—U behoeft ook geen geheimen te verklappen, professor—poogde Forster

vriendelijk te zeggen, terwijl hij Raffles voortdurend aanzag,—maar ik

vroeg u alleen uw opinie.

—Buitengewoon gunstig voor de staalindustrie—zeide Raffles

geheimzinnig.

—Meent u?—vroeg Forster in spanning.

—Natuurlijk—antwoordde Raffles.—Het is immers al een publiek geheim dat

men bezig is met het afsluiten van bindende contracten voor de komende

jaren.

Raffles vermoedde dit slechts op grond dat Forster er iets van had

uitgelaten, doch nu hij het zoo positief zeide, gaf het den schijn,

alsof Raffles meer wist en kreeg hij in de oogen van Forster een zeer

bijzondere waarde.

Forster zweeg stil. Hij probeerde, zooals hij het bij zichzelf noemde,

„Professor Edenshir te vangen”, maar de gelaatstrekken van dezen waren

zóó ondoorgrondelijk, dat hij met geen mogelijkheid iets te weten kon

komen.

Raffles van zijn kant moest meer weten van dezen millionnair. Dat hij

iets in zijn schild voerde geloofde hij stellig. De belangstelling in

de politieke omstandigheden was te gespannen om alleen een uiting te

wezen van nieuwsgierigheid.

Er zat iets achter.

Wist Raffles nu maar met welke diplomatieke agenten de „staalmagnaat”

onderhandelde, dan was hij al een heel eind verder.

Hoe hij evenwel het gesprek wendde of keerde, Forster liet geen naam

hooren en hulde zich in een geheimzinnigheid die zelfs Raffles niet

vermocht te onthullen.

Had Professor Edenshir nu maar niet gesproken over zijn politieke

kennissen in dien zin dat Forster weten wilde wie het waren, dan was er

nog een kans geweest.

Nu was het slechts een vragen wederzijdsch zonder tot een oplossing te

komen.

’t Was nu reeds tegen middernacht en Raffles was nog niet ver

gevorderd.

Plotseling was zijn besluit genomen; hij zou probeeren door inbraak

achter de geheimen van Forster te komen.

Hij stond op en beweerde dat hij nog even naar de patiënte ging zien,

om daarna naar zijn hotel te gaan.

Morgenochtend vroeg zou hij terugkeeren.

Forster kreeg op dat moment de post binnen, die een kantoorbeambte hem

bracht, zoodat de gelegenheid gunstig was om heen te gaan.

Gedurende enkele minuten bleef Raffles in de breede marmeren gang staan

en deed alsof hij in gedachten verzonken was. Voor ’t geval dat ook

professor Edenshir bespionneerd werd, nam hij dezen maatregel, die

niets anders was dan om te zien of Forster zijn kamer ook verlaten zou.

Langzaam ging hij naar de kamers, waar Charly als ziekenoppasser bij

Issi was, die thans zekerheid had dat zij niet als een gevangene werd

behandeld.

Toen Raffles binnenkwam, snelde Charly op hem toe en zeide, zonder

eenige tegenspraak te dulden:

—Wat is dit nu weer voor krankzinnigheid?

—Niets anders dan dit, beste jongen: Een jong onschuldig kind, dat in

een zwak oogenblik toestemde in een huwelijk met een rijken plebéjer,

moet beschermd worden. Daarenboven schijnt het mij toe alsof deze man

iets in zijn schild voert dat niet deugt. Hij verdient een lesje. Dat

is alles.

—Waar bemoeit ge je mee?

—Met alles waar ik plezier in heb.

—Mooie genoegens—bromde Charly.—Wanneer je nu nog eens een grap

uithaalt, maar dit is zoo wanhopig treurig.

—Beste Charly, naderhand zult ge het goede hierin zien. Is je post van

ziekenoppasser zoo zwaar?

Zonder af te wachten ging Raffles naar Issi toe, die nog steeds voor

het wijd geopende raam lag.

Juist toen hij het raam wilde sluiten kwam de maan door de wolken en

bescheen deze zacht den schitterend aangelegden weg door het park,

loopende van den hoofdweg naar Forster’s huis.

