De plaat brengt ons in den geest naar het Oosten en schildert een dier
schitterende avonden, tegen zonsondergang, zooals men die alleen in het
Oosten kent. De hitte van den gloeienden oosterschen dag heeft plaats
gemaakt voor een frissche koelte, en rondom de bron, waarvan op onze
plaat een deel der monding zichtbaar is, verzamelen zich in bonte groep
de kleurig gekleede Oosterlingen; vermoeide reizigers, die als Jezus
bij de put van Sichar, verpoozing en lafenis zoeken, of vrouwen die met
de kruik op het hoofd, komen om water te putten voor het huiselijk
gebruik.
Het klimaat van Palestina geeft aan zulk een avonduur bij de bron een
eigenaardig karakter. Men kent in Palestina slechts twee jaargetijden,
den regentijd en den drogen tijd. Het voorjaar, verreweg de
aangenaamste tijd van het jaar, valt van midden Maart tot midden Mei.
Van begin Juni tot begin October valt er bijna nooit regen. Bij hooge
uitzondering breekt er een onweer los in den zomertijd, maar dat is zoo
zeldzaam dat toen God volgens 1 Sam. 12 : 17, 18 op Samuels bede midden
in den zomer een onweer met regen zond, het volk zeer vreesde vanwege
dit bijzondere teeken. Door die maandenlange droogte wordt de atmosfeer
buitengewoon doorschijnend en de hemel ook des nachts zeer helder, en
krijgt de maan een ongekenden glans (Ps. 121 : 6). Gedurende de
zomermaanden valt een groote hoeveelheid dauw (Richt. 6 : 38), welks
uitblijven als geen gering gemis wordt gevoeld, zoodat het „geen dauw
of regen zal op u zijn” (2 Sam. 1 : 21) als een gevoelige straf wordt
beschouwd. De dauwvorming is vaak zoo sterk dat des morgens de daken
druipen als na een regenbui, en het overnachten onder den blooten hemel
onmogelijk wordt gemaakt. Dit is dan ook de eenige neerslag in den
regenloozen tijd. Voor de stralen der opgaande zon verdwijnt al spoedig
het laatste spoor daarvan, zoodat Hozea de wufte godsdienstigheid
zijner tijdgenooten vergelijkt bij den vroegkomenden dauw, die snel
vergaat. Daarbij komt dat de zeer droge oostenwind, die tegen einde Mei
begint te waaien, alle vocht uit den dampkring opzuigt, en de
groeikracht vernietigt, behalve daar waar, zooals in de omgeving van
Damaskus, de bodem kunstmatig bevochtigd kan worden. De putten en
bronnen drogen uit, en van meer dan een put geldt wat van „Jozefs put”
staat geschreven: er was geen water in. Zeer vroeg in het voorjaar
begint de regentijd, en dan zijn het soms stortvloeden, waardoor de
leemen hutten der landbewoners instorten, de putten en bronnen worden
weer vol, en het koren komt tot rijpheid. De jaarlijksche wisseling van
land- en zeewind herhaalt zich op kleineren maatstaf elken dag; in den
zomer worden door de zonnestralen de krijtbergen in het Oosten sterk
verhit, sneller als de zee, waardoor men overdag doorgaans zeewind
heeft; ’s nachts koelen de krijtrotsen sneller af, zoodat tegen den
avond een koele oostenwind verfrisschend komt verkwikken.
Dat is het uur dat het volk de putten en bronnen opzoekt, deels om zich
te verkwikken in de frissche avondlucht, deels om in kruiken en kannen
het water mee te nemen naar huis. Hier is dikwijls de verzamelplaats
van oud en jong. Men komt er bijeen op de manier zooals nog
tegenwoordig in het Oosten van ons land de dorpbewoners zich verzamelen
in groepjes op den „brink”, om ’t nieuws van den dag te bespreken. Het
verwondert dan ook niet, dat in den Bijbel zoovele belangrijke
gebeurtenissen plaats vinden bij zulk een put of bron. Zoo steeg
Eliëzer, toen hij uitging om een bruid voor Izaäk te zoeken, buiten de
stad bij den put af, des avonds als de vrouwen kwamen om water te
putten, en daar hooren wij uit zijn mond dat gebed van stil vertrouwen
dat God hem de rechte vrouw voor Izaäk zal aanwijzen. En het was
wederom bij zulk een put dat Izaäk op een avond zijne oogen ophief en
zag Eliëzer en Rebekka naderen, de vrouw die hem zou troosten over
zijne moeder. Ook Mozes had zijne vrouw gevonden uit de dochters van
den priester van Midian, toen zij kwamen om water te putten. En
natuurlijk denken we hier aan de vriendelijke geschiedenis uit Joh. 4,
het verhaal der Samaritaansche vrouw, aan wie Jezus „levend water”
geeft.
