Die kreet, welke van mond tot mond herhaald werd, werd weldra tot de

uiterste grens der voorsteden vernomen. Binnen weinige minuten vernam

de eerlijke en goedgezinde bevolking met blijdschap en het gepeupel

met grooten schrik, dat de flottilje der Federalisten meester der

Sint John was. Wanneer men zich niet overgaf, dan was het gedaan met

de stad, dan was zij verloren.

Dat was duidelijk!

Maar wat was er toch voorgevallen?

Hadden de Noordelijken in den orkaan een onverwachten bondgenoot

gevonden?

Ja, dat was het!

Neen, zij hadden niet getracht eene schuilplaats in een der kreken

te vinden, die in de monding der rivier aangetroffen werden. Zij

waren, in weerwil van den wind en den golfslag, in hunne stelling

gebleven. Terwijl hunne tegenstanders zich met hunne sloepen

verwijderden, had de commandant Stevens met zijne flinke bemanning

den orkaan het hoofd geboden, op gevaar af te gronde te gaan, om de

gelegenheid te benutten en de doorvaart te ondernemen, die door de

omstandigheden wellicht mogelijk zou worden.

En inderdaad, de orkaan, welke het water van uit volle zee in die

monding stuwde, had het peil der rivier buitengewoon doen rijzen

en wel zoodanig, dat de kanonneerbooten passeeren konden. Met volle

kracht stoomende, schoten zij vooruit, en hoewel zij met hunne kiel

langs het zand schuurden, waren zij de bank weldra over.

Dat gebeurde zoo tegen vier uren in den ochtend. De commandant

manoeuvreerde toen te midden van den dikken mist met het grootste

beleid. Hij moest natuurlijk op gegist bestek afgaan. Maar toen

hij oordeelde ter hoogte van Jacksonville gekomen te zijn, liet hij

de ankers uitwerpen en de gevechtstelling innemen. En toen hij het

oogenblik gekomen achtte, liet hij het groot geschut donderen, waardoor

de nevelbank als het ware verscheurd werd en zijne projectielen den

linker oever der Sint John overstelpten.

De uitwerking had bliksemsnel plaats.

De militie-troepen hadden in een ondeelbaar oogenblik de stad ontruimd

en verlaten en volgden daarbij slechts het voorbeeld, hetwelk hen

door de krijgsmacht der Zuidelijken te Fernandina zoowel als te Sint

Augustijn gegeven was.

Toen de commandant Stevens de kaden verlaten zag, temperde hij het

vuur zijner kanonstukken, want het was zijn doel niet, Jacksonville

der verwoesting prijs te geven, maar wel, om die hoofdstad van den

Staat Florida te bezetten en in onderwerping te brengen.

Al heel spoedig werd een witte vlag aan den vlaggestok van

Court-Justice geheschen.

De lezer zal wel innig beseffen in welke angsten die eerste

kanonschoten in de woning van master Harvey vernomen werden.

De stad werd aangevallen; daaraan viel niet te twijfelen. Nu kon die

aanval van geen anderen kant komen, dan van de zijde der Federalisten,

hetzij zij er in geslaagd waren de Sint John op te stoomen, hetzij

zij van het noordelijk gedeelte van Florida opgerukt waren. Was dus

de onverhoopte, de eenige kans tot redding van master James Burbank

en zijn zoon Gilbert daar?

Master Harvey en miss Alice Stannard stormden naar de deur. De lieden

van Texar, die de woning van den correspondent van James Burbank

bewaakten, hadden de vlucht genomen en zich met de militie-troepen

naar de binnenlanden van het graafschap uit de voeten gemaakt.

Master Harvey en het jonge meisje begaven zich naar de haven. De

nevel was opgetrokken, zoodat de oppervlakte van de geheele rivier

over hare volle breedte overzien kon worden.

Het geschut der kanonneerbooten zweeg thans; want het was voor

iedereen duidelijk, dat de bevolking van Jacksonville ieder denkbeeld

om weerstand te bieden had opgegeven.

