—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maa

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 125 EEN VREEMDE GESCHIEDENIS

EEN VREEMDE GESCHIEDENIS

EERSTE HOOFDSTUK.

DE STAALMAGNAAT VAN NEW-YORK.

Lady Forster zat in haar prachtig boudoir droomerig voor zich uit te

staren in het groote park, dat de woning van mr. Forster, bijgenaamd

„de groote Staalkoning”, omsloot.

De lange, smalle, fijne handen waren als in pijn samengestrengeld en

hoewel een oppervlakkig toeschouwer absoluut niets bemerken kon, had

iemand, die eenige menschenkennis bezat, ongetwijfeld gezien, dat Lady

Forster verdriet had, doch dit zorgvuldig wilde verbergen.

Toch was zij alleen en niemand zou het immers wagen haar, de jonge,

doch machtige meesteres van het huis te storen, zoodat zij zichzelf

thans verwonderde, dat zij geen lucht gaf aan haar beprangd gemoed.

—„En ik wil niet”—prevelde zij zacht voor zichzelf, „ik wil niet”....

Er kwam een harde trek op het zeldzaam mooie gezicht van Lady Forster,

een trek van groote bitterheid, die de lijnen om kin en mond scherper

deed uitkomen en den fijnen Griekschen neus nog spitser scheen te

maken!

Loom, traag, als in groote vermoeidheid stond zij op, steunde met haar

rechterhand op de leuning van het gouden damesstoeltje, waarin zij

gezeten was en bracht met een gratie, grenzende aan een tooneeleffect,

de linkerhand aan het blanke, hooggewelfde voorhoofd.

„O, God! Dit leven is verschrikkelijk... dat is te ellendig... Alle

menschelijkheid is weg... ik gevoel mij een slavin... een dier... een

hond die geslagen is en toch weer teruggeroepen wordt om de hand des

meesters te lekken... Bah!”...

Grenzelooze verachting sprak uit deze woorden, die zij als tot zichzelf

zeide! En onmiddellijk daarop klonk het weer, zéér beslist:

—„Ik wil niet huilen!... Ik moet mij beheerschen!...”

Een kloppen op de deur der kamer deed haar opzien.

Vlug zette zij zich neder, nam een boek op haren schoot en nam de

houding aan van iemand, die aan ’t lezen is geweest.

Andermaal werd er geklopt, doch nu harder en dringender.

—Binnen!

De deur werd geopend en een bediende, gekleed in fijn blauw laken,

afgezet met goud koordstiksel, trad het boudoir binnen.

—Wat wenscht ge, Karl?

—Mr. Forster verzoekt u in de bibliotheek te komen, Mylady—antwoordde

de bediende.

—Dadelijk?

—Tijd heeft mr. Forster niet genoemd, doch mylady weet zelf wat mr.

Forster’s bevel is.

—Zwijg! Al goed! Zeg dat ik binnen een half uur aanwezig zal zijn.

De man boog en verdween gluiperig door de deur, die hij daarna

geruischloos sloot.

Lady Forster kneep de handen tot een vuist, die zij krampachtig

schudde.

—Verspieders!—dacht zij toornig.—Forster is krankzinnig. Wat hebben wij

er aan om baronnen en graven, die hun land met schande en oneer hebben

moeten verlaten, hier te engageeren als huisbedienden? Overal

spionneeren ze, overal vleien zij Forster!...

Weer werd er geklopt.

Kon men haar dan niet met rust laten?

Wat nu weer?

—Of u oogenblikkelijk komen wil, mr. Forster moet op reis.

—Goed—antwoordde zij bijna toonloos, maar toch met een kleine

opflikkering van hoop in de bruine oogen.

Even nadat de bediende heengegaan was, ging Lady Forster, met

vorstelijke fierheid voortschrijdende, naar de bibliotheek van mr.

Forster, die aan een groote, met papieren overdekte schrijftafel zat.

Forster was een kerel van ruim vijftig jaren. Hij was middelmatig van

lengte, gezet van omvang en had een groot, leelijk hoofd, waarin als

een paar vonken vuur zijn twee kleine oogen schitterden.

Een stompe neus, eenigszins uitstaande oorschelpen, een breede mond met

een eeuwigen grijnslach er omheen, een bijna vierkante kin en hoekige

jukbeenderen gaven hem een wreed, onaangenaam uiterlijk.

Forster was voortgekomen uit de onderste lagen der maatschappij, had

zich een plaats veroverd op een groote ijzer- en staalgieterij, toen de

schooljaren geëindigd waren.

Reeds spoedig was de enorme lichaamskracht van Forster spreekwoordelijk

geworden en iedereen, die met hem samenwerkte voor de ontzettende vuren

der hoogovens, had ontzag voor hem. Van dit ontzag maakte Forster, die

reeds vroeg een heerschzuchtig karakter had, een gretig gebruik en

regeerde binnen enkele maanden de gansche groep werklieden, die op zijn

afdeeling werkzaam waren.

Toen kwam de zucht naar boven om evenals groote heeren te kunnen

bevelen en Forster begon systematisch te zoeken naar die middelen,

welke hem in staat stelden te kunnen regeeren.

Forster’s natuur, karakter en levensopvatting waren niet van dien aard,

dat hij zich gaandeweg op zou kunnen of willen werken.

Alles moest even vlug gebeuren en ieder middel was hem welkom.

Wat hem hinderde, vernietigde hij. Voor geen misdaad deinsde hij terug

en bracht zijn belang het mee dat hij iemand vermoorden moest om den

persoon, welke hem in den weg stond op te ruimen,... hij aarzelde niet

om door een schijnbaar ongeluk zijn tegenstander te dooden.

Slechts enkele maanden was hij op de ijzer- en staalgieterij, toen een

chef-werkmeester heenging en diens plaats dus vacant kwam.

Brutaalweg ging hij naar de directie en vroeg niet, maar eischte dezen

post voor zichzelf op.

De directeur, een goed en verstandig man, weigerde op een zoo brutale

manier in te gaan en gaf niet onduidelijk te kennen dat hij zulke

werklieden liever gaan dan komen zag.

Forster had toen gedreigd en gezegd:

—Als gij mij niet neemt, ligt uw bedrijf hedenavond stil.

Toen had de directeur gelachen om den „hoogmoedswaanzin” van dezen

werkman en hem daarna weggestuurd met de woorden: „Meld je bij den

kassier, ontvang je loon en verdwijn onmiddellijk. Begrepen?”

Forster had zich toen beheerscht en was vlak bij den directeur gaan

staan, hem toevoegende met scherpe, harde stem:

—Volgend jaar zijn wij concurrenten!

Zoodra Forster bij de werklieden was gekomen, klom hij op een werkbank,

sloeg met een hamer zóó geweldig hard op een stuk staal, dat het

precies was alsof klokgelui het publiek bijeen riep.

De werklieden stroomden om hem heen, en met zijn harde stem, die van

hartstocht soms trilde, zweepte hij de mannen op.