Deze laatste uitdrukking wordt verstaanbaar als wij bedenken, dat wij
twee soorten van waterreservoirs moeten onderscheiden, die we
gemakshalve putten en bronnen zullen noemen. In de Statenvertaling is
het verschil tusschen die twee niet altijd nauwkeurig in het oog
gehouden. De putten dienen tot het opvangen van het regenwater en
hebben daarom dikwijls gemetselde of gepleisterde wanden, om ’t
wegzakken van het water in den grond te voorkomen. De bronnen zijn in
den grond gegraven gaten, waarin het welwater zich verzamelen kan. Zoo
lezen wij dat Izaäks knechten graven in het dal en vinden een put van
levend water, Gen. 26 : 19. Het welwater heet dus levend water, een
naam die ook wel aan stroomend water, eigenlijk aan alle in beweging
zijnd water kan gegeven worden.
Tegenwoordig heeft elke welgestelde stadsbewoner bij zijn huis een put
ter verzameling van het regenwater, en de opgravingen in Palestina
hebben aangetoond dat dat ook in oude dagen reeds het geval was;
trouwens uit 2 Sam. 17 : 18 en andere plaatsen in het Oude Testament
blijkt het evenzeer.
Dikwijls waren zulke „putten” in de rots uitgehouwen: uiteraard een
voortreffelijk waterreservoir, waarin het water bovendien geheel frisch
en koud bleef. Vaak lag zulk een reservoir zoo diep, dat men met
trappen er in afdaalde, zoo b.v. Rebekka, om voor Eliëzer water te
scheppen, Gen. 24 : 16.
Behalve dat men bij vele stadshuizen zulke putten aantrof en nog
aantreft, bevond zich dikwijls buiten de stad een put of bron voor
algemeen gebruik, en eveneens ziet men ze vaak langs wegen en in het
open veld. Meerdere van zulke zeer oude putten en bronnen zijn tot op
den huidigen dag in gebruik gebleven, b.v. die van Berseba, en de bron
aan den voet van den Gerizim, de zgn. Jakobsbron (Joh. 4 : 12), die
tegenwoordig 23 meter diep is, en een doorsnee heeft van 2½ meter. De
opening werd meestal toegedekt met schuinopstaande steenen, zoodat in
het midden een opening bleef, die na gebruik meestal met een zwaren
steen werd gesloten (Gen. 29 : 3), waarover soms aarde werd gestrooid
om de plaats voor vreemden onkenbaar te maken. De berghellingen van
Palestina zijn hier en daar met ruïnen van cisternen, kanaaltjes,
reservoirs enz. als bedekt, die voor een deel reeds eeuwen oud zijn.
Vooral waar het een put en niet een bron gold, was bij aanhoudende
droogte het gevaar niet denkbeeldig, dat de voorraad uitgeput raakte,
wat voor een herderstroep met hunne kudden vertrek naar elders en het
zoeken van een nieuw waterreservoir noodzakelijk maakt. De geschiedenis
der aartsvaders leert ons dan ook hoe een der middelen om een
vijandelijken stam te benadeelen, is, dat men zijn putten verstopt
(Gen. 26 : 15).
Afgezien van een paar grootere steden, waar tegenwoordig eenigszins in
den waternood is voorzien—in Jeruzalem kostte het water nog voor korten
tijd f 2.50 per kubieken meter—is de toestand nog dezelfde als voor
3000 jaar, en ziet men in Palestina op straten en wegen de
waterverkoopers hun waar aanprijzen. Zij dragen het water bij zich in
een leeren zak—een dichtgenaaide dierenhuid—die ook reeds in den Bijbel
genoemd wordt, en door de Statenvertaling door „flesch” wordt vertaald
(Gen. 21 : 14).
Het water halen is de taak der vrouwen. Men noemt ’t dan ook sjoegal
niswan, vrouwenwerk. Op de plaat zien we een meisje komen met haar
kruik op ’t hoofd en een soort emmer met touw om te putten. De steenen
aan den rand van den put zijn reeds uitgesleten door het daarlangs
trekken van de touwen, gedurende vele jaren, misschien wel gedurende
vele eeuwen. In de Schrift wordt ons verhaald hoe Jezus zijne
discipelen uitzendt om het Pascha te bereiden, zeggende: als gij in de
stad zult gekomen zijn, zal u een mensch ontmoeten, dragende een kruik
waters. Uit het Grieksche woord hier door „mensch” vertaald, blijkt dat
hier een man wordt bedoeld. De Heer geeft daarmee een zeer duidelijke
aanwijzing, want, terwijl mannelijke waterverkoopers in het Oosten
veelvuldig voorkomen, dragen die hun voorraad water steeds in een
dichtgenaaide dierenhuid, nooit in een kruik. Een man, een kruik water
dragende, is in het Oosten een zeer ongewoon verschijnsel.
