver over het water, uit de kim, zooals

de zon opgaat.... maar het was niet de zon.... het was een groot,

bleek, gruwelijk gezicht....

Sinds durft ze zelfs niet meer naar het schrikding kijken, maar daarom

voelt ze wel in het langs loopen hoe het kijkt naar haar, want stellig

weet het dat het in haar droom is geweest.... en dan gaat het heet en

koud door haar heen en haar beenen voelt ze als zwellen en machteloos

worden, en als ze ergens ooit in de modder uit zou glippen, dan

daar.... het pad is ook zoo stil, zoo achteraf, zoo verlaten.... zijn

er maar menschen, dan is dadelijk de angst veel minder.... soms roeit

er een boer met een melkschuit voorbij.... soms staat er een jongen te

visschen.... en vandaag, o geluk, zit er juist tegenover aan den kant

van den weg een oude man, die gras snijdt en bergt in een grauwen zak.

Hij is oud en heeft een mummelmondje en lijkt op de vrouwtjes van het

„Roomsche pad”, hij houdt met snijden op, nu hij haar ziet komen, zijn

witte haar waait onder zijn petje uit, hij wijst naar den zak „voor de

k’naintjes” en hij knikt naar haar op.... o, wat houdt ze nu van dien

ouden man.

Nu wordt het huis, dwars over het eind van het pad, al grooter, het

heeft zich al in ramen en deur verdeeld, en altijd hier, bij den

knotwilg, die boven in de holte van zijn korten stam als in een mand

een bleekveldje in het klein met allerhande bloemetjes draagt, springt

de dikke zwarte streep boven de deur in stukjes en elk stukje wordt een

letter: „Eben Haëzer.” Het is een mooi huis, want het is nieuw en je

kunt zien dat het veel geld heeft gekost, maar het is geen lief

huis.... anders zou het haar wel uit de verte tegen het schrikding

helpen.... sommige huizen zijn als vriendelijke gezichten, maar dit

niet. Nu leest ze het duidelijk: „Eben Haëzer”, want Kleij is fijn,

zelfs van die heele fijne is hij, die „doleerend” heeten. Sommigen

zeggen dat „afgescheiden” hetzelfde, anderen dat dat nog weer iets

anders is. Kleij is ook wat hoogs in de Kerk, want Zondags komt hij er

deftig vandaan, met zwarte jas en hoogen hoed, en hij is toch al zoo

lang en die maakt hem dan nog langer en soms zie je hem loopen met den

dominee! Kleij en juffrouw Kleij zijn „welgestelde menschen”. Naar wat

je zoo hoort om je heen, bestaan er zes soorten van menschen:

schatrijke, rijke, welgestelde, menschen die goed hun brood hebben,

menschen die hun brood hebben, fatsoenlijke arme menschen en „tuig”—,

die heeten in het Joodsch gatheisiem en in het Fransch rapalje.

Schatrijk is mijnheer Leendertz, in het hooge huis met den vijver die

de witte beelden spiegelt, rijk is de dokter, welgesteld is Kleij, goed

hun brood hebben ze bijvoorbeeld bij De Korte, die met zijn eigen

beurtschip vaart, zij-zelf hebben hun brood, een fatsoenlijk-arm-mensch

is vrouw Doek, de sjabbos-vrouw, eigenlijk noemt iedereen haar Griet

Klapmuts, maar dat mogen zij niet zeggen—, fatsoenlijke arme menschen

zijn er ook in de Joodsche kille, zelfs veel, maar geen „tuig”, want

„tuig” drinkt en vloekt en loopt ’s avonds laat op straat te zingen,

dat doen toch geen Joden!

