II. Het Mazdeïsme der Gatha's.

Wat nu leerde deze nieuwe godsdienst? Hij prees aan den dienst van

Mazda, ook wel Ahura Mazda geheeten, d. i. de wijze heer. Deze wordt

voorgesteld als de schepper aller dingen, hemelsche en aardsche,

geestelijke en stoffelijke. "Wie," zoo heet het van hem in een der oude

liederen, [169] "heeft aan zon en sterren den weg gewezen? Wie maakt,

dat de maan wast en afneemt? Wie houdt de aarde en de wolken daarboven

terug van den val? Wie (schiep) de wateren en de boomen? Wie heeft

aan den wind en den donder snelheid verbonden? Welke kunstenaar heeft

het licht en de duisternis geschapen, welke kunstenaar den slaap en de

waakzaamheid? Wie morgen, middag en nacht, die den geest besturen van

hem, die de orde (den geregelden offerdienst) in acht neemt?... Wie

schiep in 's vaders gemoed het verlangen naar een zoon?"

Ook de mensch wordt genoemd een schepping Gods. "Van den aanvang af,

Mazda! hebt gij ons geschapen door uwen geest als levende, zelfbewuste

en verstandige wezens, hebt gij een lichaam gegeven aan de ziel,

en daden en leeringen, waarop (de mensch) vrijwillig zijn keuze

vestigt." [170]

Alles roept Mazda in 't leven: hij schept Vohumano (de goede

gezindheid), de lieflijke Armaiti (de vroomheid) met Khsathra

(het ware rijk). [171] Geeft hij dezen als goede geniussen aan den

mensch (deze drie worden met nog vier anderen in de Gatha's als zijn

trawanten voorgesteld), hij zorgt ook voor de dieren. En wel in

de eerste plaats voor de koe. Dit kan ons niet verwonderen, omdat

dit hèt dier van den landbouw is en de godsdienstige hervorming,

waarover wij spreken tevens bedoelde de oude Iraniërs tot vrome,

gezeten, landbouwende huisvaders te maken.

Het oude volksgeloof trouwens eerde reeds de koe. Het wist te

verhalen, dat de eerstgeschapenen op aarde waren een eenig rund en een

menschvormig wezen. Beiden werden echter gedood en uit het menschvormig

wezen kwamen voort de twee eerste menschen, terwijl uit het lichaam

van den gedooden stier een aantal voedings- en geneeskundige planten

zich ontwikkelden. Het zaad van den stier echter werd gezuiverd in

de maan en daaruit kwam voort het eerste runderpaar: vader en moeder

der geheele dierenwereld. De ziel van het gedoode rund, Géus Urva,

ging echter ten hemel.

Deze mythe nu wordt door Zoroaster verder uitgewerkt, in een gesprek

tusschen Géus Urva en hemelsche machten. Daarin klaagt "de ziel van

het rund" over het geweld, waaraan zij ter prooi is. Géus tasan,

de schepper van het runderpaar, vraagt dan aan Asa, een van Mazda's

trawanten, welke ordeningen deze voor het rund heeft ingesteld. Het

blijkt, dat het nog geen beschermer heeft, geen meester, die het

voedt en verzorgt. En nu wordt Zarathustra (Zoroaster), als zijn

beschermer aangesteld: hij zal, door Mazda's geboden te verkondigen,

het rund beschermen. Zoo treedt de groote profeet als beschermer van

landbouw en veeteelt op.

Merkwaardig is, dat ook de aarde zelve wordt voorgesteld als een

koe, de gelukbrengende of gaveschenkende, die besproeid moet worden,

wil men haar voor het akkerwerk geschikt maken.

Men ziet, hoe nauw landbouw en godsdienst hier verbonden zijn: de

nauwgezette landbouwer, die goed voor zijn vee is en de aarde naar

eisch bebouwt vervult daardoor tevens een plicht tegenover Mazda.

Wat Mazda zelf voorts betreft, hij wordt evenals Varuna bij de oude

Indiërs [172] voorgesteld als de Alziende, die niet bedrogen kan

worden; de Wachter, wiens oogen bespeuren niet alleen wat in het

openbaar, maar ook wat in het verborgen beraamd wordt; de Rechter,

die weet wat menschen zullen doen of gedaan hebben. Hem moet de

geloovige, de wijze zoowel als de landbouwer, vragen wat het rechte

is, hem "die rechtvaardig regeerende aan de schepselen de ordeningen

des rechts voorschrijft."