Op de plaat zien wij drie soorten menschen bij de put. De man, gewapend
met het kromzwaard, staande bij de kameel, waarop zijn vrouw zit; dan
de twee mannen links, de eene staande, de ander zittende biddend zijn
„rozenkrans”; de derde, het meisje komende om water te putten. Deze
drie groepen vertegenwoordigen de bevolking van het hedendaagsch
Palestina.
De hoofdbevolking van Palestina noemt zich met een algemeenen, niet
geheel juisten naam aulâd-el-Arab: kinderen der Arabieren, en vallen
wat gewoonten, kleeding, enz. betreft, uiteen in de boven aangewezen
drie groepen, n.l. 1e de stadbewoners, medenî; welk woord is afgeleid
van medeni = stad; daartoe behooren de beide mannen, links op de plaat;
2e de dorpsbewoners, fellâh van falah = het land bebouwen, dat is de
landbouwende bevolking; en 3e de bedoeïenen, bedawî, een woord dat is
afgeleid van ’t arabisch bedw = woestijn.
Deze drie klassen onderscheiden zich zoowel door taal-eigenaardigheden,
kleeding, uiterlijk aanzien, woning, als ook door zeden en gebruiken en
algemeene levenswijze. Wat de taal betreft, is het b.v. merkwaardig dat
b.v. de inwoners van Nablus, het oude Sichem de letter sj niet kunnen
uitspreken, maar daarvoor altijd s zeggen, een feit dat ons dadelijk
herinnert aan het bekende verhaal uit Richt. 12 : 6 waar wordt verhaald
dat de Ephraïmieten het woord sjibbolet niet kunnen zeggen, maar ’t
uitspreken als sibbolet.
De stadbewoners beschouwen zich natuurlijk als de beschaafde klasse, en
zien met trotsche verachting op de domme, onontwikkelde fellah’s neer.
Ja fellah! jij fellah! is een in hun mond veel voorkomende scheldnaam.
De bedoeïen van zijn kant acht zich de heer der schepping en acht zich
zoowel boven den stedeling als boven den fellah verre verheven. Het
zich bezighouden met den akkerbouw is voor den trotschen
woestijnbewoner even verachtelijk als het zich opsluiten tusschen de
muren van een stad. Natuurlijk is de grens tusschen stadbewoner en
fellah niet scherp te trekken, daar b.v. plaatsen als Nazareth,
Bethlehem enz., hoewel eigenlijk dorpen, toch echte stedelingen
herbergen. De grens tusschen beide, ook wat kleeding en taal betreft,
is soms tamelijk vaag. Alleen de bedoeïen staat er zelfstandig naast,
vooral door zijn geheel verschillende levenswijze. Maar ook tusschen de
verschillende plaatsen onderling is het onderscheid in taal, kleeding
en levenswijze tamelijk groot. Tal van bizonderheden komen later ter
sprake.
De allerongunstigste verhoudingen, waaronder de bewoners leven, hebben
een nadeeligen invloed gehad op het algemeene volkskarakter. Vooreerst
de ellendige Turksche politiek die niets doet om de
levensomstandigheden te verbeteren. Voor eenige jaren werd zelfs een
aanbod van een Amerikaansche dame om voor eigen rekening de oude
waterleiding van Salomo te doen herstellen—de kosten waren geschat op
ongeveer een millioen gulden—van de hand gewezen! Vervolgens de invasie
van tallooze vreemdelingen. Van alle kanten wordt beproefd vasten voet
te krijgen in het heilige land, en de elementen die op deze wijze zich
daar nestelen, zijn vaak niet de beste. Zoodat men, sprekende van het
algemeen karakter van den Oosterling, licht een donker tafereel
ophangt. Op den voorgrond treedt de geldzucht, het altijd en overal met
eerlijke en oneerlijke middelen naar zich toe halen. Dan het gebrek aan
energie, de slapheid en lusteloosheid, onverschilligheid voor alles
waar niets mee te verdienen valt. Werken is eigenlijk schande. Vooral
van de stedelingen geldt dat, wier vrouwen ongeloofelijk traag zijn en
slordig. Vooral dat wat eenige geestelijke inspanning kost, is
verwerpelijk. Daarmee hangt onmiddellijk samen dat men eeuwenlang
volhardt bij de eenmaal overgeleverde voorvaderlijke gebruiken, en nu
nog het land bebouwt met dezelfde primitieve middelen als voor 2000
jaar. Hardnekkig en onnadenkend, enkel door de natuurlijke traagheid
