De voor- en nadeelen van technischen aard, die een gevolg zullen zijn
van het hierboven geschetste werk en die, zooals wij zien zullen, van
zeer groot belang zijn voor de omliggende gewesten, zullen bijna
uitsluitend voortvloeien uit de afsluiting. Wij zullen die hier eerst
nagaan.
[Kantlijn: Voor de waterkeering.]
~Voor de waterkeering.~
Op het afgesloten IJselmeer zullen hooge waterstanden alleen kunnen
worden veroorzaakt door grooten watertoevoer, voornl. van den IJsel,
belemmerden afvoer door de sluizen op Wieringen bij westelijke en
noordwestelijke stormen, terwijl bij storm het water naar de een of
andere zijde kan worden opgezet, maar, zooals wij zagen, zeker niet meer
in die mate als thans op de open Zuiderzee.
Zeer hooge waterstanden bij stormvloeden kunnen nu langs de
Zuiderzeekusten worden veroorzaakt 1º. doordat groote massa's
Noordzeewater door de zeegaten naar binnen worden gejaagd, 2º. door
opwaaiing, 3º. door de oorzaken onder 1º. en 2º. tegelijk, zooals o. a.
bij den stormvloed van 13/14 Januari 1916. Na de afsluiting vervalt
dus voor de kusten t. Z. van den afsluitdijk de eerstgenoemde oorzaak,
zoodat aldaar veel minder hooge standen te verwachten zijn dan nu.
Uit de 2e Nota der Zuiderzee-Vereeniging en het Verslag der
Staatscommissie is af te leiden, dat de hoogste standen die op
verschillende plaatsen langs het IJselmeer zullen kunnen voorkomen,
zelfs nog 1,5 à 2 M. zullen blijven beneden de hoogste die tot nu aldaar
zijn waargenomen.
Binnen de afsluiting worden de aangelegen landen door hooge
zeedijken beschermd behalve op een drietal punten aan de zuidkust
van Friesland, bij Vollenhove, langs een gedeelte van de kusten
van de Veluwe en Gooiland en bij Muiderberg. Die dijken zullen òf
nagenoeg geheel van alle onderhoud worden ontlast, voor zoover zij n.l.
aan de droogmakerijen grenzen, òf zeker belangrijk minder onderhoud
vereischen voor de gedeelten langs het IJselmeer. Kwestie's als die van
de Dronter Overlaat, het onbedijkt gedeelte tusschen den IJselmond en de
Geldersch-Overijselsche grens (waardoor ook gronden in 't noorden van
Gelderland op ongelegen tijden onder water komen), die van het Zwolsche
Diep (overstrooming van Zwolle en belette waterloozing), van de Eem
(dijkbreuken en overstroomingen er langs) zijn dan van zelf opgelost.
Voor zoover de graslanden aldaar dan het vruchtbaarmakend slib der
overstroomingen zullen missen, zij opgemerkt, dat als de overstroomingen
met zout- of brakwater ophouden, zich daarop een andere grassoort zal
vestigen, die met kunstmest behandeld een nog hoogere opbrengst zal
geven dan de tegenwoordige.
T. N. van den afsluitdijk zijn geen of slechts weinig hoogere
stormvloedhoogten te verwachten dan daar nu voorkomen, zooals ook de
Regeering in de Memorie van Toelichting van het thans door haar
ingediende wetsontwerp zegt[8].
[8] Ald. Bl. 7.
Wel zullen langs de Friesche kust tot op zekeren afstand t. N. van
Piaam en ter plaatse van den afsluitdijk, door de bijzondere wijze van
vulling en lediging van de noordelijke kom bij de dagelijksche getijden
(dus zonder sterken wind), de gemiddelde hoogwater- en laagwaterstanden
aldaar misschien een 40 cM. resp. hooger en lager worden en daardoor
wellicht ook de stormvloeden zooveel rijzen, vooral in den hoek
bij Piaam bij N.W. winden, maar daarvoor wordt ter geruststelling
voorgesteld de Friesche dijken t. N. van Piaam een verhooging te geven
tot de hoogte van den afsluitdijk aldaar, te niet loopende bij Zurig.
De vrees dat de stormvloedshoogten langs de noordelijke Friesche en
Groningsche kusten aanzienlijk zullen verhoogen door de afsluiting
is geheel ongegrond. De geschriften daarover in den laatsten tijd
verschenen gaan van de geheel onjuiste onderstelling uit, dat door de
zeegaten altijd evenveel water naar binnen zal blijven stroomen, ook
al wordt de zeeboezem daarachter tot op de helft verkleind. Voor de
bestrijding van die verkeerde meening zie men hierachter het 2de Deel:
"Weerlegging van bezwaren".
[Kantlijn: Voor de afwatering.]
~Voor de afwatering.~
Het weinig veranderlijk peil van -0,40 N.A.P. van het IJselmeer
zal zeker een groote verbetering meebrengen voor de afwatering der
omliggende gewesten, o. a. die langs de (Utrechtsche) Vecht, de Eem,
voor de polders langs den Beneden-IJsel, het Zwarte Water en de
(Overijselsche) Vecht, voor het Land van Vollenhove, het Lindegebied,
enz.
Dat in den regel lage peil van het IJselmeer geeft ook een middel om
schadelijke zeer hooge standen van Frieslands boezem te voorkomen,--voor
dit gewest, waarvan de waterloozing zooveel bezwaren heeft, voorwaar
geen kleinigheid, als men bedenkt dat o. a. in Juli-Augustus 1894 door
hooge standen van Frieslands boezem (-0,25 à -0,14 N.A.P.) een schade,
voornl. aan den hooibouw, werd toegebracht, die toen op 2 millioen
gulden geschat werd,--en zulke hooge standen komen meermalen voor.
De bedoelde bezwaren zullen door de afsluiting niet geheel worden
weggenomen,--men is trouwens reeds bezig aan de zuidzijde van Friesland
stoombemaling van den boezem aan te brengen--maar zij zullen belangrijk
er door worden verminderd.
De kosten van gebruik en onderhoud der bestaande bemalingsmiddelen,
uitslaande op de Zuiderzee, zullen dus minder worden, die van de werken
welke ter verbetering zijn voorgesteld eveneens, terwijl andere, zelfs
zeer kostbare, geheel achterwege kunnen blijven.
