II. Geschiedkundig overzicht der plannen tot afsluiting en droogmaking.

[Kantlijn: Werk van V. DIGGELEN.]

In 1849 verscheen van de hand den Ingenieur van 's Rijks Waterstaat

B. P. G. VAN DIGGELEN te Zwolle zijn bekend werk over de afsluiting en

droogmaking der Zuiderzee[1]. De schrijver wilde de geheele Zuiderzee

met de Wadden en de Lauwerszee afsluiten en droogleggen, doch zóó, dat

een breede open verbinding overbleef tusschen het Marsdiep en het Vlie.

Het water van den IJsel zou door breede stroombanen langs de kusten van

de Zuiderzee naar de Noordzee worden geleid. Het werk bevat betrekkelijk

weinig omtrent techniek en uitvoering, maar zet vooral uiteen de groote

economische en andere voordeelen voor ons land, die naar schrijver's

meening van de uitvoering het gevolg zouden zijn.

[1] De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee, hare bedijking en

droogmaking, besch. door B. P. G. VAN DIGGELEN.--Zwolle 1849.

De groote aandacht die dit werk trok noopte de Regeering den Inspecteurs

van 's Rijks Waterstaat FERRAND en VAN DER KUN op te dragen daarover

een rapport uit te brengen. Dit is 3 Nov. 1849 uitgebracht, maar eerst

in 1867 bekend geworden. Het adviseerde om eene Staatscommissie te

benoemen, die zou bepalen of het plan wenschelijk was,--daarna aan den

Ingenieur VAN DIGGELEN het maken van een ontwerp op te dragen.

Op initiatief van het 1e en 2e Dijksdistrict van Overijsel werd in 1864

een request van waterschapsbesturen aan de Regeering gericht om de

afsluiting en droogmaking ter hand te nemen.

[Kantlijn: Plan BEIJERINCK.]

In 1865 vestigde de Minister ROCHUSSEN de aandacht van de Maatschappij

van Grondcrediet op de Zuiderzeezaak. Deze deed daarop maken een ontwerp

tot droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee door den

Inspecteur van 's Rijks Waterstaat J. A. BEIJERINCK, dat spoedig gereed

was[2]. Dit stelde voor een afsluiting door een dijk van Enkhuizen over

Urk naar een punt t. Z. van den Ketelmond (IJsel) en droogmaking van de

geheele oppervlakte daarbinnen.

[2] Droogmaking van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Verzameling v.

officieele bescheiden, uitg. d. d. Mij. van Grondcrediet. 's-Grav.

1868.

Daarop werd 28 Aug. 1866 een Raad v. Waterstaat ingesteld, die had

te onderzoeken of 1º de uitvoering naar de hoofdtrekken van dat

plan mogelijk was; 2º of de uitvoering aan particulieren kon worden

overgelaten, dan wel of uitvoering van Staatswege aan te raden was. De

Raad, hoewel hij veel technische bezwaren had, nam de mogelijkheid der

droogmaking aan; zeide dat geen geldelijk voordeel daarmee te behalen

was, geloofde dat de noodzakelijkheid voor de uitvoering niet bestond en

raadde daarom aan den Staat de onderneming af.

[Kantlijn: Gewijzigd plan BEIJERINCK.]

De Maatschappij van Grondcrediet, die zich met deze uitspraak niet

vereenigen kon, werd vervangen door een Comité ROCHUSSEN-BOSCH-VAN

RANDWIJCK. Dit deed een gewijzigd plan BEIJERINCK opmaken in overleg

met zijn technischen adviseur, den ingenieur T. J. STIELTJES.

Er volgde toen 4 Mei 1870 de benoeming van een Staatscommissie ter

beoordeeling van het ontwerp voor het indijken, enz. van het Zuidelijk

gedeelte der Zuiderzee. Deze vond de zaak als onderneming niet

winstgevend en medewerking van den Staat noodzakelijk[3].

[3] Verslag der Staatscommissie ter beoordeeling, enz. Leiden 1873.

Het Comité vroeg toen aan de Regeering een subsidie van f250.- per H.A.,

doch _ontving_ eerst in 1873 antwoord met de mededeeling, dat het werk

beter door den Staat zelven kon worden uitgevoerd.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1877.]

In de Troonrede van 1874 werd een plan tot droogmaking van het zuidelijk

deel der Zuiderzee in het vooruitzicht gesteld. Bij de Wet van 5 Juni

1875 werden f8000 voor eenige onderzoekingen, boringen, enz. op de

Staatsbegrooting uitgetrokken en 18 April 1877 werd door het Ministerie

HEEMSKERK het eerste wetsontwerp aangeboden "betreffende de bedijking en

droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van

een waterweg van Amsterdam naar de rivier de Waal".

