Wanneer wij gelezen hebben van de aloude wijsheid der Brahmanen en ons
daarop hebben verplaatst, in den eigenaardigen, rustig-bepeinzenden
geest van het Boeddhisme, moet het ons vreemd aandoen, als wij uit
die Indische wereld van peinzen en bespiegeling ons begeven naar
het oude Iran, ten einde ons te verdiepen in den godsdienst van
Zoroaster. Uit een wereld van subtiele droomerijen komen wij dan
in eens met beide voeten op den bodem der werkelijkheid, uit een
godsdienst die boven alles den vrede zoekt en allen strijd schuwt,
komen wij tot een anderen, die strijd, meedoogenloozen strijd als
een zijner grondbeginselen predikt. En, terwijl Indië den der wereld
afgestorven kluizenaar of monnik bewondert, is in oud Perzië de kloeke
huisvader, die met liefde zich aan den landbouw wijdt, de ware dienaar
des Allerhoogsten. Vruchtbaarheid en leven is hier met den godsdienst
één, terwijl Indië van den godgewijde onthouding van geslachtelijken
omgang eischt.
En toch, toch zijn die beide planten, oud-Indië en oud-Perzië, op
denzelfden bodem gewassen. Beiden zijn ontstaan uit den oud-Arischen
godsdienst, dien de gemeenschappelijke voorouders beleden, vóór zij
uiteengingen, de een naar het warme Indië met zijn weelderige natuur,
uitlokkend tot droomen en peinzen, de ander naar het onvruchtbare Iran,
[165] waar de mensch wel wat anders had te doen en door noesten vlijt,
in den strijd tegen de vijandige natuurmachten, zijn levensonderhoud
aan den bodem moest ontwringen. Daar nu is het Mazdeïsme of de
oud-Perzische godsdienst ontstaan. In welke landstreek--velen meenen
in Bactrië--is onzeker. Wij spreken echter maar van oud-Perzischen
godsdienst, omdat het Mazdeïsme, althans later de godsdienst van de
Perzen, het meest op den voorgrond tredende der Iranische volken is
geworden. De naam Mazdeïsme is ontleend aan Mazda, de "Verhevene",
zooals de hoogste godheid werd genoemd. Over dit Mazdeïsme willen
wij dus handelen: een niet gemakkelijk onderwerp, omdat wij hier
weinig bronnen hebben en dan nog veel in die oude bronnen zwaar te
verstaan is.
Twee namen klinken ons hier tegen: wij lezen van het Zend-Avesta als
het heilige boek en van Zoroaster den profeet, aan wiens naam dit
boek is vastgeknoopt. 't Spreekt vanzelf, dat het daarom nog niet van
zijn eigen hand behoeft te zijn: evenmin als de geheele Koran door
Mohammed, of alles in de vijf eerste boeken des Ouden Testaments
door Mozes geschreven is. Toch bestaan er goede redenen om aan te
nemen, dat althans de Gatha's, oude liederen, die van het Avesta
een deel uitmaken, van hem zelf afkomstig zijn. Overigens schuilt
zijne geschiedenis in het duister. Zeker leefde hij vele eeuwen vóór
Christus en lang vóór Cyrus (6e eeuw vóór C.) Waarschijnlijk was hij
van aanzienlijke afkomst en gevoelde hij zich innerlijk geroepen als
hervormer van den godsdienst op te treden. Na zeven jaar in eenzame
overpeinzingen te hebben doorgebracht, trad hij met kracht tegen
den afgodendienst op. Eerst bekeert hij enkele familieleden. Straks
ook koning Vistaçpa. Veel had hij te strijden met den invloed der
Turaniërs, wier bijgeloovige tooverpraktijken onder zijn volk sterk
waren doorgedrongen. Doch hij gaf den strijd niet op en predikte zijn
godsdienst der reinheid, tot hij in Balkh, de hoofdstad des rijks,
bij een aanval der Turaniërs, om het leven kwam.
Wat het Zend-Avesta betreft,--de naam beteekent wet (avesta) met
verklaring (zend)--dit boek is eerst sedert 1771, toen het door den
Franschen geleerde Anquetil du Perron uit Azië werd meegenomen en
uitgegeven [166], in Europa bekend geworden.
Het werk vormt de overblijfselen van een veel uitgebreider
godsdienstige lectuur en dagteekent in zijn geheel zeker van minstens
6 à 7 eeuwen vóór Christus. De meeste stukken zijn zelfs veel ouder.
Evenals het O. T. ons verschillende phasen van ontwikkeling van
eenzelfden godsdienst, b.v.: het oude Jahvisme, den godsdienst der
profeten en den wettelijken godsdienst vanaf de dagen van Ezra en
Nehemia doet zien: ontwikkelingsvormen die wel zeer uiteenloopen,
doch door één draad zijn verbonden, zoo is het ook hier. Ook in
het Zend-Avesta vinden wij drie ontwikkelingsvormen van denzelfden
godsdienst, waarvan de eerste ons toont den nieuwen godsdienst,
zooals hij gepredikt werd door Zoroaster of zijne school; de tweede
teekent hem, zooals hij meer in 't practische leven inwerkt, doch
dan ook door het oud volksgeloof enz. reeds eenigszins verontreinigd
is en de derde doet hem ons zien als een volksgodsdienst geworden
geheel en al: èn dus, noodzakelijkerwijze heel wat verschillend van
de oude grondslagen, maar toch de grondgedachten van het verleden,
zij het in aarden vaten, in zich dragend.