Hij zegde hun hoeveel zij arbeiden moesten, rekende met wiskundige

zekerheid voor hen uit hoeveel „de groote heeren” verdienden, noemde

deze „bloedzuigers” en schold op „het tuig”, dat hen allen regeerde.

En de mannen, verhit door het werk, opgezweept door de krassende stem

van een hunner, hoorende de sommen, die door hun arbeid verdiend

werden, waren stil geworden en morrend togen er dien avond velen

huiswaarts.

De massa was wakker geworden.

Forster rustte niet. Hij hield den volgenden dag een vergadering met de

werklieden, rekende hun met slimheid en vooropgezet doel andermaal voor

hoe alles daarginds op het kantoor toeging en het gevolg was dat drie

dagen later een algemeene werkstaking geproclameerd werd, waarvan

Forster het leidende lichaam en het denkende hoofd was.

Groote ontsteltenis was er geweest bij de directie, maar meer nog bij

de commissarissen en aandeelhouders.

Want Forster had zijn tijd welgekozen.

Er waren zeer groote en belangrijke bestellingen gekomen uit Europa,

waar het broeide tot een oorlog en de ijzer- en staalprijzen waren

ontzettend gestegen.

De oude voorraden „smolten” als het ware weg en alle arbeidskrachten

waren dringend noodig.

Besprekingen tusschen directie en raad van commissarissen eenerzijds en

de werklieden met Forster als leider anderzijds vonden plaats en

heimelijk rees er een vrees, gebaseerd op afkeer voor dien kleinen man

met het afschuwelijk wreede gelaat.

De eischen, die hij stelde, waren krankzinnig hoog, doch er was geen

macht ter wereld, die hem bewegen kon om iets van zijn begeerten te

laten vallen.

Men schoot niet op. De werklieden bleven staken... de toestand werd al

drukkender en dringender... Er moest een einde aan komen.

Toen kwamen de commissarissen—echt Amerikaansch—op een idee.

Men zou Forster voorstellen om plaats te nemen in de directie. Men zou

den werklieden meer loon geven en minder werkuren.

Nam men dit voorstel aan, dan zou men immers binnen afzienbaren tijd

kunnen zoeken naar een middel om Forster te ontslaan en daardoor

ontkomen aan de macht van dezen man.

Het voorstel werd gedaan... besproken... en goedgekeurd!

De werklieden namen hun werk weer op, meenende, dat nu een hunner in

den raad van directeuren was opgenomen, hunne belangen beter zouden

behartigd worden.

Forster zette zich vast in ’t zadel en alhoewel de verhouding tusschen

hem en de overige directeuren niet vriendschappelijk was, dwong hij

toch eerbied bij hen af, door de wijze waarop hij nacht en dag werkte.

De commissarissen, eerst van plan zich zoo gauw mogelijk van hem te

ontdoen, zagen hem na enkele maanden anders aan en hielden zeer ernstig

rekening met alles wat Forster naar voren bracht.

In enkele maanden tijds had hij immers zeer ingrijpende veranderingen

tot stand weten te brengen. Had met een onmeedoogende zekerheid

ingegrepen in de wijze van fabricage, had machines voorgesteld en

gekregen, die honderden arbeiders het brood ontnamen, maar die de

onkostenrekening belangrijk verminderd hadden.

Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, las zeer veel,

hield alles bij wat in verband stond met de ijzer- en staal-industrie.

Toen kwam er een oogenblik, dat de fabrieken en hoogovens een

noodzakelijke uitbreiding moesten ondergaan. De toestanden waren van

dien aard dat de gansche beurs, en dus ook ’t geld van den

wereldhandel, beheerscht werd door... staal.

Staal werd speculatief.

Wie geld wilde verdienen, kocht staal....

Niemand sprak over iets anders dan staal.

Forster, die dit alles had zien aankomen, die zelf alle maatregelen had

genomen voor dit gebeurde, was gereed.

Dit was zijn oogenblik. Nu moest hij handelen.

Met hetzelfde brutale geweld dat hij twee jaren geleden had gebruikt

tegenover de directie, ging hij nu zonder eenigen angst ter beurze.

’t Was juist een troebele tijd tusschen enkele mogendheden in de „Oude

Wereld”—Europa.—

Er werd meer naar staal en ijzer dan naar levensmiddelen gevraagd.

De beurs was dien dag zeer hoog geopend. De koersen waren buitengewoon

en men was van gedachten, dat ze nog hooger zouden worden.

Forster had, door zich in verbinding te stellen met buitenlandsche

persbureaux, zich op de hoogte gebracht van den internationalen

toestand, en had dien morgen uit een dringend telegram gelezen, dat het

geschil daarginds in Europa bijgelegd was geworden.

Wie evenwel weet of wel eens gelezen of gehoord heeft, hoe sommige

beursspeculanten dergelijke geheimen weten te gebruiken om toch tot hun

doel—veel millioenen te verdienen!—te geraken, begrijpt ook, dat toen

Forster op de beurs verscheen, hij er niets over verbaasd was dat men

nog niets wist, althans dat de leiders der speculatieve fondsen precies

deden alsof de toestand nog buitengewoon gunstig was.

Forster wist dat een combinatie van acht personen, allen

multi-millionnairs, in verbinding stonden met de gezanten, die op hun

beurt weer enorme bedragen kregen voor hunne stilzwijgendheid.

Hij liep vlug en met een beslisten stap naar de tijdingzaal, waar

groote opwinding heerschte.

Volgens de laatste telegrammen uit Londen, Parijs en Berlijn, allen

natuurlijk van belanghebbenden afkomstig, bleek het dat de toestand

hachelijker werd.

Forster schreed voort tot bij den vertegenwoordiger der regeering:

—Moet dit spel zoo langer voortgaan?

—Wat bedoelt u?

—Lees dit telegram.

Forster overhandigde het telegram en de regeeringsvertegenwoordiger las

het met nauw verholen ontzetting.

—Hoe komt u daaraan?

—Doodeenvoudig—antwoordde Forster—ik laat mij door niemand leiden. Ik

leid zèlf.

De staalcombinatie, die ook evenals Forster, alles reeds wist, was wel

is waar onder den indruk dat een buiten de combinatie staande persoon

iets naders kon mededeelen.

En om zeker te zijn van hun winst, deden zij onmiddellijk het voorstel,

dat Forster toetreden zou tot hun combinatie.

Hij had geglimlacht als een kind, dat door dwingen datgene verkrijgt

wat het wenschte en stemde toe te zullen zwijgen indien men hem voor

altijd opnam in de staalcombinatie.

Lang beraadslagen was zeer nadeelig en dus besloot men ook dezen eisch

van Forster in te willigen.

Dien dag stegen de prijzen geweldig.

Groote hoeveelheden staal, ijzer en grondstoffen werden verhandeld en

menigeen stak zijn kapitaaltje in „staal”.

Den daarop volgenden dag kwam de tegenslag.

Geruststellende berichten, één dag achtergehouden, werden gevolgd door

algeheele geruststelling.

Onmiddellijk zakte de koers en menigeen, die nog redden wilde wat er te

redden viel, verkocht direct wat hij den vorigen dag gekocht had.

