Het, door de voortgang der akkumulatie, opnieuw gevormde kapitaal,
verschaft in verhouding tot zijne grootte, steeds aan minder arbeiders
werk. Gelijktijdig met de akkumulatie, gaat ook de revolutioneering van
het oude kapitaal haren gang. Marx toonde het aan, hoe de centralisatie
daarvoor de machtigste hefboom is. Volgens de Malthusianen is de
"overbevolking" het gevolg hiervan, dat de levensmiddelen, (men
moest zeggen: het variabel kapitaal) aangroeien, in de arithmetische
progressie-reeks van 1: 2: 3: 4: 5: enz. terwijl de bevolking de
tendens heeft, zich in de geometrische reeks van 1: 2: 4: 8: 16:
enz. te vermeerderen. Daarom leerden Malthus c. s., dat de bevolking
de produktie der levensmiddelen vooruit ijlde ten gevolge waarvan de
ondeugd en de ellende ontstonden.
Wat evenwel progressief voortgaat, is de afname van het variabel
kapitaal, gelijktijdig met de wasdom van het totaal-kapitaal. Het
variabel kapitaal, zoo het oorspronkelijk 1/2 was van het
totaal-kapitaal, wordt progressief 1/3, 1/4, 1/5, 1/6 enz. van het
totaal-kapitaal. Marx zegt:
"Deze, door de wasdom van het totaal-kapitaal bespoedigde en
sneller dan zijn eigen aanwas bespoedigde, relatieve afname van
zijn variabel bestanddeel, schijnt aan de andere zijde, omgekeerd
steeds sneller absolute aanwas der arbeidersbevolking te zijn,
als aanwas van het variabel kapitaal of van de middelen ter hunner
werkverschaffing. De kapitalistische akkumulatie produceert veeleer,
en wel in verhouding tot hare energie en haren omvang, gestadig eene
relatieve, d. w. z. eene voor de gemiddelde behoefte tot waardemaking
van het kapitaal overtollige, dus eene overvloedige of bijgevoegde
arbeidersbevolking."....
"Met de grootte van het reeds funktioneerend, maatschappelijk
kapitaal en de graad van zijn aanwas; met de uitbreiding van de
produktie-trappen en de massa der in beweging gezette arbeiders; met
de ontwikkeling der produktiekracht hunner arbeid, met den breederen
en volleren stroom van alle fonteinen des rijkdoms, verwijdt zich
ook de ontwikkelingshoogte, waarop grootere attraktie der arbeiders
door het kapitaal, met grootere repulsie van hetzelve verbonden is,
nemen de snelheid van de wisseling in de organische samenstelling
van het kapitaal en zijn technische vorm toe en zwelt de cirkel der
produktiespheren aan, welke er dan gelijktijdig, dan bij afwisseling,
door worden aangegrepen. Met de door haar zelf geproduceerde
akkumulatie van het kapitaal, produceert de arbeidersbevolking alzoo,
in steeds groeiender mate, de middelen voor haar eigene relatieve
overtolligmaking. Dit is eene, aan de kapitalistische produktiewijze
eigenaardige bevolkingswet, gelijk feitelijk elke produktiewijze, hare
bijzondere, historisch geldende bevolkingswet heeft. Eene abstrakte
bevolkingswet, kan alleen maar onder planten en dieren heerschen,
in zooverre daar althans de mensch niet historisch ingrijpt.
"Waar evenwel een surplus-arbeidersbevolking, het noodwendig produkt
is van de akkumulatie of van de ontwikkeling van den rijkdom op
kapitalistischen grondslag, daar wordt deze arbeidersbevolking,
omgekeerd, tot een hefboom der kapitalistische akkumulatie, ja, tot
een bestaans-noodzakelijkheid voor de kapitalistische produktiewijze
zelve. Zij vormt een disponibele, industrieele reserve-armée,
die aan het kapitaal evenzoo absoluut toebehoort, alsof hij haar
op zijn eigen kosten grootgebracht had. Zij schept het, voor zijne
afwisselende waarde-scheppings-behoeften, steeds bereidvaardige,
exploitabele menschen-materiaal, dat onafhankelijk is van de grenzen
der feitelijke bevolkingstoename."
Marx voert verder, historische en economische bewijzen uit de engelsche
industrietoestanden aan, voor de absolute afname van het aantal aan
den arbeid zijnde arbeiders, bij, naar verhouding gelijkblijvende,
uitbreiding van de produktie. "De beweging van de wetten van vraag
en aanbod van den arbeid, op deze basis, voltooit de despotie van
het kapitaal," zegt hij. "De ijzeren loonwet" eveneens een dogma der
oudere officieele economie, wordt echter daardoor geen werkelijkheid.
"Zoodra," eindigt Marx hier, "de arbeiders achter het geheim komen,
dat in dezelfde mate waarin zij meer arbeiden, meer vreemden rijkdom
produceeren, en de produktiekracht hunner arbeid aangroeit, zelfs hunne
funktie, als een middel tot waardeschepping voor het kapitaal, meer
precair voor hen wordt; zoodra zij ontdekken, dat de intensiteitsgraad
van de concurrentie onder hen, zelfs geheel en al van den druk der
relatieve overbevolking afhankelijk geworden is; zoodra zij daarvandaan
door Trade Unions enz. een planmatige samenwerking tusschen arbeidenden
en arbeidsloozen pogen te organiseeren, om de ruïneerende gevolgen van
deze natuurwet der kapitalistische produktiewijze op hunne klasse, te
breken of te verzwakken, toornen het kapitalisme en zijn sykophanten,
de staathuishoudkunde, terstond over aantasting der "eeuwige"
en om zoo te zeggen "heilige" wetten van vraag en aanbod. Elke
samenwerking tusschen arbeidenden en arbeidsloozen, stoort dan
namelijk het "zuivere" spel van deze wet! Zoodra anderzijds echter,
in de koloniën bijv., tegenwerkende omstandigheden, de schepping der
industrieele reserve-armee en met haar, de absolute afhankelijkheid
der arbeidersklasse van de kapitalistenklasse verhinderen, rebelleert
het kapitaal tegen deze "heilige" wet van vraag en toevoer en zoekt
haar door dwangmiddelen op te heffen."