Raffles’ gedachten werden ineens in beslag genomen door een eenzamen

wandelaar, die met voorzichtige schreden naderbij kwam en opzag naar de

lichte vensters, waarachter Forster te werken zat.

—Nog zoo laat bezoek?—mompelde Raffles bij zichzelf, toen hij den kerel

de breede trappen van het bordes meende op te zien gaan.

Toch werd er niet gebeld.

Een van ’t personeel misschien.

—Mevrouwtje—zoo begon Raffles tegen Issi—kan er nu nog bezoek komen?

—Voor Forster!—antwoordde zij mat.

—Zoo laat nog?

—Geheime zaken—merkte zij smalend op.

—Zoo! zoo!.... Een zaak als die van mijnheer Forster is geweldig van

omvang. Zoo iemand heeft nooit rust.

—Meent u?

—Ja. Me dunkt ’t is altijd wat.

—Men neemt te veel, professor! O, u weet niet wat het zeggen wil. Ik

lijd er onder. Elke dag is mij ellendiger. En dan wil de kerel hebben,

dat ik daarin zal meedoen. Hij eischt van mij dat ik den Russischen

gezant tot mij halen zou, omdat het in zijn belang is. In den laatsten

tijd, professor, heb ik gehoord van vergaderingen, waarin men het wel

en wee uitsprak over millioenen.

—Bereidt men een oorlog voor?

Issi knikte slechts.

—U behoeft mij niets meer te zeggen, ik weet voldoende.

—Wat zult ge doen?

—De plannen verijdelen.

—Kunt ge dat?

—Misschien.

—Zijt ge even sterk als zij?

Raffles glimlachte. Eigenaardig hoe men woorden overneemt van hen met

wie men veel spreekt. Want onder de millionnairs werd nooit gevraagd

„hoe rijk” maar „hoe sterk is hij?”

—Wanneer ik niet even sterk ben, zal ik compagnons nemen.

—Hoe zal men een professor in de zielkunde kunnen gelooven op

zakengebied?

—Vraag niet meer, later zal u alles duidelijk wezen.

Issi zweeg even, doch zij begon later weer opnieuw:

—Ik wil hier weg. Ik moet mijn vrijheid hebben. Ik kan zóó niet leven.

—Waar is uw moeder?

—Daar kan ik niet heen.

—Ik zal morgen een schuilplaats voor u zoeken. Dan vlucht gij

morgennacht met mijn vriend, die heden geregeld bij u is om u op te

passen.

—Dank u. Verlos mij van dien man. Ik heb hem nooit liefgehad.

—Genoeg. Ga rusten. Tot morgen.

Behoedzaam ging Raffles thans de trappen af. Juist wilde hij de deur

der bibliotheek openen om zoo brutaal mogelijk binnen te treden,

hopende daardoor te weten te komen, wie daar straks bij Forster was

gekomen, of graaf Timmys trad hem opzijde.

Het livrei-pak zat strak om het lichaam en de houding was onberispelijk

voor een bediende.

—Wel, graaf?—vroeg Raffles, onmeedoogend drukkend op het woord

„graaf”—het schijnt dat ge u zeer goed kwijt van uw taak.

Als getroffen door een zweepslag kromp Timmys ineen onder den

doorborenden blik van Raffles.

—Wat bedoelt ge?—vroeg Timmys stamelend.

—Gij spionneert—minachtte Raffles terug.

—Excuseer mij, professor. Ik doe alleen dienst als schildwacht.

—En gij volgdet mij.

—Ik stond in die nis, professor. Ik moet er voor zorgen, dat niemand

die kamer binnengaat. Er is een bijeenkomst—fluisterde hij.

—Is uw meester zoo laat bezig?

—Heden wel.

—Vergeef mij dan mijn meening. Ik dacht dat u spionneerde en dat vind

ik vooral van u onverantwoordelijk. Hoe is het trouwens mogelijk dat

gij in dezen dienst zijt?

—Forster betaalt goed.

—Hoeveel?

—Duizend dollar per maand.

—Hm!... En daarvoor bewaart gij geheimen, die zooveel schatten meer

waard zijn?

—U vergist zich, professor. Niemand weet hier geheimen. Alleen

personenkennis. Maar wat er gesproken wordt tusschen Forster en den

Russischen gezant is ons een raadsel.

—Dus de gezant is er?