Verscheidene sloepen legden in dat oogenblik bij het half vernielde

staketsel aan en ontscheepten een detachement mariniers, die met

geweren, revolverpistolen en enterbijlen gewapend waren.

Plotseling werd een kreet te midden van dat detachement, hetwelk door

een officier aangevoerd werd, vernomen.

Hij die dien kreet geslaakt had, sprong uit het gelid en stormde op

miss Alice Stannard toe.

»Miss Alice!... Miss Alice!"... riep hij.

»Mars!... Mars!..." riep het jonge meisje uit, dat hoogst verwonderd

was, zich tegenover den echtgenoot van Zermah te bevinden.

Men vermeende toch, dat de mesties in de Sint John verdronken was.

»Mijnheer Gilbert?... Waar is mijnheer Gilbert?" vroeg Mars onstuimig.

»Hij en master Burbank zitten gevangen," antwoordde het jonge

meisje. »O, Mars, red hen, red den zoon, red den vader!"

»Dat zullen wij doen!" riep de mesties.

En zich naar het detachement wendende, sleepte hij de manschappen

mede met den kreet:

»Naar de gevangenis!... Naar de gevangenis!"

Allen volgden hem op de hielen en haastten zich om te voorkomen,

dat eene laatste misdaad misschien op bevel van Texar zoude gepleegd

worden.

Master Harvey en miss Alice Stannard volgden hen.

Maar hoe kwam het dat Mars zoo onverwacht kon optreden?

Dat zullen wij trachten duidelijk te maken.

Toen hij in de rivier gesprongen was, had Mars veel moeite om niet

door de kolken, die men op de zandbank aantreft, verzwolgen te worden,

maar hij was een koene zwemmer en wist ze allen te mijden. Ja, hij

had zijn leven gered; maar uit voorzichtigheid had de moedige mesties

zich wel gewacht te Castle-House te doen weten, dat hij er heelhuids

afgekomen was. Wanneer hij er een onderkomen ging zoeken, dan bracht

hij zijne eigene veiligheid in gevaar, en hij moest in volle vrijheid

blijven, om zijn doel te kunnen bereiken. Hij zwom dan ook naar den

rechter oever, sloop tusschen de biezen door, welke langs de boorden

der rivier groeiden en kwam zoo ter hoogte van de kanonneerbooten

terecht. Daar werden zijne seinen opgemerkt. Een sloep werd uitgezet en

die bracht hem naar het vaartuig van den commandant Stevens over. Deze,

zoo spoedig mogelijk op de hoogte van den stand van zaken gesteld,

begreep het dreigende gevaar, waarin Gilbert verkeerde. Hij wendde dan

ook alle pogingen aan, om door de geul over de bank te geraken. Wij

weten het, die pogingen waren vruchteloos geweest, en zij zouden,

nu de springvloed voorbij was, stellig opgegeven zijn, wanneer niet

de orkaan den waterstand gedurende den nacht plotseling had doen

rijzen. Toch zouden de kanonneerbooten te midden van de ondiepten van

dat zeer moeilijke en gevaarvolle vaarwater op het droge geraakt zijn,

wanneer niet iemand aan boord geweest was. En die iemand was thans

Mars. Hij had de kanonneerboot, waarop hij te huis behoorde, behendig

geloodst; de anderen waren die eerste stipt nauwkeurig gevolgd en

zoo waren die oorlogsvaartuigen, in weerwil van orkaan en golfslag,

over de bank geraakt. Vóórdat dan ook de mist het rivierbekken van de

Sint John beneveld had, lagen zij voor Jacksonville in gevechtstelling

ten anker en hielden die stad onder haar geschutvuur.

Maar het was tijd ook; want de beide veroordeelden zouden, zooals

wij weten, bij het aanbreken van den dag doodgeschoten worden. Thans

hadden zij integendeel reeds niets meer te vreezen. Het wettig gezag

was weer in handen der goedgezinden weergekeerd, en hadden de door

Texar ontzette magistraten het bestuur dadelijk overgenomen. Toen

dan ook Mars en zijne makkers voor de gevangenis aankwamen, trad

master James Burbank en zijn zoon Gilbert naar buiten. Zij waren

onvoorwaardelijk in vrijheid gesteld.

