IN DE OLIJVENGAARDE

De olijfboom is dè boom van Palestina. Geen andere boom komt zoo

veelvuldig voor, noch is van gelijke beteekenis voor de bewoners.

Daarom vergelijkt de profeet het na de ballingschap herstelde en

vernieuwde Israël bij een olijfboom: Hozea 14 : 11; zijne heerlijkheid

zal zijn als van den olijfboom. En in Jothams fabel, waar de boomen

zich een koning willen kiezen, wenden ze zich het eerst tot den

olijfboom: kom, wees koning over ons.

De olijfboom is de nuttigste der boomen in Palestina. Voor allerlei

doeleinden weet men zijne producten te gebruiken. Daarover straks.

Bijna ieder dorp wordt door een groep olijfboomen omringd: reeds Deut.

28 : 40 wordt gezegd: olijfboomen zult gij hebben in al uwe landpalen.

Zoo’n olijvenbosch met zijne altijd-groene bladeren geeft aan het

landschap een vriendelijk aanzien. Door verstandig aanplanten zou ook

in de olijven-kultuur nog heel wat verbetering aan te brengen zijn,

maar ook hier ontbreekt alle gemeenschappelijk handelen, en menige

olijfboom valt onder de handen van den fellah, die in geldnood verkeert

en nu de „kip met de gouden eieren slacht.” Evenwel: ook het

gouvernement werkte door allerlei onverstandige maatregelen de

uitroeiing dezer zoo nuttige boomen in de hand. Vooral door de

onverantwoordelijke manier van belasting innen. De belasting werd nl.

geheven van het getal boomen, zonder dat in aanmerking genomen werd, of

het reeds vruchtdragende boomen zijn of niet. Men kan zeggen dat dit

meer de schuld is van de belastingpachters, die hierbij geheel

willekeurig te werk gingen (zie het gezegde bij de vorige platen), maar

ze hadden bij die praktijken dan toch den steun der Turksche regeering.

Dat alles is in den allerlaatsten tijd veel verbeterd, maar het land

zucht nog onder de ernstige gevolgen dezer praktijken. Een aanplanting

van olijfboomen te bevorderen behoorde de regeering als een harer

eerste plichten tegenover Palestina te beschouwen, èn omdat daardoor de

humus beter wordt vastgehouden, èn om het zoo noodige brandhout, èn om

den meerderen neerslag, en niet het minst om de groote opbrengst voor

weinig moeite. Het is duidelijk dat een fellah, die 20 olijfboomen

heeft, waarvan 10 nog jong—ze dragen geen vrucht vóór het 15e jaar—en

die dus van 20 boomen belasting betaalt, er in geldnood toe komt zijne

10 nog jonge boomen om te hakken, waardoor hij ten eerste geld ontvangt

voor het hout, en ten tweede zijne belasting tot op de helft

vermindert, terwijl de onmiddellijke opbrengst hetzelfde blijft. Het

behoeft geen betoog, hoe deze tijdelijke hulp hem straks zal ruïneeren.

Dat vernietigen van goede olijfboomen, ja zelfs van geheele

olijfboomgaarden, heeft hier en daar een grooten omvang genomen, zoodat

heele streken van deze boomen worden ontbloot. Naast de genoemde

oorzaak (onbillijk hooge en ondoelmatig geheven belasting) komt ook in

aanmerking het groote gebrek aan brandhout. De van hun inkomsten

beroofde fellahs zien zich niet zelden genoodzaakt naar elders (vooral

Zuid-Amerika) de wijk te nemen.

Een oorzaak, waarom de olijfboom voor den fellah met zijn geringe

finantieele draagkracht van zoo voortreffelijk nut is, is ook hierin

gelegen dat hij zoo weinig zorg eischt, en groeien kan op een bodem,

zoo schraal en rotsachtig, dat het bekende „olie uit den rotssteen”