Daar is b.v. het vraagstuk van de ~afwatering van den Vechtboezem~. Deze,
die behalve van de langsgelegen polders te Utrecht het water ontvangt
van een groot gebied en alleen door de sluis te Muiden kan loozen, als
dit niet door hooge Zuiderzeestanden belet wordt, is door die gebrekkige
uitwatering elk jaar één of meermalen zoo hoog opgezet, dat de loozing
van de landen erlangs belet wordt, sommige hiervan zelfs onder water
komen, doordat het Vechtwater op enkele plaatsen over de kaden loopt.
Middelen ter verbetering zijn voorgesteld, die op ½ à 1 millioen gulden
geraamd werden. Bij een weinig veranderlijken lagen stand van het
IJselmeer, dus voldoende loozing te Muiden, zijn die werken echter
geheel overbodig.
Bekend is ook de eeuwenoude kwestie der ~afwatering van de Geldersche
Vallei~, vooral veroorzaakt door de weinige samenwerking en zelfs
onderlinge tegenwerking der daarbij betrokken landen. Wordt aan de Eem
en het te maken verlengde, zooals voorgesteld wordt, een zeer ruim
profiel gegeven, dan wordt het lage IJselmeerpeil dicht bij Amersfoort
gebracht en _kan_ door een eenvoudige verruiming van sommige
waterleidingen in de Vallei de zaak op minder kostbare wijze en
gemakkelijker worden opgelost dan thans.
De ~afwatering van het Noordzeekanaal~, die van zooveel gewicht is,
omdat op dat kanaal o. a. de boezems van Rijnland en Amstelland en ook
Schermerboezem (t. N. van het voormalige IJ) loozen, en die nu plaats
heeft door een sluis te IJmuiden op de Noordzee en grootendeels met
behulp van een stoomgemaal te Schellingwoude op de Zuiderzee, zal door
de afsluiting zeer worden gebaat, omdat dan die afwatering grootendeels
_door sluizen_ op de Zuiderzee zal kunnen plaats hebben, zoodat de
scheepvaart weinig of geen last van het spuien te IJmuiden meer zal
ondervinden, terwijl zelfs groot waterbezwaar zonder afmaling zal kunnen
worden beheerscht[9].
[9] Zie hierover C. W. LELY c. i. Beschouwingen v. d. afwatering v. h.
Noordzeekanaal in verband m. d. afsl. en droogm. d. Zuiderzee
(Weekbl. De Ingenieur, Jaarg. 1914, bl. 203).
[Kantlijn: Verdwijnen der lage Zuiderzeestanden]
Zal aldus de afwatering der omringende landen bij afsluiting
der Zuiderzee gebaat worden, 1º doordat de loozing door hooge
Zuiderzeestanden niet meer zoo dikwijls en langdurig als thans kan
worden belet, 2º omdat wegens de minder sterke schommelingen van
het buitenwater de bemalingswerktuigen minder kostbaar behoeven te
zijn,--daartegenover staat het nadeel dat dan niet meer gebruik gemaakt
zal kunnen worden van de ~lage~ en ~zeer lage Zuiderzeestanden~, die nu
de afwatering van sommige streken ten goede komen, omdat een krachtige
loozing vooral afhangt van het verschil in hoogte tusschen binnen- en
buitenwater. Dit geldt vooral voor die streken, waarvan de waterloozing
hoofdzakelijk van die lage standen afhangt, zooals die van het N.W. van
Overijsel. Deze kunnen nu in het voorjaar bij de dan heerschende O. en
N.O. winden, dus lage afwaaiing van de Zuiderzee aldaar, hun groote
massa's overtollig winterwater gemakkelijk kwijt worden. Maar daarna
in den zomer, bewegen de getijen zich hier tusschen nauwe grenzen, de
gemiddelde ebben loopen er dan niet lager dan -0,10 à -0,15 N.A.P. af en
daar de landen dan waterstanden van -0,40 à -0,45 N.A.P. noodig hebben,
zoo is thans hun afwatering toch vaak onvoldoende. Is de zomer nat en
valt de regentijd vroeg in, dan gaat dikwijls reeds de eerste snede van
het hooigras, het voornaamste voortbrengsel van deze landen, verloren.
De tegenwoordige toestand is dus ook slecht of onvoldoende te noemen,
maar de meeste landen hebben tegen het aanschaffen van kostbare
stoomgemalen opgezien.
Wordt de Zuiderzee afgesloten, dan kunnen bedoelde lage standen niet
meer voorkomen en de toestand wordt geheel onhoudbaar. Maar dan worden
die landen gedwongen om stoomgemalen aan te schaffen, sommige na zich
eerst nog te hebben ingepolderd, en de aanleg en het gebruik van de
bemalingsmiddelen zal veel minder kostbaar zijn dan nu, omdat zij het
water dan niet meer op zoo hooge en veranderlijke buitenwaterstanden
behoeven op te brengen. Ook kunnen zij dan 's winters droog blijven,--nu
staan zij dan veelal onder water,--kunstmest aanwenden en dus ook
daardoor in voortbrengingsvermogen toenemen[10].
[10] Zie hierover meer uitvoerig: DEKING DURA. Iets over den toestand
der afwatering in een deel van Overijsel. Tijdschr. Ned. Heide Mij,
1909, bl. 173.
[Kantlijn: Invloed op de afwatering van Friesland.]
Wat ~Friesland~ betreft, daar zal dit bezwaar nog minder gelden.
Wel zullen bij een afsluiting de zuidelijke sluizen bij de lage
Zuiderzeestanden in het voorjaar niet meer kunnen meehelpen om
Friesland van zijn overtollig winterwater te bevrijden, maar dit nadeel
is voor de provincie betrekkelijk gering. Dit gewest, t. N. van de
Linde, toch brengt zijn water op een groot samenstel van meren, plassen,
kanalen, enz. »Frieslandsboezem" vormend, die door 13 sluizen langs de
Zuid-, West- en Noordkust op zee uitwatert. Nu is de meest gewenschte
stand van dien boezem in den zomer 10 à 15 cM. boven Friesch Peil (=
Z.P. = 0,66 N.A.P.) dus 0,56 à 0,51 beneden A.P., maar de gemiddelde
ebben t. Z. van Makkum zijn hooger, zoodat de sluizen aldaar slechts bij
lagere zeestanden, voornl. bij oostelijke winden in het voorjaar tot de
afwatering kunnen bijdragen. T. N. daarvan echter dalen de ebben al meer
en meer tot -1,44 N.A.P. in de Lauwerszee aan de Dokkumer Nieuwe Zijlen
en daar dit ook de meest vermogende sluizen zijn, zoo ligt daar het
voornaamste punt van loozing van Frieslandsboezem. Toch is die, vooral
voor onzen tijd onvoldoende, voornl. doordat de groote watermassa's van
het geheele gewest niet spoedig genoeg bij de noordelijke sluizen te
brengen zijn. Veel is reeds gedaan ten koste van veel tonnen gouds om
door verruiming der waterleidingen daarheen, enz. daarin verbetering te
brengen, maar de toestand is nog onvoldoende: men kan den boezemstand
niet genoeg beheerschen.