Millioenen guldens werden er door de leden van de „staalcombinatie”

verdiend,

Ook Forster kwam op die manier in het bezit van een groot kapitaal,

waarvoor hij zich de functie van hoofddirecteur kocht van de groote

ijzer- en staalgieterij, waar hij tot heden toe directeur was geweest.

Toen begon hij pas goed te werken.

Als alleenheerscher deed hij gewaagde dingen, kocht en verkocht,

oefende druk uit op de beurs, en vervulde iedereen met wien hij in

nadere aanraking kwam, met ontzetting.

Eindelijk was het tijdstip gekomen, waarop hij alle teugels in handen

krijgen kon en op een vergadering van commissarissen, allen leden van

de „staalcombinatie”, sloeg hij zulk een toon aan, dat men hem dreigde

met ontslag.

Doch nu veranderde hij de rollen, en in een korte uiteenzetting bewees

hij, hoe hij op dit oogenblik alles in handen had. Hoe hij zelfs de

kapitalen zijner medebestuurders in zijn macht had.

Forster had alles zorgvuldig gedocumenteerd, had overal menschen

neergezet, die hij geheel in zijn macht had. Was bezitter geworden,

zonder dat de commissarissen eenig vermoeden hadden van het werken van

Forster, van de beste, grootste ertsvelden uit Amerika.

Kortom, Forster was de machthebbende.

En toen het desondanks toch tot een breuk kwam tusschen hem en enkele

der commissarissen, deelde hij hun sarcastisch mede dat ook hij groote

fabrieken had laten bouwen en alle werklieden met hèm meegingen.

Van dat oogenblik af was Forster zelf opgetreden als heer en meester,

door velen gevreesd, door weinigen vertrouwd.

Hij had den naam van „Staalmagnaat” en werd een der rijkste menschen

van de gansche wereld geschat.

Issi Stancy was een beeldschoon, doch arm, doodarm meisje, dat nevens

de zorg voor zichzelf, ook nog in de nooden en behoeften moest voorzien

van haar ziekelijke, zwakke moeder en vijf broertjes en twee zusjes,

allen jonger dan zij.

Haar vader was op de ijzergieterij, door de onhandigheid van een

kameraad, eens getroffen geworden door een gloeienden bak met ijzererts

en was een gruwzamen dood gestorven.

Er was gefluisterd geworden dat de kameraad dit met opzet had gedaan,

want Issi’s vader was iemand met een oprecht en groot, trouw karakter,

en had met zijn kameraad woorden gehad over diens optreden.

Issi was toen een meisje geweest van negen jaren en ging nog school.

Moeder had na vader’s dood gesjouwd en gezwoegd en toen Issi even

zeventien jaar was, moest zij van den geneesheer voortdurend rust

nemen.

Goede raad was duur.

Issi was mooi, beeldschoon, maar niet sterk, en uit werken gaan, of dag

in dag uit op een fabriek of atelier te zitten, was ongunstig.

’t Beste was op een kantoor, waar zij licht schrijfwerk zou kunnen

verrichten.

Dat was juist in den tijd dat mr. Forster van zich spreken liet en de

nieuwe ijzergieterijen geopend werden.

Door bemiddeling van den geneesheer kwam zij in contact met Forster,

die toen hij den naam Stancy hoorde, even verbaasd had gekeken,

—Stuur ’t meisje eens bij mij—had hij gezegd.

Issi was gekomen!

Haar zenuwachtig blosje had hare schoonheid zeer verhoogd en de ruwe,

hartstochtelijke Forster was onmiddellijk gereed met zijn plannen.

—Je wilt dus typiste worden?

—Ja mijnheer,

—Goed. Ik zal je een beginsalaris van vijftig dollar per maand geven.

’t Ligt geheel aan je zelf of je gauw meer verdienen kan. Een dame—hij

drukte zeer sterk op dat woord—als jij kan veel meer verdienen.

Even had Issi gerild bij den ruwen toon van Forster, doch de gedachte

aan zulk een hooge som vergoedde alles en vol vreugde was zij naar

moeder getogen om alles te vertellen.

De goede ziel was innig blij en toen haar kind den volgenden Maandag in

een hagelwit pakje naar haar nieuwen werkkring ging, voelde zij een

echt moederlijken trotsch door haar ziel varen.

—Zij is een koning waardig—dacht moeder Stancy.

Reeds van het eerste oogenblik af betoonde Forster zich opvallend

vriendelijk tegen Issi.

Was hij tegen de andere bedienden, hij had er zeer velen, ruw soms,

speelde hij bij ’t geringste vergrijp hunnerzijds als een beest op,

tegen Issi was hij bijna teeder en niemand verwonderde zich er over,

toen na drie maanden Issi benoemd werd tot particulier secretaresse van

mr. Forster.

Issi zelf was er niet blij om.

Zij bezat een vluggen geest, was buitengewoon vlug en leerzaam en droeg

ieders achting weg.

Tusschen haar en haar collega’s op de groote bureaux was een

vriendschap ontstaan, die enkele menschen genieten, omdat zij anderen

steeds de behulpzame hand bieden. Iedereen hield van het mooie, zachte,

lieve dametje, dat voor iedereen een glimlach, voor iedereen een

vriendelijk woord over had.

En nu moest zij haar plaats verwisselen.

Zij moest dag in, dag uit in de hooge, strenge kamer van den ruwen

Forster zitten, en zij huiverde al bij de gedachte, dat zij hem helpen

moest in zijn particuliere zaken. Brieven lezen, beantwoorden,

opbergen... wie weet... wat àl meer.

Ook de collega’s vonden het spijtig, doch niemand waagde het aanmerking

te maken op den wensch en het bevel van hun patroon, mr. Forster.

Moeder, eenvoudige, ziekelijke ziel, die zij was, vond, toen zij dit

hoorde, het heerlijk. Zij zag hierin een bewijs dat Issi boven anderen

uitverkoren was en zegende in stilte mr. Forster.

Issi was dan werkzaam dicht bij Forster en hij omringde haar met een

bijna vaderlijke teederheid.

’t Was soms meer dan ergerlijk, vond Issi, dat een patroon zulke malle

dingen vroeg of zeide. Deed hij dat voor anderen? Bracht hij voor

andere dames bonbons mee? Kregen deze mooie costuumpjes? Gaf hij die

een zoo hoog salaris? Informeerde hij bij deze zoo belangstellend naar

hunne familie? Had hij bij hen zulk een zachte stem?

Neen!... Neen!!... gilde het dan in Issi’s hart, en zij gevoelde

instinctmatig een zekeren afkeer.

Toen op een middag had Forster haar uitgenoodigd om mee te gaan naar

een theater.

Haar verontwaardiging was hevig, doch uit angst dezen man te

beleedigen, die haar en haar familie brood gaf, zweeg zij stil en

antwoordde op zijn herhaald aandringen:

—Als moeder het goed vindt.

Toen had hij gelachen en gezegd:

—Dat komt in orde.—En ’s avonds, toen zij thuiskwam, had zij haar oogen

niet kunnen gelooven... Forster zat reeds hij haar moeder!

