M. D. V.

[9] Men noemt de t doorgaans eene tandletter. Wanneer men echter

bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel

van de tong vereischt wordt, dan zal men de benaming tongletter in

het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.

[10] Zoo vindt men b.v. »van Gods halven" in Maerlant's

Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; »van minen halven" in Serrure's

Vad. Mus. I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen

zou zijn.

[11] Zie Hildebrand, Deutsches Wörterbuch, op Kraut, en Beckering

Vinckers in Taal- en Letterb. III. 125 vlgg.

[12] Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die

de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander

letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch

vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de

vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk

ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met

woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen:

zie beneden, § 245.

[13] De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijze lachen,

lichaam enz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid,

dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander

geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat

medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet

door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand

wil het regelmatige lachchen, lichchaam, evenmin zij die lagchen,

als zij die lachen voorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en

onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid

beslissen, omdat andere zwegen.

[14] Om geene verandering te brengen in de nommers der paragrafen,

wordt dit toevoegsel afzonderlijk achteraan geplaatst.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 30 / 30 题