Dit brengt vooral zooveel schade teweeg, omdat een gedeelte der lage
landen, vooral in het Zuiden dus, niet ingepolderd is en dus bij hooge
boezemstanden wordt overstroomd,--bij een stand van +0.25 Z.P. staan
reeds 6000, bij +0.46 Z.P. 32000 HA. van die "buitenlanden" onder water.
Bovendien loopen bij zeer hooge standen ook een aantal polders in of
komen door belette loozing onder water. Die lage landen zijn natuurlijk
uitsluitend grasland; zij staan 's winters in den regel voor een groot
gedeelte onder, maar komen in natte zomers hooge standen voor, waarvan
wij hierboven een voorbeeld zagen, dan wordt ontzaglijke schade
geleden[11].
[11] De afwatering van Frieslandsboezem is uitvoerig behandeld door het
Lid der Ged. St. v. Friesl. VAN WELDEREN Bn RENGERS in een rede,
geh. v. d. verg. der Afd. Tietjerksteradeel der Fr. Mij van Landb.
28 Dec. 1909,--opgenomen i. h. Tijdschr. d. Ned. Heide Mij, 22e
Jaarg. (1910), bl. 35. Zie ook bl. 69 aldaar.
Dat de overstrooming door boezemwater die landen vruchtbaar zou maken,
kan alleen in zekere mate gelden voor de kleistreken, waar dat water
eenige kleideeltjes bevat, maar overigens niet. Kan men bovendien die
landen ook 's winters droog houden en ze met kunstmest behandelen, dan
stijgen zij ook daardoor zeker in waarde.
Reeds vele plannen zijn gemaakt ter verbetering van dezen toestand.
Zij zullen zich ten slotte wel oplossen in de stichting van één of
meer groote stoomgemalen aan de zuidzijde der Provincie, waartoe
reeds besloten werd. Maar kan men door de afsluiting der Zuiderzee,
dus afwatering op -0,40 A.P., in elk geval de zeer hooge boezemstanden
voorkomen, dan zullen aanleg en gebruik van die gemalen, voor zooveel
ze nog noodig zijn, zeker minder kosten.
De heer RENGERS meent dat _in jaren van normalen regenval_ de boezem
daardoor op +0.30 Z.P. zal te houden zijn, wat nu 's winters nagenoeg
nooit mogelijk is (Rapport a. h. Dag. Best. der Zuiderzee-Vereeniging
omtr. de voordeelen voor de Prov. Friesland en Noord-Holland te
verwachten v. d. afsluiting der Zuiderzee en de vorming van een
zoetwatermeer).
Wat echter Frieslands nu gebrekkige afwatering in hooge mate zal ten
goede komen, dat is, hoe vreemd dit oppervlakkig beschouwd ook moge
schijnen, de gelegenheid die door de afsluiting ontstaat voor aanvulling
van zijn boezem met zoet water in droge tijden.
[Kantlijn: Voor de wateraanvulling en waterverversching.]
Voor de ~wateraanvulling~ en ~waterverversching~.
Als door de sluizen op Wieringen steeds op zee wordt geloosd, terwijl
aanhoudend zoet water, hoofdzakelijk door den IJsel wordt aangevoerd,
dan is het duidelijk dat het IJselmeer reeds bij de afsluiting minder
zout zal zijn dan bij het begin van het werk en dat het niet lang daarna
zoet water of althans water van gering zoutgehalte zal bevatten.
Dit nu is wel het grootste voordeel dat een gevolg zal zijn van een
afsluiting der Zuiderzee. Men is dit gelukkig al meer en meer gaan
inzien. De daardoor verkregen verhooging van het voortbrengingsvermogen
der aangrenzende gewesten is zoo belangrijk, dat de kosten van de
afsluiting op zich zelve, dus zonder droogmaking, waarschijnlijk reeds
daardoor grootendeels zouden worden goed gemaakt.
Andere deelen n.l. van ons polderland, gelegen niet ver van de groote
rivieren, zooals Holland en Utrecht t. Z. van de Zuiderzee en het
voormalige IJ, kunnen daaruit altijd water verkrijgen in droge tijden.
Zoo laat o. a. Rijnland bij droogte en ter verversching van zijn boezem
te Gouda uit den Hollandschen IJsel water in,--70 à 190 millioen M³ 's
jaars al naar de behoefte, soms 2 millioen M³ per dag. Uit den aldus
aangevulden boezem laten de polders dan water naar binnen. Maar zulk
een bron van zoet water missen Friesland en N.W. Overijsel geheel,
Noord-Holland t. N. van het IJ (Noorderkwartier) grootendeels.
Om de voordeelen van het bezit van zulk een zoetwaterbron voor
deze gewesten naar waarde te kunnen schatten hebben twee bij
uitstek deskundigen, de HH. TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS, Lid v.
Ged. St. v. Friesland, en K. BREEBAART JZN. te Winkel, op verzoek
der Zuiderzee-Vereeniging verslag uitgebracht over de voordeelen van
de voorziening met zoet water, resp. van de Provinciën Friesland en
Noord-Holland welke heeren zich daarbij nog door eenige specialiteiten
hebben doen voorlichten[12]. In het volgende is ook daaraan een en ander
ontleend.
[12] Zie: De afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Uitg. d. d.
Zuiderzee-Vereeniging 1911.--Leid. 1911.