Mazda is dus is allen deele de groote, eigenlijk de eenige

god. Dit sluit echter niet uit, dat er naast hem--voornamelijk een

zestal--hemelsche trawanten voorkomen. Echter moeten wij hierbij

bedenken: 1e dat Mazda altijd als ver verheven boven deze trawanten

wordt voorgesteld, 2e dat deze trawanten nauwelijks als personen,

veeleer als verpersoonlijkte deugden worden voorgesteld.

Wat deze trawanten betreft, in de eerste plaats moet daaronder

genoemd worden Vohumano = de goede gezindheid. Daarmee wordt bedoeld,

wat wij noemen: den heiligen geest: door zijn daden groeit Mazda's

heerschappij, de gemeente der vromen draagt zijn kenteekenen, hij is

de hemelsche vertegenwoordiger aller wezens.

Dan volgt Asa = hetgeen voegzaam, passend, vroom is. Deze is feitelijk,

wat wij noemen de goddelijke wereldorde; hij omvat alle plichten

van den mensch in 't algemeen en in het bizonder die tegenover de

hemelsche machten. Elken dag schept hij de ordeningen van Vohumano

(bij den eeredienst). Als vertegenwoordiger van den offerdienst

(waaraan de Ariërs zoo groote macht en zegen toekenden) is hij de

grootste vijand der Drukh's (booze geesten), die zijn stichtingen

vernielen. Een derde hemelgeest, of liever verpersoonlijking, is

Khsathra, het hemelsche, het ideale rijk, waarin is eerbied voor het

volmaakte, vergeving van zonden, de woonplaats der hoogste geesten,

het rijk, waaraan eenmaal de vrome volkomen deel hoopt te hebben,

hoewel Khsatra's zegeningen ook reeds hier op aarde worden gesmaakt.

Mazda, heet het, schiep Asa door zichzelf, doch Khsatra door Vohumano:

m. a. w. het ware rijk komt tot stand door den heiligen geest.

Een vierde trawant is Armaiti = de richtig zorgende, ook wel de

goede aardmoeder genoemd. Zij is de beschermster van den landbouw, de

dochter van Mazda, die met Géus tasan in zijn hemelsche gemeenschap

leefde. Mazda gaf haar de keuze, wie zij wilde beschermen; zij koos

toen: den vromen huisheer, den ijverigen landman.

Met haar komt de ware heerschappij, die een goede woning verzekert,

den landbouw doet beoefenen en de bloeddorstige vijanden verlamt.

Steeds wordt deze godin nauw met Asa, de ware vroomheid, vereenigd

gedacht; wier schepping en zetel zij heet. M. a. w. vroomheid en

landbouw moeten hand aan hand gaan.

Dan volgen twee machten, eigenlijk komen ze in de Gatha's niet

als personen, slechts als begrippen voor, die onafscheidelijk zijn

verbonden. Zij zijn Haurvatat en Ameretat. De eerste naam beteekent:

volkomen heil, de tweede: onsterfelijkheid. Somtijds heeten zij de

spijzen van Mazda, die hij in zijn rijk aan de vromen schenkt, nadat

hij hun op aarde kracht en duurzaamheid (de aardsche zegeningen,

die aan deze hemelsche beantwoorden), heeft geschonken.

Eindelijk hebben wij Sraosa, die nog weinig als genius in de Gatha's

voorkomt, maar gewoonlijk eenvoudig "gehoorzaamheid" beteekent. Hij

wordt voorgesteld als de middelaar tusschen hemel en aarde, ook heet

hij: de weg tot de godheid.

Men ziet, dat de zooeven genoemde geniussen: Vohumano, de goede

gezindheid; Asa, de vroomheid, Khsatra, het rijk van den goeden

geest, Armaiti, de richtig zorgende, Haurvatat, het volkomen welzijn,

Ameretat, de onsterfelijkheid en Sraosa, de gehoorzaamheid, geen

eigenlijke goden zijn. Hoogstens zijn zij werkingen, openbaringen van

den éénen hoogsten God, Mazda. Feitelijk en praktisch, zoo zegt Tiele,

was het oude Mazdeïsme vereering en erkenning van éénen God.