gedreven, volhardt men bij wat eenmaal is, en ziet al het nieuwe
wantrouwend aan of onverschillig. De wereld der dingen die hen
interesseert is heel klein. Deze zelfde traagheid doet hen zoo
makkelijk zich neerleggen bij een eenmaal voldongen feit. Men heeft de
oorzaak daarvan vaak in het fatalisme van den Islam gezocht. Veeleer
moet gezegd worden dat de Islam met zijn „berustingsleer” daarom zoo
gemakkelijk bij dit van nature zoo trage volk ingang vond, omdat hij er
zoo geheel voor paste. Immers de weinige Christenen in Palestina vormen
geen al te sterke tegenstelling met dezen algemeenen volksaard. Men zou
haast wenschen dat hun godsdienst maar wat meer invloed had op ’t
dagelijksch leven. Men houde overigens in het oog, dat dit
Palestijnsche „Christendom” van een eigenaardig allooi is: Ten eerste
is het „Grieksch-orthodoxe” geloofssysteem met al de daaraan
vastzittende bijgeloovigheid verreweg in de meerderheid, waarbij het
Evangelie begraven is onder een massa puin van heiligenlegenden en
geestengeloof, vervolgens is zoowel dit oppervlakkig Christendom zoomin
als de Islam, in staat geweest, de oorspronkelijk heidensche gewoonten
en voorstellingen uit te roeien. Wat de Mohammedanen betreft, een
streng orthodox Mohammedanisme gaat hand aan hand met een zeer slordig
leven. Het meest treden aan het licht: dronkenschap, onzedelijkheid,
speelzucht, geldzucht en leugen. Zijn naaste te bedriegen geldt niet
als slecht maar als handig. Bij het bespreken van den handel komen we
daarop terug. Het is voor een Westerling uiterst moeielijk een kwestie
met hen te behandelen. Ze zeggen nooit rechtstreeks en ineens hun
meening, maar loopen er door breede beeldspraak en woordenrijkheid
onophoudelijk omheen, om pas de waarheid te zeggen als het hun tijd is.
Die wijdloopigheid wordt nog vergroot door de eindelooze vloeken en
bezweringen, waarbij hemel en aarde te pas komen. De term kilme
frendsjije = „woord van een Westerling” beteekent bij hen: betrouwbaar
woord. Ze zweren bij Allah, bij hun leven, bij den baard van Mohammed,
bij hun hoofd, kortom, bij alles wat hun maar in den zin komt, dat ze
de waarheid zeggen. Wie denkt daarbij niet aan de bekende woorden van
Jezus Matth. 5 : 34 vgg.? Zeer verderfelijk werkt de speelzucht. Naast
allerlei speciaal Arabische spelen, kent men, vooral te Jeruzalem en in
de havensteden, ook het westersche kaartspel. Kaarten worden wel eens
kenmerkend genoemd: kitâb il-fuharâ wesj-sjahhadin: boek der armen en
bedelaars. Daarmee gaat natuurlijk drankzucht gepaard, speciaal bij de
stadbewoners en de bedoeïenen. Ook de onzedelijkheid in engeren zin is
onrustbarend groot, de tegennatuurlijke ontucht niet uitgezonderd.
Daartegenover staan echter ook goede eigenschappen. Voorop de
diepgewortelde eerbied voor de ouders, die niet alleen als respect zich
uit, maar werkelijk liefde beteekent. Ze vertellen elkaar gaarne zulke
verhalen waar ouder- of broederliefde een vriendelijke rol spelen. Ook
is een zeer gunstig verschijnsel de zin voor humor en de
goedmoedigheid, die overal aan ’t licht komt, waar ’t geld buiten spel
is.
In ’t vervolg zullen wij volop gelegenheid hebben van een en ander
frappante voorbeelden te vernemen.
Wanneer wij de plaat er nog eens op aanzien, valt ons op een merkbaar
verschil in kleeding tusschen de drie afgebeelde menschentypen. Het
eenvoudigste is het water halende fellah-meisje gekleed. Ze draagt een
tot op de voeten hangenden blauwen rok van ruwe stof, die echter op
onze plaat is opgenomen en tusschen den gordel gestoken. Deze rok is
niet altijd van dezelfde snit noch van dezelfde kleur. De vergelijking
met andere platen in dit boek doet zien hoeveel variaties men in dit
simpele kleedingstuk, dat tôb heet, weet aan te brengen. Soms is ’t
niet anders dan een omgeslagen groote doek met gaten voor de armen,
soms is hij met mouwen voorzien, soms is hij blauw, soms groezelig wit.
