De lente is dit jaar niet langzaam-aan gekomen, maar onverwacht als
door een open raam, de wereld ingesprongen. Langs alle takken, aan alle
boomen, door alle kronkels in alle heggen scheurden als tegelijk de
vochte schorsen open, het groen kwam bloot en vrij de zuivere ruimten
in en ligt nu overal over als een dons. Eerst neusden ze dagen lang in
het platte gras om-niet naar de eerste madelief, nu ligt een overvloed,
als wit-en-goud-gesternte, als dik gestippelte, want ongesteeld nog,
tegen de aarde aan. En kijk je schuin-uit langs de glooiïng van den
dijk, het lijkt zoo dik, als kon je erin liggen, maar het is bedrog, je
ziet nog overal den vochten, zwarten grond....
Het is nu morgen vroeg, ze zitten aan hun boterham voor het open raam.
De dag is jong en frisch.... er gaat nog niets.... de vogels zijn de
menschen voor en keuvelen droomerige geluidjes, en roeren zoetjes zich
in het groen.... De dag is niet als andere dagen, hij ligt, met
gisteren, zwaarder tusschen lichtere dagen in.... ze gaan vandaag voor
het eerst naar de nieuwe school en gisteren was op de oude de laatste
dag.... Eerst vlood de morgen en ze kwamen nog weer thuis, toen alles
open ging in het middaguur, en keerden eenmaal nog eens heen, dat was
de allerlaatste keer.... en elk ding dat gebeurde was voor het
laatst.... In ’t speeluur deden jongens haasje-over, zij keek erbij en
voelde langs zich heen het glijden van den tijd en trilde in den
stroom. De achterramen staarden als verslagen oogen, haar oogen werden
plotseling nat en toch was het niet haar schuld, ze is eenvoudig naar
de nieuwe school verplaatst. Het boschje aan den Zuider-zijmuur liet
zijn pasgeboren groen in blijde bogen zwieren door het licht en hief
weer glinstering naar het blauwe veld en sprenkelde weer schaduw op den
grond, heel ijl en dun en als verguld.... die zal nu dagelijks
zwaarder, zwarter worden en in den zomer is er koelte van de bloeiende
jasmijn en in den herfst zit je eronder op de hurken in den zachten,
lossen grond en gaart er bladeren van verleden jaar en vindt in massa’s
van verminkten en slijmerig verteerden een enkel droog en gaaf.... het
loof vervloog tot vocht, tot lucht, tot niets, de nerven bleven in den
taaien rand gehecht, een kantwerk, goudig bruin, een kantwerk, dat
zichzelf daar langzaam spon, waardoor je dan je hand, je blauwe
schrift, je rose vloei kunt laten schemeren, tooverachtig mooi....
Toen kwam het laatste uur en slonk en ging voorbij...., ze gaven alles
wat de school behoort terug, ze namen alles dat van hen is mee, ze zijn
de deur uit en de stoep af en nog weer op en weer erin en stilletjes
naar hun klas en bank en eindelijk, voor altijd, weggegaan....
Maar gisteravond nog eens weer erlangs en zeiden het elkaar: nu hebben
ze geen school, de oude die van jaren eigen was, zoo eigen als het
eigen huis, daar zullen ze nu nooit meer binnenkomen, dat zouden ze
niet eens meer mogen, die was vanmorgen nog, maar nu niet meer: hun
school—de nieuwe ging nog nooit, voor niemand open....
De oude school staat midden in een straat, met huizen aan weerszij en
tegenover, en boomen zijn er, karren rijden, menschen gaan voorbij....
de nieuwe school ligt rakelings tegen het land, als lichte banen
snijden straten in het groen, maar zijn dat straten, waar geen huizen
staan en dus geen menschen, ook geen boomen, maar zijn dat straten, al
die bloote, breede reepen vlechtwerk, wit en rood.... Daar staat de
school, groot, nieuw, alleen, en rondom leege vlakken straat, als lage
dijken die de wei in poldertjes verdeelen, met rondom zon en rondom
blauw....
Ze staan er voor.... de deur is als een poort, stroef, koel en trotsch,
want boven op een hooge stoep en diep in een portiek.... nu weet je
eensklaps wat: „teruggetrokken” is.... diep-glanzend nieuw van zware
groene verf, toegesloten.... de ramen spiegelen, groot en koud.... en
hekken naar de speelplaats, ook nog dicht.... een doode school....