Het ~Noorderkwartier~ laat in tijden van watergebrek water in uit
den boezem van het Noordzeekanaal door de duikersluizen, soms ook
door de schutsluizen, te Nauerna en te Zaandam, dat zich dan in de
boezemwateren van dat geheele gewest, behalve in het oostelijk gedeelte
van Westfriesland kan verspreiden. Maar dat water is brak door de vele
schuttingen te IJmuiden en te Schellingwoude. Bovendien wordt het
vervuild, doordat Amsterdam zijn grachten doorspoelt--als men het zoo
noemen wil, want de drabbige massa heeft 8 dagen noodig om van het
oosten der stad naar het westen te komen--door Zuiderzeewater in te
laten bij Zeeburg en het te loozen op het Noordzeekanaal, in plaats van
andersom te spuien, wat echter wegens de dikwijls hooge Zuiderzeestanden
f100.000 's jaars aan opmaling te Zeeburg zou kosten. Het genoemde
oostelijk deel van Westfriesland (Vier Noorder Koggen en het grootste
deel van Drechterland) laat 's zomers bij droogte water in _uit de
Zuiderzee_, dus zout water (zoutgehalte ongeveer 25 p. mille; de
Noordzee op onze kust ongeveer 33 p. m.).
Het voornaamste voordeel voor dit gewest van kaasproductie bij
uitnemendheid is gelegen in de gevolgen voor de zuivelbereiding. Dr.
VAN DER ZANDE en Dr. SCHEIJ van het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn
zeggen: 1º dat door de gelegenheid van verversching met zoet water
ketelwater zal worden verkregen dat niet te schadelijk is voor ketels
en machines, ook in de streken waar het nortonwater zout of zeer zout
is; 2º dat het vee door het gebruik van brak water licht diarrhee
krijgt, waardoor de melk aan sterke verontreiniging blootstaat, hetgeen
gebreken in de zuivelproducten kan veroorzaken, b.v. losse kaas; 3º dat
vermenging van den afval der zuivelbereiding met brak water in de
slooten stankvorming bevordert.
In het Verslag van den Heer BREEBAART, samen met deskundigen opgemaakt,
wordt gezegd dat de vruchtbaarheid van alle soorten van gronden, vooral
van de grasgronden zeker zal worden verhoogd door geheel zoet water in
plaats van brak water, dat--zoo wordt o. a. voor de zandstreken
geconstateerd--voor den grasgroei zeer nadeelig is.
Ook zal het IJselmeer waarschijnlijk kunnen dienen als bron voor
drinkwaterleidingen in gemeenten die zich nu moeilijk of niet van
goed drinkwater kunnen voorzien. Te Hoorn heeft men nu voor ongeveer
drie ton gouds een (bron) drinkwaterleiding aangelegd, waarvoor het
water door diepe boring moest worden verkregen en daarna scheikundig
gezuiverd--duur dus voor zoo'n betrekkelijk kleine stad; te Medemblik
is in droge zomers voor grof geld drinkwater verkrijgbaar, dat per
spoortrein aangevoerd wordt uit Alkmaar of den Helder, enz.
Maar veel erger nog dan van Noord-Holland is de ~toestand van Friesland
in droge tijden~, daar dit geen enkele zoetwaterbron van beteekenis
bezit. Dan hoort men noodkreten uit dat gewest van water, meren, poelen,
plassen en vaarten, zooals o. a. in de Bolswarder Courant v. 15 Sept.
1904 uit Workum: "In den omtrek van onze stad en verderop naar Bolsward
en Makkum ziet het er met de landerijen treurig uit. Vele perceelen
hebben een echt wintersch aanzien, dor en kaal, waarop het weidende vee
nauwelijks den honger kan stillen. Daarbij ontbreekt het drinkwater in
de slooten, zoodat het ongerief en de schade zeer groot zijn. Onder
Bolsward wordt op een boerderij nu reeds zeven weken hooi gevoederd
aan de beesten en op verschillende plaatsen aldaar melkt men minder
dan de helft in gewone jaren. Met groote bezorgdheid zien de veehouders
den winter tegemoet, die lang en moeilijk zal worden". Of van dien
ouden Fries uit westelijk Friesland, die aan den secretaris der
Zuiderzee-Vereeniging schreef: "Wij hebben geen bruikbaar slootwater
meer in de polders, noch voor drinken van het vee noch voor de
afscheiding der perceelen. De meeste slooten liggen eenvoudig droog.
In de vaarwaters staat nog een weinig en dat is pap geworden. Het
scheepvaartverkeer gaat zeer bezwaarlijk. Het weinige water dat er
overbleef is zout geworden door de vermenging met binnengeschut
zeewater. Alle visch is dood. Ziedaar de toestand langs de westelijke
kust van Friesland. Verder in de Provincie is de toestand dezelfde op
slechts ééne uitzondering na: daar is het overgebleven water iets minder
zout"[13].
[13] Medegedeeld in het Handelsblad v. 27 Okt. 1904 door Mr. G.
VISSERING, destijds Secretaris van de Zuiderzee-Vereeniging.
Een ander nadeel voegt zich nl. in droge tijden bij het gebrek aan
water, dat van het ~verzouten~ van het overblijvende, vooral in het
westen der Provincie, door het vele schutten, voornamelijk te Harlingen,
ook te Stavoren, maar het zoutgehalte is daar geringer. Daardoor worden
veel beesten ziek, de hoedanigheid der zuivelproducten lijdt er door, de
visch sterft, de industrie lijdt schade door het zoute ketelwater, enz.
In meergenoemd Verslag zeggen de drie vakmannen-rapporteurs omtrent den
invloed van zoet water in Friesland op den toestand van ~landbouw~,
~veeteelt~ en ~zuivelbereiding~: "Veel grooter dan deze reeds zoo
belangrijke schade"--nl. door te hoogen waterstand--"is die welke _te
lage_ waterstand in den zomer veroorzaakt. Wanneer de droogte lang
aanhoudt en ook de slooten beginnen droog te worden, dan zijn de ellende
en de schade niet te overzien." In 't bijzonder wordt dan aangetoond
de mindere opbrengst van de melk, zoowel wat de hoedanigheid als de
hoeveelheid betreft, niettegenstaande krachtige voeding van het vee,
door het gebruik van onzuiver drinkwater. De hoedanigheid hiervan laat
bijna overal in de Provincie te wenschen over.
