Hoog over de aarde hijgt als opgejaagd en verdoold een rauwe, woeste
wind, de donkere boomen krommen zich kreunend, takken knallen en
tuimelen af, boven het zwarte duister is de hemel verloren, geen ster
duidt zijn bestaan en als uit een kolk van ledigheid stort de driftige
regen zijn geweld tegen de donkere aarde aan. Kreunen en gillen, jouwen
en joelen, fluiten om hoeken, als werd daar gedanst, dompe ploffen van
dichtslaande poorten, ijzige geluiden, die nergens vandaan schijnen te
komen vervullen, in een onzichtbaar gedrang, het rusteloos avonduur,
laag aan de aarde waart een schemering: lantaarnlichten bibberend en
bleek in hun bedropen kooien, uit winkelramen kwijnende schijn over de
natte steenen, mat doorgloorde gordijnen voor woonvensters aan de
straat.... Het is maar goed dat er nog vrij wat menschen gaan, of ze
kon het wel elk oogenblik op een loopen zetten, de nagels in de palmen
geklampt, als de slag van een toevallende poort, met gerink van
klinken, vlak bij, haar flutterende hart aan het hameren zet, als over
een muurtje een heksenstem schiet naar haar uit, die sissend zich boort
tot diep in het oor en schril-schaterend weer vlucht, de lucht in, waar
de windspoken losgebroken zijn, die de takken knakken in de wildbewogen
boomen en ze knetterend aftuimelen doen. Maar telkens als ze zal gaan
loopen, komen haar menschen achterop, gaan haar menschen voorbij en aan
het geluid van hun stemmen, vechtend tegen den wind, maar onbekommerd,
van hun plitsende schoenen en slobberende klompen, breekt de zwellende
spanning in haar borst, en niet langer lijkt het dan als waren de
stemmen en de geruchten met boosaardige, donkere bedoeling op haar
alleen gericht.... De menschen zijn gelukkig onveranderd, maar de
donkere gebouwen, in den avond onbewoond en onverlicht, kantoren en
scholen, die schijnen bespookt. Ze gaat langs haar eigen school, en
durft naar de zwarte, naakte ramen haast niet kijken, hooge boomen
bezoomen de speelplaats, hoor hoe het nu waait, als vlak boven haar
hoofd.... het is als aanvangende donder, het is als het dreunen van de
spoorbrug, wanneer er een trein over gaat, ’s avonds uit de verte, het
is als muziek in een benauwden droom, een lage klank als van koperen
instrumenten, gelijkmatig en zwaar, doch dat duurt maar even en het
geluid schiet uit, het stijgt hooger, het stijgt zooals een vuurpijl
stijgt, en het breekt ook zoo uiteen, in een veelheid van geruchten
naar alle kanten, in hoogvalsch fluiten en gluiperig joelen met knakken
van takken, en dan is het weer even gedaan en krijgt het rustiger
regengeluid de overhand....
Het is bang en bijna-heerlijk te zamen, want wind in donker maakt de
wereld groot, maakt de wereld wonderbaar, zoodat het een andere wereld
lijkt, waar wel geen bloei en geen stilte in zon meer schijnt te kunnen
wezen, maar ook niets dat klein is en benauwd —, als niet te bar de
angst haar hart doet slaan, dan gaat ze als opgetild, haar eigen
ongeluk vergeten, want ook daar waait de wind zoo hoog over heen en
jaagt het als in stukken naar alle kanten weg.
Nu is ze gauw aan haar doel, een zwiepend boompje bestrijkt met zijn
schaduwen een lichtplas over de straat, het staat naast de winkeldeur
en haar natte hand klemt in den natten mantelzak het warm-klamme
papiertje, dat om haar geld gewonden zit. Ze is als zwaar van nat en
haar kleeren lijken aaneen gekleefd, door den regen die ze zogen, tot
een klamme, dikke schil, die nu eens lauw en dan weer ijzig wasemt
tegen haar lijf, maar haar lijf is droog.... het zit binnen in haar
kleeren en ze denkt eraan en ze voelt het.... en ze verbaast zich dat
ze er anders nooit aan denkt en het nooit voelt. Het lijf van een
mensch is in zijn kleeren als een pit in een vrucht, het lijf zonder
kleeren is eigenlijk het echte van een mensch en toch zie je het nooit
en denkt er ook niet aan, want denk je aan menschen, dan denk je aan
kleeren, niet aan lijven, ook aan je eigen lijf denk je niet, en nu
ineens voelt ze het in haar kleeren afzonderlijk, en als het echte van
haar, wit en warm in het klamme en donkere....
