DE TENDENSEN DER KAPITALISTISCHE PRODUKTIEWIJZE.

Zagen wij tot nog toe, hoe het kapitaal zijn eigen bestaansvoorwaarden,

steeds van voren af aan, op nieuw voortbrengt, het is ons tevens

duidelijk geworden, dat er oorspronkelijk voorwaarden aanwezig moeten

geweest zijn, waaronder dit zich kon ontwikkelen, tot het moderne

kapitalisme dat wij kennen.

Het vierentwintigste hoofdstuk van Bd. I van "Das Kapital" bevat een

uitvoerig onderzoek van buitengewone historische waarde; dit hoofdstuk

is getiteld: "De zoogenaamde oorspronkelijke akkumulatie". Marx

wendt zich daarin tegelijkertijd, polemisch tegen de officieele

staathuishoudkunde en tegen hare beschouwing van den oorsprong van

het moderne kapitalisme.

"De geheimen van de oorspronkelijke akkumulatie," zoo is de eerste

paragraaf van dit klassieke hoofdstuk genoemd, die aldus aanvangt:

"Men heeft gezien hoe geld tot kapitaal wordt; door kapitaal

tot méérwaarde en uit die méérwaarde, meer kapitaal gemaakt

wordt. Intusschen heeft de akkumulatie van het kapitaal de

méérwaarde tot voorwaarde, de méérwaarde op haren beurt, de

kapitalistische produktiewijze, deze heeft evenwel het aanwezig zijn

van grootere massa's van kapitaal en van arbeidskracht, in handen

van warenproducenten tot voorwaarde. Deze geheele beweging nu,

schijnt aldus te draaien in een vicieusen cirkel, waar wij alleen

kunnen uitkomen, wanneer wij eene,--aan de kapitalistische akkumulatie

voorafgaande--"oorspronkelijke" akkumulatie, ("precious accumulation"

volgens Ad. Smith), veronderstellen; eene akkumulatie, welke niet het

resultaat, van de kapitalistische produktiewijze, maar alleen maar,

haar uitgangspunt vormt.

"Deze oorspronkelijke akkumulatie, speelt in de staathuishoudkunde

dezelfde rol, die de zondenval speelt in de theologie. Adam beet in den

appel en daardoor kwam de zonde over het menschelijk geslacht! Hare

oorsprong wordt ons verklaard, doordien zij ons, als eene anecdote

uit het verleden wordt verteld. In een lang vervlogen tijd, bestond

er aan den eenen kant, eene vlijtige, intelligente en vóór alles,

eene spaarzame élite, en aan den anderen kant, eene luierende, al

het hunne en meer dan dat, verbrassende troep schooierds. De legende

van de theologische zondeval, vertelt ons alleen maar, hoe de mensch

ertoe verdoemd werd, zijn brood in 't zweet zijns aanschijns te moeten

eten, de historie van de economische zondeval evenwel, onthult ons,

hoe er lieden zijn, die ook dát niet noodig hebben. Het komt echter

op 't zelfde neer. Maar zoo zou het dan gekomen zijn, dat de eersten,

rijkdom konden akkumuleeren, en de laatsten ten slotte niets meer over

hadden dan hun eigen huid. En van af deze zondeval, dateert de armoede

van de groote massa, die altijd nog, ondanks al haren arbeid, niets

te verkoopen heeft als zichzelve, nevens den rijkdom der weinigen,

die voortdurend aangroeit, alhoewel dezen reeds lang opgehouden hebben

te arbeiden"....

