VI.

_Socrates._ Beste Crito! uw goedwillig ijveren is mij veel waard,

indien het met de pligtmatigheid is overeen te brengen; zoo niet, dan

is het, hoe grooter, ook des te bezwaarlijker[27]. Wij moeten derhalve

zien, of wij dit moeten doen of niet. Niet alleen nu toch, maar altijd

heb ik het zoo over mij, dat, van al wat mij aangaat, ik aan niets

anders gehoor geef, dan aan het inzigt[28], ’t welk mij bij redenering

het beste voorkomt. De inzigten dan, welke ik vroeger heb uitgedrukt,

kan ik nu niet verbannen, nadat mij dit ongeval is overgekomen; maar

zij schijnen mij ten naastebij gelijk; dezelfde inzigten[29] acht en

vereer ik, als vroeger. Kunnen wij niets beter voor dezelve zeggen in

den tegenwoordigen tijd, wees dan overtuigd, dat ik u volstrekt niet

zal toegeven, zelfs dan niet, indien ons, als kinderen, vreesselijker

schrikbeelden[30] dan nu door de magt van den grooten hoop worden

voorgehouden, die boei en dood en verbeurdverklaring van goederen tegen

ons loslaat. En hoe kunnen wij dit het doelmatigste nagaan?[31]

Indien wij eerst diezelfde redenering weer opvatten, die gij te

berde brengt, over de meeningen; of de bewering altijd geldig is, of

niet[32]: dat men op sommige meeningen acht moet geven, op andere niet;

en of, voordat ik sterven moest, dat wel geredeneerd was; maar het nu

duidelijk blijkt, dat het zoo maar heen, om den schijn werd gezegd,

maar inderdaad kinderachtige beuzelpraat was.

Ik wensch dan, Crito! gemeenschappelijk met u na te gaan, of dat inzigt

mij, in mijne tegenwoordige omstandigheden, eenigzins anders zal

voorkomen, en of ’t hetzelfde is gebleven: dan zullen wij het laten

varen, of dien overeenkomstig handelen.

Telkens kwam, geloof ik, de redenering van hen, die meenden iets te

zeggen, neer op ’t gene ik reeds zeide: dat van de meeningen, welke de

menschen zich vormen, men sommige hoog moet schatten en andere niet.

Schijnt u, bij de goden! dit beweerde, o Crito! gegrond? Gij zijt toch,

menschelijker wijze gesproken, buiten het gevaar van morgen te sterven,

en u kan het tegenwoordige ongeval niet misleiden. Onderzoek het dan:

dunkt u niet, dat men te regt beweert, niet alle meeningen der menschen

te moeten ontzien; maar sommige wel, en andere niet? en ook niet van

alle menschen, maar van sommige wel, en van andere niet? Wat zegt gij?

Beweert men dit niet te regt?

_Crito._ Ja, te regt.

_Socrates._ Derhalve, de verstandige meeningen moet men ontzien, en de

verkeerde niet?

_Crito._ Wel zeker.

_Socrates._ Verstandige meeningen, zijn dat niet die van verstandige

menschen? en de verkeerde die van onverstandigen?

_Crito._ Hoe kan dat anders zijn?

Crito: Een dialoog van Plato · 第 16 / 35 题