Deze glimlachte toen zij binnenkwam en Forster was heengegaan,

zeggende:

—Mevrouw, bij u beveel ik mijn belangen aan!—

Hij! mr. Forster, noemde moeder mevrouw!!...

Het duizelde Issi!

Met zachte stem, al maar met de handen strijkend over Issi’s mooie

bruine lokken, had moeder toen verteld dat mr. Forster, hij, die

verscheidene malen millionnair was, de hand en het hart gevraagd had

van Issi!

Woedend was Issi opgesprongen, doch moeder had haar gekalmeerd en toen

zij volhardde met te zeggen: „dàt nooit!”...... had moeder geschreid,

lang, ó zoo lang!....

Met tact had Issi dien avond geweigerd mee te gaan met Forster. Deze

bleef toch dezelfde voor haar, doch zij wist niet dat Forster iederen

dag bij haar moeder kwam.

Dagen verliepen. Moeder scheen zwakker, zieker te worden. Uren lang

zweeg zij, als in gepeins verzonken, en als zij nog iets zeide, was het

steeds over Forster.

Dan klaagde zij over de woning, dan over de kamer, dan over dit, dan

over dat en steeds kwam het hier op neer dat het alles veel anders

wezen zou wanneer Issi maar mevrouw Forster worden wilde.

Eindelijk bezweek zij en stemde toe met Forster te zullen trouwen.

Alles gebeurde als in een droom.

Zij leefde die dagen niet, zij liet zich leven!

Zij maakte een groote reis, kreeg een prachtig huis, midden in een park

naar haar naam genoemd, bezat auto’s, rijtuigen, zeldzame japonnen...

kortom, alles was sprookjesachtig mooi.

Doch in Issi was alles koud en haar familie, die door Forster tot een

hoogeren levensstand verheven was, gevoelde zich veel gelukkiger dan

Issi zelf.

Dit alles was nu ruim een jaar geleden, op het oogenblik dat een

bediende Issi roepen kwam om te verschijnen bij Forster, die in de

bibliotheek zat te wachten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MACHT VAN HET GELD.

De „staalmagnaat”—Forster—hief het hoofd op toen zijn jonge vrouw

binnenkwam.

Zij opende en sloot zelf de deur en trad daarna langzaam de kamer

binnen, voortdurend haren echtgenoot aanziende.

—Ge liet me roepen!

—Ja! Wat duurt dat toch lang altijd. En waarom leert ge nooit goede

antwoorden te geven aan graaf Timmys?

—Ik gaf een goed antwoord—antwoordde Issi nonchalant.—Hij vroeg mij

alleen of ik bij u wilde komen. Meer niet. Wanneer hij mij gevraagd

had, of ik onmiddellijk had willen komen, dan was dit natuurlijk ook

gebeurd.

—Goed! Goed!... Je deed niets anders dan lezen. Mijn belangen staan

toch wel hooger dan die vervloekte romannetjes?

—Heeft uw „graaf” dit zoo goed gezien?—vroeg Issi niet zonder

scherpte.—Niet alleen is het bespottelijk om je te omringen met al die

adellijke vleiers, maar het gespionneer schijnt je welgevallig te zijn.

—Dat moet wel! Aangezien mijn vrouw mij niet in de gelegenheid wenscht

te stellen om haar gade te slaan wanneer ik het wil, ben ik genoodzaakt

andere maatregelen te nemen.

—Bah!...

Dit was het eenige wat Issi hooren liet, waarop onmiddellijk een

uitbarsting van Forster volgde:

—Zeker!... Zeker!... Ik wil weten wat je uitvoert... Ik ben je heer en

meester. Ik heb je genomen voor mij... Je behoort mij toe... Niemand

anders. En jij met je overdreven kunsten, met je krankzinnige

beginselen zou mij treffen... mij vernietigen. Jij zelf bent de

oorzaak, dat ik je moet laten bewaken. Zoolang jij niet verandert,

beschouw ik je als mijn gevangene.

—Zoolang ik zelf wil!—viel Issi hem driftig in de rede.

—Wat meent ge wel? Ge hebt geen wil. Ik, ik alleen ben baas. Zonder mij

ben je niets. Een kind van een werkman.

—Een éérlijke man dan toch!

Forster sprong als van een adder gebeten overeind. Hij liep op Issi

toe, doch deze week op zijde en greep het schelkoord.

—Nog één stap, Forster, of ik schel, en je baronnen en graven, die je

toch al verachten, kunnen dan getuigen zijn van de mishandeling die gij

mij toedienen wilt.

Dit scheen te helpen, want Forster bleef staan en siste tusschen de

tanden:

—Slang!—

—Hebt ge mij daarom laten roepen? Om me dàt te zeggen?—vroeg Issi, met

een van drift trillende stem.

Forster gaf geen antwoord, want de telefoon ratelde en dus moest hij

den geluidshoorn opnemen.

Issi bleef geduldig staan. Zij kwam weer tot zichzelf en begreep, toen

zij haar echtgenoot zoo driftig hoorde telefoneeren, dat er weer een of

andere dringende zaak moest behandeld worden.

Forster legde de telefoon neer en keerde zich naar zijn vrouw.

—Zijt ge verstandig geworden?

—Laten wij tenminste dáár niet meer over spreken. Dat is al zoo

menigmaal door ons behandeld. Maar dat gij mij ’t verwijt doet van mijn

geboorte is schandelijk. Ik vroeg u niet te trouwen. Liever woonde ik

gelukkig op een twee-en-dertigste étage, in een kleine kamer, dan hier

met ongeluk.

—Ongeluk dat ge je zelf op den hals haalt.

—Dank je!

—Is ’t dan zoo niet? Kun je niet alles krijgen wat je begeert? Ben jij

niet de schoonste vrouw van New-York? Wordt ge niet geprezen als een

gelukkige sterveling? Maar je vervloekte overgevoeligheid, je

idiotisme, dàt, dàt is een belemmering. Ben ik een man om zich over mij

te schamen? Kijkt niet iedereen mij naar de oogen? Wordt mijn naam niet

genoemd in schier alle steden der wereld?...

—Met eere?

—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maar genoemd

wordt. Dan is ’t mij allang goed. Geld is de hoofdzaak. Dan hebt ge

macht. Met macht doe je alles. Dàt is de hoofdzaak. Al ’t andere is

nonsens. Je bezit een macht met je oogen...

—Was ik maar leelijk.

—Dan moest ik je niet hebben—gaf hij ruw terug.

—Misschien was ik dan gelukkiger.

Forster werd weer driftig. Hij sloeg met de vuist op tafel en riep:

—Genoeg! Ik heb je hier laten roepen om een verklaring te hooren,

waarom jij gisteravond niet mee wilde gaan naar de partij, die mijn

vriend Baltimore gaf, ter eere van jou?

—Omdat ik van alles walg.

—Verklaar je nader.

—Ga zitten!—gebood Issi—en als je mij wilt aanhooren zal ik je alles

zeggen. Ook ik was van plan je een verklaring te geven. Zoo kan ’t niet

langer. Luister.

—Maak het kort,—antwoordde hij zeer norsch.