Timmys werd eerst doodsbleek, toen vuurrood en met één sprong greep hij

een dolk, die in de nis lag.

Raffles had alles opgemerkt, doch vóór dat graaf Timmys bij hem was,

had Raffles zich tot hem gekeerd, greep den pols als met een schroef

vast, zoodat de dolk kletterend op den grond viel.

Timmys had een gesmoorden vloek doen hooren en wreef zich, een pijnlijk

gezicht zettende, met kracht den ontwrichten pols.

—Dwaas die gij zijt—zeide Raffles,—gij wildet mij dooden. Waarom?

—Gij weet iets dat niemand weten mag. Gij moet sterven.

—Dat is zoo. Maar thans nog niet. Wees eens even kalm. Jij hebt mij

niets gezegd, is ’t wel? En wat wildet ge nu doen? Dooden kunt ge me

niet. En verraden zal ik je niet. Vervloekte Portugeesche driftkop,

denk je, dat ik met jullie vervloekte geschiedenissen iets wil te maken

hebben?

Hem moet ik eerst voor een poosje opbergen. Hij is te gevaarlijk door

zijn ongemotiveerde drift, overlegde Raffles bij zichzelf. Ik zal hem

thans even geruststellen, maar morgen is het tijd om te werken.

Hier was iets geheimzinnigs, iets dat hij doorgronden wilde. Hij

gevoelde het als een ding van groot belang.

Raffles nam een bankbiljet van vijftig dollar.

—Pak aan, graaf!—spotte Raffles—en wee je gebeente als ge me een

stroobreed in den weg durft leggen.

En terwijl hij wachtte totdat zijn auto voorkwam, dacht Raffles al maar

over de plannen die hij uitvoeren moest als hij tot een oplossing komen

wilde.

De ontdekking wàs er, maar wat zou deze brengen?

Raffles zat eenige oogenblikken daarna rustig in zijn auto, die met

snellen gang hem voerde naar het Victoria-Hotel.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ONTVLUCHTING VAN ISSI.

Den volgenden morgen ging Raffles reeds vroeg naar het huis van Forster

toe.

Hij had zich voorgenomen dat hij, eer het jaar vier en twintig uren

ouder was geworden, al een heelen boel gedaan moest hebben.

Het zou een drukke dag van voorbereiding, een drukke avond en nacht van

uitvoering wezen!— —

Met vluggen, jeugdigen stap klom hij de treden van het bordes op en

liep den portier voorbij, alsof hij reeds een bekende in Forster’s huis

was.

Zijn eerste gang was naar Issi’s kamers.

Binnengekomen zijnde informeerde hij eens naar de gezondheid van Issi.

De rust had haar zichtbaar goed gedaan en zij zag er jeugdiger en

schooner uit dan ooit.

Raffles vroeg zich opnieuw af, hoe of het mogelijk was geweest dat dit

meisje getrouwd was met een zooveel ouderen man, die daarenboven nog

een wreedaard was.

—Mevrouwtje—zoo sprak Raffles—ik ga aanstonds op weg een goede

schuilplaats voor u te zoeken. Blijft gij bij uw besluit?

—Zeker, professor.

—Goed. U begrijpt wel dat uw echtgenoot géén toestemming geeft tot uw

vertrek. Daarom zullen wij geheimzinnig te werk gaan en uw heengaan zal

zoo iets van een vlucht wezen.

—Alles is mij wel, professor,—antwoordde Issi,—ik wil alleen weg van

onder de macht van dezen man. ’t Moet!

—Dat zal gebeuren. Houd u rustig en luister naar den raad van mijn

assistent. Deze handelt meestal in mijn geest en zal u, mocht er

onverhoopt een voorval komen waaruit het werken van Forster blijkt,

bijstaan. Zorg er voor dat u hedenavond zeer sterk zijt.

Hierop ging Raffles weer heen, na nog even met Charly te hebben

gesproken.

Zijn eerste gang was naar Forster’s kamers.

Een bediende verwittigde Raffles dat Sir Forster reeds vroeg uitgegaan

was en hem verzocht had te vragen of professor Edenshir naar het bureau

der hoogovens komen wilde, waar Forster op hem wachten zou.

—Zeer goed. Is graaf Timmys hier?

