AANTEEKENINGEN

[1] J. Grimm, Ueber das pedantische in der deutschen sprache, in

de Philol. und hist. Abhandlungen der Kon. Academie te Berlijn,

1847, bl. 203 (Kleinere Schriften, I, 348). In de Inleiding op

het »Deutsches Wörterbuch", bl. LIV, zegt hij niet minder sterk:

»In den letzten drei jahrhunderten trägt die deutsche schreibung

so schwankende und schimpfliche unfolgerichtigkeit an sich, wie

sie in keiner andern sprache jemals statt gefunden hat, und nichts

hält schwerer als diesen zustand zu heilen." Over de Nederlandsche

spelling velt hij een veel gunstiger oordeel (D. Gramm. I3, bl. 323 en

elders). Tegenover de onbillijke geringschatting, die onze spelling

zoo dikwijls van landgenooten te verduwen had, mag op dergelijke

getuigenissen van Grimm wel eens worden gewezen.

[2] Dat het hoofdstuk »Bastaardwoorden" in het Verslag van

Prof. Heremans niet volkomen eensluidend is met deze Regeling der

Nederlandsche Spelling, maar met het Ontwerp, is niet toe te schrijven

aan verschil van gevoelen, maar daaraan, dat dit gedeelte tijdens de

uitgave van het »Verslag" nog niet geheel was afgedrukt. Daardoor was

het ons ondoenlijk geweest den Gentschen Hoogleeraar de wijzigingen

en invoegingen in den tekst tot in alle bijzonderheden mede te deelen,

gelijk tot dusverre door het toezenden der afgedrukte bladen geschied

was.

[3] Uit het Verslag der Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg.,

blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op

verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in

Noord-Nederland.

[4] Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote

hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen

gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens

voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles

blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is;

zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der

letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô =

au leert dit duidelijk.

In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op epsilon

en Omega gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o

voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e's en o's in

de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen

i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en

de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek,

goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken,

meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn.

Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e's noch o's bezat, blijkt

uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers

dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz,

blz. X.

Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au

onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de

wijze, waarop hij in Grieksche woorden e en o heeft weergegeven. Dit

heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor

den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is

voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige

jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache

des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte

tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord

en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval

wijzigden, en dat het aannemen van ai = e en au = o toch volstrekt niet

toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.

Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige

van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten,

en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk,

dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het

Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze

spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men

tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd

als a, e en au,--i als i, e, ei, ê, u en ch,--u als ou, o, ô enz. klonk.

Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men

zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en

Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men

in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van

de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten,

als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak,

en niet naar grammatische regels, te werk gingen.

[5] In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken

op u, als blauw, eeuw, ruw, nieuw, rouw, enz. Daarbij gaat men

geheel regelmatig te werk, en schrijft men de w zoowel in de

onverbogene als in de verbogen vormen: blauw--blauwe enz., en niet

zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één:

leeuw, lat. leo, is de w een overgangsletter en van lateren oorsprong;

vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de

stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk de j in drajen enz. slechts

een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van de w

op het einde der lettergrepen, b. v. in uw, ruw, schuw, mouw, rouw,

enz., die niet volkomen hetzelfde klinken als u, nu, kou en zou

(verkortingen van koude en zoude, waarin de w niet behoort). Het een

en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijze baaien

enz. ten opzichte van de w niet van de gewone spelling zijn afgeweken.

[6] Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig

voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de

ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank

zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen

(Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een

hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de

enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus

met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.--De

bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz.,

met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer

bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk

hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn

om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan,

die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan

eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk

de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt,

dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstéde spelt,

de drie e's op drie verschillende wijzen uit: è, é en e. Hij zal dus

dienovereenkomstig l, à, ch, e, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den

juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d,

á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.

[7] Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt

betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraak Háárlem en

Arnhem in de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde

uitspraak wordt zeer zeker Haarlèm en Arnhèm gezegd. In den laatsten

naam klinkt de è wel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft

toch altijd eene è en daalt niet tot eene geheel toonlooze e. Zoo

spreekt men ook wel degelijk van den Hààrlèmmer Hout, niet van den

Hààrlëmer Hout.

[8] Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie

lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aan

juffrouw, in de tweede (§ 110) aan jufvrouw, en nu in de derde keert

zij tot juffrouw terug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil

van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook

in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben

kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen;

in de tweede had ik aan den aandrang van Te Winkel moeten toegeven,

op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling

geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid,

terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs

het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging

mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne

tegenwoordige mederedacteuren, Dr. Verwijs en Dr. Cosijn, eenstemmig

met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der

Redactie te herstellen en de spelling met ff voorgoed aan te nemen.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 29 / 30 题