—Kort? O, ’t is zoo eindeloos lang het verhaal van ’t leed, dat

tusschen ons is. Maar kort zal ik ’t vertellen. Toen ik nu ruim een

jaar geleden met jou trouwde, wist ik zoo weinig van alles wat er

gebeurde. Ik wist niet dat jij een mensch was, die niets ontziet

wanneer het er op aankomt geld te verdienen. Alles offert gij daaraan

op. Toen wist ik nog niet op welk een wijze gij de onmetelijke

kapitalen hadt verkregen, die jou in staat stellen zoo te leven als nu!

Wel heb ik mij menigmaal verwonderd dat gij zoo spoedig opgeklommen

waart, maar ach, hier in ons land, waar zooveel avonturiers hun slag

slaan, is niets vreemd. Ik begreep er dus niets van, doch pijnigde mijn

hersenen ook niet met een oplossing van dit vraagstuk. Later toen ik,

zooals jij het noemde, „de groote wereld” werd binnengeleid... toen ik

hoorde en zàg hoe de kapitalen zich vermeerderen,... toen ik bemerkte

dat gij met vuur speeldet en de wereld meende te kunnen beheerschen,

heb ik je gewaarschuwd. Jij meende toen dat ik met je vijanden had

gesproken. Jij maakte tumult. Jij sloot mij òp. Jij ontnam mij mijn

vrijheid. Jij omringde mij met een bende trawanten, die gij huurdet.

Mannen van adel. Adel die niet geadeld was en die vreugde schepte in

jouw plannen. Zij stelden mij tot spot. Zij moesten mij lééren!...

lééren... Gij meendet, dat gij alles doen mocht wat gij zèlf wilde. Gij

vernietigde iets in mij... mijn geloof in de menschen. Waarom liet gij

mij niet de eenvoudige typiste?... Waarom naamt gij mij? Dacht gij met

jouw geld, waar bloed aan kleeft, mij gelukkig te maken?...

Even zweeg Issi en keek haar man doordringend aan.

Toen vervolgde zij:

—Gij zijt daarna begonnen met mij te overtuigen van je goed recht. Ik

zàg... ik begreep alles!... Ik wist de gruwelijke oneerlijkheid van jou

bestaan... van het bestaan der staalcombinatie, waarvan gij de ziel

bent. Ik smeekte je er niet mee verder te gaan.... op te houden met zoo

schandelijk bedrijf. Ge wildet niet, en ge dwongt mij met je mee te

leven. Gisteren moest gij mij meenemen naar die partij van Baltimore,

omdat er geld te verdienen was. Ik moest dienen om de aandacht af te

leiden. Dat wilde ik niet...

Forster sprong op...

—Eén oogenblik nog—zeide Issi—ik ben zoo gereed. Thans zeg ik je, dat

het niet langer zoo kan! Ik wil niet. Ik ga heen en ge moet zelf weten

wat ge doet. Maar ik wil niet genoemd worden bij de namen van hen die

niets dan ellende brengen over de wereld. Ge meent dat een vrouw een

zwak, een onnut schepsel is. Vergis je niet. Ik weet dat gij thans niet

alleen met je staal bezig bent een ontzettende daad te bedrijven, maar

dat ge ook je onzalig geld uitzet op een hooge troefkaart... Wees

gewaarschuwd.

Vermoeid zweeg Issi.

Forster knarste op zijn tanden.

—Eens—stiet hij uit,—kwam een man met je vader in botsing...

en—vervolgde hij somber—je vader werd gedood, zoo men zegt bij toeval.

Jij hebt iets, meen ik, van die krankzinnige eerlijkheid van je

vader... Ik zou kunnen bewerkstelligen dat een toeval ook jou trof...

Jij hebt mij gewaarschuwd... ik doe het jou!...

Geheimzinnig hadden deze woorden geklonken. Heesch had Forster ze

uitgestooten en Issi moest onwillekeurig huiveren voor den man, aan

wien ze vastgekoppeld was. Vooral toen hij gewaagde van haar vader,

schrok zij hevig op. Een geweldig vermoeden rees bij haar naar boven.

Was Forster misschien de moordenaar? O! die pijnlijke onzekerheid. Die

gruwelijke onzekerheid. Dat was om gek te worden!...

Forster bemerkte den angst bij Issi en ging koud, meedoogenloos voort:

—Van dit oogenblik af moogt ge geen voet meer buiten dit huis zetten

zonder geleide. Ik zal mijn orders geven. Niemand moogt ge buiten mij,

of mijn zaakgelastigde—Forster gebruikte gaarne mooie

woorden—ontvangen. Tot op het oogenblik dat gij uit eigen vrije

beweging naar mij toe zult komen om met mij te genieten van het door

mijn vernuft verdiende geld, wordt ge beschouwd als mijn gevangene.

—Dat is onrecht,—riep zij uit.

—Mijn recht bedoelt ge. Een recht dat ik gekocht en betaald heb.

Niemand kan mij dat beletten. Mijn macht is grooter dan ge denkt. Geen

enkele rechter durft mij aan... Niemand zal het ooit wagen mij aan te

vallen... Niemand... Iedereen weet, dat ik zelfs bevriend ben met de

regeerders van andere landen!....

Issi zweeg zeer stil. Zij gevoelde haar onmacht tegenover deze

geldkracht en boog het hoofd als in groote vertwijfeling.

Forster riep nu graaf Timmys.

Tijdens de jaren dat Forster voor een groot deel de macht van

millioenen en nog eens millioenen menschen bezat, bestond er bij de van

niet geworden multi-millionnairs een eigenaardige gewoonte.

Zij, die met een ontzettende praal en pracht op grenzeloos

parvenuachtige wijze leefden en hun huizen tentoonstelden, kregen het

idee om enkele vertrouwde dienaren te kiezen uit den adelstand.

Meestal waren deze personen uit Europa gekomen, als avonturiers, of om

op deze wijze uit te wisschen een vlek, die op den familienaam rustte.

Enkelen hunner gingen doodeenvoudig gewoon aan ’t werk, om als een

eerzaam burger te kunnen leven, doch anderen, gewoon aan hun luie

leventje, boden zich aan als kamerpersoneel bij de millionnairs, welke

meestal zeer vatbaar waren voor vleierij.

Forster nu had ook enkele bedienden, onder wie een graaf en vier

baronnen.

Hij was er trotsch op dat hij vijf adellijke personen in dienst had en

stelde graaf Timmys aan als chef over de anderen.

De „heeren” hadden het uitstekend bij Forster, wijl zij een zeer hoog

salaris genoten en als zij hun „uitgaansdag” hadden, waren zij volkomen

in de gelegenheid om de meest buitensporige genietingen te smaken.

Forster bemoeide zich alleen met graaf Timmys, een sluwen kerel, die

nooit iemand open in de oogen zag, maar steeds als een gluiper met

iemand sprak.

Graaf Timmys had in de tien maanden, welke hij in Forster’s dienst was

geweest, zich het vertrouwen weten meester te maken van den parvenu,

met het gevolg dat Forster Timmys’ zak goed vulde.