De leer van éénen God.--En--zegt de lezer misschien, de oud-Perzische

leer is bekend om zijn dualisme, zijn aannemen van twee wereldmachten,

een goede en een booze: Ahura Mazda en Anro-mainyu. Zeer zeker. Doch

vooral van het latere Mazdeïsme, zooals het zich in een volgende

periode ontwikkelde, geldt dit. Hier in de Gatha's vinden wij

het dualisme nog slechts onvolkomen. Wel wordt er gesproken van

twee geesten, vahyo = het goede en akem = het slechte, beiden zich

uitende in denken, spreken en handelen. Beiden zijn echter ten slotte

aan Mazda, dien men later met den goeden dezer beide geesten zou

vereenzelvigen, ondergeschikt. Die goede en die booze geest treden met

elkander in overleg en besluiten elk naar zijn welbehagen te scheppen,

de een het leven, de ander het niet-leven.

Het slechtste bestaan zou voor de boozen, de leugenaars, het beste voor

den gerechte, den vrome zijn. De een verkiest nu het kwade te doen,

de ander het goede te scheppen en met den laatste houden het allen,

die wenschen Ahura Mazda te behagen.

Van een duivel tegenover den goeden god: Anro-mainyu tegenover Ahura

Mazda, wordt hier dus nog niet gesproken. Wel worden booze machten

erkend, die den Algoede bekampen. Doch het slechte heet akem (niets).

Hier is dus wel dualisme, doch: boven alles en allen staat Mazda,

van wien wordt verzekerd, dat hij de hemelsche kunstenaar is, die

licht en duisternis, slaap en waakzaamheid, morgen, middag en nacht

schept. Later zou dit anders worden: alle zedelijk, maar ook alle

natuurlijk kwaad: d. i. duisternis, slaap, enz. zouden gebracht worden

tot het gebied van Anro-mainyu, den booze.

Toch: het zou altijd blijven een betrekkelijk dualisme: Anro-mainyu

zou in macht nooit halen bij Mazda. Evenwel: voor de praktijk lag er

in dit dualisme een groote kracht, het liet geen transactie toe met

het kwaad en stelde den mensch in staat om moedig, hoopvol en fier

den strijd, hem opgelegd, te volstrijden.

Mazda was dus de eenige god.--Doch--onder het Perzische volk was

vrijwel inheemsch de dienst der daeva's, der oude goden, die men

reeds vroeger, toen men nog met de Indiërs samenwoonde, vereerde. Die

vereering wilde men fnuiken: zij toch stond de erkenning van Mazda

als den volstrekt-Eenigen in den weg. Doch hoe?

In een der oudste teksten vinden wij deze voorstelling: de daeva's

werden gesteld voor de keuze tusschen de twee oorspronkelijke

geesten, de goede en de booze, en verklaarden zich voor den

laatste. M. a. w. hier straalt door, dat ook de daeva's eenmaal vereerd

werden, doch dat zij, als met de meer geestelijke godsvereering van

het Mazdeïsme in strijd, werden ter zijde gesteld.

Tweeërlei keus was voorgesteld aan de daeva's, ook aan den mensch. Hij

kon Mazda en diens profeet Zarathustra volgende, partij kiezen voor

den goeden geest, of zich scharen aan de zijde van Daeva's en Drukhs,

de booze machten, waarvan Aesma een der voornaamste is.

Doet hij het eerste, dan gaat zijne ziel bij den dood over de smalle

brug Çinvat naar de Garo demana, de liederenwoning, waar Mazda met

zijn trawanten is, waar dezen zich voeden met de spijs en drank der

onsterfelijken (haurvatat en ameretat), waar Mazda der vromen gebeden

hoort en verhoort en waar hen het loon wacht, door Zarathustra van

ouds beloofd.