De afsluitdijk was nog meer zuidelijk ontworpen dan in het ontwerp

BEIJERINCK, nl. van Blokkershoek t. Z. van het Enkhuizerzand om, naar

hetzelfde punt t. Z. van den Ketelmond.

De oppervlakte der droog te maken gronden was 157000 HA., waarvan 144000

HA. klei. Raming van kosten 116 millioen gulden zonder de intresten.

Het zuidelijker plaatsen van den afsluitdijk geschiedde om een groote

oppervlakte zand, die men als bouwgrond van weinig of geen waarde

beschouwde, buiten te sluiten,--en ter andere om den dijk op klei te

kunnen leggen en niet op zand, daar in dit laatste geval volgens Prof.

HARTING zooveel kwelwater onder den dijk door naar binnen zou dringen,

dat een voldoende afsluiting niet mogelijk zou zijn, iets wat door

STIELTJES bestreden werd. Over deze kwestie volgt hieronder nog een

enkel woord.

Toen in November van hetzelfde jaar het Ministerie HEEMSKERK was

afgetreden en vervangen door een Ministerie KAPPEIJNE, was een der

eerste daden van het nieuwe Ministerie een intrekking van dit

Regeeringsontwerp.

Geruimen tijd werd toen niets meer van de Zuiderzeezaak

vernomen, behalve uit geschriften die, evenals vóór dien tijd,

nu en dan daarover verschenen. Als merkwaardig is daarvan te

noemen dat van Jhr. P. OPPERDOES ALEWIJN[4], omdat het voor 't

eerst voorstelde een noordelijker afsluiting met behoud van een

groot wateroppervlak daarbinnen,--welke eenvoudige oplossing tot

voorloopige berging van groote massa's IJselwater bij hooge

rivierstanden, zooals wij zien zullen, gevolgd is in het plan der

Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie, dat als het meest gewenschte is

te beschouwen.

[4] Eenige bemerkingen betreffende de zoo gewichtige aangelegenheid der

indijking en inpoldering van een gedeelte der Zuiderzee in verb. m.

d. richting v. d. N.-Holl.-Frieschen spoorweg tusschen Amsterdam en

Leeuwarden.--Amst. 1873.

* * * * *

In het jaar 1884 diende de afgevaardigde ter Tweede Kamer A. BUMA een

wetsontwerp in, luidende: "Er zal een onderzoek worden ingesteld naar

_a._ het dichten der zeegaten en het vormen van een zoetwatermeer,

_b._ het droogleggen of kanaliseeren daarvan van Staatswege of door

particulieren."

Dit wetsontwerp werd echter weldra door den voorsteller ingetrokken,

toen hij zag dat het geen kans had om te worden aangenomen, evenals een

daarna door hem ingediende motie van gelijke strekking.

Spoedig daarna echter brak het tijdperk aan in de geschiedenis der

Zuiderzeezaak, waarin deze met ruimer blik werd bezien en de uitvoering

van het groote werk, dat reeds zoo lang velen had beziggehouden, op

degelijke wijze werd voorbereid. Toen is het standpunt ingenomen, waarop

zij zich nu reeds geruimen tijd bevindt en van waar men meent nu tot de

uitvoering- te kunnen overgaan.

[Kantlijn: Circulaire BUMA en VAN DIGGELEN.]

In 1885 stelden nl. de Heeren A. BUMA en Mr. P. J. G. VAN DIGGELEN,

Lid der Prov. Staten van Overijsel, na bespreking met eenige leden der

Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en der Provinciale Staten,

hunne bekende circulaire op en zonden die in Augustus van dat jaar aan

besturen van Provinciën, gemeenten, waterschappen, handelslichamen en

landbouwmaatschappijen, die bij het tot stand komen van een afsluiting

en droogmaking het meest belang hadden.

Onder hen door wier samenspreking dit stuk was samengesteld waren geen

technici en daardoor waarschijnlijk ging zij van de grondgedachte

uit, dat de zeegaten moesten worden afgesloten (waaronder het Zeegat

van Texel, waarin 30 à 40 M. water staat), "ter opheffing van het

Zuiderzeegevaar dat meer en meer zorgwekkend voor Nederland wordt" en

dan zoo na mogelijk de geheele Zuiderzee, de Friesche Wadden en de

Lauwerszee te bedijken en droog te maken, enz.