En het noodlot wilde bovendien dat Issi, die een geweldigen afkeer had

van al dit „groot gedoe”—zooals zij het noemde—absoluut de adellijke

bedienden behandelde als waren zij gewoon personeel.

Met haar onschuldig, rein hoofd en hart wenschte zij geen diensten

gedrenkt met vleierij en gaf meer dan eens op luiden toon hare

ontstemming te kennen over het optreden van graaf Timmys.

Deze, een Portugees van geboorte, was een zeldzaam hartstochtelijk

mensch, die, wanneer men hem ééns beleedigde, iemand haten kon met een

hevigheid die gevaarlijk te noemen was.

Forster wist dit. Hij wist ook dat graaf Timmys zijn vrouw niet mocht

lijden, dat hij iedere daad aan hem vertellen zou, en kon dus geen

beteren bewaker aanstellen dan dezen man.

—Timmys—gebood Forster—ik wensch dat van dit oogenblik af niemand mijn

vrouw bezoekt, zonder mijn voorkennis.

De grafelijke bediende boog.

—Verder draag ik u op om, als mijn vrouw mocht uitgaan, haar schreden

te volgen. Buiten het park mag zij niet gaan.

Andermaal boog Timmys.

—U wilt daarvoor wel zorgen?

—Zeer zeker, Sir! Mag ik u nog opmerkzaam maken op mevrouw’s brieven?

—Prachtig, Timmys! Ge hebt twintig dollar méér per maand om uw

opmerkingsgave. Mevrouw mag geen papier noch schrijfmaterialen hebben

buiten mijn wil.

Issi stond daar als een vlammende engel. Haar oogen schoten vuur. En

toch was zij onmachtig tegen gewetenlooze schurken als zij beiden

waren.

Zij trilde over haar gansche lichaam en haar zelfbeheersching was zoo

hevig, dat haar zenuwen te sterk werk moesten doen. Zij viel met een

licht gilletje op een stoel bewusteloos neer.

Hard, koud, zeide Forster:

—Wij zullen haar wel klein krijgen, roep haar kamenier.

Enkele minuten later was deze aanwezig en binnen een kwartier opende

Issi de oogen en vroeg met zwakke stem:

—Breng mij naar mijn kamers.

Ondersteund door haar kamenier schreed Issi voort naar haar kamers en

bleven de beide mannen achter.

Forster zette zich neer aan de schrijftafel en bemerkende dat Timmys

nog steeds te wachten vroeg hij barsch:

—Waar wacht ge op?

—Een bewijs van salarisverhooging.

—Vertrouwt ge mij niet?

—’t Is alleen voor eigen zekerheid.

—Niemand leent je toch op een vod?—vroeg Forster met een grijnslach op

zijn gelaat.

—Uw handteekening opent de deuren der paleizen, Sir,—antwoordde Timmys

met een glimlach.—De macht is wonderlijk.

—Dat is de macht van ’t geld—mompelde Forster, terwijl hij het

gevraagde bewijs gaf.

DERDE HOOFDSTUK.

PROFESSOR EDENSHIR.

In een der groote hotels van de machtige wereldstad New-York woonde in

een der weelderigst ingerichte appartementen John C. Raffles met zijn

secretaris Charly Brand uit Londen.

Raffles was ingeschreven als de graaf van Divonshart en Charly Brand

als Sir Douglas.

Raffles was naar New-York gekomen, nu enkele weken geleden, omdat hij

behoefte had aan andere nieuwere indrukken en geen andere beweegredenen

had hij gehad dan alleen eens voor een wijle uit de Londensche omgeving

te zijn.

Hij lag thans languit op een divan en keek droomerig naar de geweldige

drukte die daar beneden op het plein heerschte.

Charly was verdiept in den nieuwsten Amerikaanschen roman, beschrijvend

het leven en werken van de trustkoningen, de leugenaars der

samenleving.

—Interessant, Charly?—vroeg Raffles.

—Buitengewoon—antwoordde Charly, terwijl hij het boek dichtsloeg.—De

schrijver van dezen roman schijnt mij toe te zijn iemand die achter de

schermen heeft gekeken. De toestanden worden tenminste zoo goed

beschreven dat het mij onmogelijk toeschijnt dat een oppervlakkige

toeschouwer, die buiten deze sfeer staat, het onmogelijk beschrijven

kan op de manier als deze het doet. ’t Moet wel eens de moeite waard

wezen het leven dier parvenu’s van dichtbij mee te maken.

—Zoudt ge dat gaarne willen?

—Waarom vraagt ge dat?

—Wel, jongenlief, dan introduceeren wij ons zelf.

—Laten wij dat later doen!

—Och, waarom nu niet?

—Omdat wij naar hier zijn gekomen voor jou genoegen èn om uit te

rusten. Als jij tusschen al die zakenmenschen komt, is het weer mis.

Dan begint gij toch.

—Ik zal er toch eens over denken. Er is misschien weer wat te leeren,

en daarvoor zijn wij immers nooit te oud......

Raffles met Charly spraken nog langen tijd te zamen en de tijd snelde

voorbij in zalig nietsdoen.

Op een andere plaats, in de woning van Mr. Forster, viel een gansch

ander tooneel voor.

Issi’s zenuwen waren door een voortdurende prikkeling en nu ten laatste

door het onmenschelijk optreden van haren echtgenoot zoodanig geschokt,

dat zij, zoodra zij op haar kamer was gekomen, last had gegeven dat

haar kamenier het rustbed in orde moest maken.

Nauwelijks was dit gereed of in groote vermoeidheid zeeg Issi neer en

stamelde om een doctor.

De kamenier, een vertrouwde van Forster,—want hij had het personeel

zelf gekozen om zeker te zijn van alle maatregelen,—ging naar de

Bibliotheek en bracht de boodschap over.

—Vervloekte nonsens,—bromde Forster.—Is het zoo erg?

De kamenier, die waarschijnlijk getroffen was door Issi’s lijdend

gelaat, zeide:

—Ditmaal geloof ik dat het zeker noodig is, Sir. ’t Is trouwens een

veel te mooi duifje om nu al dood te gaan.

Forster greep het telefoonboek.

Welken doctor moest hij nemen?

Allemaal kwakzalvers!

Wacht, een professor. En dan liefst een buitenlandsche.

Forster sloeg een blad op, waarin iedere week de bezoeken van beroemde

vreemdelingen werden aangekondigd.

Hij lette er niet op dat hij een courant nam van een maand oud, doch

zag alleen: „Aangekomen in Victoria-Hotel, appartement nummer I,

Professor Edenshir van Oxford, specialiteit in zenuwziekten.”

Het telefoonnummer stond er bij, zoodat, wilde men den geleerden

bezoeker zèlf opbellen, men dit doen kon.

Nu wilde het grillige lot, dat Professor Edenshir vertrokken was en dat

Raffles met Charly de kamers in het Victoria-Hotel betrokken hadden.

Raffles wist dit wel en reeds twee malen had een persoonlijk bezoek van

een patiënt tot een grappige vergissing gevoerd.