Geheel anders is het lot van hen, die zich met het rijk des boozen

verbinden. Ook zij moeten over die brug Çinvat ("de brug van het

verzamelen"), waar dus allen samenkomen, goeden en boozen. Doch, zij

bereiken den hemel niet. Zij storten van de brug af in den afgrond

terneder; sidderend en bevend voor het lot, dat hen als leugendienaars

wacht. Eeuwige ellende en duisternis is hun bereid, een eindeloos

gejammer gaat er op van de verdoemden, die door de booze geesten met

afgrijselijke spijzen worden gevoed.

Zoo heeft er een oordeel plaats, onmiddellijk na den dood. Later

echter komt een eindoordeel, "de voleinding der wereld" zooals het

in de oude teksten heet. Dan vervangt Mazda's begeerlijke wereld

deze gebrekkige, het hoogste goed wordt het deel zijner dienaren,

het slechte deel krijgen zijn haters dan in alle volheid.

Hoe nu echter moet men Mazda dienen en het rijk des boozen

weerstaan? Wat zijn de plichten van zijn vereerder? Men moet

Mazda eeren in gedachten, woorden en daden. Daarbij worden dan

de gedachten in verband gebracht met Mazda zelven, de woorden

met Sraosa en Khsatra, de daden met Asa. Vooral op deze laatsten,

die de gezindheid nog beter doen kennen dan de woorden, wordt de

nadruk gevestigd. Trouwens het Mazdeïsme is een godsdienst, die

zoover mogelijk er van afstaat om het heil te zoeken in mystieke

bespiegeling en stille wereldontvluchting. Werkzaamheid is hier het

wachtwoord. Door eigen inspanning moet men zijn levensonderhoud zoeken,

ijverig de aarde bebouwen en door bevordering van het gezeten leven

Mazda's gebied uitbreiden.

Mazda's gebied: de dorre, onbebouwde wildernis toch behoort tot het

terrein van de booze geesten. Maar waar de landbouw komt, daar komt

ook Mazda's rijk. IJverig zorgen voor den vrome en voor de aarde:

onder het beeld van een heilige koe voorgesteld, worden in éénen

adem als de plichten van den godsdienstigen mensch genoemd. Men moet

dus Mazda's dienaar zijn, niet slechts door offers en gebeden, niet

slechts door betrachting van reinheid naar lichaam en ziel en door

heilig houden van het gewijde vuur: zijn openbaring, maar ook door

de aarde te bebouwen, leven en vruchtbaarheid rondom zich te scheppen.

Licht begrijpt men, dat hier aan geen voorkeur voor het ongehuwde leven

valt te denken: integendeel, het huwelijk is een godsdienstige plicht,

het zonder echtgenoot zijn een ramp voor de vrouw. Vele kinderen

zijn een van de grootste zegeningen des hemels. In vele opzichten

worden wij hier herinnerd aan de wettelijke voorschriften des Ouden

Testaments. Evenmin als daar is ook hier plaats voor zachtheid jegens

den vijand. Integendeel: het is plichtmatig het rijk des boozen en

dus ook zijn dienaars ter neder te werpen. Den leugendienaar, zoo

heet het, "onderwijze men met het zwaard." Hem te sparen is zondig;

doet men dat, zoo gaat men zelf op weg naar de woningen des boozen.

Wat den eeredienst betreft: daarin nam het "roode, heete vuur"

van Mazda, dat heilig gehouden moest worden, de eerste plaats

in. Ook bracht men offeranden: deze bestonden vooral uit vleesch,

voorts uit een offerkoek, die Haurvatat en een drank, die Ameretat

vertegenwoordigde. Gewijde spreuken werden daarbij gesproken,

offerzangen aangeheven. Daarmee was de priester belast, de priester,

die van Mazda diens welbehagen leerde.

Zoo ongeveer was het oude Mazdeïsme, een eenvoudige, practische

godsdienst. Straks zal het zich in sommige opzichten vervormen. Het

zal, in het practische leven optredend, genoodzaakt zijn, veel van

den ouden volksgodsdienst weer op te nemen, doch ook: het besef

Mazda's medestrijder te zijn, zal straks meer ethisch, meer verheven

worden opgevat. En scherper dan te voren, zal het dualisme aan het

licht treden, Ahura Mazda en Anro-mainyu komen tegenover elkaar te

staan, beiden als hoofden van een machtig rijk: toch blijft Mazda

de machtigste.

De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme · 第 48 / 78 题