"Geld en waren, zijn niet a priori kapitaal, evenzoomin als

produktie- en levensmiddelen. Zij moeten tot kapitaal worden

omgezet. Deze verandering zelve, kan slechts geschieden onder bepaalde

omstandigheden, die zich daarheen toespitsen, dat tweeërlei zeer

verschillende soorten van warenbezitters, elkander moeten tegemoet-

en met elkander in contakt moeten komen; aan de eene zijde eigenaren

van geld, produktie- en levensmiddelen,--want het geldt, de in hun

bezit zijnde som van waarden weder tot waarde te maken, door middel

van den aankoop van vreemde arbeidskracht,--aan den anderen kant

vrije arbeiders, verkoopers van de eigen arbeidskracht en daardoor

verkoopers van arbeid. Vrije arbeiders in dien dubbelen zin, dat

zij, noch zelven onmiddellijk behooren tot de produktiemiddelen,

zooals slaven, lijfeigenen etc., noch de produktiemiddelen hèn

toebehooren, zooals bij den het eigenbedrijf voerenden boer

enz. dit het geval is. Zij moeten daarvan los en leeg zijn. Met

deze polarisatie (vaststelling der beide polen) van de warenmarkt,

zijn de grondvoorwaarden voor de kapitalistische produktiewijze

gegeven. De kapitaalsverhouding, stelt de scheiding van de arbeiders

en hun eigendom aan de verwerkelijkingsvoorwaarden van den arbeid,

op den voorgrond. Zoodra de kapitalistische productiewijze eenmaal

op eigen beenen staat, is deze scheiding niet alleen aanwezig,

maar reproduceert zij zich telkens weder, op steeds uitgebreider

schaal. Het proces dat de kapitaalsverhouding schept, kan alzoo

niets anders zijn, dan het scheidingsproces van den arbeider van

het bezit zijner arbeidsvoorwaarden; een proces, dat eenerzijds de

maatschappelijke levens- en produktiemiddelen in kapitaal verandert,

anderzijds de onmiddellijke producenten in loonarbeiders. De

zoogenaamde oorspronkelijke akkumulatie, is niets anders, dan het

historische scheidingsproces van producent en produktiemiddelen. Zij

schijnt ons eene "oorspronkelijke" toe, omdat zij de vóórgeschiedenis

van het kapitaal en de aan hem beantwoordende produktiewijze, uitmaakt.

"De economische struktuur der kapitalistische samenleving

is voortgekomen uit de economische struktuur van de feodale

maatschappij. De oplossing van deze, heeft de elementen voor gene,

vrij doen komen.

"De onmiddellijke producent, de arbeider, kon eerst dàn over zijn

persoon beschikken, nadat hij had opgehouden geketend te zijn aan den

bodem en aan een ander persoon lijfeigen of onderhoorig te wezen. Om

een vrijen verkooper van arbeidskracht te kunnen worden, die zijne

waar overal heendragen kan, waar een markt daarvoor te vinden is,

moest hij vervolgens, aan de heerschappij van gilden, met hunne

leerlingen- en gezellenverordeningen en beperkende arbeidsvoorwaarden,

zijn ontgroeid. Daardoor schijnt ons de historische beweging,

welke de producenten in loonarbeiders verandert, eenerzijds toe,

als eene bevrijding van de dienstbaarheid en gildedwang,--en het is

dan ook deze zijde alleen, die er voor de geschiedschrijving van onze

burgerlijke economie bestaat. Maar aan de andere zijde evenwel, werden

deze nieuw-bevrijden, eerst verkoopers van zich zelven, nàdat hun, al

hunne produktiemiddelen, en hun alle, door de oude feodale inrichtingen

van de maatschappij aangeboden garanties voor een bestaan waren geroofd

geworden. En deze geschiedenis der expropriatie (onteigening), is in

de annalen der menschheid, gegrift, met sporen van bloed en vuur.

"De industrieele kapitalisten, deze nieuwe potentaten, moesten

hunnerzijds, niet alleen de handwerkmeesters der Gilden verdringen,

maar ook in het bezit komen van de bronnen van rijkdom, die in

het bezit waren van de feodale Heeren. Van deze zijde, doet zich

hunne opkomst dan ook kennen, als een vrucht van den zegenrijken

strijd, zoowel tegen de feodale machten en hunne opstandverwekkende

voorrechten, als tegen de Gilden en de banden welke dezen, aan de vrije

ontwikkeling der produktie en aan de vrije uitbuiting van menschen

door menschen, hadden in den weg gelegd. De ridders van de industrie,

speelden het nochtans alleen daardoor klaar, de ridders van den

degen te verdringen, doordien zij gebeurtenissen uitbuitten, waaraan

zij gansch onschuldig waren. Zij hebben zich naar boven gewerkt door

middelen, even zoo gemeen, als die waardoor de romeinsche vrijgelatene

zich, voormaals, tot heer van zijn patronus heeft weten te maken.

"Het uitgangspunt der ontwikkeling, die zoowel de loonarbeiders,

als de kapitalisten heeft voortgebracht, was de knechtschap der

arbeiders. De voortgang, bestond in een verwisseling van den vorm dezer

knechtschap; in de verandering van de feodale, in de kapitalistische

maatschappij. Om haren gang te begrijpen, behoeven wij in het geheel

niet zoo vèr in de geschiedenis terug te gaan. Alhoewel wij den

eersten aanvangen van de kapitalistische produktiewijze, reeds in de

14e en 15e eeuw in eenige steden aan de Middellandsche Zee sporadisch

tegenkomen, dateert de aera van het kapitalisme, eerst van af de 16e

eeuw. Daar waar zij optreedt, is de opheffing van de lijfeigenschap

reeds lang een voldongen feit, en het glanspunt van de Middeleeuwen,

het bestaan van de souvereine steden, is daar een geruimen tijd reeds

aan het verbleeken.