Voor feestelijke gelegenheden maakt hij plaats voor een tôb harîr, d.i.
een veel kostbaarder rok met blauwe, groene, roode, of gele strepen,
terwijl op de borst nog een ander stuk doek van sprekende kleur is
opgenaaid, terwijl ’t geheel door een gordel van katoen of zijde wordt
bijeengehouden. Trouwens ook voor gewone dagelijksche dracht ziet men
dit kleedingstuk veel voller dan op onze plaat. Men lette op den
eigenaardigen vorm van mouwen op plaat 2 en 3, waar de mouwen zoo lang
zijn, dat ze ver over de handen heenreiken, terwijl de noodige vrijheid
voor de handen gekregen wordt door ze van af den elleboog, aan de
binnenzijde met een split te voorzien. Op plaat 2 is die mouw zóó lang
dat ze over den grond sleept. Het is natuurlijk onmogelijk met zulke
slepende mouwen te werken. Daarom worden ze bij den arbeid opgenomen en
in den nek saamgebonden, terwijl, zooals boven reeds werd opgemerkt, de
slippen van het kleed tusschen den gordel worden gestoken. „Zich
gorden” beteekent dus: zich gereed maken voor ’t werk. De jonge
fellah-vrouw op onze plaat is „gegord”. Vandaar dat het woord „gegord
zijn” in het Oosten gebruikt wordt voor „sterk zijn”, en „de gordel
verliezen” voor „verzwakken”. Vandaar ook de talrijke uitdrukkingen in
Oud en Nieuw Testament waar de gordel voorkomt als beeld van mannelijke
kracht.—Over den rok wordt dikwijls een, roode of blauwe mantel, abâ
genaamd, of ook wel, als te Bethlehem, een met gouddraad gestikt jakje,
gedragen.
De mannelijke fellah’s zijn zoo mogelijk nog eenvoudiger gekleed. Ze
dekken zich met een hemd, blauw of wit, van groezelige ruwe stof,
hangend tot over de knie en op de borst diep uitgesneden. Men zie de
volgende platen. Dit hemd wordt door een lederen gordel om de lendenen
vastgehouden. Is men niet aan den arbeid, dan wordt daarover heen
veelal gedragen een, meest gestreepte wollen mantel. Zonder dien mantel
gaat een welopgevoede fellah niet uit. Meest is ’t een groot vierkant
stuk doek, zóó dichtgenaaid dat voor de armen openingen blijven. Deze
mantel dient voor velerlei: het beschermt tegen regen en koude, ’s
nachts dient hij voor deken en bed tegelijk, want de doorsnee-fellah
legt zich te slapen op zijn stroomat of ook op den blooten grond,
terwijl hij zich in zijn abâ wikkelt. De zoo rustende fellah lijkt wel
wat op een mummie, of een reusachtige vlinderpop. We zien hier weer hoe
humaan de Mozaïsche geboden zijn, als ze bevelen een verpanden mantel
vóór zonsondergang terug te geven (Ex. 22 : 26 vg.; Deut. 24 : 13),
opdat niemand des nachts zonder de noodige bedekking zij. Verder dient
de abâ als gebedstapijt, dat de fellah op den grond legt om er zijn
geregeld terugkeerend gebed op te doen. Ook wordt de abâ als zak
gebruikt om alles in mee te nemen: inkoopen uit de stad, gras voor zijn
vee, enz.; zoo noodig dient hij ook als voederbak voor ’t vee; na voor
dergelijke nuttige doeleinden te hebben dienst gedaan, wordt hij
uitgeschud, en de abâ fungeert weer als mantel. Soms spant de fellah
hem, op ’t veld zijnde, uit als tent, en legt zich neer in zijn
geïmproviseerde woning. Bij den arbeid is zoo’n kleedingstuk natuurlijk
lastig, en wordt het afgelegd, maar de fellah wordt niet geacht gekleed
te zijn zonder abâ; integendeel hij heet dan „naakt”. Zoo verstaan wij
ook Joh. 21 : 7, waar de visschende Petrus „naakt” wordt genoemd.
Dikwijls wordt ’s winters over het hemd een soort van jak met korte
mouwen gedragen, in elkaar gezet uit schapenvellen, en gedragen met de
wol naar den binnenkant, terwijl de buitenkant met een roode verfstof
wordt bestreken. De plooien, gevormd door den gordel en den abâ vormen
voortreffelijke zakken, waar een Hollandsche jongen jaloersch op zou
wezen. Die zakruimte wordt ook in de Schrift bedoeld als er sprake is
van iets bewaren in den gordel, Matth. 10 : 9; Mark. 6 : 8; messen,
wapens, brood, tabak, zakdoek—voor zoover die gebruikt wordt—kortom
alles wat men onderweg meent noodig te hebben, vindt daar een plaats.
De kleeding der stadbewoners en meer gegoede fellahs is veel
gecompliceerder. In de eerste plaats vindt men er meestal een soort
onderbroek, een wijde pantalon, niet ongelijk aan die onzer Marker
visschers, maar minder lang. Verder dragen ze over het hemd een ander
soort mantel, de z.g.n. kumbes met lange mouwen, en in den winter
dikwijls een kort vest, zonder mouwen met een lange rij liefst
bontgekleurde knoopen. Overigens gaat het in Palestina als met de
provinciekleeding in Nederland; het eigenaardige nationale kostuum
dreigt verdrongen te worden door de gewone westersche „beschaafde”
kleederdracht. Toch vindt men vooral bij de dames in de steden nog druk
gebruik gemaakt van den z.g.n. isar of sluier. Het is een zeer groote
omslagdoek, meest wit, die door alle vrouwen boven de 12 jaar gedragen
wordt als ze zich op straat vertoonen, en die niets openlaat dan een
ruimte voor de oogen. In dezen sluier weet men door kleur en vorm,
zwart, geel, bruin, groen voortreffelijk de meerdere of mindere
welvaart der eigenares uit te drukken. Een der schrikkelijkste
martelwerktuigen van het Westen, het corset, heeft nog zoo goed als
geen ingang gevonden.
