Wie den Bijbel leest, stuit, zoowel in het Oude- als in het Nieuwe
Testament, herhaaldelijk op zegswijzen en beeldsprakige uitdrukkingen
die niet alleen vreemd aandoen, maar ook die zonder nadere verklaring
eenvoudig onverstaanbaar zijn. En niet alleen dat ze voor den
hedendaagschen bijbellezer onverstaanbaar zijn, maar ze waren dat
goeddeels ook al voor de Statenvertalers, tengevolge waarvan menige
uitdrukking in onzen vertaalden Bijbel niet den juisten zin aangeeft
van wat de gewijde schrijver bedoelde.
Nu is, door onophoudelijk speuren en zoeken, in den loop der eeuwen al
veel opgehelderd, en voor een goed deel zijn die ophelderingen ook
reeds door tal van populaire geschriften in breede kringen bekend
geworden. Een der meest noodzakelijke voorwaarden voor het verstaan van
den Bijbel is wel de kennis der zeden en gewoonten, der
levensvoorwaarden en sociale verhoudingen in Palestina zelf, in den
tijd waarin de bijbelsche verhalen ons verplaatsen. Uit den aard der
zaak zijn de mededeelingen daarover uiterst schaarsch: buiten de
bijbelsche gegevens vinden we voor de kennis van de kultuur-toestanden
in het oude Palestina al heel weinig; en wat we vinden is meer
aangeduid en ondersteld dan opzettelijk behandeld en uitgewerkt. Zoo
bleef er vrije speelruimte voor de fantasie, en van de middeleeuwen en
de dagen der Renaissance af tot op onzen tijd toe, heeft de kunst in
allerlei uitingen van die fantasie een gul gebruik gemaakt. Vele
werken, zelfs van groote meesters, zijn uit historisch en archeologisch
oogpunt bezien, onvoldoende.
Nu is in den laatsten tijd de meening uitgesproken, dat een meer
nauwkeurige kennis, ook van de oude gewoonten en gebruiken in
Palestina, langs anderen weg te verkrijgen is, nl. door het onderzoek
in het hedendaagsch Palestina zelf. Men spreekt tegenwoordig graag van
„het onbewegelijk Oosten”, en bedoelt daarmee dat nog tegenwoordig de
Palestijnsche boer op precies dezelfde wijze zijn akker ploegt, als
voor 2000, ja voor 4000 jaren, dat hij nog dezelfde huwelijks- en
rouwgebruiken heeft als toen, ja dat ook zijne religieuze
voorstellingen niet noemenswaard van de toenmalige verschillen, en dat
die latere wijzigingen zich zoo oppervlakkig op de oude gebruiken en
voorstellingen hebben gelegd, dat ze met een weinig kritisch oordeel
nog duidelijk af te zonderen zijn. Het komt mij voor dat men in dat
opzicht overdrijft, en dat de onbewegelijkheid van het Oosten niet zóó
star is, als men het graag doet voorkomen. Een bekend geleerde S. I.
Curtiss, die vele jaren in het Oosten vertoefde, schreef een tiental
jaren geleden een werk „Ursemitische Religion im Volksleben des
heutigen Orients”, waarin hij op grond van zijne onderzoekingen in het
hedendaagsch Palestina en omliggende landen, een voorstelling meende te
kunnen vormen zelfs omtrent de oudste tijden, ook wat godsdienst en
zeden betreft. Het is nu al wel duidelijk welke groote bezwaren kleven
aan zulk een wijze van behandeling. Maar een waarheid ligt er toch in.
De tallooze reisbeschrijvingen en vooral de honderden fotografieën uit
het hedendaagsch Palestina doen duidelijk zien, hoe groot de
stabiliteit is in het oostersch leven gedurende lange eeuwen. En de
beschrijvingen van het doen en laten in het tegenwoordig Palestina
werpen inderdaad dikwijls verrassend licht op tal van bijbelsche
beelden en zegswijzen.
Aan beschrijvingen van het tegenwoordig Palestina ontbreekt het niet.
Niet alleen dat tientallen van boeken verschenen zijn van menschen die
gedurende korter of langer tijd het Oosten bereisden, maar ook zij, die
er gedurende vele jaren hebben gewoond, soms haast als Oosterling
geleefd, hebben ons een schat van gegevens verstrekt.
Een van deze is James Neil M. A., die in 1913 een in het Engelsch
geschreven werk uitgaf „Everyday life in the holy land”, met tal van
gekleurde platen versierd. Het was met dit werk dat de uitgever
Callenbach tot mij kwam met de vraag, om voor Hollandsche lezers een
bewerking daarvan te geven. Dat zou dan geschieden op deze wijze, dat
de platen uit het werk van James Neil den grondslag vormden, zoodat,
evenals in het Engelsche werk, het geheel het karakter droeg van
„Platen met bijschriften”. Daarmee was de indeeling en de te behandelen
stof vanzelf gegeven, en de lezer begrijpt dat dit werk in geen enkel
opzicht beoogt een systematisch geheel te zijn; ’t zijn alle losse
schetsen, waarbij veel onbesproken bleef, wat in een werk dat bedoelt
het „Oostersch leven” te beschrijven, niet zou mogen wegblijven.
Ik heb gemeend mij niet te moeten bepalen tot een bewerking of zelfs
omwerking van het boek van Neil, maar iets geheel zelfstandigs te
moeten geven. Om velerlei redenen. Ten eerste is Neils werk typisch
Engelsch, en daardoor al dadelijk voor Hollandsche lezers minder
geschikt. Dan leek het mij ook te apologetisch van aard—ik sta met
apologetiek op niet te besten voet—en eindelijk neemt één mensch, zelfs
al is hij zoo goed op de hoogte als Neil, altijd eenzijdig waar, en
verschillende besliste uitspraken van Neil worden door anderen, die het
Oosten niet minder goed kennen dan hij, weersproken.
Zoo is dan voor dit boek het werk van Neil het „point de départ”, en
levert behalve de platen, ook verschillende gegevens, maar het meeste
is wel ontleend aan het door mij in de laatste tien jaar verzamelde
materiaal; verder aan de werken van Charles, L. de Vaux, Conder,
Röhricht, Burchhardt, van Senden, van de Velde, Robinson, Tobbe, Bovet,
Verschuur, L. Bauer, G. Hölscher, Ninck, H. Guthe, H. J. van Lennep,
Goodrich-Freer, Lane, Löhr, Curtiss, Baedeker, Ebers, K. Jäger,
Trietsch e.a. Ook moeten hier genoemd worden het Zeitschrift des
deutschen Palästina-Vereins en het tijdschrift Globus, terwijl de
tallooze fotografieën, die tegenwoordig ten dienste staan, uitnemende
diensten bewezen.
H. Th. O.
Utrecht, April 1914.