De op den grond hurkende vrouw is een fellah-vrouw, bezig met het
ziften van koren, om het straks te malen en er brood van te bakken. Het
is dus niet het koren ziften op den dorschvloer, waarvan bij de vorige
plaat sprake was. Dat blijkt al dadelijk hieruit dat zij deze bezigheid
verricht voor de deur van haar uit leem gepleisterd huisje, door een
doek op den grond uit-te-spreiden en daarop het koren te ziften. Zooals
wij bij de vorige plaat opmerkten, wordt het koren op den dorschvloer
niet volkomen van kaf en onkruid gereinigd, maar alleen voor zoover als
noodig is om het in de schuur te kunnen opbergen. Moet het straks
gebruikt worden om meel te malen en brood te bakken, dan moet het eerst
opnieuw worden gereinigd van allerlei dat er mee vermengd bleef:
onkruidzaden, steentjes, stoppels, fijn gestampt stroo enz.
Voor de kleeding van de ziftende vrouw, haar grijsachtig-grauwe mantel,
de witte hoofddoek, de roode band met versierselen rondom haar hoofd,
het snoer om haar hals, is reeds vroeger gesproken.
Het ziften gebeurt tegenwoordig in Palestina op dezelfde manier als bij
ons. Een vrij groote ondiepe zeef wordt voor de helft gevuld met het
mengsel van koren, kaf, stroo etc. De mazen in de zeef zijn zoo fijn,
dat geen korrel er door kan vallen, alleen het ietwat kleinere
onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de
zeef eenige malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf,
onkruidzaad door de zeef valt, en het grove zeer lichte stroo, aren
enz. zich boven op het koren tot een hoop verzamelt, zoodat men het met
de hand verwijderen kan. Daarna voert de zeefster een andere beweging
uit: ze houd de zeef een weinig schuin voor zich uit, zóó dat de van
haar af gekeerde zijde het dichtst bij den grond is, en werpt met
handige beweging de inhoud van de zeef in de hoogte, en vangt het
daarna weer op in de zeef. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de
opgeworpen massa. Deze wijze van doen is dus in ’t klein min of meer
wat het „vluchten” op den dorschvloer is. Men moet om dit werk goed te
doen, eenige bedrevenheid hebben in het hanteeren van de zeef. Wie dit
goed doet, reinigt het koren zóó dat er niets onreins in blijft, zonder
één korrel te verliezen, ja zelfs kan men op die manier door handige
bewegingen met de zeef het koren zelf weer onderscheiden in betere en
minder goede kwaliteit.
Het wannen van koren, zooals onze boeren dat plegen te doen, berust op
dezelfde bewegingen, maar gaat veel sneller door de grootere
hoeveelheid koren die tegelijk kan worden bewerkt.
Een van de mooiste beelden uit de beeldrijke profetie van Amos berust
op deze wijze van koren reinigen. Am. 9 : 9 staat: zie, ik geef bevel,
en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als
(zaad) geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde
vallen. De Statenvertaling heeft het hebreeuwsche woord tseroor
vertaald door „steentje”. Dat is stellig onjuist. Iemand die koren
zift, is het er niet om te doen, dat geen steentje, maar dat geen
korrel ter aarde valt. De steentjes vallen juist wel ter aarde. Amos’
bedoeling is, dat er een oordeel over Israël zal komen van wege zijn
goddeloosheid, dat oordeel zal evenwel niet allen verdelgen, de
godvreezenden, hier met korrels vergeleken, zullen worden gescheiden
van de goddeloozen, en deze laatsten zullen omkomen.
Ook in het Nieuwe Testament komt hetzelfde beeld voor in Luk. 22 : 31
waar Jezus tot Petrus zegt: Simon, Simon, de Satan heeft zeer begeerd u
te ziften als de tarwe. Hier komt het woord ziften voor naar een heel
anderen kant. Hier treedt niet de gedachte van zuiveren, reinigen,
voorop, maar het schudden en stooten van het koren wordt hier gebruikt
als beeld voor zware verzoekingen: zoo werd Simon geslingerd en
geschokt als het koren in een zeef, maar de Heer heeft voor hem
gebeden, dat zijn geloof niet ophield.
Op den achtergrond der plaat zien we een fellah naderen, gekleed in het
gewone hemd, en daar over heen een kort buis van een schapenvel. Op
zijn schouder draagt hij de knots, het eenvoudigste wapen, dat fellahs
dikwijls en herders meestal met zich voeren, en dat gebruikt kan worden
zoowel tot wapen als tot jachtwerktuig. In zijn hand draagt hij een
door hem gevangen haas en een patrijs. Deze twee wildsoorten komen in
Palestina veelvuldig voor, en worden door de bevolking vervolgd zoowel
om de schade die ze aanrichten als ook om hun vleesch, dat door de
bevolking gaarne gegeten wordt, behalve dat Joden en Turken nooit
hazenvleesch eten. Jachtwetten, hetzij tot bescherming van het wild,
hetzij tot bescherming der jagers, kent men in Palestina niet, zooals
in Nederland, waar wel het wild en de jagers wettelijke bescherming
ondervinden, maar de boeren, van wier vruchten en arbeid de dieren
leven, nog altijd onbeschermd staan tegen overlast van wild en van
jagers.