Ze gaat den weg langs het huis, aan den smallen schaduwkant, die even

hoog is als de sloot en vlak erbij en daardoor altijd vochtig, en is

dan meteen in de kweekerij, daar vindt ze meestal Kleij, met zijn ouden

en zijn jongen knecht, want Kleij is zoo vlijtig als een man uit een

boek, hij werkt den heelen dag. De tuin ligt in de zon en ziet er

heerlijk uit, er is een breed middenpad en aan weerszijden groene

vakken, achterin kassen en dan weer bloote vakken tot de heg toe, die

geen echte heg is, omdat hij niet leeft, maar een vlechtwerk van taaie

takken, waar doorheen je de dwarssloot blinken ziet. Aan den anderen

kant daarvan is het land met de koeien en op de glooiïng zie je

nauwelijks gras, zoo wemelt het daar van blinkende boterbloem en groote

madelieven. Ze weet precies waar de soepgroente staat en loopt er

rechtstreeks heen, langs de jonge sla, waarvan de blaadjes tegelijk zoo

teeder zijn en zoo stevig staan.... langs de donkerder en grover

spinazie, langs het fijne wortelloof, dat zoo lekker ruikt.... de

tuinboonen bloeien ook al, maar aan dien bloesem is geen geur.... Warm

en droog voelt het vastgetreden pad, na den vochten modder van

daareven, het waait van wijd-uit om haar heen, tuingeur en weidereuk en

ze rilt in de zon van de heerlijkheid. Waar Kleij mag zijn.... ze ziet

hem nog niet, blijft staan en kijkt eens om.... er zitten menschen in

de veranda aan den achterkant van het huis, boven het kleine

bloementuintje, er is visite, misschien iemand jarig? Ze kijkt gauw

weer voor zich uit, want Kleij komt langs het pad, haar achter-op. Ja,

er is stellig iemand jarig, want hij heeft zijn gewone broek niet aan,

ook niet zijn Zondagsche, maar evenmin zijn daagsche. Zelden ziet ze

hem hooger dan zijn horlogeketting, bijna nooit kijkt ze hem aan, ze is

een beetje bang voor hem.... Prrt.... daar vloog een zwaluw boven haar

hoofd, het land in, zie hoe hij glanst.... en je hoort hem nog ver,

want o, het is zoo stil.... hier ben je ook heelemaal buiten, midden-in

het land. Wat zou het nu heerlijk zijn, als Kleij eens wat zei, of als

je eens wat vragen dorst, zoodat je te weten kwam, waarom de peterselie

juist hier staat en de spinazie juist daar, en waaraan je ziet of de

worteltjes groot genoeg zijn.... maar hij zegt nooit een woord.... en

nu ook, nu hoor je alleen zijn mes, dat door de gladde steeltjes roeft,

terwijl zijn groote, roode hand de blaadjes bij elkaar gevangen

houdt.... die bewegen daardoor nog in het mandje, alsof ze leven, tot

ze weer los en uit elkaar gesprongen zijn. Nu de selderie.... je ruikt

onmiddellijk het verschil.... en ze denkt ineens aan thuis en aan de

soep.... Er tjirpen overal vogels, die je niet ziet....

Achter Kleij loopt ze nu het tuinpad weer over en naar het huis, dat

donker lijkt, zoo uit de zon gezien, kijk, een mooiere jas dan anders

heeft hij ook aan! Ze gaf een gulden, want Moeder had geen ander geld,

en ze moet nu wachten, terwijl hij wisselen gaat. Er zitten drie

juffrouwen en een heer in de veranda, en op de tafel staan glazen....

en advocaat.... en limonade.... en koekjes.... schuimpjes, wit en rose,

hoog boven het trommeltje uit.... Kleij zei vlug een paar woorden,

terwijl hij de veranda door naar binnen ging en ze kijken naar haar, ze

merkt het wel, al doet ze alsof ze niet kijkt naar hen. Ze ziet

alles.... in de limonade drijven week-rose propjes.... het is

eigengemaakte frambozen-limonade.... wat treft ze het.... o, wat treft

ze het! En schuimpjes.... haar mond wordt vochtig.... zou ze er twee

krijgen of maar een.... zou ze een rood kiezen of een wit.... zouden ze

haar een vol glas of een half van de limonade geven? Moeder schenkt ook

wel eens de glazen halfvol als ze met veel ineens komen invallen, op

sjabbosmiddag, anders is er te kort....