Van deze phasen behandelen wij alleen de eerste en de derde, omdat wij
over de tweede slechts zeer weinig bronnen hebben (de jongere Gatha's)
en het verschil tusschen de eerste en tweede zeer gering is.
Het is te bejammeren, dat, zooals wij boven zeiden, slechts brokstukken
der oude gewijde literatuur tot ons zijn gekomen, doch wij moeten ons
tevreden stellen met wat wij bezitten. Een enkele opmerking daarover
zal hier niet misplaatst zijn.
In de dagen toen Alexander de Groote zijn wereldheerschappij vestigde,
alzoo in de 4e eeuw vóór Christus schijnt er, volgens geloofwaardige
berichten, een rijke godsdienstige lectuur te hebben bestaan. Evenwel,
Alexander de Groote, die aan het Perzische rijk een einde maakte,
trad ook tegen den oud-Perzischen godsdienst en diens gewijde boeken
vijandig op. Hij verbrandde deze of zond ze naar zijn rijk. Slechts
een gedeelte bleef gespaard.
Toen later de Perzen weer eigen koningen bezaten, nl. de dynastie der
Sassaniden (226-636 n. C.) werd bijeen verzameld, wat overig was. Toen
bestond het Zend-Avesta uit 21 boeken. Deze waren ook in hoofdzaak nog
in de 9e eeuw na Christus aanwezig, althans een schrijver uit die dagen
heeft er 20 in de oorspronkelijke taal voor zich gehad, 19 bovendien
in een ander dialect, het Pehlewi, dat hij beter verstond. Ook deze
verzameling is echter verloren: slechts brokstukken zijn er van
over. De eeuwen hebben dus een geduchte zifting gehouden. Evenwel,
verschillende gegevens samenvoegende, komen wij tot het besluit,
dat ons het meest belangrijke bewaard is gebleven.
Wat wij nu nog bezitten, en wat in hoofdzaak reeds door Anquetil du
Perron is uitgegeven, is het volgende:
1. Yasna, een boek van ritueelen aard, bevattende teksten bij de
offerhandeling.
2. Vispered (alle heeren) gebezigd bij die offeranden, waarbij "alle
heeren" worden aangeroepen.
3. Vendidad (wet tegen de daeva's = duivelen) in 22 fargards
(hoofdstukken).
4. Yasts, offerzangen ter eere van de Yazata's (verheven wezens)
aan wie 27 van de 30 dagen der maand waren gewijd.
5. Eenige kleinere geschriften; kalenders, gebeden, spreuken,
gewoonlijk genaamd het Kleine Avesta.
Deze gedeelten zijn van verschillenden ouderdom, en vertegenwoordigen
de drie straks genoemde ontwikkelingsphasen van het Mazdeïsme. [167]
In de Yasna vooral komen de oudste stukken voor, de zoogenaamde Gatha's
(oude liederen), die ook wat hun taal betreft, van de overige deelen
verschillen en in wier leer ook sommige denkbeelden en leerstellingen
van het latere Mazdeïsme niet worden gevonden. Zij klimmen wel tot
het jaar 1000 vóór onze jaartelling op en leeren ons het Mazdeïsme
kennen in zijn aanvang en oorspronkelijke zuiverheid.
Wat hebben wij ons nu, aan de hand dezer oude oorkonden en van enkele
andere berichten van het ontstaan van dezen godsdienst voor te stellen?
We merkten reeds op, dat eenmaal de voorvaderen van Indiërs en Perzen,
de Ariërs, gelijk zij zich noemden, samenwoonden in de landstreek ten
noorden van Voor-Indië. Vandaar uit gingen de (latere) Indiërs naar
het zuiden, de (latere) Perzen of liever Iraniërs, naar het noorden.
De goden, die beiden vóór hunne scheiding vereerden waren dus
dezelfde. Deze waren o. a. Varuna en Mithra, Yama, of zooals de
Perzen hem later noemden Yima, den eersten mensch: mythisch koning
van het oudste menschdom en van het doodenrijk. [168] Ook wisten zij
toen reeds in hun mythen te gewagen van de worsteling, die er in de
natuur is tusschen licht en duisternis, al vatten zij dien strijd
ook nog niet zoozeer als een zedelijken strijd op.
Voorts was het vuur bij hen in hooge eere en kenden zij een soort
onsterfelijkheidsdrank, waaraan men zich een gewijden roes dronk: een
middel toch zag men daarin om tot hooger leven, tot bovenmenschelijke
bezieling te geraken.
De twee--later zoo uiteenloopende stroomen--waren dus eenmaal één. Hoe
zijn zij later zoo ver van elkaar gekomen? Het antwoord moet luiden:
bij de Indiërs is, onder de leiding van priesterlijke familiën, de
godsdienst langzamerhand in een eigenaardige bedding geleid, waarbij
zij andere godsdiensten, b.v. die van overwonnen volken, in zich
opnam, door hunne goden een plaats te geven onder de verhevenen. Bij
de Perzen echter heeft--zeker geruimen tijd na hunne scheiding van
de vroegere landgenooten--een bepaalde hervorming van den godsdienst
plaats gehad, een hervorming, die verband hield met een belangrijken
maatschappelijken overgang: dien van zwervend herder tot gezeten
landbouwer. Aan deze hervorming is de naam Zoroaster verbonden. Reeds
deelden wij enkele dingen over zijn leven mee, en merkten wij op,
dat de Gatha's van hem afkomstig waren. Wij willen nu zien, wat deze
bezielde profeet aan de menschheid bracht, welke eischen weerklank
vonden in zijn rein gemoed.