Het is merkwaardig dat wij in den Bijbel zoo weinig gesproken vinden
van de jacht, vooral omdat Palestina oudtijds nog meer dan nu een
wildrijk land was. Toch zijn enkele bijbelsche beelden aan de jacht
ontleend. Vooral in de Psalmen is herhaaldelijk sprake van het spannen
van een strik, of het graven van een kuil. Dat is nog heden een der
meest voorkomende middelen om het wild te verschalken.
Nog moet ik iets zeggen over den achtergrond van onze plaat. Over het
gepleisterd leemen huisje sprak ik reeds vroeger, evenals over de
gewelf-vormigen bouw die ook de deur typeert. Deze manier van bouwen is
wel een van de minst soliede. Als niet elk jaar tegen de regentijd het
huis wordt nagezien en opgeknapt, is het in heel korten tijd veranderd
in een puinhoop.
Naast de deuropening zien we op den muur drie ronde schijven. Dat zijn
koeken van koemest die in de zon moeten drogen om straks als brandstof
te dienen. Daar hout zeer schaarsch is, vooral in de vlakten, wordt
voor branden alles gebruikt wat brandbaar is: stoppelen, struiken,
gedroogde koe-, schapen- en kameelenmest enz. Deze mestbrandstof is
zelfs zeer gezocht, omdat ze beter vuur houdt dan de licht ontvlambare
stoppelen. Ze vertegenwoordigt eenigszins onze turf, daar ze ook meer
gloeit dan brandt. Aesthetisch is evenwel die drogerij aan den deurpost
niet, maar met schoonheidsvragen houdt de fellah zich niet op.
Verder op den achtergrond verheft zich de met sneeuw bedekte top van
een der bergen uit het Libanongebied. Over ’t algemeen valt in
Palestina meer sneeuw dan meestal gedacht wordt. Van 1860 tot 1882 viel
in Jeruzalem 47 maal sneeuw, dus gemiddeld vaker dan twee keer per
jaar. Daarbij werd geconstateerd een temperatuur van 6 graden onder
nul, zoodat het stilstaand water bevroor. In de laag gelegen streken
blijft echter de sneeuw zelden langer dan een paar uur liggen, en het
ijs houdt het nooit een dag lang uit. Op dat snelle verdwijnen der
sneeuw voor de zon in het Oosten wordt in Job 24 : 19 gezinspeeld.
Anders is het in het gebied van den Libanon en Anti-Libanon, twee
bergketenen, die gescheiden door het diepe Beka-dal, zich hoog
verheffen. De hoogste top van den Libanon, de Timaron, is 3212 meter
hoog, wedijvert dus met de Eiger, Mönch en Jungfrau-groep; terwijl de
hoogste top van den Anti-Libanon, de groote Hermon 2860 meter hoog is.
Aan de benedenhelling vindt men nog de ceder-boomen, hoewel van
cederwouden, zooals in de dagen van Salomo, eigenlijk geen sprake meer
is. Het is bekend hoe vaak in het Oude Testament de ceder voorkomt als
beeld van krachtigen groei, welvaart en gedijen. De ceder, met zijn
massieven, sterken stam, zijn altijd groene naalden, zijn
eeuwen-verdurende groeikracht, maakt inderdaad een indruk van
onverwoestbaarheid. Er zijn stammen bij, die op 3000 jaar worden
geschat. De ceder heeft veel weg van onze dennen, maar is meestal
zwaarder gebouwd en minder slank. Boven 25 meter is hij zelden of
nooit. Gemiddelde hoogte is 14–20 meter. Op de hoogste toppen van den
Libanon groeit hij niet meer, deze steken boven de plantenzone uit, en
zijn, zooals onze plaat laat zien, soms met een dikke laag sneeuw
bedekt. In Psalm 68 : 15 wordt gezinspeeld op sneeuw liggende op den
Salmon. Nu ligt de Salmon volgens Richt. 9 : 48 bij Sichem, en is geen
sneeuwberg. En volgens de Statenvertaling is het besneeuwd zijn
karakteristiek voor den Salmon. Volgens juistere vertaling staat er:
toen de Almachtige koningen daar uitbreidde, lag er sneeuw op den
Salmon. De bedoeling schijnt dus te zijn, dat de aanblik der verslagen
koningen in hun blinkende wapenrusting was, als was de Salmon met
sneeuw bedekt.
Men zou overigens kunnen meenen dat het vroeger in Palestina meer
sneeuwde dan tegenwoordig, ten minste sommige plaatsen der Schrift
geven daartoe aanleiding. Spreuk. 31 : 21 wordt van een deugdelijke
huisvrouw gezegd dat ze niet vreest van wege de sneeuw, omdat zij haar
huis er tegen heeft beschut. En 2 Sam. 23 : 20 wordt van Benaja verteld
dat hij een leeuw sloeg in den sneeuwtijd. Vergelijken wij dezen tekst
met 1 Kron. 11 : 22, dan blijkt dat bedoeld is, dat het zoo veel
gesneeuwd had dat de leeuw, door de sneeuw misleid, onverhoeds in den
voor hem gegraven kuil kon vallen. En uit Spreuk. 25 : 13 blijkt dat de
oude Israëlieten ook het gebruik kenden om hunne dranken, vooral in den
oogsttijd met sneeuw af te koelen. Hoe dit zij, de vraag, in hoeverre
het klimaat en de neerslag in Palestina tegenwoordig verschilt van oude
tijden, misschien mede onder den invloed van de ontbossching van het
land, is nog een open vraag.