De telefoon belde en Raffles zeide:

—Weer voor de zenuwspecialiteit? Waarachtig, Charly, als het niet

verandert zie ik mij genoodzaakt me in te laten schrijven als student

in de zielkunde om later te kunnen practiseeren.... Hallo!—

Aan de andere zijde deed Forster op zijn bekende ruwe manier zijn

verhaal, en Raffles luisterde met spanning.

Eindelijk hoorde Charly Raffles zeggen:

—Goed, Sir Forster. Ik kom binnen ’t uur.

Hij legde de telefoon neer, en streek zich in gedachten over ’t

voorhoofd. Langzaam liep hij op Charly toe en sprak:

—De hand van ’t noodlot, Charly!—

—Mijn God, Edward! Wat is er?

—Ah! Wees niet ongerust. Ge wildet de millioenen-koningen van dichtbij

zien? Ge kunt het. Een hunner, Forster, ik hoorde weinig goeds van hem,

telefoneerde om professor Edenshir voor de zenuwen van zijn vrouw. Wij

gaan er heen.

—Edward!—

—Nu?

—Pleeg geen onzinnige daad.

—Welke?

—Ge wordt bij een patiënt geroepen.

—Och, kom! ’t Is een zenuwgeschiedenis, misschien wel eene van de

„mode”. Koud water, Charly, èn rust. Dat is mijn methode. Geloof mij,

dat ik mij niet in gevaar begeef.

Hoe gaarne Charly ook meeging, toch vond hij het raadzamer om thuis te

blijven, zoodat Raffles alleen per auto zich brengen liet buiten

New-York, waar het huis van den „staalmagnaat” gelegen was.

—Vóór u naar de zieke gaat—verzocht hem de portier van Forster—wordt u

gewacht bij Mr. Forster.

—Breng mij er heen—gelastte Raffles.

Weinige oogenblikken later stond Professor Edenshir, alias Raffles,

voor Forster.

Onbeleefd, onhandig, ruw, ontving de werkman-millionnair de elegante

verschijning van Raffles, die zich nu al geweldig ergerde bij het zien

van zulk een onaangenaam uiterlijk.

Hij nam daarom ook maar onmiddellijk de gelegenheid waar om zelf de

richting van het gesprek aan te geven en vroeg:

—Is mijn consult voor u persoonlijk?

—Neen!—viel Forster barsch in.—Jullie geleerde heeren meenen zeker dat

heel de wereld ongezond is. Ik ben niet ziek. En al was ik ziek, dan

nog kwam er geen doctor bij mij.

—Mijnheer—viel Raffles in—u kunt sterk wezen, gezond naar ’t uiterlijk,

maar u lijdt aan een ernstige kwaal.

—Wat zegt u?—zeide Forster, veel minder gerust dan even daarvoren.

—U lijdt—herhaalde Raffles—aan een geheime kwaal.

—Welke?

—Extroiridatismisme. [1]

—Dat versta ik niet.

—’t Is niet te vertalen,—zeide Raffles—doch ik kan u onder mijn

behandeling nemen.

—Is ’t gevaarlijk?

—Nogal.

—Direct gevaar??

—Wanneer u dringende zaken hebt te doen, kunt u ze eerst wel

afhandelen, want mijn behandeling is van dien aard, dat u volkomen rust

moet genieten.

—Dat is tenminste een eerlijke verklaring—meende Forster.—Andere

doctoren zouden beginnen met mij nu al te pijnigen met rust, nu, nu al

mijn werk noodig is aan een buitengewone zaak. Doch verder. Ik heb u

laten roepen voor mijn vrouw. Op geld—vervolgde Forster—behoef ik niet

te zien. Doch ik wil mijn vrouw gezond hebben.

Raffles luisterde aandachtig toe.

—Hoe oud is de patiënte?

—Een en twintig jaar.

—En u?

—Drie en vijftig.

—Kinderen?

—Gelukkig niet.

—Waren er voor dezen dag meerdere verschijnselen van zenuwachtigheid?

—Voor zoover ik weet niet!

—Hoe is haar familie?

—Vader doodgebleven voor een hoogoven.... een bak gloeiende erts over

’t lichaam. Moeder leeft nog,—bitste Forster kortaf. Die kerels vroegen

ook letterlijk alles.

Raffles gaf te kennen de patiënte te willen zien.

Hierop deed Forster schaamteloos een omstandig verhaal, hoe hij het

noodig oordeelde zijn vrouw te behandelen en eindigde:

—U is dus gewaarschuwd. Iedere poging om haar van onder mijn macht te

krijgen wordt gestraft.

Raffles was hevig verontwaardigd. Zulk een dier-mensch had hij nog

nooit ontmoet en met een niet te miskennen bitterheid antwoordde hij:

—Uw wil als echtgenoot zal geschieden, doch mijn eisch als medicus moet

in alles geëerbiedigd worden!

—Dat zal gebeuren.

Hierop werd professor Edenshir naar de kamers van Issi gebracht en

Forster gaf de kamenier een wenk om goed op te letten. Zelf keerde hij

terug naar zijn werkkamer in de bibliotheek.

Zoodra Raffles op het rustbed toegetreden was beval hij:

—Open die gordijnen.

—Mevrouw wenscht dat niet—wierp de kamenier tegen.

Raffles sprak niet, liep op de zware overgordijnen toe, en schoof ze

met kracht op zijde.

Het volle daglicht stroomde de kamer binnen.

—Dank u, doctor!—fluisterde de patiënte.

De kamenier was ontzet. Zulk een man had zij nog nooit gezien. Zij

keerde zich om, want Raffles had zulk een gloed in de oogen dat zij ze

niet weerstaan kon.

Nu boog hij zich over Issi heen en deed precies alsof hij een arts was

die een diagnose stellen moest.

Inmiddels bemerkte hij dat de kamenier de minste zijner bewegingen

volgde en met scherpte toeluisterde of zij ook iets hooren kon.

—Roep uw meester hier—beval Raffles na verloop van een twintig

minuten—èn vlug!— — —

De kamenier vloog weg.

Ademloos kwam zij binnen bij Forster en hijgde:

—Dat is een duivel, die kerel! U moet komen! Dadelijk.

Onwillig stond Forster op en ging met de kamenier mede.

Inmiddels had Raffles gezegd:

—Mevrouwtje, ik begrijp alles. Vertrouw op mij. Ik zal u redden. Doe

alles wat ik zeg. Houd u ziek, doodziek en zeg niets. Opgepast,

Hierbij had Raffles, die door innig medelijden bewogen was, de hand van

Issi warm gedrukt, en hij voelde waarom Issi spontaan zeide:

—Goddank!—

Forster kwam luidruchtig binnen.

—Waarom is ’t hier zoo licht?

—Op mijn bevel!—antwoordde Raffles streng.

—Zieken moeten duisternis hebben. Dan kunnen ze slapen.

—Krankzinnigen of stervenden—antwoordde Raffles hàrd—hebben licht

noodig. U hebt recht als man, doch ik als geneesheer. Dit moet open

blijven.

Forster zweeg nijdig stil.

Wat een beweging! Welk een ellende! Een geschiedenis die onaangenaam

was.

