Dit werk behelst gesprekken over het bovengenoemd onderwerp, welke
tusschen Confucius en een zijner leerlingen zijn gehouden en door
dien leerling aan een kleinzoon van den wijze, Tsze sze, zouden
zijn medegedeeld. De aanduiding van dit werk, als het boek der
kinderlijke liefde is voor den inhoud niet geheel passend, want ook
andere betrekkingen: als tusschen heer en dienaar (vorst en beambte)
worden er in besproken. De juiste titel van dit werk zou zijn:
algemeene plichtsbetrachting op den grondslag van kinderlijke liefde.
Na den ondergang der Tsin dynastie werd een exemplaar van Hsiao-king
weergevonden, later een tweede. Over de echtheid van dit werk oordeelen
de critici zeer verschillend.