Nu duwt ze de winkeldeur open en nu tuimelt ze ineens uit het donkere
en uit het geluiden-gedrang het warme, lichte en stille in, dat is zoo
vreemd dat ze blijft staan en de deur achter zich open laat. Van de
lage, glimmende zoldering hangt de lamp, het lijkt zoo vreemd, dat hij
niet beweegt, omdat buiten alles beweegt. Op de bruine toonbank staat
een kacheltje, heel klein, dat als een naaimachine snort, achterin zit
een heer, die schrijft en een lange juffrouw met een spits gezicht en
een schaar aan haar schort komt achter de toonbank vandaan en sluit de
deur die zij openliet en nu is het nog stiller, nu zuigt de stilte uit
haar ooren het windgeweld weg en vult ze met zijn eigen suizen, ze
wordt er bijna duizelig van.... Vreemd, maar het lijkt wel of de
zoldering lager komt, of de wanden achter de twee lage bruine
toonbanken, de wanden van knoopendoozen, groote en kleine, en op elke
doos een groote of kleine knoop genaaid, het lijkt wel, of die wanden
naar elkaar komen.... en zij staat tusschen de twee toonbanken in, haar
hoofd in een doezel, zoodat het is alsof het schudt, en de winkel wordt
om haar al kleiner, het wordt een speelgoedwinkel.... een buitengewoon
prachtige speelgoedwinkel, niet heel breed, maar diep, en alles is er
echt en achterin zit een heer die schrijft, en zijn handen bewegen. In
de lamp brandt een levende vlam, wezenlijk vuur ligt in de kachel en de
juffertjes bewegen, loopen en zoeken, wat echt, de rollen stof op de
toonbank zul je stellig open vouwen en uitmeten kunnen.... wat een geld
moet zoo een winkel waar alles echt is, wel kosten. Bij Spoel achter
het Raadhuis heeft met Sint-Nicolaas een winkel in de etalage gestaan
en de menschen drongen zich tot een klomp voor het raam, een
kruidenierswinkel was het, maar nog lang niet zoo mooi, want de
juffrouwen stonden stil en de knecht liep alleen als hij opgewonden
was, ook waren de rijst en de erwten en de pruimen in de bakken niet
echt.... hier is alles echt en hier kan alles bewegen en ze staat er
zelf midden in. Een heerlijk Sint-Nicolaasgevoel is over haar gekomen,
maar de juffrouw heeft haar het pakje met de stopsajet gegeven, zij
voor haar de warm-klamme centen uit het papiertje gepeld, en nu moet ze
weer weg.
Maar nu ze in donker komt.... dat is vreemd, en heerlijk vooral.... ze
heeft den winkel om zich heen mee naar buiten genomen.... ze loopt in
het lichte, stille, warme over straat.... de glimmende zoldering is
boven haar.... aan weerszijden naast haar de gladde toonbanken, de
wanden van knoopendoozen, ze gaat ermee door het donker.... en het
blijft om haar heen..., maar het wordt wel al dunner en vluchtiger....
de wanden laten den avond door, en de regen breekt door de
zoldering.... de juffertjes en de schrijvende heer vervlogen al in het
zwart, warmte en licht blijven achter haar, als een stroom die haar
eigen lijf ontvloeit en nu ze zichzelf weer open en bloot voelt komen,
ziet ze voor zich uit als tegen een hoogen, zwarten muur, tegen haar
eigen ellende aan.... en ineens als met een bons, slaat het volle besef
in haar neer, benauwdheid grijpt haar bij de keel, het beeld van thuis
komt voor haar oogen.... het zorgenvolle, vale, dat ze even vergat....