Wat het schoeisel betreft, zien we op onze plaat dat de fellah
blootvoets gaat, de bedoeïen daarentegen heeft iets aan dat op het
voorste deel van een schoen gelijkt. In dit opzicht is het gebruik aan
het verschuiven. Oudtijds was het dragen van sandalen gewoon, terwijl
de armen blootsvoets gingen. Die sandalen waren eenvoudig ruwe stukken
leer. Niebuhr vertelt ergens dat op een zijner reizen een ezel stierf.
Dadelijk maakten zich zijne gezellen meester van de huid, die ze stuk
sneden en er sandalen van maakten, door er gaatjes in te boren, waar
doorheen ze touwen haalden om ze aan den voet vast te binden. Beter
bewerkte sandalen hadden vaak aan den hiel en op zij opstaande stukken
om den voet beter te beschermen. In Palestina zelf zijn de sandalen
bijna uit de mode, en draagt men in plaats daarvan lompe, ruwbewerkte
en roodgeverfde schoenen uit buffelhuiden, die òf alleen het
voorgedeelte van den voet bedekken, òf ook den vorm aannemen van lange
laarzen, met opstaande punten. Bij de bedoeïenen zijn naast de
schoenen, nog de sandalen in gebruik, plaat 2, waar meteen een goed
voorbeeld hoe ze onder den voet worden vast gemaakt. In alle geval doet
men bij het binnentreden in een vertrek zijn schoenen uit of zijn
sandalen af; ’t staat zoowat gelijk met ons gebruik van het afzetten
van den hoed. Even onbeleefd als wij het zouden vinden als iemand met
zijn hoed op ’t hoofd bij ons binnen kwam, even onbeleefd vindt het de
Oosterling als men niet zijn schoenen uitdoet. In de stad draagt men
bovendien soms kousen, en loopt dan in huis op zijn kousen rond, op het
land steekt men zijn bloote voeten in de schoenen. De verandering van
sandalen tot schoenen zal wel mee zijn oorzaak hierin vinden dat
schoenen de voeten beter beveiligen op Palestina’s ongebaande wegen.
Een zeer belangrijk kleedingstuk, zoowel voor mannen als voor vrouwen,
is het hoofddeksel. Een complete tulband bestaat uit meerdere deelen:
op het kaalgeschoren hoofd—alleen op de kruin laat men een bosje haar
staan—past een wit katoenen kapje, daarover heen komt een vilten muts,
eveneens nauw sluitend om het hoofd, en daarover heen de roode fez of
tarboesj, van zijde of katoen. Daarna wordt het geheel met een witten
of gekleurden doek omwonden, waar alleen bovenuit komt de roode fez met
donkerblauwe kwast zooals b.v. op onze plaat bij den zittenden man
duidelijk is te zien. Deze tulband is vaak zoo dik en omvangrijk dat
zijn eigenaar, zich met gedekten hoofde, te slapen leggend op niets dan
een steen, toch een voldoend hoofdkussen heeft. Alleen de bedoeïenen
dragen een veel eenvoudiger hoofdsieraad: ze slaan een grooten
vierkanten doek, tot driehoek gevouwen, zóó over het hoofd dat eene
punt ver op den rug afhangt, terwijl een dik wollen snoer den doek op
’t hoofd vasthoudt, zooals op de plaat bij den bedoeïen het geval is.
Ook sommige fellahs hebben deze gewoonte van de bedoeïenen overgenomen.
Deze hoofdbedekking dient tevens als zakportefeuille: brieven en
stukken van waarde worden tusschen de vouwen gestoken en daar gedurende
langen tijd zeer veilig bewaard. Want de Oosterling zet zijn tulband
onder geen voorwaarde af: hij gaat er mee op bezoek, naar de moskee,
naar een gastmaal: altijd gedekt.
De hoofdbedekking der vrouwen wisselt vrij sterk volgens plaatselijk
gebruik. Daarbij is te vergelijken onze Zeeuwsche „gouden krullen” en
Friesche „oorijzers”. De algemeene bedekking is een groote ver naar
achter afhangende hoofddoek, zooals bij het fellah-meisje op de plaat.