De jeugdige officier sprong vooruit en klemde met een kreet van vreugde

op de lippen miss Alice aan zijne borst, terwijl master Walter Stannard

en master James Burbank een niet minder hartelijken handdruk wisselden.

»Lieve Alice!..."

»Gilbert!"

Meer konden de jongelieden niet uitbrengen. Hunne omhelzingen waren

evenwel te inniger en moesten goedmaken, wat zij aan woorden te

kort kwamen.

»Mijne moeder!" riep Gilbert Burbank eindelijk uit.

»Wees gerust."

»Hoe is het met haar gesteld? Leeft zij nog na al die rampen?"

»Ja, zij leeft nog," antwoordde miss Alice.

»Kom, vader, kom dan!"

»Waarheen, Gilbert?"

»Naar Castle-House!... Ja, naar Castle-House."

»Thans?..." vroeg de vader met nadruk.

»Zeker, thans, vader!"

»Neen, niet voordat recht zal gedaan zijn!" antwoordde James Burbank.

Mars had zijnen meester begrepen. Hij was reeds vooruit naar het

plein gesneld, met de hoop daar Texar nog aan te treffen.

Zou de Spanjaard het hazenpad nog niet gekozen hebben, om aan de

gerechte represaille-maatregelen te ontkomen?

Zou hij niet getracht hebben de uitingen van het beleedigd rechtsgevoel

der welgezinden te ontgaan met zijne aanhangers en met allen, die

eene verdachte rol bij de gepleegde uitspattingen gespeeld hadden?

Zou hij de militie-troepen niet gevolgd zijn, die in vollen aftocht

waren, om eene schuilplaats in de moerassige gedeelten van het

graafschap te zoeken?

Men kon, men moest dat gelooven.

Maar een groot getal inwoners van Jacksonville hadden zich, zonder

op de daadwerkelijke tusschenkomst der Federalisten te wachten,

naar Court-Justice gespoed. Zij hadden Texar gevangen genomen op

het oogenblik dat hij de vlucht wilde nemen, en bewaakten hem thans

nauwkeurig. Hij scheen zich evenwel al zeer gedwee in zijn lot te

schikken.

Toen hij evenwel Mars ontwaarde, begreep hij dat zijn leven gevaar

liep.

En inderdaad, de mesties wierp zich op hem en greep hem, in weerwil

van den tegenstand van hen, die den Spanjaard bewaakten, met ijzeren

vuist bij de keel. Nog een oogenblik, dan zou de aterling geworgd zijn,

toen master James Burbank en zijn zoon Gilbert verschenen.

»Wat is hier te doen?" riep Gilbert bij het zien der worsteling uit.

»Neen!... Bij God, neen! Levend, ja levend!" kreet James Burbank,

die begreep wat er gaande was. »Hij moet leven!...Hij moet spreken!"

»Gij hebt gelijk, master," sprak Mars. »Ja, hij moet leven om te

spreken!"

Texar zat weinige minuten later achter slot in dezelfde cel, waarin

zijne slachtoffers het oogenblik hunner terechtstelling hadden

afgewacht.

V.

DE INBEZITNAME.

De Federalisten waren eindelijk meester van Jacksonville en

beheerschten derhalve de geheele Sint John. De debarkementstroepen,

die door den commandant Stevens aan wal gezet waren, bezetten dadelijk

de voornaamste punten der hoofdstad.

De leden van de regeering der oproerlingen hadden de vlucht

genomen. Alleen Texar was den vertegenwoordigers van het wettige

gezag in handen gevallen.