Vader is ziek.... tien grauwe dagen al ligt Vader in het alcoof te bed
en wordt nog maar niet beter.... en kan nu niet voor hen werken en kan
nu niet voor hen zorgen en kan nu niet hen beschermen.... o hoe zal hun
leven worden als dit nog langer duurt, dat Vader niets weten en nergens
bij zijn mag....
Vader doet alles, kan alles, zorgt voor alles. Soms heeft Moeder geen
geld, Vader zorgt dat er toch eten komt.... de belasting is niet
betaald.... er zijn briefjes gekomen, een boos woord staat er op:
Verwittigen. „Zoo verwittig ik u.” Wie verwittigd is, mag wel gauw
betalen, of er wachten hem nog erger dingen. Vader zorgt dat die erge
dingen niet gebeuren. Wat Moeder niet weet, en de broers niet weten en
Vader-zelf natuurlijk evenmin: het spookt soms in huis, op den zolder
spookt het, in den winter tegen den avond, als er sneeuw ligt, het
ergst.... slaat nu Vader zijn hand maar om den knop van de deur, dan
zijn de spoken al weg. Nooit hadden ze gedacht dat Vader ziek-worden
kan. Andere menschen werden ziek, Moeder werd ziek, maar was al gauw
weer beter. Als moeder ziek is, wordt het leven kaal en koud,
binnenshuis loopt alles verkeerd.... maar nu Vader ziek in bed ligt, nu
zet rondom hun leven het gevaar op als de zee om de kust wanneer het
stormt, want Vader is de dijk, die alles keert en waar alles op breekt,
wat ze kwaad kan doen.... En nu mag Vader er zelfs geen woord over
hooren. Al meer dan een week zijn ze „verwittigd”, en zonder dat Vader
het weet! Wat Gerrit Mol, de schoenmaker, durft en doet, nooit zou hij
het hart ertoe hebben, was Vader niet ziek, hoewel hij natuurlijk recht
heeft op zijn geld. Hij zal ook gerust zijn geld wel krijgen, Vader
betaalt iedereen, altijd! Maar ze weet het wel, en ze wist er al van,
vóór moeder het vertelde: hij is kwaad, Gerrit Mol, want door Vader
mocht hij niet langer met dat Joodsche meisje gaan, want Vader heeft er
zijn vader over onderhouden, dat het goddeloos is, en de oude Johannes
Mol heeft naar Vader geluisterd en zijn zoon verboden en het is
uitgeraakt en juffrouw Mol was kwaad, omdat Gerrit er verdriet van had,
en nu is de goede, oude Mol gestorven, die nooit met kwitanties stuurde
aan de deur, omdat hij wel wist dat Vader altijd iedereen betaalt,
zoodra Vader weer geld ontvangt en nu zijn de juffrouw en Gerrit de
baas.... en alle dagen.... alle dagen nu al, sinds Vader in bed
ligt.... komt het knechtje met de kwitantie en hij zegt, zijn baas
houdt niet op, voor de laatste cent is betaald, en hij fluit als hij
komt, hij lacht als hij gaat.... moeder trekt de straatdeur achter zich
dicht en staat in de kou en den regen met hem te praten dat Vader niets
merken zal en geeft hem soms wat uit haar beurs en zij-tweeën staan
voor het raam in de voorkamer, waar nu geen lamp en geen kachel meer
brandt en ze vegen den wasem weg om te zien en ze houden zich, om te
luisteren, zóó stil, dat ze Vader hooren slapen in het alcoof. Dit leek
het ergste, wat komen kon, tot voor een dag of drie. Toen is er ineens
iets gebeurd.... maar wat weten ze niet.... wat er van komen zal....
