(_Talpa Europoea_.)
De mol in 't latijn Talpa,
Doet ons denken aan de molsla,
't Is een lastige passagier,
En voorwaar geen pleizier,
Voor een hovenier,
Als hij in voorjaarstijd,
Loopgraven door de bedden snijdt,
En den boel ten onderste boven smijt,
Waardoor menig slaaiplantje lijdt.--
Doch als een mol zoo op den bezem rijdt,
Met het maken van hoopen en gangen,
Kan zijn leven dra aan een zijden draadje hangen
En gaauw is het uit met zijn liedje van verlangen.
Want een burgerman,
Zegt, »Ik weet er alles van,«
»Als ik hem snappen kan,«
»Dan moet hij er dadelijk an,«
»Ik zal hem met de spaai een wip geven,«
»En dan een slag op kop of nek, dat is me om 't even.«
Trouwens het is zeker en gewis,
Als een mol _gebold_ is,
Dat hij dra _gemold_ is
En zijn bloed spoedig _gestold_ is.
Waar is gemest,
Heeft 't een mol doorgaans best,
Doch op schralen grond,
Maakt hij het niet erg bont,
En blijft niet lang gezond,
Want hij vindt er geen engerlingen, slakken of pieren,
Om aan zijn vraatzucht bot te vieren,
En in zoo'n mager oord
Kan hij niet _zoo vet als een mol_ worden, zooals 't behoort.
Echter moet hij overal erg sloven,
En als men de natuurlijke geschiedenis mag gelooven,
Is het een feit, dat volkomen _waar_ is,
Dat een mol daags meer eet, dan hij _zwaar_ is,
Terstond flaauw wordt en _naar_ is,
Als zijn eten op zijn tijd _niet klaar_ is,
Enfin hongersnood verwekt een oorlog die vol _gevaar_ is,
Want als ze geen voedsel meer kunnen vinden,
Gaan ze elkaar maar doodeenvoudig verslinden,
Een schranspartij, die hun goed voldoet,
Want honger maakt raauwe boonen zoet,
En zooals de mollen ook gelooven,
Honger is een scherp zwaard daarenboven.--
Zijn gezigt,
Is voor weinig licht,
Ingerigt,
Doch hij geeft ook blijken,
Overdag goed te kunnen kijken;
En als men 't dus op den keeper beschouwt,
Ziet men dat het spreekwoord, _zoo blind als een mol_, geen steek
houdt.
Een mol heeft een kleine staart,
Want een groote was hem niets waard,
Daar hij, zooals de koeijen,
Zich met vliegen slaan, niet hoeft te vermoeijen;
Doch met zijn bewegelijken snuit,
Voert hij veel uit,
Want een steenharde kluit,
Die hem in zijn loopbaan stuit,
Werpt hij flink omhoog, of vooruit,
En voegt men daarbij nog een paar fiksche handen,
Dan ziet men dat hij goed, tot zijn doel kan aanlanden;
Doch hij is ook een vrind,
Van het spreekwoord, »_De aanhouder wint._«
Vervolgens munt een mol uit,
Door zijn fluweel zachte huid,
En wat nog al iets beduidt,
Is, al komt sinjeur uit een kuil,
Zoo is hij nooit vuil,
Doch altijd proper en net,
In een zwart toilet
Zonder kreuk of smet.--
De natuur heeft hem geen ooren aan zijn hoofd gezet,
Want het was te vreezen
Dat ze gaauw verstopt zouden wezen,
Echter slaat hij niet ligt den _bal_ mis,
Hetgeen ook met zijn reuk het _geval_ is.
Als een dooije mol in een tuin ligt, onbegraven,
Dan komen er dikwijls #doodgravers# aandraven,
En zonder veel ceremonieel,
Valt hem dan een begravenis ten deel.
Indien er iets op zijn graf moest staan,
Voor de diensten den lande gedaan,
Zou het zijn: hij had talent van draineren en genie om pieren dood
te slaan.
Veenmollen, gelijk men ziet,
Schrijven hun naam net als hij, doch familie is het niet.