Daarom betoogden de schrijvers dat het niet in de allereerste plaats op

de drooglegging maar op de afsluiting aankwam en dat de uitvoering van

het Regeeringsontwerp van 1877, dat zich bepaalde tot het afsluiten van

het _zuidelijk_ deel alleen, een groote misgreep zou geweest zijn. Maar

zij meenden ook--en dit is het begin geweest van een beter oordeel over

alles wat met de Zuiderzeezaak in verband staat en van een beteren

grondslag waarop een plan van afsluiting en droogmaking kon worden

gebouwd--, dat er nog zeer veel gegevens ontbraken en dat o. a. nog

beantwoord moest worden welke gevolgen een afsluiting en droogmaking

zou hebben voor de waterkeeringen, voor de afwatering der aangrenzende

gewesten, voor handel-, scheepvaart- en nijverheidsbelangen. En, hoewel

niet in 't bijzonder genoemd, men zou dan ook moeten kennen den bodem,

niet alleen in het zuidelijk deel, maar ook in andere deelen der

Zuiderzee, men zou moeten weten op welke wijze bij een afsluiting t. N.

van de monden van den IJsel, het water van deze rivier zou moeten worden

afgevoerd, enz. enz.

Betuiging van instemming en medewerking werd verzocht van genoemde

besturen om te komen tot een grondig onderzoek.

[Kantlijn: Oprichting Zuiderzee-Vereeniging.]

Als gevolg hiervan werd het volgend jaar op een bijeenkomst van

afgevaardigden uit die besturen en van enkele particulieren de

~Zuiderzee-Vereeniging~ opgericht, van welker statuten Art. 2 luidde:

"Het doel der Vereeniging is het doen instellen van een volledig en

grondig (technisch en financieel) onderzoek of, en zoo ja, naar de wijze

waarop en de middelen waardoor eene afsluiting (mede ter voorbereiding

eener later geleidelijke drooglegging) van de geheele Zuiderzee, de

Wadden en de Lauwerszee wenschelijk en uitvoerbaar is."

Dit zeker niet fraai gesteld artikel werd aldus toegelicht: "Hoofddoel

is alzoo: het onderzoek naar een betere beveiliging van Nederland tegen

het zeegevaar door opheffing der vrije gemeenschap tusschen de Noord- en

de Zuiderzee".

Men hield dus vast aan het denkbeeld, dat een gestadige verruiming der

zeegaten een steeds grooter wordend gevaar voor de kusten der Zuiderzee

meebracht. Maar van zulk een verruiming in de laatste eeuwen was geen

sprake[5]. En reeds het begin van het onderzoek toonde aan, dat een

dichting der zeegaten, vooral van het Marsdiep en het Vlie een sprong in

het duister zou zijn die men niet wagen mocht.

[5] Zie de Notulen v. d. vergadering van 9 Juni 1887 v. h. Kon.

Instituut v. Ingenieurs. Voordracht van het lid VAN KERCKHOFF.

Maar de noodzakelijkheid van een onderzoek van al de hierboven genoemde

punten en nog veel meer bleef toch bestaan.

De Zuiderzee-Vereeniging, 28 Apr. 1886 geconstitueerd, verkreeg 16 Aug.

d. a. v. de Kon. goedkeuring. Het Dagelijksch Bestuur werd samengesteld

uit de Heeren BUMA, voorzitter, VAN DIGGELEN, onder-voorzitter,

WERTHEIM, penningmeester en VAN DER HOUVEN VAN OORDT, secretaris. De

Vereeniging stelde in haar dienst de ingenieurs VAN DER TOORN en LELY.

Eerstgenoemde verzocht en verkreeg spoedig daarna ontslag en het

technisch onderzoek werd sedert geheel geleid door den ingenieur

C. LELY, den tegenwoordigen Minister van Waterstaat.

[Kantlijn: Nota's der Zuiderzee-Vereeniging.]

Als uitkomsten van het onderzoek zijn 1887-Maart 1892 achtereenvolgens

verschenen 8 ~technische nota's~, met tal van berekeningen, graphische

voorstellingen, platen en kaarten[6].

[6] Deze nota's, als alle werken van de Zuiderzee-Vereeniging verschenen

en verkrijgbaar bij de Firma voorh. E. J. BRILL te Leiden, dragen

alle den titel: "Onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking van

de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee" en--behalve de 6e en 8e

Nota--"De afsluiting Noord-Holland-Wieringen-Friesland en de

droogmaking van het gedeelte der Zuiderzee binnen die afsluiting".

Zij zijn:

1e Nota. Beschouwingen over verschillende wijzen van afsluiting

van de geheele Zuiderzee en over de insluiting van den IJsel.

2e Nota. De invloed der afsluiting op de waterkeering der

provinciën langs de Zuiderzee.

3e Nota. De invloed der afsluiting op de waterloozing der

provinciën langs de Zuiderzee.

4e Nota. De invloed der afsluiting op de waterverversching der

provinciën langs de Zuiderzee.

De invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee.

5e Nota. De constructie en de kosten van den afsluitdijk, de

sluizen en de bijkomende werken.

M. e. Bijlage v. Dr. P. P. C. Hoek. De invloed der afsluiting

en droogmaking op de visscherij in de Zuiderzee.