weten ze ook niet.... er iets van merken, doen ze evenmin.... uit
moeders woorden en uit haar huilen alleen begrepen ze, dat het een
onheil moet zijn.... omdat ze zoo smeekten, heeft moeder ze gezegd, wat
het is, maar ze begrepen het niet.... Maar de duistere woorden staan
wel scherp in ze geprent: er is „een wissel vervallen”. Eergister en
gister en vandaag alweer, op weg naar school en naar huis, hebben ze
die woorden van alle kanten bekeken—, wat elk beteekent, weten ze goed,
maar niet hoe ze tezamen en juist voor hen, onheil en gevaar beduiden
kunnen. Een wissel is iets van den trein, maar dat kan het niet wezen,
hoewel er gevaar genoeg uit wissels voortkomen kan. En ook „vervallen”
is een verdriet, maar als een mensch vervalt, of als een huis vervalt,
dat gaat toch maar niet ineens. Trouwens, het is geen mensch, geen
huis, het is een wissel en het gebeurde wèl ineens, verleden week
Donderdag! Het moet een van die duistere zaken zijn, zooals je op
huizen ziet staan of in de krant, die je niet begrijpt, en die ze je
niet uitleggen kunnen: „Registratie”, „Koop met Recht van Wederinkoop,”
„Middelen ter voorkoming van Groote Gezinnen.” Maar alle dagen staan ze
op en gaan ze slapen met door de angst en het verdriet om Vader heen,
een vrees, dat er dien dag iets van het onheil van dien vervallen
wissel over ze losbreken zal. Tot nu toe niet....
Het heeft met regenen opgehouden, maar hoog in het zwart, waar de
boomtoppen kreunen, onzichtbaar, waait altijd door de wind.... telkens
lijkt het of hij aftrekken zal, naar de verte toe, den polder in, zoo
sterft elken keer zijn dreunig grommen,.... en dan komt hij toch weer
langs een anderen kant terug en het lage, metalige zingen als muziek in
een droom, gaat weer door de hooge boomen naar de donkere verten toe.
Maar wie komt daar voor haar uit den stoep af van „De Hoop”? Heidaar,
ben jij het....? Hij is het en wat drukt hij in zijn krommen arm tegen
de natte jas? Dat kleine, grauwe zakje.... het zal toch zeker geen
suiker zijn....? Het is wèl suiker.... moeder heeft naar „De Hoop”—niet
naar hun gewonen winkel—om een ons suiker gestuurd, moeder die altijd
zegt dat suiker bij het ons zoo armoedig staat en nooit minder dan een
halfpond tegelijk laat koopen.... Verslagen gaan ze naast elkaar: nu
zijn ze héél arm.... nu is het héél ver met ze gekomen....
Er zijn veel halfponden en ponden suiker noodig in huis voor den
citroenendrank die de booze ziekte, tot nu onbekend, in de zieken
verslaan en van de gezonden afkeeren moet.... moeder zorgt ervoor dat
de ronde, witte kom bij dag en bij nacht gevuld op tafel in de
voorkamer staat en ze mogen drinken zooveel ze willen—, „in het
fatsoenlijke”, zei moeder, want ze kon natuurlijk óók niet denken hoe
ze die weelde walgen zou. Zagen ze het niet met eigen oogen, ze zouden
nooit gelooven dat deze drank geen andere is, dan die waarvan den
afgeloopen zomer een glas voor hen samen zeldzame tractatie was.... de
lucht alleen staat ze al tegen, maar de dokter schrijft het voor en
moeder volgt alles op wat de dokter zegt.
Was de dokter er maar, als ze thuiskwamen....! Ben jij allang van
huis....? Neen, hij hoefde alleen naar „De Hoop”, zij heeft van
tamelijk ver erwten voor soep en stopsajet gehaald..... en jammer, de
dokter kwam juist in dien tusschentijd.... Ze zal hem dus vandaag niet
zien. Hij is aardig, hij is goed, de dokter, alle dagen zegt hij, dat
hij Vader beter maken zal.... met zijn komen dringen warmte en licht in
huis.... alleen, hij blijft maar zoo kort, want er zijn zooveel
zieken.... en hij vraagt ze nu niet als van ’t voorjaar toen ze mazelen
hadden van vreemde en moeilijke woorden de beteekenis en het
tegenovergestelde—weet je nog wel, van „langdradig”, en dat we allebei
tegelijk zeiden „beknopt”?—hij praat nu niet met Vader en Moeder over
hun familie en waar ze gewoond hebben en aan welke ziekten ze gestorven
zijn.... hij heeft het te druk, je merkt het aan alles, hij noemt ze
telkens bij een anderen en altijd bij een verkeerden naam! Vandaag ook?
Ja, vandaag zei hij „Gerard”, ook nogal gek als je Jo heet!