"Historisch, hun tijdperk kenteekenend in de geschiedenis der

oorspronkelijke akkumulatie, zijn alle revoluties, die der zich

vormende kapitalisten-klasse als hefboomen dienden; voor alles

evenwel die momenten, waarin groote menschenmassa's plotseling

en gewelddadig van hunne bestaansmiddelen werden losgerukt en als

vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd. Deze

expropriatie van de landelijke producenten, van de boeren, van grond

en bodem, vormt de grondslag van dit gansche proces. Hare geschiedenis

neemt in verschillende landen, verschillende kleuren aan en doorloopt

verschillende phazen in verschillende achtereenvolgende reeksen en in

verschillende tijdperken der geschiedenis. Alleen in die van Engeland,

bezit zij een klassieken vorm."

De historische bewijzen, die Marx vervolgens aanhaalt om aan te

toonen, op welk een gewelddadige manier men in den aanvang van het

kapitalistisch stelsel in Engeland, zich van den bodem der vrije

boeren heeft bemachtigd, welke men dan bovendien naar de steden heeft

gejaagd, om ze aldaar bij de industrie als loonarbeiders in te lijven,

zijn een doorloopende staving voor het voorgaande.

Zoowel tot beschutting van den eigendom tegen vagebonden (in den regel

van hunnen grond beroofde eigen-boeren), als ter bevordering van de

omzetting van gemeenschappelijk eigendom in privaat-eigendom, zoo als

Marx dit, met historische feiten in de hand, van Engeland weergeeft,

zoo trad de staatsmacht ook daar handelend op, waar het gold de

arbeiders te doen gewennen, aan de subordinatie en de discipline

van het kapitalisme. Strenge wetten stelde de Staat, zoowel op de

vagabondage (z. g. n. bloedwetgeving onder Hendrik VIII in 1530 en

onder Elisabeth in 1572); als op het maximum dat het arbeidsloon

mocht bedragen, en tegen arbeiders-coalities. Deze laatsten bleven

in Engeland nog heerschen, tot aan het jaar 1825, toen zij moesten

bezwijken voor den drang der arbeiders. Dit hoofdstuk over de

"onteigening van het landvolk van grond en bodem", eindigt Marx aldus:

"De roof der kerkelijke goederen, de frauduleuze ontvreemding van

de staatsdomeinen, de diefstal van gemeenschappelijk-eigendom;

de usurpatorische en met onbarmhartig terrorisme voltrokken

revolutioneering van Feodaal en Clan-eigendom (zooals bijv. in

Schotland), in modern privaat-eigendom, dat waren evenzoovele

idyllische methodes van de oorspronkelijke akkumulatie. Zij veroverden

het veld voor de kapitalistische agrikultuur, lijfden den grond en den

bodem bij het kapitaal in, en schiepen daarmede voor de industrieën

in de steden, de noodige toevoer van een vogelvrij proletariaat."

Met het proletariaat, ontstond evenwel ook, de inwendige markt

voor het kapitaal. Vroeger produceerde elke boerenfamilie zelf

levensmiddelen en de voorwerpen voor huiselijk gebruik, die zij noodig

had. Thans werd dit natuurlijk ook anders. De levensmiddelen kwamen,

met de opkomst van het kapitalisme in de voortbrenging, als waren

op de markt. De produkten der kapitalistische industrie,--in dit

tijdstip: de periode der Manufaktuur,--vonden nu hunnen aftrek bij

de loonarbeiders der industrie van de groote landgoederen, zoo ook

bij de boeren zelf. Veeltijds was hun land te klein geworden, om ze

voort te brengen; de landbouw werd voor hen tot nevenbedrijf en de

huisindustrie voor het doel van eigen verbruik, trad op den achtergrond

en maakte plaats voor een huisindustrie, die was voortbracht voor de

kapitalisten. Voor den koopman in den aanvang, maar later voor den

landelijken industrieel; eene der afschuwelijkste, maar tevens een

der meest winstgevende vormen, van de kapitalistische uitbuiting.

"Zoo gaat," zegt Marx, "hand aan hand met de expropriatie van vroeger

hun eigen-bedrijf beoefenende boeren en met de losmaking van hunne

produktiemiddelen, de vernietiging van landelijke nevenindustrie,

het scheidingsproces van manufaktuur en agrikultuur."

Een volgende paragraaf betitelt Marx:

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 66 / 72 题