—Deze is hedenmorgen vroeg vertrokken.

—Waarheen?

—Naar New-York.

—Ontslagen?

—Neen, professor. ’t Was een buitengewone spoedboodschap, welke

verricht moest worden.

—Waarom moest Timmys dat doen?—vroeg Raffles voorzichtig. Hij wilde

probeeren dezen knecht uit te hooren.

—Dat is werk wat Timmys altijd doet.

—Is Timmys langer hier in dienst dan gij?

—O neen! veel korter.

—Dan begrijp ik niet dat Forster u niet belast met geheimzinnige

zendingen... of—voegde hij er zacht aan toe—zijt gij niet betrouwbaar?

—Ik dien nu drie jaren hier. Ik ben reeds huisknecht bij hem geweest

toen hij nog niet getrouwd was. Ik ben maar een eenvoudige jongen, Sir,

maar eerlijk. Ik heb veel gezien van mijn heer en meester, maar ik moet

zwijgen, omdat ik veel verdien en daardoor mijn oude ouders steunen

kan. Maar anders bleef ik geen uur meer hier.

Raffles keek den spreker eens scherp aan. Was dit soms een comediespel

om hem in een val te lokken?

Doch neen. De kerel was zoo onbevangen, deed zoo eenvoudig, dat het

waarheid wezen moest wat hij stond te vertellen.

Raffles moest de proef op de som hebben.

—Dus als gij evenveel, zoo niet meer zoudt kunnen verdienen ging gij

weg?

—Ja. ’t Is hier met al die baronnen en graven géén werk. Op ’t

oogenblik ben ik even rustig. Ik moest van Timmys wacht doen, maar

anders commandeert dat „kanalje” mij veel meer dan vroeger Forster.

—Goed. Je wilt weg. Ge kunt bij mij komen.

—Hier?

—Wat bedoel je. Hier in New-York?

—Ja, Sir!

De man stamelde van hoop en blijdschap en keek naar Raffles’ lippen om

te zien als het ware, wat professor Edenshir zeggen zou.

—Gij blijft hier in New-York. Onder één voorwaarde.

—En die is?

—Dat gij mij trouw zult dienen en alles zult doen wat ik wensch.

—Sir!—antwoordde de man eenvoudig—ik wil dit alles zéker doen. Maar ik

heb hier veel geleerd en vertrouw weinigen meer. Ik behoef toch b.v.

nooit iemand te......

De man zweeg.

—Nu?—vroeg Raffles.

Even schudde de man met ’t hoofd en sloeg de oogen neer.

Toen zeide hij heel zacht, zonder verband tusschen zijn daareven

gesproken woorden:

—Iemand kwaad te doen bijvoorbeeld.

Raffles dacht na. Deze vraag werd niet zonder bedoeling gedaan. ’t Was

wel zeer eigenaardig, dat hij dezen man nù ontmoeten moest. Probeeren

dan of hij er profijt van hebben kon.

—Hoe komt ge aan zulk een gedachte?

—Dat weet ik niet. ’t Was alleen maar een vraag.

—Hebt ge hier dan al eens iemand moeten vermoorden bijvoorbeeld?

Een doodelijke bleekheid toog over ’s mans gelaat. Er ging Raffles

plotseling een licht op. Deze man bleef dáárom bij Forster. ’t Kon niet

anders. Hij was geketend aan dit bestaan en durfde wellicht niet eens

buiten New-York, bang als hij was dat men hem nog eens arresteeren zou.

Welk een geheim zou hier nu weer achter zitten?

Raffles streek zich over ’t hoofd en zeide daarna:

—Uw vraag, uw gansche optreden geeft mij te denken. Ik wil eens ernstig

met je spreken. Misschien zal dat je goed doen. Kunt ge hedenavond bij

mij komen?

—Waar?

—Om acht uur in het Victoria-Hotel.

—Neen, professor. Dat zal niet gaan. Ik heb vanavond dienst.

—Is hier dan geen stil plaatsje waar wij kunnen spreken?

—Jawel, maar zeer gevaarlijk.

—Dat is minder.

—En dan, professor, niet om acht uur, maar om twaalf uur hedennacht.

Raffles keek weer naar den huisknecht. Vermoedde men iets van de

plannen omtrent Issi’s vlucht?