Wat opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat de bewoners der stad

de officieren der flottilje, die het gouvernement van Washington

vertegenwoordigden, vrij bevredigend ontvingen. Hiertoe bracht

waarschijnlijk veel bij, dat zij de uitspattingen van allerlei aard,

die in de laatste dagen bedreven waren, vrij wel moede waren, ook dat

de quaestie omtrent den slavenhandel, die door wapengeweld tusschen

Noord en Zuid zou beslist worden, hen vrij onverschillig liet.

Gedurende dien tijd hield de Commodore Dupont, die zijn hoofdkwartier

te Sint Augustijn opgeslagen had, zich onledig met de Floridasche

kust te doen blokkeeren, om haar zoodoende tegen het invoeren van

oorlogs-contrabande ontoegankelijk te maken. De vaarwaters tusschen

de Mosquito-eilandjes waren weldra gesloten. Dat maakte een einde aan

den ongeoorloofden handel in wapens en munitie, welke met de naburige

Lucayische- en met de Engelsche Bahama-eilanden gedreven werd.

Men kon toen met grond beweren, dat van dat oogenblik af de Staat

Florida onder het gezag der Federale Regeering van Washington

teruggebracht was.

Dienzelfden dag staken master James Burbank, zijn zoon Gilbert,

master Walter Stannard en zijn dochter miss Alice de Sint John over,

om naar Castle-House weder te keeren.

Master Perry en de onder-administrateurs van het landgoed Camdless

Bay stonden hen met een groot aantal der gewezen negerslaven, die op

de plantage teruggekeerd waren, op de pier langs de kleine havenkom af

te wachten. De lezer zal wel bevroeden, met welke innige hartelijkheid

en met welke vreugdekreten en toejuichingen zij ontvangen werden. Het

was inderdaad een aandoenlijk tafereel.

Behoeft het nog gezegd te worden, dat master James Burbank en zijn

zoon, alsook master Walter Stannard en zijne dochter zich een oogenblik

later aan het bed van mevrouw Burbank bevonden?

Bij het weerzien van Gilbert, maar ook toen eerst, vernam de zieke

alles wat er voorgevallen was. De jeugdige officier klemde haar in

zijne armen en drukte haar aan zijne borst, terwijl Mars hare handen

kuste. Zij zouden haar voortaan niet meer verlaten. Miss Alice zou haar

hare zorgen kunnen wijden. Alice zoude zich aan die taak wijden. Zij

zou weldra hare krachten terugkrijgen. Daarvan waren allen overtuigd.

Voortaan waren de kuiperijen van Texar en van hen, die hem bij

zijne euveldaden en wraakoefeningen geholpen hadden, niet meer te

duchten. De Spanjaard was in handen van de Federalisten en dezen

hadden Jacksonville in hunne macht.

Maar al behoefde de wederhelft van master James Burbank, al behoefde

de moeder van Gilbert niet meer voor het leven van haren echtgenoot

en van haren zoon te vreezen, dan zouden zich thans al hare gedachten

op haar ontvoerd dochtertje vestigen.

Zij snakte naar de kleine Dy, evenals Mars naar Zermah verlangde.

»Dy!..." prevelde de arme moeder.

»Zermah!..." zuchtte Mars.

»Weest gerust," sprak James Burbank, »wij zullen hen terugvinden!"

De arme moeder keek hem smeekend aan.

»Ja, wij zullen hen terugvinden," vervolgde de eigenaar van Camdless

Bay. »Gilbert en Mars zullen mij bij mijne nasporingen vergezellen."

»Ja, vader, dat zullen wij!" riep de jeugdige officier uit. »Wij

mogen geen oogenblik verloren laten gaan!"

»Neen, dat mogen wij niet!" kreet Mars op zijne beurt.

»Daar Texar in onze macht is!"

»In onze macht?"

»Ja, in de macht onzer partijgenooten... En daar hij in onze macht is,

zal hij wel moeten bekennen."

»Maar wanneer hij weigert te bekennen?" vroeg master Walter Stannard.

»Wanneer hij weigert?..."

»Ja, wanneer hij beweert, dat hij van de ontvoering van de kleine Dy

en van Zermah niets afweet?"