Wat heerlijk dat Moeder geen kleingeld had.... en als Kleij nu maar

niet te gauw met het wisselen klaar is, want al doet ze alsof ze enkel

naar de viooltjes kijkt, ze ziet heel goed, dat nog geen van de drie

juffrouwen haar handen uit haar schoot genomen heeft.... wat wachten ze

lang met presenteeren! „Kom eens even hier, jij.” Ha, eindelijk—en nu

is ook meteen dat kijken en fluisteren gedaan.... ze is de trapjes al

op, tot vlak bij den heer, of eigenlijk is het maar een heerachtige

man, die haar riep en ze ziet nu nog beter de limonade, en de

schuimpjes boven het trommeltje uit. En elk heeft er nog naast zijn

glas op het schoteltje liggen ook!

„Kom je hier elke week....?” Ze knikt: „ja, meneer!” „Dan weet je zeker

ook wel wat de naam van dit huis beteekent?” En of, en daarvoor hoefde

ze niet hier te komen, dat heeft ze wel geleerd op het Joodsche School.

„Eben Haëzer,” „Steen der Hulpe.” De vrouw het dichtstbij trekt een

mond en kijkt naar die naast haar zit, en die haalt de schouders op. Ze

krijgt een gloeiende kleur. Zou het fout zijn? En ze weet zeker dat het

goed is! Ze hebben het nog maar kort geleden geleerd, bij de

geschiedenis van Samuel. Nu praat de man: „Eben Haëzer”, „Tot hiertoe

heeft ons de Heere geholpen,”—en de vrouwen knikken, alsof hij het weet

en zij een stommerik is! „Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen”....

goed en wel, dat dachten ze erbij, of misschien zeiden ze het erbij,

maar dat beteekent het niet. „Eben” is steen en „Eben Haëzer” is

„Steen-der-Hulpe.” Ze zegt het niet, ze denkt het alleen, ze hoort maar

half wat de man nu verder tegen haar zegt, ze moet aldoor naar de

limonade kijken en naar de koekjes en naar de handen van de juffrouwen,

maar die blijven in haar schoot. Ha..., daar gaat eindelijk een paarse

arm—er is een paarse, een bruine, en een groene juffrouw—naar de tafel

toe, maar ach.... de arm gaat niet naar een der leege glazen, en ook

niet naar de flesch, en ook niet naar het trommeltje, maar naar haar

eigen glas.... en ze neemt het op en ze drinkt er een héél klein slokje

uit en zet het weer neer en de paarse arm gaat weer terug naar de

paarse schoot en de gele hand ligt weer stil over de andere gele

hand.... De man, die haar overhoord heeft, wenkt nu met zijn hand: ze

moet de trapjes weer af, ze keert zich om en haar rug wordt ineens

gloeiend warm, omdat ze voelt dat ze zoo kijken.

Ze moet haar mandje neerzetten en haar twee handen ophouden, onder de

eene van Kleij; onder den zwaren stroom van heete centen en

halfstuivers breken ze bijna van elkaar.... gauw haar rok in de hoogte,

in haar onderzak ermee.... hij is niet erg schoon.... ze hebben twee

maal dropwater gemaakt van de week.... en juist vandaag draagt ze hem

voor ’t laatst, eer hij in de wasch gaat. Ze wil nu heelemaal niet meer

opkijken naar de menschen in de veranda en gaat maar gauw en zonder

groeten weg, gauw den tuin uit, gauw het huis langs.... ze voelt een

branden overal in zich van teleurstelling en schaamte en akeligheid....

hoe had ze kunnen denken, dat ze haar niets, niets-niemendal zouden

geven....! Iemand die er bij staat, laten toe-kijken.... waar werd het

ooit vertoond? Hoe krijg je het in je hoofd.... je zoudt het niet

gelooven, als je het las in een boek.... nu ja, je leest wel erger,

maar dan van slechte menschen, van wat je „misdadigers” noemt....

Ze holde het schrikding zonder erg voorbij en is het Roomsche pad al

op.... schaamte en teleurstelling trekken uit haar weg.... maar het

andere blijft.... de verbazing dat zulke dingen bestaan, dat er

werkelijk menschen leven in de wereld, geen „misdadigers,” maar gewone

menschen, nette menschen, welgestelde menschen, menschen met mooie

kleeren en broches en horloges.... die bij een volle tafel zitten en

een ander laten toe-zien, heelemaal laten toe-zien. Ze zal er een eed

op moeten doen, eer ze haar thuis gelooven, maar het is eigenlijk te

akelig om er met anderen over te praten....

Avontuurtjes · 第 8 / 24 题