Dat was toch niet mogelijk. Dat kon niet. ’t Was een merkwaardige

samenloop van omstandigheden, die, wanneer men de macht had ze te

gebruiken, allen dienstbaar gemaakt konden worden aan het doel wat

Raffles zich voorgesteld had.

Buitendien, wanneer hij er voor zorgde dat Issi, bijgestaan door

Charly, vluchten kon, dan was hij hier toch.

—Ik zàl komen!—zeide Raffles met harde stem, terwijl hij den man

doordringend aanzag.—Maar weet dat ik nooit bang ben. Begrepen?

Hij zweeg even en zeide daarna:

—Wijs mij de plaats waar ik wezen moet!

—Weet u de bibliotheek?

—Ja. Ga voort.

—Die trap gaat ge op en ik zal er wezen om met u te gaan.

Raffles verdiepte zich er niet verder in, want hij moest nog heel wat

doen. Hij nam dus afscheid van den huisknecht en reed enkele minuten

later naar het bureau van Forster, bij de hoogovens en ijzerfabrieken.

Raffles werd ontvangen door een ambtenaar, die hem onmiddellijk naar

Forster bracht.

—U komt juist intijds, professor—riep Forster op zijn gewone

luidruchtige manier. Hij zag er zeer opgewonden uit.

—Dat doet mij werkelijk genoegen. De patiënte..

—Ja, ja!—viel Forster hem plotseling in de rede—dat komt wel. Ik ben op

het oogenblik aan geheel andere dingen bezig. En ik wilde u juist

vragen of mijn vrouw vervoerd kan worden.

—Waarheen—vroeg Raffles in groote verbazing.

—Naar de buitenplaats van een mijner vrienden.

—Naar den Russischen gezant?—vroeg Raffles.

Als geëlectriseerd sprong Forster op.

—Hoe—weet—u—dat?...

Woest rolden zijn oogen door hun kassen, doch Raffles bleef kalm staan

en zeide:

—Gewoonlijk weet ik alles, zonder dat ik er moeite voor doe. Gedachten,

vriend. Gedachten, anders niet. U weet uw ziekteverschijnsel gaf mij

redenen tot nadenken en dit bracht mij de wetenschap dat u zeer veel

hooggeplaatste personen telt onder uw kennissen. Op ’t oogenblik is uw

vriendschap buitengewoon voor dezen gezant, maar toch zal ik mij er

ernstig tegen moeten verzetten dat u uw echtgenoote er zult heen

brengen. Vertrouw haar liever toe aan een goed sanatorium, waar liefde

en vrede, licht en reinheid heerschen.

Forster stond precies als een buldog, die gereed is voor een sprong

naar het slachtoffer.

Raffles keek hem strak aan.

’t Was een zwijgend beproeven van elkanders krachten, want nu Raffles

zekerheid had dat er groote geheimen bestonden, wist hij ook dat er

zeer veel op ’t spel stond.

En gedachtig aan Issi’s woorden voelde hij, dat hier een inspannend

maar goed werk te doen was.

—Wat u weet is gevaarlijk, professor—merkte Forster op.

—Meent u?

—Zéér gevaarlijk.

Forster drukte enorm op deze woorden, hij wilde professor Edenshir bang

maken.

—Ik gevoel niets van dat gevaar. Waarschijnlijk is het dus geheel aan

uw zijde....—zeide Raffles nonchalant.

De aderen van Forster rezen op zijn voorhoofd, en toornig stiet hij

uit:

—Mijnheer, nog nooit heeft iemand mij durven noch kunnen dwarsboomen.

Door u laat ik ’t ook niet doen. Wie mij in den weg staat ruim ik op.

—Een oud handwerk van u?—merkte Raffles vragend op.

Forster wankelde.... Hij keek met groote oogen naar Raffles en

stamelde:

—Wie zijt gij? Hoe durft ge?....

—’t Doet mij genoegen, waarde Forster, dat ge mij, hoewel ik eigenlijk

niets positiefs gezegd heb, gesterkt hebt in mijne meening.

Forster zeide niets, maar toen Raffles met een energieke beweging de

deur opende en heenging met de woorden: „Als u beleefder en kalmer zijt

geworden kom ik naar u toe”, kende zijn drift geen grenzen meer. Hij

nam zich voor om professor Edenshir te dooden.