»Hoe zou hij dat durven?" riep Gilbert uit.

»Die kerel durft alles; wees daarvan verzekerd."

»Maar heeft Zermah hem dan niet in de Marino-Kreek herkend?"

»Jawel; Zermah is echter niet aanwezig om dat te getuigen."

»Hebben Alice en mijne moeder niet gehoord, dat Zermah haar den naam

van Texar toeriep, op het oogenblik dat het vaartuig, waarmede zij

ontvoerd werd, van wal stak?"

»Dat is zoo, maar..."

»Neen, er is geen twijfel mogelijk, dat hij die ontvoering bedreven,

dat hij haar in persoon geleid heeft!"

»Ja!..." zei miss Alice Stannard. »Hij! hij in persoon! Ik heb hem

goed herkend... Hij stond rechtop bij de achterplecht van de sloep,

die naar het midden der rivier stevende!"

»Ja!... hij was het!" riep mevrouw Burbank, die zich oprichtte,

alsof zij uit haar bed wilde springen.

»Welnu, aangenomen dat het Texar was," antwoordde master Walter

Stannard. »Wij stellen zelfs, dat twijfel dienaangaande niet mogelijk

is..."

»Welnu, dan is de zaak helder," meende master James Burbank.

»Maar wat te doen, wanneer hij weigert, pertinent weigert mededeeling

te doen van de plaats, waarheen de kleine Dy en Zermah op zijn bevel

gevoerd zijn?" vroeg master Stannard.

»Dat zou schrikkelijk zijn!" kreet Gilbert.

»Waar moeten wij hen zoeken?" ging de vader van miss Alice voort.

»Ja, waar?"

»Gij weet het toch, wij onderzochten, helaas! tevergeefs, de beide

oevers der rivier zoo nauwkeurig mogelijk, en dat nog wel over eene

uitgestrektheid van vele mijlen."

Helaas, op die vragen, door master Walter Stannard gesteld, was geen

antwoord te geven. Dat begrepen alle aanwezigen. Alles hing af van

hetgeen de Spanjaard mededeelen zoude. Alles hing er van af, of zijn

belang medebrengen zou, te spreken of te zwijgen.

»Maar zeg eens?..." vroeg Gilbert Burbank, meer om den gedachtenloop

te verbreken, die voor iedereen pijnlijk was, dan wel dat hij bepaald

eene vraag wenschte te stellen.

»Wat wilt ge weten?" hernam zijn vader.

»Weet men niet, waar die ellendeling gewoonlijk huisvesting zocht?"

»Neen, dat weet men niet en dat heeft men nooit geweten," antwoordde

James Burbank.

»Maar, toch..."

»In het zuidelijk gedeelte van het graafschap worden zulke uitgestrekte

wouden aangetroffen, zulke ondoordringbare moerassen, die hem eene

veilige schuilplaats aanboden. Het zou vergeefsche moeite zijn,

die wildernissen te doorzoeken, waarin de federalistische soldaten

zelfs de militie-troepen onmogelijk kunnen vervolgen. Neen, neen,

zoo iets kunnen wij niet."

»O, ik moet mijne dochter hebben!" riep mevrouw Burbank, die in

hare opgewondenheid niet dan met veel moeite door haren echtgenoot

bedwongen kon worden.

»En ik... ik moet mijne vrouw hebben! Ja, ik moet mijne vrouw

hebben!" riep Mars uit. »En ik zal dien aterling wel noodzaken mij

te zeggen, waar zij is!"

»Dat zal hij wel moeten!" zei Gilbert, op wiens gelaat de grootste

vastberadenheid te lezen stond.

»Ja," hernam master James Burbank, »wanneer die ellendeling bemerken

zal, dat er zijn leven mede gemoeid is en dat hij dat leven redden

kan, door te spreken, geloof mij, dan zal die lafaard geen oogenblik

aarzelen!"

»Dat dunkt mij ook," sprak master Walter Stannard.