Ook de ~scheepvaart~, die in Friesland van zooveel beteekenis is, lijdt
in zulke tijden zeer door watergebrek, daar dan standen van 30, soms ook
van 40 en 50 cM. beneden Friesch Peil voorkomen,--en dit geldt zoowel
voor de kleine schipperij als voor de groote tjalkvaart op den waterweg
de Lemmer-Stroobos, deel uitmakende van dien van Holland naar Groningen;
schepen raken dan aan den grond en versperren vaarwaters. Beide zullen
dus zeer gebaat worden als de boezem altijd op peil kan gehouden worden
door inlating uit het IJselmeer.
Een tak van bedrijf die bij den tegenwoordigen toestand dikwijls veel
schade lijdt is ook de ~zoetwatervisscherij~,--omdat nu elk jaar
bij de voorjaarsafstrooming groote massa's vischkuit en broed op de
droogvallende buitenlanden verloren gaan, omdat nu 's zomers veel zout
water op den boezem komt, wat groote uitgestrektheden ongeschikt maakt
voor visch (behalve voor paling) en veel visch doodt, en eindelijk
omdat het afvalwater van enkele fabrieken (o. a. van de beruchte
stroocartonfabriek te Leeuwarden) het zeer gedaalde boezemwater voor
visch nog geheel bederft. Het Verslag meent, dat de opbrengst in een
droog jaar wel tweemaal zoo groot zou kunnen zijn als een
ververschingsbron achter de hand was.
De ~volksgezondheid~ wordt tegenwoordig benadeeld, omdat de boezem niet
zoo noodig ververscht kan worden bij vervuiling, bij rotting veroorzaakt
door het hooge zoutgehalte, en omdat het boezemwater vaak door de
schippers gedronken wordt. Het telkens droogvallen der gronden bevordert
ook malaria, voornamelijk als het overstroomingswater brak of zout was.
Afsluiting der Zuiderzee en inlaten van zoet water uit het IJselmeer zal
meebrengen zuiver water, zuiverder lucht en vermindering van het gevaar
voor epidemische ziekten.
~Handel~ en ~nijverheid~ zullen er ook zeker bij winnen als het
gebrekkig verkeer door te lage waterstanden in den zomer niet meer
zal voorkomen. In het Nieuwsblad van Friesland van 7 Okt. 1905 deelt
Aquarius mee, dat het aantal stoomketels in Friesland 550 bedraagt
(incl. die van de stoombooten) en dat die minstens 6 keer per jaar meer
moeten gewasschen worden dan wanneer geheel zoet water ten dienste stond
voor de ketelvoeding. De kosten daarvan en de stagnatie in het bedrijf
worden per keer gemiddeld op f25.-, dus per jaar op f150.- geschat,
dus voor alle ketels samen op f82.500 per jaar, welk bedrag echter
vermeerderd moet worden wegens de grootere slijtage der ketels.
Voor een deel is het gezegde ook van toepassing op het Land van
Vollenhove t. N.W. van het Meppelerdiep.
En, zooals reeds werd opgemerkt, nog een groot voordeel voor Friesland
en het Land van Vollenhove zal aan de mogelijkheid van voldoende
zoetwateraanvulling ten allen tijde verbonden zijn, nl. ~verbetering der
afwatering~.
In het voorjaar toch, als het winterwater moet worden verwijderd en de
landbouw flink lage waterstanden noodig heeft, zoodat ook natte tijden
daarna weinig of geen schade kunnen veroorzaken, laat men veelal het
water niet zooveel afstroomen als gewenscht is,--omdat men niet durft,
n.l. met het oog op een drogen tijd die volgen kan.
Gaat men de bijna angstvallige zorg na waarmee in Friesland het tijdstip
en de duur van afstrooming met de zeesluizen geregeld wordt[14], dan
blijkt daaruit hoe de gezaghebbers altijd geslingerd worden tusschen
de vrees voor te veel en die voor te weinig water. De Heer RENGERS,
die daaraan zelf zooveel deelnam, zegt dan ook in zijn meermalen
aangehaalden rede: "_Zoolang de waterinlating in Friesland niet gevonden
is, zal de beheersching van den waterstand onvolkomen blijven_".
[14] Tijdschr. Ned. Heide-Maatschij, 22e Jaarg. (1910), bl. 41 e. v.
Heeft men echter in het IJselmeer steeds een zoetwaterbron beschikbaar,
waaruit men altijd putten kan zooveel men noodig heeft, dan zal men ook
elk oogenblik den boezem zooveel durven verlagen als men wil, omdat
aanvulling daarna altijd mogelijk is.
[Kantlijn: Kwel door en onderdoor den afsluitdijk.]
Er is wel eens twijfel gerezen omtrent de mogelijkheid om door
een afsluitdijk het zeewater werkelijk van het IJselmeer te
scheiden,--eenige onvermijdelijke doorkwelling daargelaten.
Indertijd heeft de Hoogleeraar HARTING de vrees uitgesproken, dat als
de afsluitdijk op diluvisch zand of zelfs op een daarop rustende keilaag
werd aangelegd, zooveel water door dat zand naar binnen zou dringen, dat
men den bodem daarachter niet zou kunnen droogleggen: door hem genomen
proeven waren in dit opzicht niet geruststellend[15].
[15] P. HARTING. De geol. en phys. gesteldheid v. d. Zuiderzeebodem.
Versl. en Med. Afd. Nat. K. Ak. v. Wet., Dl. XI, 2e Reeks.
Een commissie uit de Kon. Akademie van Wetenschappen benoemd om dit
vraagstuk in 't bijzonder te onderzoeken, meende evenwel terecht, dat
uit laboratoriumproeven in nauwe glazen buizen en met van elders
(dus niet van den Zuiderzeebodem) gehaald zand genomen, dus onder
omstandigheden die zeer van de werkelijkheid verschilden, voor de
praktijk weinig of niets viel af te leiden[16].
[16] Verslag v. d. Comm. t. onderzoek n. d. mate waarin water onder
verschillende drukhoogte door zandmassa's van verschillende
samenstelling en breedte stroomt. Uitg. d. d. Kon. Ak. v. Wet. Amst.
1887.
HARTING zelf kende aan die proeven daarom ook slechts een betrekkelijke
waarde toe. De kwel, die afhangt van de geaardheid van den grond, van
de lengte over welke de doorkwelling plaats heeft en van het verschil
in waterstand buiten en binnen (drukhoogte), zou op grond van op
verschillende plaatsen in ons land opgedane ondervinding, volgens de
Commissie bij een drukhoogte van 4 M. nog betrekkelijk gering zijn.