Raffles huurde daarna in een der meest afgelegen parken een kleine

villa.

’t Was minstens zes à zeven uur rijdens van Forster’s woning af, zoodat

als Issi hier naar toe vervoerd werd, men niet bevreesd zou wezen dat

zij de eerste tijden ontdekt zou worden.

Raffles liet alles gereed maken, zóó, dat het voor een jonge vrouw een

lusthof was.

Er waren kamers vol licht en lucht, met smaak gemeubileerd en voorzien

van alles wat een rustigen, aangenamen indruk maakt.

Hij nam een dienstbode aan, iemand van wie een informatie-bureau

gunstige getuigenis gaf en liet deze direct alles in orde maken voor de

komst van Issi.

Toen ging hij naar Forster’s huis, nadat hij zich eerst overtuigd had

dat Forster nog op het Bureau was.

Tijdens Raffles’ afwezigheid was Timmys teruggekomen en met een bijna

volkomen onderdanigheid boog deze.

—Graaf Timmys, ik kom daar juist van mr. Forster,—zeide Raffles.

—Ja, Sir?

—Mevrouw moet naar het buiten van den Russischen Gezant.

Een glimlach vloog over Timmys’ gelaat.

—Dat is zeer vlug. Ik ga nu mede naar Engeland,—zeide Timmys, die, nu

professor Edenshir meer wist dan gisteren, meende dat hij alles zeggen

moest.

—Timmys—hernam Raffles—ge moet me helpen.

—Zeer gaarne. Ik wensch het gebeurde van gisterenavond goed te maken.

—Prachtig. Maak de groote reisauto gereed. Wij kunnen mevrouw daarmede

vervoeren. Doch vlug. Want binnen ’t uur moet ik weer bij Forster terug

wezen.

Timmys ging zich van zijn taak kwijten.

Raffles vloog naar boven en gaf Charly en Issi last vlug voort te

maken.

Toen ging hij vlug naar beneden en liep naar de Bibliotheek, waar de

huisknecht nog was.

—Hedenavond ben ik niet hier. Kom morgen bij mij. Ge kunt onmiddellijk

in dienst komen bij Lord Divonshart in het „Liveman-park”, Villa nummer

18.

—Morgen?

—Ja.

—Maar hier dan?

—Een getuigschrift is voldoende.

—Dat krijg ik niet.

—Wil ik er een maken voor je?

—Is ’t voor uw vriend?

—Ja. Maar later kan het je toch te pas komen. Geef me papier. Ah! laat

me even plaats nemen voor ’t bureau van je meester.

—Professor!.... riep de man verschrikt—dat mag niet!

—Ach wat. Ik weet toch alles.

—Ge jaagt mij den dood in. Als Mr. Forster merkt dat gij er gezeten

hebt, vermoordt hij mij.

—Dan komt ge mij maar dadelijk achterop.;

—Ik màg niet!

—Lafaard! Wel durfdet gij een daad doen die veel erger is....

—Hoe weet ù dat,—riep de man ineenkrimpende van smart.

—Forster vertelde ’t mij!

—Dat is gemeen!

—Blijft ge dus nog hier?

—Neen!

—Laat mij door! Ga naar het door mij opgegeven adres. Ge zult het er

goed hebben.

Raffles wachtte ’t antwoord niet meer af, maar trad brutaalweg de

bibliotheek binnen.

Alles was goed gesloten, doch Raffles had op dergelijken tegenslag

gerekend. Hij zette zijn instrumentje om sloten te openen er op en het

bureau, waarin zooveel geheimen waren, was voor Raffles publiek

eigendom.

Hij, die zoo menigmaal met allerlei dingen in aanraking was geweest,

wist natuurlijk niet beter te doen dan te zoeken naar ’t een of ander

verborgen laadje om te zien of hier bewijsstukken in lagen.

Lang mocht hij evenwel niet talmen, want ’t werd tijd om heen te gaan.

Met razende vlugheid doorzocht hij het bureau. Niets te vinden.

Misschien was alles in de brandkluis van het groote kantoor.