»Als hij er in geslaagd was de vlucht te nemen," vervolgde de eigenaar

van Camdless Bay, »dan zouden wij kunnen wanhopen. Maar nu hij in

handen der Federalisten gevallen is, zullen wij hem zijn geheim wel

weten te ontrukken."

»Ja, dat zullen wij!" bevestigde Gilbert Burbank vastberaden.

»Heb vertrouwen, mijne arme vrouw," ging master James Burbank

voort. »Vergeet nooit, dat wij er zijn en dat wij u uw kind zullen

terugbrengen!"

»Ja, dat zullen wij," herhaalde Gilbert met geestkracht.

»Ja, dat zullen wij!" sprak Walter Stannard.

»Ja, dat zullen wij!"

Mevrouw Burbank viel uitgeput achterover in haar bed. Men moest haar

rust gunnen. Miss Alice, die haar niet verlaten wilde, zou bij haar

blijven, terwijl master Walter Stannard, master James Burbank, Gilbert

en Mars zich naar de binnengalerij begaven, om daar met Edward Carrol

te beraadslagen.

En ziehier, waartoe men besloot:

Men zou, alvorens tot handelen over te gaan, tijd aan de

federalistische autoriteiten gunnen, om de heroverde streken te

organiseeren en het veilige bezit daarvan te verzekeren. Daarenboven

was het noodzakelijk, dat de Commodore Dupont op de hoogte gebracht

werd niet alleen van den staat van zaken te Jacksonville, maar ook

omtrent het gebeurde op de plantage Camdless Bay. Het zou wellicht

oirbaar geacht worden, dat Texar voor eene militaire rechtbank geroepen

werd. In dat geval zou de behandeling dier rechtszaak geheel van den

commandant van het expeditionnair legerkorps in Florida afhangen,

en de bekwame spoed, waarmede zij geïnstrueerd zoude worden, geheel

aan de inzichten van dien hoofdofficier onderworpen zijn.

Intusschen waren Gilbert Burbank en Mars niet voornemens dien dag

en den daaropvolgenden te laten eindigen, zonder hunne nasporingen

te beginnen. Zij wilden, in de hoop van wellicht de een of andere

aanwijzing machtig te worden, de rivieren opstevenen, terwijl master

James Burbank, master Walter Stannard en Edward Carrol hunne pogingen

elders zouden aanwenden.

Viel er intusschen niet te duchten, dat Texar inderdaad zou weigeren

te bekennen, dat hij, door zijn wraakzuchtig karakter gedreven, niet

verkiezen zou de doodstraf te ondergaan, dan wel te kunnen besluiten

om zijne slachtoffers weer te geven? Men moest er op bedacht zijn,

zonder zijne aanwijzingen te werk te kunnen gaan.

Volgens dien gedachtengang was het van zeer veel belang te weten, waar

hij in gewone omstandigheden woonde. Maar de pogingen daartoe bleven

vruchteloos. Men wist niets omtrent de Zwarte Kreek. Men meende ter

goeder trouw, dat die lagune-vorming geheel en al ontoegankelijk was.

Gilbert Burbank en Mars voeren dan ook verscheidene malen de dichte

struiken van den oever voorbij, zonder den nauwen ingang te ontdekken,

waarlangs hun licht vaartuigje toegang tot dat binnenwater zoude

verkregen hebben.

Gedurende den geheelen dag van den 13den Juni deed zich niets

opmerkenswaardig voor, noch iets dat op eene wijziging in den staat

van zaken duidde.

Te Camdless Bay was men begonnen met de reorganisatie der plantage

langzamerhand in te voeren. De vrijgemaakte slaven, die genoodzaakt

waren geweest om een goed heenkomen te zoeken, keerden van alle

streken van het grondgebied en uit de naburige bosschen en wildernissen

langzamerhand, maar in grooten getale terug.