6e Nota. Resultaten der terreinwerkzaamheden verricht in 1889 en

1890.--1. Grondboringen, 2. Stroommetingen, 3. Diverse

metingen.

7e Nota. Geologische toestand en algemeen plan van indijking.

Schetsontwerp ter indijking en droogmaking (na de afsluiting)

van het Wieringermeer.

Id. van het zuidoostelijk gedeelte der Zuiderzee.

Id. van het zuidwestelijk gedeelte der Zuiderzee.

Id. van het noordoostelijk gedeelte der Zuiderzee.

Tijd van uitvoering en kosten van het geheele ontwerp tot

afsluiting der Zuiderzee over Wieringen met de indijkingen

binnen de afsluiting.

8e Nota. Vergelijking van verschillende ontwerpen ter afsluiting

en droogmaking van de Zuiderzee met o. a. een Bijlage:

Schetsontwerp ter partieele indijking en droogmaking der

Zuiderzee zonder afsluiting.

In de 7e Nota gaf de Zuiderzee-Vereeniging zelve een bepaald plan van

afsluiting en droogmaking. Dit plan is opgemaakt in verband met de

uitkomsten van het bodemonderzoek.

Tegelijk met de laatste nota 4 Maart 1892 verscheen ook: »Oeconomische

en finantieele beschouwingen van het Dagelijksch Bestuur naar aanleiding

der resultaten van het technisch onderzoek, vervat in de 8 nota's."

Later, Apr. 1898, verscheen het uitgebreider werk van H. C. VAN DER

HOUVEN VAN OORDT en Mr. G. VISSERING, »De Oeconomische beteekenis van

de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee", waarvan in Juni 1901 een

tweede druk bezorgd werd.

[Kantlijn: Benoeming Staatscommissie 1892.]

Spoedig nadat de laatste der nota's het licht had gezien, nl. 8 Sept.

1892, werd een Staatscommissie benoemd van 30 leden, deskundigen op

de verschillende gebieden waarover de afsluiting en droogmaking zich

uitstrekken, waaraan de beantwoording werd opgedragen van de vragen:

of eene afsluiting en eene droogmaking der Zuiderzee op een wijze als

door de Zuiderzee-Vereeniging is voorgesteld, in 's Lands belang behoort

te worden ondernomen, en zoo ja,

op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.

[Kantlijn: Verslag Staatscommissie 1894.]

Reeds 14 Apr. 1894 werd door de Commissie haar rapport uitgebracht. De

1e vraag werd bevestigend beantwoord door 21 van de 27 leden;--de 6

leden die in ontkennenden zin antwoordden, grondden in hoofdzaak hun

bezwaren op de groote finantieele verplichtingen, die het uitvoeren der

geheele onderneming zal met zich brengen en op de onzekerheid van hare

oeconomische uitkomsten.

De tweede vraag werd door alle leden beantwoord: door den Staat, op den

voet in dit verslag vermeld.

De Staatscommissie kon zich in 't algemeen wel met het plan der

Zuiderzee-Vereeniging vereenigen. Omtrent enkele punten verschilde

zij met deze van inzicht of stelde zij wijzigingen voor in de

uitvoering,--dit laatste vooral ten aanzien van de grootte en den vorm

der droogmakerijen. De belangrijkste afwijkingen zullen hierna bij de

beschrijving der onderdeelen worden meegedeeld.

* * * * *

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1901.]

7 Mei 1901. Tweede Regeeringsontwerp (Min. C. LELY),--tot afsluiting der

Zuiderzee en droogmaking van de Wieringermeer en den Z.W. Polder. (Naar

het plan der Staatscommissie).--Na aftreden van dit Ministerie

ingetrokken.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1907.]

4 Nov. 1907. Derde Regeeringsontwerp (Min. J. KRAUS), voor den aanleg

van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en

droogmaking van de Wieringermeer. (Naar het plan der Staatscommissie,

maar verkleind met het Z.O. diepste gedeelte; verkoopbare klei- en

zavelgronden 16 500 HA.). Ingetrokken door een in 1913 opgetreden

Ministerie bij Brief van 11 Sept. 1913.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1916.]

6 Sept. 1916. Vierde Regeeringsontwerp (Min. C. LELY), tot afsluiting en

droogmaking der Zuiderzee, waarbij bepaald wordt dat de afsluitdijk en

de beide westelijke gedeelten eerst zullen worden uitgevoerd en de beide

oostelijke zullen worden voorbereid in een geraamden tijd van 15 jaar,

terwijl met deze laatstgenoemde gedeelten aangevangen zal worden op een

nader bij de wet te bepalen tijdstip.

[Illustratie]

III. Plan van afsluiting en droogmaking der

Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.

[Kantlijn: Beschrijving.]