Zoo, nu stil zijn, nu liefst op de teenen gaan, dat Vader hun stappen
niet aankomen hoort en voorzichtig ook met de deur, de bel tegenhouden
in je hand.... Stil brandt het lampje tegen den gelen wand in de gang,
de deur naar de achterkamer staat open, de lampevlam is daar
laaggedraaid, je ziet het aan het schijnsel.... sst nu.... sst.... niet
stommelen bij de kapstok, niet stooten tegen den bak.... dompig-zacht
komt Moeders praten uit het alcoof.... hooren ze niet ook Vader....?
Ja, een enkel woordje,.... kort-uitgestooten.... hoe moeielijk schijnt
het geluid te komen, en met wat drogen, heeschen klank.... Ze mogen
nooit ongeroepen naar Vaders bed.... maar als Moeder daar komt, zullen
ze dadelijk vragen.... En denk nu eens.... denk nu eens.... dat Moeder
nu, na zooveel dagen, zooveel keeren „hetzelfde” eindelijk „een beetje
beter” zei.... zou het niet wezen als laatst dien dag, toen het kindje
van Schols was weggeloopen en ze allemaal mee-zochten, alle kanten uit
en het kwam maar niet terug.... en het werd al avond.... en
eindelijk.... eindelijk hoorden ze tegemoet zich roepen: „hij is al
thuis gebracht, hij is terecht....”
Zoo staan ze te fluisteren bij de tafel in den rossigen schijn van de
laaggedraaide lamp; buiten de afgedekte ramen in het donker lijkt de
wind naar de verten teruggeweken, het zachte rammelen van de vensters
doet aan klappertanden denken, de deur naar de keuken sluit niet goed
als het waait, daardoor hooren ze nu telkens het taaie druppen in den
gootsteen uit de lekke kraan. Domper nog dan daareven gaat Moeders
praten in het alcoof, en Vaders stem dook onder—, zeker heeft Vader de
medicijn genomen en dekt Moeder hem nu toe. Dadelijk komt Moeder, dan
mag de lamp misschien hooger en krijgen ze brood. De regen snelt, met
zotte hooge gilletjes, uit de gootpijpen in de ton, het geluid van het
vallende water lijkt soms ineens dat van iemand die onfatsoenlijk over
zijn eten smakt. Van den straatkant werd gefloten.... het ging
voorbij.... doch joeg ze allebei den schrik op het lijf.... en beiden
tegelijk vragen ze elkaar: is hij er vandaag geweest, de bleeke
loopjongen met zijn groezele treitersnoet, die fluitende komt en
lachende gaat, moest Moeder vandaag weer naar de keuken vluchten om uit
te huilen, dat Vader niet hooren zou? Nee.... hij kwam nog niet, hij
kwam nog niet vandaag.... Sst.... Sst.... daar is Moeder.... niets
vragen vóór ze zonder geluid de deuren sloot, vóór ze vlak bij hen
is.... Moeder, hoe is het.... hoe is het?.... Hetzelfde.... nog
hetzelfde.... altijd hetzelfde.... het lijkt al eindeloos lang, en of
het nu nooit anders meer worden kan. „Maar Moeder, de jongen van Mol,
met de kwitantie.... was die er niet vandaag?” „En wat kan van dat hij
wegbleef de reden zijn?” Misschien is hij wel zelf ziek, denkt Moeder
en ze gaat naar de kast en haalt het brood en terwijl buigen zij zich
om te fluisteren naar elkander over.... Kan het niet evengoed zijn dat
Mol een kwaden droom heeft gehad, een „Golem” zooals de ouderwetsche
menschen zeggen, en dat hij nu ze niet meer kwellen durft....? Ze zijn
van de tafel weggegaan, daar Moeder klaarzetten moet, ze zwijgen na hun
laatste woorden, kijken mijmerend naar Moeder, hoe ze door het weeke,
blanke brood het broodmes drijft. Met broodmessen gebeuren wel
moorden.... broodmes is bijna een griezelig woord.... God.... wat is
er.... wat heeft Moeder gehoord of gezien dat ze plotseling ophoudt?