Juist wilde Raffles den boel weer sluiten, toen hij vrij onzacht met

zijn linkerhand in aanraking kwam met een knopje, dat beschermd werd

door een laadje.

Een paneel week op zijde en Raffles zag een met staalplaten bekleede

ruimte, waarin papieren lagen.

Zonder zich te bedenken stal hij deze en sloot alles verder zorgvuldig

af.

Vijf minuten later kwam professor Edenshir met Issi en Charly de

trappen af en tien minuten later suisde de auto, bestuurd door

professor Edenshir, door New-York’s straten de pas gehuurde villa

tegemoet.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN NIEUWE STAALSPECULANT.

Graaf Timmys zat naast professor Edenshir voor in de auto en merkte met

eenige verbazing op dat men niet naar het gewone buiten ging van den

Russischen gezant.

—’t Is ook een buitengewoon geval—antwoordde Raffles terug.—Zoo direct

zijn wij er.

Inderdaad. Raffles reed het park in en voor een allerliefste villa

bleef de auto staan.

De deur werd onmiddellijk geopend en het vriendelijke gelaat van een

ongeveer veertigjarige meid-huishoudster werd zichtbaar.

Tot heden toe liep dus alles goed.

Prachtig zelfs.

Met kalmte en waardigheid bracht men Issi naar een heerlijk groote

tuinkamer, waar bloemen haar een vriendelijk welkom toeriepen.

Toen dit geregeld was gaf Raffles Charly een wenk en zeide:

—Graaf Timmys, wilt u mij even volgen?

—Gaarne.

Raffles ging naar een klein kamertje dat nergens ramen had. Wel was er

een klein smal luchtgat, maar meer ook niet. ’t Scheen wel een

proviandhokje te zijn, want nergens was ook maar een bewijs, dat er

ooit iemand langer had vertoefd dan noodig was tot het verkrijgen van

voorwerpen die daar opgeborgen waren.

Raffles stiet met den voet tegen een soort matras, en hij mompelde:

„Ah, toch om gedacht.”

Hij keerde zich om en zeide tegen Timmys:

—Ziehier uw kamer voor dezen nacht, morgen zullen wij nader spreken.

Meteen gaf Raffles hem een duw, hield hem even een watje met vocht, dat

een bedwelmenden invloed uitoefende, onder den neus en legde hem daarna

neer op een matras, dekte hem toe met een deken, zette een zeer lange

kaars bij hem neer, met allerlei benoodigdheden, zooals water, een

fleschje wijn, cigaretten, opdat hij zich niet vervelen zou als hij

ontwaakte.

Raffles met Charly gingen nu naar beneden, en namen afscheid van

elkander, met de belofte dat Charly zorgvuldig op zou passen, en dat

Raffles zoo spoedig mogelijk terug zou keeren.

Raffles reed nu met spoed naar het Victoria-Hotel, nadat hij eerst in

een garage de boodschap achtergelaten had:

—Breng die auto onmiddellijk bij Mr. Forster, „den staalmagnaat”, terug

met dezen brief:

De brief luidde:

Mr. Forster, bijgenaamd „de Staalmagnaat”.

Mijnheer!

Hierbij in beleefden dank terug uw auto, welke ik noodig had tot

uitvoering van mijn plannen.

Professor Edenshir met zijn assistent en uw echtgenoote heb ik

gevankelijk als reisgezelschap meegenomen bij mijn vertrek naar de

oude wereld.

Van mij zult gij, indien ge mij met rust laat, geen last

ondervinden in uw poging om uw millioenen op een oneerlijke wijze

te vermeerderen.

GRAAF TIMMYS.

Daarna ging Raffles weer terug naar het Victoria-Hotel, na eerst

zorgvuldig de grime van professor Edenshir te hebben verwijderd.

Reeds dadelijk bij zijn binnentreden werd hij hartelijk verwelkomd door

den directeur van het mooie, groote hotel en deze informeerde

belangstellend naar het uitstapje, dat Lord Divonshart gedaan had in de

provincie New-York.

Lord Divonshart ging naar zijn appartementen, en opende nu de stukken,

die hij gestolen had uit het bureau van Forster.

Getallen... niets dan getallen, die millioenen vertegenwoordigden....

Lord Lister No. 0125: Een vreemde geschiedenis · 第 2 / 3 段