En hierbij werd niet alleen rekening gehouden met een kwel door den
afsluitdijk, maar ook met die door de kaden langs boezemmeren en
boezemkanalen (Regeeringsontwerp 1877), samen 6 maal zoo lang als de
dijk zelf.
Bij het ontwerp Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie is de drukhoogte
in normale omstandigheden bij H.W. slechts 0,80 M., terwijl er zelfs
gedurende een gedeelte van elk getij overdruk _van binnen naar buiten_
zal zijn. Gebruik makende van dezelfde wijze van berekening als de
genoemde commissie vindt men, dat in gewone omstandigheden slechts 1/90,
bij stormvloed slechts 1/22 naar binnen zou kwellen van de hoeveelheid
zoetwater die in dezelfden tijd bij middelbaren IJselstand op het meer
vloeit.
De kwel zal dus geen noemenswaardigen invloed hebben op het zoutgehalte
van het water van het IJselmeer.
[Kantlijn: Beschikbare hoeveelheid water ter inlating.]
Een andere vraag is: Zal in droge zomers altijd een voldoende
hoeveelheid zoet water beschikbaar zijn ter inlating in de nieuwe
polders en de aangrenzende gewesten?
Deze kwestie wordt uitvoerig behandeld in de 4e Nota der
Zuiderzee-Vereeniging.
De waterplas binnen de afsluiting verliest door verdamping en wordt
aangevuld uit het water dat rivieren en boezems, vooral de IJsel er
op brengen. Een gunstige omstandigheid is, dat in de maanden als de
verdamping het grootst is (1 Mei-1 September) de IJsel gewoonlijk niet
het minst afvoert, daar hij dan ook gevoed wordt door het smelten van
sneeuw en ijs in het brongebied van den Rijn; in 't algemeen is de
afvoer het kleinst in de herfstmaanden.
Uit die nota blijkt o. a., dat in 10 jaren van het tijdvak 1871-1885
(in de andere jaren zou òf weinig ingelaten of de aanvoer betr.
groot geweest zijn) alleen in Mei 1880 en Aug. 1885 eenig tekort zou
geweest zijn om de nieuw drooggemaakte gronden, Friesland en Hollands
Noorderkwartier van water te voorzien,--wat echter slechts een daling
van 2 cM. van het IJselmeer zou kunnen veroorzaakt hebben. Dit zou dus
zeker geen bezwaar geweest zijn, vooral als men bedenkt, dat op zeer
ruime waterinlating behalve in de nieuwe landen (5 × die van Rijnland)
en een te groote verdamping (gemeten n.l. in kleine verdampingsmeters)
gerekend is.
Daar het aangenomen peil van het IJselmeer -0.40 A.P., dat van
Frieslandsboezem -0,66 en dat van Schermerboezem (Noorderkwartier) -0.58
A.P. is, zoo zal bij dien stand altijd water ingelaten kunnen worden.
Mocht de stand van het meer lager zijn of plaatselijk door afwaaiing
dalen, dan kan men dien tijdelijk b. v. in April en Mei door het sluiten
der sluizen wat verhoogen, b. v. tot -0,20 A.P., wat ook voor de
scheepvaart gewenscht is.
Van Frieslands sluizen is alleen de bestaande Lemstersluis voor
waterinlating geschikt, maar zij alleen is daartoe niet vermogend
genoeg. Er zal daarom aan de zuidzijde nog een inlaatsluis moeten
bijgebouwd worden.
[Kantlijn: Gevolgen der afsluiting voor de scheepvaart.]
~Voor de scheepvaart.~
Door de afsluiting zal de scheepvaart geen nadeel ondervinden,
integendeel in menig opzicht worden gebaat.
De scheepvaart op de Zuiderzee is n.l. voor een zeer groot gedeelte, 1/3
à ½ van de geheele scheepvaartbeweging, van en naar Amsterdam gericht.
Dan volgen wat de grootte van die beweging betreft het Zwolsche Diep,
de Lemmer en het Keteldiep (IJsel), voorts Harlingen, Muiden, Hoorn.
In gewone omstandigheden wordt, bij de grootendeels langdurige vaarten,
niet "op tij" gevaren; de verschillen tusschen H.W. en L.W. zijn
trouwens gering,--in de zuidelijke kom 25 à 50 cM.--ook in vergelijking
met de schommelingen van den waterstand door den wind veroorzaakt.
Het peil van -0,20 A.P. van het IJselmeer in den zomer is ongeveer
gelijk aan den tegenwoordigen laagwaterstand in het midden van de
zuidelijke kom, dat van -0,40 A.P. 's winters ongeveer 20 cM. lager.
Maar deze verlaging komt ook nu herhaaldelijk voor bij lage ebben,
of door afwaaiing. Standen beneden -0,60 A.P., zooals nu wel eens
voorkomen, zullen zelden meer op het IJselmeer worden aangetroffen.
Zooals reeds bij de beschrijving van het plan is opgemerkt, zou echter
door de afsluiting de ~bevaarbaarheid t. O. van Schokland~ onvoldoende
worden. Daarin zal worden tegemoet gekomen door de verlenging van het
Zwolsche Diep tot t. Z. van Schokland.
Ook zagen wij dat vóór het tot standkomen der afsluiting eenige
~havens~, die nu niet met L.W. bevaren kunnen worden en waarvoor
dan H.W. moet worden afgewacht, door uitbaggering en verlenging
der havendammen eenige meerdere blijvende diepte moet worden
gegeven,--zoodat zij dan ten allen tijde bevaarbaar worden.
Na de droogmaking der vier deelen blijft in 't algemeen het diepste
gedeelte der Zuiderzee over voor het IJselmeer en voor den breeden
waterweg van Amsterdam daarheen. De ondiepste plaatsen komen voor
in de geul die naar de Oranjesluizen voert en waarin nu bij het
Vuurtoreneiland bij L.W. slechts 21 à 23 dM. water staat. Eenige
baggering zal daar plaatselijk moeten helpen.
Een voordeel is dat de ~schuttingen~ door de Oranjesluizen te
~Schellingwoude~ zeer zullen worden bekort wegens het kleiner
verschil tusschen de standen op het Noordzeekanaal en het IJselmeer;
waarschijnlijk zal de doorvaart nu en dan bij gelijk water kunnen
plaats hebben.
Voor de ~vaart op Harlingen~ zal, zooals wij zagen, een nieuw aan te
leggen kanaal van Piaam naar die plaats dienst doen.