Omdat ze aan moorden en aan golems dacht, vergat ze den jongen met de
kwitantie.... maar nu duikt ook voor haar duidelijk uit het donkere
buiten op, wat Moeder al hoorde en wat haar zoo schrikken doet.... hij
komt eraan, ze kennen allen al zijn deuntjes en dit is er één van, ze
kennen zijn stap.... en die komt nu naar hun huis.... nog even.... en
de bel zal overgaan.... en Vader zal wakker schrikken.... maar Moeder
is de kamer al uit.... is de gang al door.... rukte de deur naar binnen
open, en zij beiden, achter haar aan, loopen de voorkamer in, en naar
het raam, om te hooren en te zien. Hij is er nog niet.... hij praat met
een jongen.... en hij lacht.... hij zal toch niet met dien wild-vreemde
over hun kwitantie spreken....? Ze kunnen niets verstaan.... ze hooren
Moeders voeten heel zacht schuifelen in de gang.... zeker kijkt ze
voorzichtig om de deur, waar hij toch wel blijven mag. Ze wachten,
luisteren, huiveren.... Als een nat laken gooit zich de klamme
ijzigheid op je lijf, zoodra je binnenkomt, er is al zoo lang niet
gestookt.... door het dikke, grijze dampbeslag, dat over de ruiten als
uitgespannen staat, dringt van de straatlantaarn buiten wat troebele,
vale schijn en op tafel glimt flauw de buiging van den ronden witten
kom, waaruit de citroenlucht opkomt, die in de heele kamer is.... je
ziet je adem.... en dit doet haar altijd tot een kleine walging aan....
je moest die dampen binnen uit de menschen niet merken, van je-zelf
niet en van anderen niet. Wit-wolkende adem van paarden op straat jaagt
niet die rilling als rimpeling licht door haar heen, enkel zichtbare
menschen-adem.... Ze wachten luisterend aan het raam, huiveren in de
ijzige schemering. En juist aan deze kamer is herinnering van
feestelijk eten, van gezellig bezoek, van verjaardagen, want dat alles
wordt hier gevierd, bij de warmte-stralende kachel, rond de
goud-gloedende lamp.... nu staat de kachel daar star, stug, als
verbitterd en van de lamp geloof je nauwelijks meer dat hij ooit licht
gegeven heeft.
De jongen staat voor de stoep en ze zien zijn gezicht, naar moeder op,
zijn bleeke treiter-smoel. Aan dezen kant hoor je den wind veel luider,
ze verstaan van het praten dus niets, ze kijken alleen, bij de klamme
ramen hun gezichten, maar toch niet te dicht, want hij mag ze niet
ontdekken. Wat een gierende vlaag schoot daar ineens om den hoek.... o,
en die bons.... de deur sloeg uit moeders hand.... de deur sloeg dicht
met een smak tusschen den jongen en Moeder, en Moeders pantoffels
klappen nu zacht en vlug, met een geluid als renden muizen over de
zoldering, door de gang naar het alcoof.... Moeder vergeet den jongen
buiten, denkt alleen aan Vader, of hij heenslaapt door dat ijzig
rumoer.... als de jongen het maar begrijpt, niet meent dat Moeder met
opzet hem de deur dichtsloeg voor den neus.... Fluisterend overleggen
ze.... zullen ze tegen de ruiten tikken.... zullen ze het raam
openschuiven....? Dan staan ze verstard en leven alleen nog in hen de
razend opgejaagde harten.... hij luidt den bel als was er brand in den
nacht, hij luidt de bel dat het gilt en galmt door het huis.... O, daar
slaapt Vader niet doorheen.... hij rukt en rammelt aan den knop, ze
hooren het ijzerdraad als woedend schuren en schuiven door het gat en
de deur schudt ervan.... O Moeder.... Moeder.... kom nu, eer hij erger
doet.... Ze zijn Vader vergeten, ze rennen de kamer uit en roepen om
Moeder en vergeten hun stappen te stillen, hun stemmen te dempen....