Onder dien witten doek is op de plaat zichtbaar een band om het hoofd,
blijkbaar met versierselen bezet. De vorm daarvan is zeer verschillend.
In Bethlehem b.v. dragen de vrouwen een soort kap, waarlangs aan den
voorkant een of meer rijen zilver- of goudstukken zijn vastgenaaid,
soms tot een bedrag van aanzienlijke zwaarte. Deze hoofdbedekking dient
niet alleen als sieraad maar ook als spaarpot. Bij ’t huwelijk wordt
dat kapitaal er aan genaaid, en ze draagt het mee, totdat de „nood aan
den man” komt: dan trekt ze er zooveel geldstukken af, als ze noodig
heeft. Komt ze weer in beteren doen, dan worden ze er weer aangenaaid.
Reizigers vertellen in de buurt van Nazareth tal van vrouwen gezien te
hebben, die de banden nog wel om de kap droegen, maar waaraan geen
geldstukken meer bengelden. Dan weten de vrouwen in Nederland hun
financiëelen toestand beter te maskeeren! Het gebeurt soms dat een
vrouw op den weg wordt aangevallen en van haar geldswaarde beroofd,
maar de behoefte om het op deze wijze te pronk te dragen, schijnt
grooter te zijn dan haar vrees voor diefstal. Ook christenvrouwen
dragen zoo’n hoofdsieraad; soms wordt het ten slotte aan de kerk
vermaakt tot het houden van zielmissen. Eigenlijk behoort dit
hoofddeksel niet meer tot de kleeding, maar veeleer tot de sieradiën
der oostersche vrouw. Van ouds heeft de Oostersche altijd veel behagen
in opschik, vooral blinkende mooidoenerij; in dit opzicht zijn ze
eigenlijk groote kinderen. Het fellah-meisje op onze plaat heeft zeer
eenvoudige versierselen: de hoofdband, de armband en een voetband. Om
te weten, hoever oostersche dames hun prachtlievendheid kunnen drijven,
vergelijke men de in dit boek voorkomende platen; waar wij gelegenheid
zullen hebben er meer van te hooren. Uit 2 Kon. 9 : 30; 1 Tim. 2 : 9, 1
Petr. 3 : 3 en andere plaatsen der Schrift zien we hoe oud zulke
gebruiken zijn. Ook hebben de opgravingen der laatste jaren in Egypte,
Babel en Palestina duizenden kleine sieraden en toiletartikelen aan het
licht gebracht. Een der meest voorkomende sieraden is wel de armband,
die tot in armere kringen gedragen wordt, zij het ook van min edel
metaal; vervolgens de voetringen en voetkettinkjes, welke laatste de
dames noodzaakte met kokette trippelpasjes te loopen—een liefhebberij,
die ook bij onze Europeesche dames niet onbekend is. Verder oor- en
neusringen (zie volgende platen). De neusring was ook bij de oude
Hebreën reeds bekend: Gen. 24 : 47, waar in het Hebreeuwsch staat: ik
leide den ring in haren neus. Ook uit den voor-Israëlietischen tijd in
Kanaän zijn onlangs zulke neusringen gevonden. In Jes. 3 : 18–23 vinden
we een heelen inventaris der vrouwelijke ijdelheid: „Te dien dage doet
de Heer den opschik weg, de voetringen, voorhoofdsversierselen en
maantjes, de oorknoppen, kettinkjes en sluiers, de tulbanden, armbanden
en linten, de reukfleschjes, amuletten en zegelringen, de neusringen,
feestgewaden en overkleeden, de omslagdoeken, tasschen en mutsen, de
opperkleeden, kappen en hoofdbanden.” De oostersche vrouw blanket zich
graag, vooral de oogen en wenkbrauwen worden met een soort zwarte zalf
zóó bewerkt, dat ’t wit der oogen er te scherper—naar hun bedoeling:
mooier—door uitkomt. Ook het rood verven van het haar is bij sommige
grijs wordende fellah-vrouwen een merkwaardige liefhebberij, het
hel-roode haar langs de geel-bruine slapen vormt een alles behalve
aesthetischen aanblik.
Nog op een eigenaardige gewoonte om zich „mooi te maken” moet ik
wijzen: het beschilderen van handen en voeten. De vrouwen doen dit door
middel van een sap uit een z.g.n. henna-plant getrokken, waarmee vooral
de toppen van de vingers en de teenen groezelig-rood worden geverfd, en
verder tal van figuren op handen en voeten worden geteekend. Dit wordt
om de veertien dagen herhaald. Een duurzamer middel tot „versiering”
van het lichaam is het tatoeëeren. Men doet dit door met een bundeltje
naalden in de huid te prikken en in de daardoor ontstane wondjes een
zekere kleurstof te wrijven, die aan de aldus bewerkte plaatsen een
nooit weer verdwijnende blauwachtige kleur geeft. Op deze wijze wordt
aangezicht, handen, armen, voeten, borst enz. bewerkt. Hoe „mooi” de
oostersche vrouw op deze manier wordt, is te zien op plaat 2 en 14. In
Lev. 19 : 28 werd het tatoeëeren reeds uit religieuze overwegingen
verboden.