(Deut. 32 : 13) door den olijfboom werkelijkheid wordt. Uit dit oogpunt

is een Palestijnsche spreekwijze interessant. Ze luidt: de wijnstok is

een sitt, (d.i. een voorname dame, die veel zorg en aandacht vraagt),

de vijgeboom is een fellah-vrouw (d.i. stelt minder hooge eischen) en

de olijfboom is een bedawije (d.i. een bedoeïenenvrouw, die het in de

grootste ontbering, en op allerlei bodem, uithouden kan). De zorg, die

men er aan besteed, is dan ook weinig meer dan niets. Rondom den boom

wordt in den regentijd de grond wat omgewoeld, bemesting vindt zoo goed

als nooit plaats, en de boom redt zich zelf wel verder. Daar hij zeer

oud wordt, en de knoestige, vaak in 3 of meer reuzenarmen zich

verdeelende stam, die soms tot 7 à 8 Meter in omvang hebben kan, en wel

13 Meter hoogte, gaat barsten en splijten en regenwater hem bij den

grond doet rotten, hoopt men onder om den stam soms puin en steenen op,

om hem te beschermen. Op onze plaat rechts op den achtergrond staat een

op die wijze beschermde boom. Kolonisten, naar Palestina gekomen om uit

den bodem te halen wat er in zit, en minder traag dan de

oorspronkelijke bewoners, wijden meer zorg aan de kultuur van den

olijfboom, en dan is ook de opbrengst aanzienlijk grooter. Deze

kolonisten zijn het vooral die begrepen hoe een doelmatige watertoevoer

ook de kwaliteit van de olie ten goede komt. Vandaar dat graven van

kanaaltjes rondom de boomen, om ’t water op te vangen. Men beweert dat

de olie van boomen die voldoende watertoevoer hadden, van veel betere

kwaliteit is, en zonder bitteren bijsmaak. Men kan dan ook op een

schuldbekentenis b.v. lezen: „ik ondergeteekende verklaar aan N. N.

schuldig te zijn zoo en zooveel olie, die behoorlijk met kanûnwater (=

Januari-regen) gedrenkt is, en zuiver, zonder bezinksel en bitteren

bijsmaak.” Naar men zegt is ook bij de verwaarloozende fellah-bewerking

een boomgaard van 150 boomen ruim voldoende om een fellah-familie te

onderhouden.

Kweekerijen voor jonge olijvenstekken ontbreken natuurlijk. Ook hier

helpt de fellah zich zelf. Uit de knoestigen stam spruiten tal van

jonge twijgjes—misschien is aan deze takjes het beeld uit Psalm 128 : 2

ontleend.—Deze takjes worden geoculeerd, en als ’t aanslaat, met een

stukje uit den stam, weggenomen en opnieuw geplant. Wil men een

volwassen, heel of half wilden olijfboom veredelen, dan brengt men ter

manshoogte in den stam een loot van een goeden olijfboom, en snijdt

boven deze entplaats de bast van den boom tot op het hout door, opdat

de sappen meer op de enting worden geconcentreerd. Het gevolg is, dat

dat jaar veel minder bloesems afvallen dan anders en dat de jonge loot

voorspoedig groeit. Na de oogst wordt dan de boom boven de geënte

plaats afgekapt, en de bewerking is gereed. In Rom. 11 : 17–24 spreekt

Paulus van het inenten van wilde takken op een goeden olijfboom. Dat is

dus precies omgekeerd als de gewone handeling. De apostel zegt dat ook

zelf in vs. 24 door op te merken dat dit een handeling is „tegen de

natuur”, om te scherper te doen uitkomen de genade die God aan de

heidenen bewees, door hen in te zetten in de goeden olijfboom: Israël.

Het valt op dat in den Bijbel steeds wijnstok en vijgeboom samen

genoemd worden, zelden wijnstok en olijfboom. Dat komt doordat de

olijfboom zijn plaats altijd alleen wil hebben, hij wil vrij staan. Hij

beneemt den in zijne nabijheid staanden wijnstok de levensvoorwaarden

door het voedsel uit den bodem tot zich te trekken, en met zijne dichte

takken lucht en licht aan den onder hem staanden wijnstok te benemen.

Hoewel de aldus vrij staande olijfboom een zeer hoogen ouderdom, vele

honderde jaren, bereiken kan, is het toch zeer onwaarschijnlijk dat de

olijfboomen in den hof van Gethsemane dezelfden zijn, die getuige waren

van den zielestrijd van den Heiland.