Dit plan is in groote trekken het volgende.

Er wordt een ~afsluitdijk~ gemaakt van Van Ewijksluis

(Anna-Paulownapolder) aan de Noord-Hollandsche kust tot Wieringen en van

de N.O. punt van dit eiland N.O. waarts tot bij het dorpje Piaam aan de

Friesche kust.

Deze plaats werd als de meest geschikte gekozen met het oog op lengte,

diepte van de te snijden geulen en grootte van de oppervlakte

daarbinnen.

De voorgestelde dijk snijdt tusschen het vasteland en Wieringen de geul

van het Amsteldiep, die hier een grootste diepte van 11 M. beneden L.W.

heeft. Tusschen Wieringen en Friesland is de gemiddelde diepte 3,60 M.;

de diepste geul die hier gesneden wordt is die van de Vlieter, die ruim

6.5 M. beneden L.W. diep is.

De lengte van de beide deelen samen bedraagt 29300 M. De hoogte van de

kruin zal van +5,20 A.P. bij Wieringen oploopen tot +5,60 A.P. bij de

aansluiting aan den Frieschen zeedijk.

De voet van den afsluitdijk (zie het dwarsprofiel) steunt aan de

buitenzijde tegen een rijzen dam, opgewerkt tot laag water, met steen

bestort. Die dam wordt gelegd op een rijzen grondstuk van voldoende

breedte om bij overstorting van water tegen ontgronding te beschermen.

Binnen tegen den dam wordt het lichaam van den dijk opgewerkt van

grond, afkomstig uit het hierna te noemen kanaal door Wieringen of--wat

wel eenvoudiger en goedkooper zal zijn--van grond daar ter plaatse uit

den Zuiderzeebodem genomen. Aan de binnenzijde wordt daartegenaan

gebracht een breede berm, dragende een rijweg en een spoorweg voor

dubbel spoor. De geheele aanleg wordt daar ongeveer 90 M. op de diepte

van -4,40 A.P.

[Illustratie: ALGEMEEN DWARSPROFIEL VAN DEN AFSLUITDIJK (Schaal 1:500.)]

In verband met de aangenomen hoogte van den afsluitdijk zullen

de aansluitende dijken op Wieringen, de Balgdijk langs den

Anna-Paulownapolder en de Friesche zeedijk tot Zurig worden verhoogd.

Wat de ~wijze van uitvoering~ van dezen dijk betreft, men stelt zich

voor eerst op het midden van het Breezand tusschen Wieringen en Piaam

een eiland te maken van rijswerk en steen en dan van hieruit en van

de kusten van Wieringen en Friesland uit den dijk op te werken. Daar

de getijen het water hier in en uit het af te sluiten gedeelte der

Zuiderzee doen stroomen, zouden in de aldus steeds nauwer wordende

openingen tusschen de afgewerkte dijksgedeelten grooter en grooter

wordende snelheden ontstaan, die den bodem dermate zouden aantasten

dat die openingen niet te dichten zouden zijn. Daarom laat men ter

weerszijden van het eiland twee "sluitgaten", elk lang 8250 M.

overblijven, die op den bodem van een rijzen grondstuk worden voorzien

tegen ontgronding. In de 5e Nota der Zuiderzee-Vereeniging wordt

voorgesteld in die sluitgaten dan eerst met horizontale lagen een rijzen

dam tot de hoogte van L.W. aan te brengen; de snelheden waarmee het

water, dat bij stormvloeden over dien dam stort, den bodem bereikt, zijn

niet zoo groot, dat daardoor belangrijke verdieping te vreezen is, als

die bodem met grondstukken is bekleed. Daarop en daartegen wordt dan het

lichaam van den dijk opgetrokken, ook met horizontale lagen, doorgaande

over de geheele lengte.

Deze bijzonderheden der uitvoering worden hier alleen meegedeeld om te

doen zien, dat aan het werk van den afsluitdijk risico's verbonden zijn,

wat tijd van uitvoering en kosten betreft,--veel zal van de

weersgesteldheid afhangen.

Maar, zooals wij zien zullen, kunnen die risico's met het oog op de

indirecte voordeelen die de afsluitdijk meebrengt, zeer goed worden

geleden.

Binnen den afsluitdijk zullen vier oppervlakten worden drooggemaakt, in

het Verslag der Staatscommissie minder juist "polders" genaamd.

De ~Noordwestelijke Droogmakerij~ (Wieringermeer), gr.

21.700 HA., na aftrek van dijken, wegen, water, enz.

21.200 HA., waarvan klei- en zavelgronden 18.700 HA.

De ~Zuidwestelijke Droogmakerij~ (Hoornsche Hop), gr.

31.520 HA., na aftrek van dijken, enz. 30.800 HA.,

waarvan klei- en zavelgronden 27.820 HA.