Zal dus de bevaarbaarheid door het aangenomen peil van hef IJselmeer
niet worden geschaad, in enkele opzichten zelfs bevorderd, er zal zeker
een ~veel veiliger vaart~ worden verkregen. Op het IJselmeer zal het
niet meer in die mate spoken als nu en dan op de Zuiderzee het geval
is. Menige hooge lading of deklast ging op de soms woeste watervlakte
van dezen zeeboezem verloren, om van het verlies van vaartuigen
en menschenlevens niet te spreken;--zulke ongevallen zullen na de
afsluiting wel nooit meer voorkomen. Die veiliger vaart is van groot
belang, ook in verband met de groote waterwegen in het noorden des
lands.
[Kantlijn: Zand- en slibaanvoer op het IJselmeer.]
Een kwestie die in de eerste plaats de scheepvaart raakt is de
~verondieping van het IJselmeer door het zand en de slib~ die de IJsel
daarin zal aanvoeren.
Wat den zandafvoer van die rivier aangaat, die op ongeveer 200.000 M³
per jaar kan worden geschat[17], het zand zal zich na de afsluiting wel
op dezelfde plaats blijven neerzetten als daarvóór, nl. op een 2700 HA.
groote oppervlakte buiten den Ketelmond, van waar het dan evenals nu kan
worden weggebaggerd.
[17] Not. Verg. Kon. Inst. v. Ingenieurs. 13 Sept. 1887.
De massa slib door den IJsel meegevoerd moet op 400.000 M³ 's jaars
gesteld worden[18]. Werd deze hoeveelheid gelijkmatig verdeeld over den
bodem van het 145.000 HA. groote meer, dan zou die in de eerste halve
eeuw na de afsluiting den bodem slechts 1,5 cM. verhoogen. Het spreekt
echter van zelf dat de verdeeling niet gelijkmatig over de geheele
oppervlakte zal geschieden en dat, waar voorkomen moet worden dat de
ophooging hinderlijk voor de scheepvaart wordt, de slibneerslag moet
worden weggebaggerd.
[18] Nota's der Zuiderzee-Vereeniging I en VIII. Bijl. 2.
Daarom werd door de Staatscommissie op de voorloopige begrooting van het
werk in het eerste jaar een kapitaal van f300.000 gebracht, dat na 66
jaar tegen 3½ percent aangegroeid tot f2.857.000 een rente zou geven
voldoende om jaarlijks 400.000 M³ tegen 25 cts per M³ uit het IJselmeer
te baggeren. Daarbij werd echter de neerslag in de eerste 66 jaar over
het hoofd gezien, al zal die wel voor een groot deel binnen de
droogmakerijen vallen.
Intusschen is de juiste daarvoor noodige som vooruit moeilijk te
bepalen. Immers er zullen aanhoogingen kunnen voorkomen, b.v. ter
weerszijden van het verlengde Zwolsche Diep, aan de binnenzijde tegen
den afsluitdijk, die kunnen blijven liggen, daar zij de scheepvaart
niet hinderen en ook de waterberging van het IJselmeer, die alleen van
zijn oppervlakte en niet van de diepte afhangt, niet kunnen wijzigen.
Daarentegen is op enkele andere plaatsen veel hinderlijke neerslag te
verwachten o. a. in het zuidelijk einde van den breeden waterweg naar
Amsterdam, in verband met de richting van den meest heerschenden wind
(Z.W.) en de daardoor veroorzaakte onderstrooming in tegengestelde
richting[19].
[19] Zie de Nota van het lid der Staatscommissie J. W. WELCKER als
Bijlage bij het Verslag dier Commissie.
[Kantlijn: Bezwaren van technischen aard.]
Tegen sommige van de voorgestelde werken zijn, vooral in den
laatsten tijd, ~bezwaren~ gemaakt ~van technischen aard~, veelal door
tegenstanders breed uitgemeten ter bestrijding van het geheele plan.
Dit nu is een fout. Al mochten enkele opmerkingen omtrent den aanleg
van onderdeelen gegrond zijn, dan nog kunnen zij het geheele plan als
zoodanig niet treffen. Die onderdeelen moeten dan op andere wijze
worden aangelegd.
Maar in elk geval zijn zulke opmerkingen geheel ontijdig.
Want men bedenke wel, dat het plan der
Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie niets anders is dan een
voor-ontwerp in groote trekken, om de gedachten te bepalen en de kosten
ongeveer te kunnen nagaan.
Maar als de verantwoordelijke ingenieurs aan het werk gaan en van de
onderdeelen de ontwerpen gaan opmaken, waarnaar zij zullen worden
uitgevoerd, dan zullen zij ongetwijfeld rekening houden met het beste en
nieuwste wat de wetenschap hun aan de hand doet en zullen die ontwerpen
dikwijls in menig opzicht afwijken van het globale plan.
Daarom leest men o. a. in de Memorie van Toelichting bij het Ontwerp
van Wet tot indijking en droogmaking van de Wieringermeer (Wetsontwerp
KRAUS, 1907): "Het ligt niet in de bedoeling van de ondergeteekenden,
dat het plan der indijking en droogmaking van de Wieringermeer en van
de overige in verband daarmede uit te voeren werken reeds thans tot in
onderdeelen zouden worden vastgelegd. Het voornemen bestaat om, zoodra
door aanneming van dit wetsontwerp in beginsel tot de uitvoering van het
werk zal zijn besloten, de nadere uitwerking der plannen ter hand te
doen nemen. Enz."
Ten duidelijkste blijkt het boven gezegde uit het "Verslag der
onderzoekingen v. h. Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt
plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting
der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer,
samengesteld door den ingenieur van 's Rijks Waterstaat ~de Blocq van
Kuffeler~". Men ziet daaruit dat in bijna alle onderdeelen,--in sommige
zeer veel!--is afgeweken van het globale plan der Staatscommissie, o. a.
ten opzichte van de plaats, afmetingen, enz. der buitendijken, van de
afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen,
vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale
gronden van Wieringen, enz. enz.
Zoo is b.v. critiek uitgeoefend op de wijze van aanleg, de afmetingen,
enz. van de meerdijken die de vier droogmakerijen moeten beschermen--een
zaak van belang, omdat zelfs twijfel aan de veiligheid der bewoners
van de nieuwe landen van grooten invloed zou kunnen zijn op de oeconomie
van het geheele plan. Maar het is immers niet denkbaar, dat de
waterstaats-ingenieurs, belast met het ontwerpen en uitvoeren van die
dijken, hetgeen daaromtrent in het Verslag der Staatscommissie gezegd en
geteekend is klakkeloos zouden overnemen.