Hoe groot.... hoe wijd.... door smalten, en dan ineens een breede,
bleeke zee, die blikkert naar het blauw, de leege speelplaats, die ze
voor het allereerst, en vreemd en schuw, betreden.... je wordt haast
duizelig van het blank, waar midden in je staat, een weeke golving om
je heen, van malsch en mollig grint als basterdsuiker dik gestrooid....
Twee zijden zijn besloten in de achterkanten van de school en verder
bloot en open naar het land... een hek.... een lage groenbekrooste
sloot.... en weiden, weiden, weiden, waar je ziet....
Ramen in rijen, groot, koud-blikkerend, dood.... grijze gordijnen,
allemaal even hoog, deuren, zoo trotsch met en zonder portiek, maar
glanzend diep en nieuw van zware, groene verf, toegesloten.... en alles
nieuw, nieuw, nieuw en star, dat is de nieuwe school. De oude heeft
geen achterdeuren, de voordeur is er breed en bruin en afgeschilferd en
bekrast en maar twee treedjes hooger dan de straat....
De voeten treden weekten in het dikke grint, dat sliffend uitwijkt of
het glibberig is, je zou hier niet hard kunnen loopen, maar niemand
denkt eraan... de plaats is vol.... en altijd komen links en rechts
vandaan nog meer.... uit de engten op.... maar niemand die aan spelen
denkt. Ze staan en wachten, kijken, wijzen, staren door de ramen, de
leege klassen in.... nooit zijn er kinderen in die school geweest, zoo
vreemd.... zoo vreemd.... je ziet het witte schimmeren van een wand....
en platen hangen klaar... een doode school... een school die slaapt....
die zelfs niet wacht.... dat doet de oude als het vacantie is, maar
deze weet van niets.... En alles nieuw.... de wind is nieuw, want hij
komt uit het land, geluiden nieuw, je weet nog niet van waar.... Terzij
langs de oude gaat het grintpad van den kweek, je kende elken stap die
langs kwam, wist hoe laat en wie, je kende elke kar en alle stemmen in
de straat, van veraf floot de trein.... hier weet je niets, hier ken je
niets, en nieuw is elke uitkijk.... elk geluid....
De kleinen links.... de grooten rechts.... de deuren sloegen open, de
voeten woelen, krioelen en allemaal rennen ze de stoepen op.... de
school wordt wakker, wordt een school, van dood, gesloten ding het
was....
Het blanke buitenlicht dringt in de gangen, zoo ver het kan, ze zien
ze, grijs en wit, de vloeren sneeuwig blank en uitgevrozen blauw in
groote blokken, die naar ver verschieten en door elkaar, je wordt er
duizelig van, en hooge ramen die hun klaarten gieten.... daar moet je
door, daar moet je overheen.... maar nu nog niet. De vreemde meester
houdt ze aan den drempel tegen, de stoepetreden staan tot onder vol, de
wijde gangen blijven leeg, in klaarten van de hooge ramen, in blank en
blauw van blokken op den vloer. Alleen hun oogen dringen binnen, zijn
erin.... Waar moet je zijn....? Hoe is je naam....? Van welke
school....? Voor welke klas....? Hij laat je los.... je loopt.... je
zoekt.... hoe vindt je hier den weg.... van waar komt al dat licht....
en wat klinkt alles hol... en wat is alles groot.... een trap,
waarlangs het zilveren licht in stroomen vloeit, van boven af, de
treden over, een blauwe trap in muren-wit gevat.... en vochte, vreemde
reuken.... kilte, tocht.... waar ramen openflappen met geluid als korte
donderslag....
De nieuwe klas.... de nieuwe meester.... het nieuwe uitzicht uit de
nieuwe ramen.... de nieuwe kinderen in de nieuwe banken, en ook wel
oude van de oude school, die voel je of het familie is.... de nieuwe
school, vol nieuw geluid.... en dan ineens van hoog een bel, nooit ging
een bel in de oude school.... en eensklaps is het stil.... je hoort de
nieuwe stemmen van het nieuwe buiten binnenkomen....
Het leven roert nu in de nieuwe school.... die pas geboren is.... die
eigenlijk nog niet leeft.... maar nu op het punt.... ze wacht.... de
meester zal het eerste woord gaan spreken....
Ze denkt aan de oude school.... die ook éénmaal toch nieuw moet zijn
geweest, waarin het leven ééns voor het eerst begon.... als hier....
als nu.... En alle scholen.... de oudste huizen zijn eens nieuw
geweest.... En nooit heeft zij er eerder aan gedacht....