De ~Zuidoostelijke Droogmakerij~, gr. 107.760 HA., na

aftrek van dijken, enz. 105.500 HA., waarvan klei- en

zavelgronden 98.990 HA.

De ~Noordoostelijke Droogmakerij~, gr. 50.850 HA., na

aftrek van dijken, enz. 49.700 HA., waarvan klei- en

zavelgronden 48.900 HA.

De geheele drooggemaakte oppervlakte is groot 211830 HA., na aftrek van

dijken, wegen, water, enz. 207200 HA., waarvan klei- en zavelgronden

194.410 HA.

De veranderingen in vorm en grootte aan de door de Zuiderzee-Vereeniging

voorgestelde droogmakerijen aangebracht betroffen in de eerste plaats de

verbreeding van den waterweg tusschen de Z.W. en de Z.O. droogmakerijen

van 1500 tot 5000 M. met het oog op de militaire verdediging; voorts

verkleining van de Z.W. Droogmakerij aan de N. zijde en van Z.O.

Droogmakerij aan den Z.W. hoek bij Muiderberg met stukken waar zand aan

de oppervlakte ligt; en eindelijk vergrooting van de N.O. Droogmakerij

aan de N. zijde met den langen nauw toeloopenden inham naar de Lemmer,

waarin men voor de scheepvaart te sterke opwaaiing vreesde, en

vermindering met een gedeelte aan de Z.O. zijde met het oog op

uitwateringsbelangen en de vaart op het Zwolsche Diep.

De ~meerdijken~, waarmee de vier droogmakerijen worden afgesloten zijn

van verschillende hoogte, +2,5 tot +3,50 A.P., al naar zij blootgesteld

zijn aan de meest voorkomende stormvloeden.

De bodem der droogmakerijen is ongelijk van diepte en daalt in 't

algemeen geleidelijk van de kust naar buiten (Zie het Kaartje). De

droogmakerijen moesten daarom in ~polders~ (door de Staatscommissie

"polderafdeelingen" genoemd) met verschillende peilen, nl. van het

polderwater in de kanalen, tochten en slooten, worden verdeeld.

Daarbij is aangenomen, dat de klink (ineenzakken) van deze gronden,

die, als bestaande uit 1 à 2 M. klei op vasten, lang onder druk

geweest zijnden zandbodem, waarschijnlijk slechts 0,5 tot 0,65 zal

bedragen,--voorzichtigheidshalve op 1 M. moet worden gesteld en dat de

polderpeilen 1 M. beneden de laagste terreinen zullen genomen worden.

Deze peilen zijn op het Kaartje aangeduid.

Elk der polders zal een eigen bemaling krijgen.

Rekenende op de normale sterkte van 12 P.K. p. 1000 HA. per 1 M.

opvoerhoogte, bovendien 1/6 daarvan voor reserve, opmaling tot A.P.,

nl. 40 cM. boven het normale peil van het overblijvend afgesloten meer,

en 25 cM. neerslag (daling van het polderwater) bij de gemalen, dan

zal volgens het plan het gezamenlijk vermogen der stoomwerktuigen tot

drooghouding, en waarmee ook de droogmaking geschiedt, 16.930 P.K.

bedragen. Bij een uitvoering zal dit nog wel iets grooter genomen

worden, daar men voor bouwland in den laatsten tijd nog lager peilen

verlangt dan 20 jaar geleden--liefst met droge slootbodems.

De polders worden gescheiden door kaden, waarin schutsluizen op de

snijpunten met de kanalen die in de droogmakerijen worden aangelegd.

Daardoor is het mogelijk om eerst de ondiepste af te malen en te

verkavelen (met tochten, slooten en wegen doorsnijden), daarna de

volgende, enz. Op die wijze blijven groote oppervlakten niet lang dras

liggen, wat zeer schadelijk zou zijn voor de gezondheid, ook in de

aangrenzende oude landen.

Na de droogmaking blijft binnen den afsluitdijk een waterplas over,

groot 145.000 HA., die reeds in het ontwerp van de Zuiderzee-Vereeniging

zeer juist met den naam van "~IJselmeer~" werd aangeduid,--niet alleen

omdat daarin de IJsel uitloopt, maar ook omdat daardoor de oplossing

gevonden is van een afsluiting met binnendijking van den IJselmond.

Is dat meer nl. groot genoeg, dan zal het ook bij geheel beletten afvoer

en buitengewonen aanvoer van water niet zoo hoog kunnen stijgen, dat

daardoor gevaar voor de aangrenzende landen ontstaat.