—Wat is het geval?—vroeg hij gemelijk.

—Er schijnt hier iets ontzettends gebeurd te zijn. Deze jonge vrouw is

buitengewoon mishandeld. Weet u daarvan?

—Ik niet!—zeide Forster.

—Onmiddellijk moet hier een klacht bij de justitie ingediend worden. Er

is hier iets vreeselijks gebeurd. Deze jonge vrouw is sterk getroffen

in haar zenuwen. Zij heeft daarbij duidelijke sporen op het lichaam dat

zij mishandeld is,—zeide professor Edenshir, die zeer sterk overdreef.

—Justitie?....—bromde Forster, die nooit, of zelden althans, uit het

veld geslagen was,—die duld ik niet.

—Mijn ambt brengt het mee, Sir—gaf Raffles ten bescheid,—dat ik van

gevallen als deze kennis geef aan de rechterlijke macht. Hier is,

misschien buiten uwen wil, een vrouw krankzinnig gemaakt. Toen ik

binnenkwam heerschte hier een atmosfeer die minstens 60 % stikstof

bevatte. Afschuwelijk. Daar moet het sterkste gestel onder heengaan.

Bovendien hebben mij de voeten der patiënte bewezen, dat zij gedurende

langen tijd niet gewandeld heeft. Haar maag is niet in orde, haar geest

verduisterd.... Lichamelijke uitputting.... ’t Is meer dan schande....

Raffles wond zich op. Hij sprak met stemverheffing en met autoriteit,

zóó dat Forster zich met verbazing afvroeg of de „gestudeerde lui” dan

toch werkelijk zoo knap waren dat zij alles zagen.

Forster vergat dat hij even te voren Raffles veel verteld had van de

verhouding tusschen hem en Issi, en hoe hij, die steeds weer de macht

van het geld huldigde, ook thans een mensch dwingen wilde al zijn

handelingen goed te keuren.

En Raffles maakte van al het meêgedeelde een gretig gebruik. Hij wilde

probeeren of hij dezen parvenu een les kon geven, desnoods zijn gansche

kapitaal afnemen om te kunnen verdeelen onder al de menschen die door

Forster als dieren behandeld waren geworden of nog behandeld werden.

Forster streek zich verlegen achter ’t oor.

—Kan ik uw ambtsgeheim koopen?

Raffles stond ineens voor Forster.

Met een buitengewone zelfbeheersching zeide hij:

—Ik, noch mijn collega’s zijn te koop, mijnhéér Forster! U moet niet

denken, dat uw dollars alles kunnen dekken wat ’t licht niet

aanschouwen mag. Uw jeugdige echtgenoote is doodelijk ziek. Of u neemt

die maatregelen welke ik beveel, of ik klaag u aan.

—Denkt u dus dat ik mij door jou de wetten laat voorschrijven?—riep

Forster ruw uit.

—Ge zult wel moeten—antwoordde Raffles kalm.

—Mijn deur uit,—schreeuwde Forster.—Ik ben hier baas. Niemand anders.

Begrepen.

—Ik ga, mijnheer Forster. Ik klaag u aan als moordenaar!— —

—Ga je gang,—brulde Forster.—Meen niet, dat ik, de staalmagnaat, iets

vrees. Staal is mijn kapitaal, staal ben ik ook zelf!— — —

Opeens veranderde professor Edenshir’s gelaat en fluisterend zeide hij:

—Zie zoo, ik weet wat ik aan u heb. ’t Was alleen maar een proef. Doe

nu wat ik zeg en alles komt goed voor u.

Forster stond als van den bliksem getroffen.

Hij begreep er niets meer van en mompelde bij zichzelf: „Voor die

geleerde heeren moet je verduiveld altijd oppassen”— — —

Professor Edenshir, alias Raffles, sprak nu kalm over de verschijnselen

van de ziekte en constateerde dat Issi een lichten graad van

krankzinnigheid had.—Het allerbeste—besloot hij—is dat u alles hier

uit de omgeving weg laat ruimen. Niets mag hier blijven, en dan moet u

een mannelijken verpleger nemen.

—Dien heb ik.

—Pardon, u moet een deskundige hebben. Ik heb een uitmuntenden

assistent, die juist de geschikte man er voor is. Een kerel zonder

medelijden. Iemand die een mensch kan zien sterven zonder een teeken

van medegevoel.

Forster vond dit goed en Raffles telefoneerde Charly onmiddellijk te

komen.

In het Latijn, waar Forster niets van verstond, gaf Raffles hem de

noodige bevelen, en eer de nacht inging lag Issi voor een geopend raam,

waar de heerlijke zomergeuren door naar binnenstroomden, en Issi’s

zenuwen kalmeerden.

Charly gedroeg zich als een voorbeeldige ziekenverpleger en Raffles zat

bij Forster urenlang te praten.

Professor Edenhirs kreeg zoo langzamerhand het geheele vertrouwen van

Forster, die niet begreep dat een geleerde man zooveel van politieke

aangelegenheden wist te vertellen.

VIERDE HOOFDSTUK.

RAFFLES DOET EEN ONTDEKKING.

Er heerschte een oogenblik stilte in de bibliotheekzaal, waar Professor

Edenshir met Forster zat te praten.

Professor Edenshir had juist geluisterd naar de uiteenzetting van een

beursspeculatie en zat nu te denken over het antwoord dat hij geven

moest op de vraag van Forster: „Hoe is de politieke toestand op het

oogenblik in Europa?”

Raffles klopte langzaam en met grooten ernst de asch van zijn sigaar en

zeide:

—Die vraag, mijn waarde heer, is zeer moeilijk te beantwoorden. Vanzelf

doet u deze met een bepaald doel. Ik mag toch wel aannemen dat u als

groot-industrieel, als groot-kapitalist, zeer goed op de hoogte zijt

van den algemeenen politieken toestand. U bedoelt dus de meer

diplomatieke, de geheime nota’s der mogendheden. Nu ben ik wel-is-waar

bevriend met verschillende diplomaten. Een geleerde moet zijn vrienden

nooit zoeken in eigen kring, ziet u. Vandaar dat ik me speciaal heb

toegelegd mijn vrijen tijd te besteden aan liefhebberij-politiek. Van

liefhebberij is dit ernst geworden en menigmaal heb ik gezien dat een

advies mijnerzijds gegeven opgevolgd is. Ik daarentegen hoorde dus de

intiemste dingen en nu spijt het mij werkelijk, mijnheer Forster, dat

ik u, uit kracht van die opgelegde geheimzinnigheid, niet vertellen mag

wat ik er van denk.

Forster’s oogen glinsterden. Deze kerel was een macht. Dien moest hij

voor zich weten te winnen zonder dat het veel kostte. Die andere

politieke kerels eischten zoo’n gruwelijk hoog aandeel in de winst dat

hij het meer dan erg vond.

Misschien wilde die professor wel toebijten. Geld was immers alles! En

bovendien, deze kerel hier wist immers niet van zaken doen?

Lord Lister No. 0125: Een vreemde geschiedenis · 第 1 / 3 段