De olijfboomen in Palestina zijn lang niet altijd het eigendom van

dengene die den grond bezit, waarop ze staan. Menigmaal wordt de grond

verkocht, terwijl de boomen in het bezit blijven van den vorigen

eigenaar. Deze houdt dan het recht den grond rondom den boom—waar toch

niet gezaaid worden kan—om te woelen, en in den oogst de olijven te

plukken.

Einde September zijn de vruchten rijp. Ze worden deels geschud, deels

met stokken afgeslagen, zooals op onze plaat te zien is. Deze laatste

manier van oogsten komt dikwijls zeer ten nadeele van den boom zelf,

want daarbij worden dikwijls heel wat jonge takjes stukgeslagen, die

het volgend jaar zouden vrucht dragen. Het is dan ook merkwaardig, dat,

terwijl de door de fellahs behandelde boomen slechts om het andere jaar

vrucht geven, de duitsche kolonisten, die de vruchten niet afslaan,

maar plukken, elk jaar kunnen oogsten. ’t Is nog dezelfde manier als in

de dagen van het Oude Testament. Reeds in Deut. 24 : 20, wordt geboden

bij dit oogsten niet al te nauwkeurig toe te zien of er nog een is

blijven zitten: voor den vreemdeling, den wees en de weduw zal het

zijn. En in Jes. 17 : 16 wordt dit het beeld voor het „overblijfsel”

des volks na het oordeel: een nalezing zal daarin overig blijven,

gelijk bij de afschudding van den olijfboom, twee of drie beziën in den

top van de bovenste takjes.

De bijeengezochte vruchten worden gedurende tien tot veertien dagen op

het dak van het huis te drogen gelegd, of zooals men zegt: om te

gisten. Dan komen ze in de olijfpers, voor zoover ze nl. niet worden

ingezouten, om straks als voedsel te dienen. Maar de overgroote

hoeveelheid komt in de pers, of liever eerst in den molen, d.i. een

grooten steen, van boven in den vorm van een reusachtig tafelbord.

Daarop staat een ronden, schijfvormigen steen op zijn kant (beda), die

door een trekdier of met de hand op den ondersten steen wordt

voortgerold, op de manier als in de ook nog in Nederland te vinden

ouderwetsche oliemolens. In deze molens worden de olijven tot een brij

geperst (bidrusja). Deze brij brengt men vervolgens naar de eigenlijke

pers, waar op allerlei manieren de olie er uit gewonnen wordt: door

persen met steenen, trappen met de bloote voeten, of zelfs door er

kokend water op te gieten, waardoor de olie boven komt, en kan worden

afgeschept. Als Ex. 27 : 20 en 29 : 40 wordt gesproken van „gestooten

olie”, dan is dat natuurlijk eene toespeling op deze manier van olie

persen. Eveneens Job 29 : 6 waar Job spreekt van den tijd dat „de rots

bij mij oliebeken uitgoot”, bedoelt te zinspelen op dit persen in

steenen kuipen, waarbij de olie door een gleuf van den steen (= rots)

stroomt. Ook doet men wel de brij in een mand, waarop van boven druk

wordt geoefend, zoodat het sap door de mandopening wegloopt in een

bassin. De in de mand achtergebleven brijachtige massa dient als

voeder. Dat elke zindelijkheidsmaatregel ontbreekt, behoeft niet te

worden gezegd. Hoe vleeziger de olijf, hoe minder olie; de beste olie

komt van onrijpe olijven.

De aldus bereide olie dient als voedsel, om de lamp te branden, voor

zeepfabricatie, als geneesmiddel, als zalf enz. Volgens het duitsche

consulaatbericht uit Haïfa loopt de opbrengst alleen uit dat gebied tot

800.000 K.G. olie, die ongeveer voor de helft wordt uitgevoerd,

goeddeels naar Amerika. Reeds het Oude Testament weet van olie-uitvoer

naar Tyrus, Egypte enz. (1 Kon. 5 : 25; Ezech. 27 : 17; Hoz. 12 : 2).

Maar de manier van bereiden sluit natuurlijk uit dat goede

consumptie-olie op deze wijze kan gewonnen worden. De overgebleven pulp

na de uitpersing is een goede brandstof.

Oostersch leven · 第 17 / 18 题