Berekend is, dat zoo de uitwateringssluizen van dat meer gedurende

3 etmalen achtereen gesloten moesten blijven wegens hooge

buitenwaterstanden en bij een buitengewonen toevoer van den IJsel bij

uiterst hooge standen en doorbraken van Rijndijken op den rechteroever

in Duitschland en van de kleinere rivieren en boezems afwaterend op het

IJselmeer, samen 4800 M³ in de seconde, dit meer slechts ongeveer 1 M.

zou kunnen stijgen, dus bij een samenloop van omstandigheden zooals zich

zelden of nooit zal voordoen.

De plaats van de vier droogmakerijen en van het IJselmeer zijn zoo

gekozen, dat de vruchtbare klei- en zavelgronden grootendeels binnen

de eerste vallen, de zandgronden met de diepere geulen t. Z. van den

afsluitdijk den bodem van het IJselmeer vormen, zooals op het Kaartje te

zien is.

Voor de afwatering en de scheepvaart wordt een peil van -0,40 A.P. op

het IJselmeer noodig en wenschelijk geacht. 's Zomers kan in gewone

omstandigheden, vooral om de waterverversching uit het meer, dit peil

zonder bezwaar tot -0,20 A.P. worden verhoogd.

Daarnaar is dan ook het vermogen der uitwateringssluizen berekend.

Voorgesteld wordt een zeer wijd kanaal door de oostpunt van Wieringen

te maken, breed 1000 M. bij de daarin te maken sluizen, 1200 M. aan de

buitenzijde in de dieptelijn van 5 M. tusschen de koppen der dammen en

aan de binnenzijde 1500 M. bij de aansluiting aan het IJselmeer. Daarin

zullen worden gemaakt 30 uitwateringssluizen, elk 10 M. wijd en met de

slagdrempels 4 M. beneden het IJselmeerpeil. Daarnaast komen een groote

en een kleine schutsluis.

Het spreekt echter van zelf, dat genoemd peil van -0,40 A.P. niet

altijd juist kan worden gehandhaafd, daar de standen afhankelijk zijn

van den aanvoer op het meer, voornamelijk van den IJsel, en van de

buitenwaterstanden bij Wieringen waarop geloosd moet worden. Nagegaan is

dat in zeer ongunstige omstandigheden de stand slechts zelden en weinig

boven A.P. zal kunnen stijgen. Maar door den wind kan het water naar

een of andere zijde worden gejaagd, zoodat tijdelijk hoogere en lagere

standen kunnen voorkomen. De op- en afwaaiingen zullen echter veel

geringer zijn dan nu in de open Zuiderzee, ten eerste omdat het meer

kleiner is, ten andere omdat het IJselmeer uit het diepste gedeelte van

de afgesloten kom bestaat.

Door de hier geschetste werken van afsluiting en droogmaking zouden

afwatering en scheepvaart worden belemmerd en hier en daar geheel belet.

Daarom worden nog de volgende werken voorgesteld.

Voor de vaart op Harlingen zal binnen langs den zeedijk ~tusschen Piaam

en Harlingen~ een ~kanaal~ worden gegraven, gedeeltelijk door verruiming

van de bestaande dijkvaart, terwijl de uitkomende grond dienen kan voor

de genoemde verhooging van den zeedijk. Bij Piaam zal een haven worden

aangelegd en een schutsluis ter verbinding van het kanaal met het

IJselmeer.

In de Zuiderzee t. O. van Schokland, waar de scheepvaart naar en van

den mond van het Zwolsche Diep zeer druk is, is nu dikwijls te weinig

diepte, vooral bij oostelijke winden. De schepen wachten dan op hoog

water en nemen zoo noodig niet den gewonen weg t. Z. en t. O., maar

t. W. en t. N. van Schokland om, die iets dieper is of, als ook het

Zwolsche Diep door den lagen waterstand onbevaarbaar is, langs den IJsel

over het Katerveer door de Willemsvaart naar Zwolle. Ten deele hangt de

vaart hier dus niet van den L.W.- maar van den H.W.stand af, zoodat na

de afsluiting de vaardiepte hier nu en dan onvoldoende zou zijn. Daarom

wordt in het plan het ~Zwolsche Diep verlengd~ tusschen twee leidammen

door tot de lijn van 2.5 M. diepte t. Z. van Schokland en wel in gebogen

vorm, waardoor de vaarweg beter bezeilbaar wordt.

Om de Lemmer met zijn drukke scheepvaart, gelegen aan den grooten

waterweg van Holland naar Friesland en Groningen, in gemeenschap met het

IJselmeer te brengen, wordt in den meerdijk van de N.O. droogmakerij

t. Z. van het punt van aansluiting aan de Friesche kust een schutsluis

gebouwd; daarnaast komen ook een uitwaterings- en een inlaatsluis. Van

hier naar de Lemmer wordt een dijk gelegd, die genoemde droogmakerij aan

de N.-zijde begrensd en daarlangs een geul gebaggerd voor de scheepvaart

tusschen de Lemmer en de genoemde sluizen, met een zijtak naar Takozijl,

zoodat de uitwateringssluizen te Lemmer en Takozijl kunnen vervallen. T.