Hiermee heb ik in hoofdzaak besproken wat op onze plaat te zien
is,—over den bedoeïen met zijn vrouw en kameel spreek ik bij de
volgende plaat—maar één ding bleef nog onbesproken. De man, zittende
bij de bron, heeft een rozenkrans in de hand en bidt. Ieder Mohammedaan
moet vijf maal per dag bidden op bepaalde tijden, waarvoor de oproeper
op den trans der minarets het sein geeft door zijn voorgeschreven
uitroep: Allah Akbar asjadu anna la ilaha ill allah, anna
muhammadur-rasul-ullah, hajja al-assala! d.i. Allah is groot! ik
verkondig dat er geen god is dan Allah en Mohammed is de profeet van
Allah, kom tot het gebed! Het gebed zelf kan overal worden gedaan, maar
in de moskee, onder leiding van een voorbidder, overtreft het de waarde
van een gebed tehuis of in het veld vijfentwintig maal. Het gebed
reinigt van zonden. Mohammed zeide: „Meent gij dat, wanneer een rivier
voorbij uw huis stroomt, en gij u vijfmaal daags daarin baadt, dat er
nog iets onreins aan u blijft? Zóó is het met het vijfmalige gebed,
waarmee God de zonde wegwischt.” Bij dit gebed werd oorspronkelijk de
rozenkrans niet gebruikt. Dat gebruik namen de Mohammedanen van de
Boeddhisten over sedert de 9e eeuw. Hij bestaat uit 99 balletjes, omdat
Allah 99 goddelijke eigenschappen heeft, en voor elk van die een
afzonderlijken naam.
De Roomsche rozenkrans is weer van de Mohammedanen overgenomen, en door
Paus Pius V in 1596 bevolen. Er wordt echter in de Roomsche kerk een
ander verhaal ondergeschoven: den heilige Paulus van Pherma, een asceet
uit de 4e eeuw, zou bevolen geworden zijn een gebed 300 maal op te
zeggen. Daartoe nam hij 300 steentjes bij zich, en wierp telkens na een
gebed te hebben opgezegd, één steentje weg. Maar de bedoeling is bij
Roomschen en Mohammedanen geheel dezelfde. Bij dit rozenkrans-gebed mag
de bidder een meer makkelijke houding aannemen, dan bij het eigenlijke
hoofdgebed: we zien den bidder op de plaat dan ook heel op zijn gemak
zittende, de balletjes aftellen. Hij zegt op de zgn. ayet el kurse of
troon-vers, d.i. het 256e vers van het 2e hoofdstuk van den Koran, welk
vers aldus begint: „O God, er is geen god dan hij,” en dan verloopt het
„gebed” zoo: „O, allerhoogste! O Groote, ik verheerlijk Uw
volmaaktheid.” Dan: „De volmaaktheid van God” (33 maal). „De
volmaaktheid van den grooten God met zijn lof voor eeuwig” (1 maal).
„Lof zij God” (33 maal). „Geprezen zij zijn majesteit, daar is geen God
dan hij” (1 maal). „God is de grootste” (33 maal). „God is de grootste
in grootheid, en overvloedig zij zijn lof” (1 maal). Op den rozenkrans
telt hij af om het juiste getal te onthouden.
De Mohammedaan is, in het uitwendige tenminste, vroom. Daarom moet het
niet verwonderen hem bij alle mogelijke gelegenheden en op alle
mogelijke plaatsen, te zien bidden: bij een bron, in den winkel, in een
gouvernementsgebouw, op straat enz. Midden in zijn bezigheden zal hij
plotseling zeggen tot de aanwezigen: „excuseer mij,” en, zijn mantel op
den grond werpende, daarop neerknielen met het gezicht naar Mekka
gekeerd.
De vrouwen hebben niet zulke strenge religieuze regelen in acht te
nemen; toch komt het niet zelden voor dat ook zij een rozenkrans bij
zich dragen en op geregelde tijden de heerlijke eigenschappen van Allah
opsommen; vooral onder de meer beschaafde kringen komt dat voor. De
eenvoudige landsbevolking is in godsdienstig opzicht zeer onwetend en
bepaalt zich meerendeels tot het doen van geloften aan een of anderen
heilige, wiens graf in de nabijheid ligt.
Maar de Mohammedaan hecht niet weinig waarde aan het feit dat de vrouw
een religieuzen aard heeft. Bij het huwelijk zal hij er naar
informeeren of zij gewoon is bij al haar huiselijke bezigheden „den
naam van Allah te vermelden.” Ik kom daarop terug bij de bespreking van
het huwelijk.