Zoo is ook beweerd, dat de kruin van den afsluitdijk te laag ontworpen
is, omdat na de afsluiting aldaar hoogere stormvloeden zullen voorkomen
dan nu. De Zuiderzee-Vereeniging (2e Nota, bl. 15) en de Staatscommissie
meenen dat bij storm in de diepe geulen, zooals die van het Vlie en van
den Texelstroom weinig of geen opwaaiing plaats heeft, maar dat van
daaruit het water opwaait over de ondiepere gedeelten, b.v. uit het Vlie
naar de Friesche kust, wat te Harlingen eene hoogste waterstand bij
stormvloed van +2,90 A.P. heeft veroorzaakt. Daar nu de Texelstroom op
ongeveer denzelfden afstand van den afsluitdijk komt te liggen als het
Vlie van de Friesche kust, zoo zal de opwaaiing daaruit naar den dijk
niet grooter zijn en hiernaar is, rekening houdende met een sterken
golfoploop tegen den dijk, de hoogte hiervan bepaald. Deze redeneering
zal wel juist zijn, wordt ook niet weersproken.
Maar het is de vraag of de _gewone_ (gemiddelde of dagelijksche)
vloeden bij den afsluitdijk misschien wat hooger zullen stijgen dan
nu en in verband daarmede ook de stormvloeden daardoor wat zullen
rijzen[20].
[20] Zie "Weerlegging van bezwaren", bl. 123.
Een aanzienlijke verhooging der stormvloeden t. N. van den afsluitdijk
en zelfs langs de noordelijke kusten van Friesland en Groningen, doordat
de bergruimte van de Zuiderzee en de Wadden dan tot op ongeveer de
helft verkleind wordt, is een schrikbeeld waarmee in den laatsten tijd
geheel ten onrechte onrust wordt veroorzaakt. Immers er behoeft dan
ook slechts ongeveer de helft van het water door de zeegaten naar
binnen te stroomen om de overgebleven kom zoo hoog op te zetten dat
er evenwicht is tusschen het water binnen en buiten[21]. Terecht
zegt dan ook de Regeering in de Memorie van Toelichting van het nu
ingediende wetsontwerp, dat "geene of slechts geringe verhooging van
de stormvloedhoogten, als gevolg van de afsluiting, is te verwachten"
(bl. 7).
[21] Ald., bl. 118 e. v.
Hoe dit zij, deze quaestie zal nog wel worden nagegaan, voordat
met den bouw van den afsluitdijk begonnen wordt, niet alleen om de
hoogte van dien dijk zelven en van die der aansluitende Friesche
en Noord-Hollandsche dijken, maar ook om andere zaken die met de
waterstanden aldaar samenhangen, o. a. de te verwachten snelheden in de
sluitgaten, enz. Mocht dan blijken dat de afsluitdijk 0,50 M. hooger
moet worden gemaakt, welnu dan kan en zal dat zeker gebeuren, maar
daarmee staat of valt niet de wenschelijkheid of de mogelijkheid van
het geheele werk.
[Kantlijn: Gebruik van gewapend beton.]
Het voor-ontwerp van de Staatscommissie is reeds 20 jaar oud. Het kan
en zal waarschijnlijk gebeuren dat sommige onderdeelen geheel anders
zullen worden gemaakt dan werd voorgesteld.
Vooral het gebruik van ~gewapend beton~, dat in den laatsten tijd meer
en meer toepassing vindt, zal misschien zulke belangrijke wijzigingen
meebrengen,--wat ook invloed kan hebben op de kosten.
Daarom noodigde de Zuiderzee-Vereeniging in 1909 een commissie uit
om verslag uit te brengen over de vraag: "in welke mate kan gewapend
beton in uitgebreiden zin van toepassing zijn bij den afsluitdijk, de
meerdijken, den bouw der kunstwerken, enz., ter bezuiniging bij de
uitvoering, onder behoud van gelijke deugdelijkheid in aanleg en
onderhoud?"
Deze "gewapend-betoncommissie", samengesteld uit de HH. Mr. P. VAN
FOREEST, Dijkgraaf v. d. Hondsbossche en Duinen tot Petten, A. W. BOS,
Dir. Gemeentewerken Amsterdam, J. M. VAN ELZELINGEN, Hoofdingenieur
v. d. Prov. Waterstaat in Zuid-Holland, B. HOGENBOOM, Oud-Inspecteur
Generaal van 's Rijks Waterstaat, G. J. DE JONGH, Dir. Gemeentewerken
Rotterdam, J. W. C. TELLEGEN, Dir. Gem. Bouw- en Woningtoezicht
Amsterdam en L. VOLKER AZN., aannemer, bracht Sept. 1911 haar verslag
uit[22].
[22] Uitgave v. d. Zuiderzee-Vereeniging. Leiden 1911.
De groote meerderheid der Commissie stelt voor de afsluiting te
verkrijgen door in de sluitgaten, na aanvulling der geulen met zand en
zinkwerk, twee rijen bakken van gewapend beton, lang 50, breed en hoog 5
M., met tusschenruimten in verband tegen elkaar steunend, te doen zinken
en daarop en daartegen het lichaam van den dijk op te werken, zoodat zij
niet aan de inwerking van zeewater zijn blootgesteld. Eenige besparing
van kosten is misschien daardoor te verkrijgen, maar nog moeilijk te
bepalen. Maar de Commissie meende dat daarmede aanzienlijke besparing
in tijd zou te verkrijgen zijn en dit is een groot voordeel, ook uit
finantieel oogpunt.
Op de andere werken zouden niet veel kosten te besparen zijn behalve op
de sluiswerken op of bij Wieringen. De meerderheid was van oordeel, dat
het beter was deze binnen een cirkelvormigen ringdijk in zee t. O. van
Wieringen aan te leggen, omdat daardoor 7 ton onteigeningskosten voor
het kanaal door Wieringen zouden worden uitgespaard, 250 HA. aldaar niet
behoeven te worden opgeofferd en de afsluitdijk 1 KM. korter (1 millioen
gulden) kan worden.
[Illustratie]