Hoewel zij door de edelmoedige schenkings-acte van master James Burbank

in volle vrijheid gesteld waren, zoo beschouwden zij zich toch niet

geheel en al ontslagen van iedere verplichting jegens hem. Zij zouden

zijne dienaren, zijne dienstboden zijn, als zij zijne slaven niet meer

mochten blijven. Zij waren ongeduldig geweest om naar de plantage te

kunnen terugkeeren, om daar hunne barakken, die door de benden van

Texar verbrand waren, weer op te bouwen, om de werkplaatsen weer op

te richten, om de scheepstimmerwerven te herstellen, in één woord:

om den arbeid te hervatten, waaraan zij gedurende zoovele jaren de

welgesteldheid en het geluk hunner huisgezinnen te danken hadden.

Men begon met de reorganisatie van den landbouwdienst der

plantage. Master Edward Carrol, wiens wond nagenoeg genezen was,

had zijne gewone bezigheden kunnen hervatten. Ook de administrateur

Perry en zijne ondergeschikte opzichters legden zeer veel ijver

aan den dag. Tot zelfs Pyg schroomde niet, veel beweging te maken,

hoewel hij ouder gewoonte bitter weinig uitvoerde. De arme dwaas

was wel ontnuchterd geworden, ten opzichte zijner denkbeelden van

weleer. Praatte hij er nog over, dat hij geen slaaf maar een vrij

mensch was, dan handelde hij toch als een kalme vrijgelatene. Het

scheen wel eens, dat hij niet goed wist wat uit te voeren met die

vrijheid, welke hij thans met volle recht kon genieten. Soms was die

vrijheid hem daadwerkelijk tot last.

Om kort te gaan, het geheele dienstpersoneel der plantage zoude te

Camdless-Bay terugkeeren, zoodra de verwoeste gebouwen hersteld waren,

en dan zoude de onderneming haar gewoon uiterlijk hernemen en zou de

gang der zaken hervat worden, alsof er niets gebeurd was.

Wat ook de uitslag van den Secessie-oorlog mocht wezen, de hoop mocht

gekoesterd worden, dat de veiligheid van personen en goederen voor

de planters van den Staat Florida gewaarborgd zoude zijn en dat de

openbare rust niet meer verstoord zoude worden.

De orde te Jacksonville was weldra hersteld geworden. De

federalistische krijgsmacht had zich tot taak gesteld, zich volstrekt

niet in de gemeentelijke bestuurszaken te mengen, hetgeen den staat

van zaken zeer vereenvoudigde.

De Noordelijken hadden de stad slechts met hunne troepen bezet, en

lieten het bestuur aan de vroegere autoriteiten over, die door het

uitbreken van het oproer voor eenige weken van hunne zetels ontzet

waren geworden.

Daar bovendien het meerendeel der bevolking zich volmaakt

onverschillig toonde omtrent de quaestie, welke de Vereenigde Staten

van Noord-Amerika verdeelde, stuitte het haar niet, dat zij het hoofd

moest bukken voor de overwinnaars en kon de vlag met de strepen en

de sterren zonder hinder geheschen worden op de openbare gebouwen.

De partij der eenheid van de groote Staten-republiek zou in de

districten van Florida geen enkelen tegenstander meer aantreffen. Men

gevoelde wel, dat de leer der »states-rights," zoo dierbaar aan

de bevolking der Zuidelijke Staten, zooals in Georgië, in de beide

Carolina's, niet met die geestdrift begroet was en verdedigd zoude

worden als elders bij de afscheidingsgezinden het geval was, zelfs

wanneer de federalistische troepen genoodzaakt zouden worden terug

te trekken.

Ziehier welke gebeurtenissen zich op het oorlogstooneel van

Noord-Amerika voorgedaan hadden.

De geconfedereerden of Zuidelijken hadden, met het doel om

de legermacht van hunnen Generaal Beauregard te steunen, zes

kanonneerbooten afgezonden, die onder de bevelen van den Commodore

Hollins gesteld waren en stelling genomen hadden op de Mississippi

tusschen New Madrid en het eiland Tien.

De strijd tusschen Noord en Zuid De Zwarte Kreek van Texar · 第 5 / 18 段