Geef hem toch gauw al het geld dat in huis is, Moeder, laat hem toch
weggaan.... ophouden dat afgrijselijk bellen.... Ze huilen luid uit,
even maar, want Moeders gezicht beduidt ze op slag tot stilte.... Wat
hebben ze gedaan....? Vader moet volkomen rust, en ze schreeuwden als
gekken.... maar nu drukken ze zich verkrimpend de handen voor den mond,
nu zullen ze geen geluid meer geven. Stil.... wat gebeurt daar in de
alcoof? Moeder ging naar de deur.... ze hooren rinkelen van
zilvergeld.... goddank, nu gaat hij weg.... laat Moeder hem maar gerust
alles geven.... laten ze maar liever niet eten.... Maar waar komt dat
stommelen vandaan.... van wie is die stem? Dat kan Vaders stem niet
zijn, zoo luid, zoo hol, zoo wild.... Vader mag niet roepen.... Vader
moet slapen! „Vader.... U mag niet roepen.... de jongen gaat al weg....
Moeder gaf al het geld uit haar beurs....” Ze staan in de deur, hun
kaken schokken, zooals hun tanden klepperen van angst en kou. Vader
kijkt hen aan en schijnt hen niet te kennen.... met zijn heele
bovenlijf hangt hij uit bed en roept naar Moeder.... en roept haar bij
haar vollen naam.... „Judith”.... „Judith”.... en anders zegt Vader
altijd „Moeder,” net als zij! „O, Vader, U mag niet roepen, U moet stil
zijn....” „Is het niet waar, Moeder, dat de jongen al weg gaat....?”
„Laat Vader nu gauw weer onder de dekens gaan....” Ach kijk, Vaders
bleeke gezicht, Vaders bloote hals, zoo mager, vol donkere schaduwen,
griezelig om naar te kijken, griezelig en oneerbiedig tegelijk....
Moeder huilt.... ze moet nu wel vertellen.... wat zoo lang geheim
gehouden werd.... het lange papier met de vele getallen trilt in haar
hand.... hoe komt ze eraan.... dat neemt toch anders altijd de jongen
weer mee? Moeder hield het bij ongeluk en geeft het haar nu.... „Gauw,
loop hem na.... geef het hem terug....” Te laat.... hij belt alweer dat
het huis ervan dreunt.... Vader wou juist weer gaan liggen.... nu
schiet zijn lijf in een wilde vaart nog verder dan zooeven over den
rand van het bed.... wat wil Vader eigenlijk hebben.... waarheen dwingt
zijn wenkende, zijn bevend-gebiedende hand? Hun oogen vragen elkaar om
raad, wanhopig, wat wil Vader?
Over de stoel hangen zijn kleeren.... hij heeft nog verder zijn lichaam
uit bed gereikt en daar niemand zijn wil begreep, zijn bovenbroek
gegrepen, van de stoel gerukt en bij zich in bed gehaald. Nu zit Vader
rechtop.... en de broek, op de dekens, siddert en schokt als een levend
wezen, als een angstig, gevangen dier onder Vaders tastende handen, en
de leege pijpen zwaaien heen en weer, kronkelen als slangen.... wat wil
vader toch....? Moeder komt van de deur terug en haar oogen staan
plotseling groot en vreemd-glanzig van schrik.... Hoor toch hoe Vader
zucht en steunt.... maar wat nu....? En ze wijken terug.... een handvol
geld vloog uit het bed langs ze heen over den grond en nog een
handvol.... en nu nog een paar losse centen achterna.... Wat moeten
ze.... het oprapen.... het opvangen.... ernaar grabbelen.... Wat zegt
Vader?
Moeder buigt zich over het bed. In doffe stooten komen de woorden.
„Betalen....! Betalen.... alles betalen.... tot de laatste cent
betalen” en de donkere broek ligt op de schemerige dekens, kronkelt en
schokt als een levend dier, want aldoor grabbelen Vaders jachtige
handen in de zakken en vinden nu niets meer.... en nu laten Vaders
handen af en de broek komt tot rust, de plooien zinken in als
afgetobd.... slap bengelen de leege pijpen af over den rand van het
bed.... Maar bij dat diepe, afgematte steunen houden ze het niet uit en
ze vluchten, het alcoof uit en door de woonkamer naar de keuken....
maar in de keuken is nog warmte, is nog lucht van eten en koffie.... ze
willen niet wezen waar nog warmte en koffiereuk is, en de achterdeur
uit, vluchten ze samen over het plaatsje, door een zwarten regenplens,
het stik-duistere duffe schuurtje in....