N. van de droogmakerij blijft dan een waterplas in open gemeenschap met

Frieslands boezem; de bodem daarvan is grootendeels zand en veen: hooge

dijken langs genoemde geulen worden hierdoor uitgespaard. Van de Lemmer

gaat door de droogmakerij een kanaal tot bij Slijkenburg in de Linde om

ook hiervan het water in het IJselmeer te brengen. Ook wordt door de

droogmakerij heen een kort kanaal gemaakt voor scheepvaart en afwatering

van Blokzijl tot het IJselmeer.

Voorts wordt de rivier de ~Eem~ verlengd met een breed en diep kanaal,

gaande om de hooge gronden van het Gooi heen en open uitkomend in het

IJselmeer bij Muiderberg, terwijl van uit de Eem een kanaal wordt

gemaakt langs de tegenwoordige kust tot in den IJsel (Ketelmond), van

beide door schut- en uitwateringssluizen gescheiden.

Achter de Z.W. droogmakerij is een kanaal ontworpen, uit het

Noord-Hollandsch Kanaal bij Ilpendam langs de Z.O. ringvaart van de

Purmer om Edam heen tot voorbij Lutje-Schardam, dan door de droogmakerij

heen naar Hoorn en van hier binnendijks tot Blokkershoek aan het

IJselmeer. Een schutsluis bij Lutje-Schardam scheidt het kanaal in twee

panden, waarvan het eene met Schermerboezem het andere met het IJselmeer

zal gemeen liggen. Een schut- en keersluis te Blokkershoek kan het

laatste afsluiten bij hooge standen op het IJselmeer. Om te voorzien in

de afwatering, nu eenige sluizen aan de Zuiderzee door deze droogmakerij

komen te vervallen, wordt een kort zijkanaal gemaakt naar het IJselmeer

t. N. van Monnikendam met een stoomgemaal tot afmaling van

Schermerboezem aldaar.

Door de N.W. droogmakerij zouden de afwatering en de scheepvaart

langs het Kolhornerdiep worden belet. Daarom zijn ontworpen: een

kanaal uit dit diep binnenlangs den tegenwoordigen zeedijk en uitkomend

met een schut- en uitwateringssluis in de Binnenhaven te Medemblik;

een kanaal van de uitwateringssluis van de Wieringerwaard door

den Anna-Paulownapolder heen naar de Van Ewijksvaart; een kanaal,

uit het Noord-Hollandsch Kanaal binnen langs den Balgdijk van den

Anna-Paulownapolder en t. Z. langs en door Wieringen, uitkomend met

een schut- en uitwateringssluis in het kanaal door Wieringen.

Voorts zullen in verband met het aangenomen peil van het IJselmeer en

het vervallen van de vloeden binnen de afsluiting sommige havens aan het

meer worden verdiept door baggering en verlenging der havendammen.

[Kantlijn: Duur van het werk en werkplan.]

Wat den ~duur van het werk~ en het ~werkplan~ betreft, de Staatscommissie

meent dat de afsluitdijk in 9 jaar zal kunnen worden voltooid; in het

5e-9e jaar zullen het Zwolsche Diep en de havens kunnen worden verbeterd

en het kanaal Piaam-Harlingen worden gemaakt. Daarna volgen de aanleg

van de meerdijken, het droogmaken, verkavelen en drooghouden der vier

droogmakerijen en in verband daarmede de aanleg der ringvaarten, zoodat

de N.W. droogmakerij in het 14e, de Z.O. droogmakerij in het 21e, de

Z.W. droogmakerij in het 28e en de N.O. droogmakerij in het 33e jaar

gereed komen. Met dien verstande, dat de drooggemaakte gronden nog 2 à 3

jaar zullen worden drooggehouden en voorloopig bebouwd en eerst in het

3e jaar na de verkaveling zullen worden uitgegeven.

Van belang is het echter op te merken dat in de Memorie van Toelichting

van het nu aanhangige wetsontwerp (1916) een "veel kortere tijd" voor de

droogmaking der vier inpolderingen als waarschijnlijk wordt aangenomen,

wat vooral met het oog op de rentebesparing van groot gewicht is. Voor

de uitvoering van den afsluitdijk wordt ook 9 jaar noodig geacht, maar

de in het 4e jaar te beginnen N.W. Droogmakerij zou in het 12e jaar, en

de in het 6e jaar aan te vangen Z.W. Droogmakerij reeds in het 15e jaar

gereed kunnen zijn.[7]

[7] Zie voorts bij Hoofdstuk VII.

De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren. uitgegeven door de Zuiderzee-Vereeniging · 第 23 / 31 题