In een belangrijk hoofdstuk, onderzoekt Marx vervolgens de omwenteling,
die de machine heeft doen ontstaan in de industrie uit de Manufaktuur
gesproten, en welke deze, op zijne beurt, tot groot-industrie heeft
doen worden. Die omwenteling zelf draagt mede een ander karakter.
"De omwenteling der produktiewijze heeft in Manufaktuur de
arbeidskracht tot uitgangspunt genomen en in de groot-industrie de
arbeidsmiddelen." Marx wijst vervolgens, op de absoluut onvoldoende
verklaring, die de mathematici en de mechanici van de machine gegeven
hebben, waar zij het werktuig voor een enkelvoudig en de machine voor
een samengesteld werktuig hebben verklaard. "Van economisch standpunt,
deugt deze verklaring niet, omdat bij haar het historisch element
wordt gemist." Ook is de verklaring, door het verschil dat men maakt
tusschen werktuig en machine en die welke hierin gezocht wordt, dat
bij het werktuig de mensch de bewegende kracht is en bij de machine,
eene van den mensch afgescheiden natuurkracht, zooals die van het
dier, het water, de wind enz., historisch even onjuist. Dewijl de
toepassing van de dierlijke kracht, eene der oudste uitvindingen is
van de menschheid, zoo zou aldus geredeneerd, de machinale produktie,
vooraf hebben moeten gegaan aan die van het Handwerk!......
"De machine waarvan de industrieele revolutie haar uitgangspunt neemt,
vervangt den arbeider, die een ènkelvoudig werktuig hanteert, door
een mechanisme, dat met eene massa van dezelfde of gelijksoortige
werktuigen tegelijk opereert en door een enkele drijfkracht, hoe
ook steeds haren vorm moge zijn, voortbewogen wordt. Hier hebben
wij de machine voor ons, maar eerst als een eenvoudig element van de
machinale produktie.
"De uitbreiding van den omvang der arbeidsmachine en het getal
harer gelijktijdig opereerende werktuigen, vorderde een meer
massaal bewegingsmechanisme en dit mechanisme, tot overweldiging
van zijnen eigenen weêrstand, een machtiger drijfkracht dan de
menschelijke. Afgezien nog hiervan, dat de mensch een zeer onvolkomen
produktieinstrument van gelijkvormige en continueerende beweging is,
gegeven, dat hij nog slechts als eenvoudige drijfkracht werkt, dus
in de plaats van zijn werktuig een werktuigmachine gekomen is en de
natuurkrachten hem thans ook als drijfkracht kunnen vervangen. Van alle
uit de Manufaktuurperiode ons overgeleverde, groote bewegingskrachten,
was de paardenkracht de slechtste; eensdeels, omdat een paard zijn
eigen zin heeft, anderdeels, wegens zijne kostbaarheid en den beperkten
omvang, waarmede zij in de fabrieken alleen toe te passen was.".....
Eerst met James Watt's uitvinding van de z. g. n. dubbelwerkende
stoommachine, was de motor geschapen, die zijne beweegkracht zelf
voortbrengt en uit de voedering met kolen en water, wier krachtpotentie
geheel onder menschelijke contrôle, onafhankelijk van natuurkrachten
van lokalen aard staat, en aldus de toepassing van de machinale
industrie op elke, willekeurige plaats mogelijk maakte.
"Nadat eerst de werktuigen, van werktuigen van het menschelijk
organisme, tot werktuigen van een mechanisch apparaat, tot
werktuig-machines konden worden, verkreeg dan ook de bewegings-machine
een zelfstandige, van de grenzen van menschelijke kracht, volkomen
geëmancipeerden vorm. Daarmede zonk de enkelvoudige werktuigmachine,
zooals wij tot nu toe die hebben beschouwd, tot een bloot element
van de machine-produktie. Eéne bewegingsmachine was thans in staat,
véle arbeidsmachines gelijktijdig te drijven. Met het aantal van de
gelijktijdig voortbewogen arbeidsmachines, groeide de bewegingsmachine
en breidde zich het transmissie-mechanisme, tot een wijdloopig apparaat
uit." ....
Dan zet Marx het verschil uiteen, tusschen het karakter der machine in
de Manufaktuurperiode en in die van de fabrieksmatige industrie. Hij
zegt:
"In de Manufaktuur moeten de arbeiders, individueel of in groepen,
elk bijzonder deelproces met hun handwerktuig uitvoeren. Maakte
de arbeider zich eenmaal het proces eigen, dan was evenwel van te
voren reeds het proces voor den arbeider geëigend. Dit objektieve
principe van de verdeeling van den arbeid, valt bij de machinale
produktie geheel weg. Het totaalproces wordt hier objektief, aan en
op zichzelf beschouwd, in zijne constitueerende phazen geanalyseerd;
en het problema van elk deelproces ten uitvoer te brengen en de
verschillende deelprocessen te verbinden, door technische toepassing
van de mechaniek, de chemie enz. opgelost,--waarbij natuurlijk voor
en na de theoretische conceptie, door opgehoopte praktische ervaring
op groote schaal, volkomener moet worden gemaakt.... De gecombineerde
arbeidsmachine, nu tot een geledend systeem van verschillenderlei
op-zich-zelf staande arbeidsmachines en van groepen derzelven
geworden, is des te volkomener, hoe voortdurender haar totaal-proces
is. D. w. z. met hoe minder onderbreking het ruwmateriaal van zijne
eerste phaze tot zijn laatste overgaat, hoe meer dus, in plaats van de
menschelijke hand, van het mechanisme zelf, van de eene produktiephaze
in de andere wordt vereischt. Wanneer in de Manufaktuur het isolement
van het bijzondere proces, een principe is dat uit de verdeeling
van den arbeid als van-zelf voortspruit, in de ontwikkelde fabriek
daarentegen, heerscht de continuïteit van het bijzondere proces."....
"In het geledend systeem van arbeidsmachines, die hunne beweging
door middel van de transmissie-machinerie, van een centralen automaat
ontvangen, bezit het machinebedrijf zijne ontwikkeldste gestalte. In
de plaats van eene enkele machine, treedt hier een mechanisch monster,
welker lijf gansche fabrieksgebouwen vervult en welker demonische
kracht, eerst verborgen door de bijna plechtstatige, afgemeten beweging
van zijne reusachtige ledematen, in een koortsachtig dollen maalstroom
zijner tallooze, eigenaardige arbeidsorganen, uitbreekt."....
Marx schetst hierna, de gevolgen, die de intrede van die
machineproduktie in de industrie teweeg bracht.
"De omwenteling van de produktiewijze in de eene spheer van de
industrie, bepaalde hare omwenteling in eene andere. Dit gold in de
eerste plaats voor zulke takken van industrie, welke wel-is-waar door
de maatschappelijke verdeeling van den arbeid geïsoleerd waren--zoodat
elk derzelve eene zelfstandige waar produceerde,--maar die toch weder,
als phazen van een totaalproces, door elkander liepen. Zoo werd door
de machinale spinnerij, de machinale weverij noodzakelijk, en beiden
te zamen, deden de mechanisch-chemische revolutie in de bleekerij,
drukkerij en verwerij ontstaan. Zoo riep aan den anderen kant,
de revolutie van de katoenspinnerij de uitvinding van het gin,
tot afscheiding van de katoendraden uit het zaad te voorschijn,
waardoor eerst de katoenproduktie op de daardoor vereischte hoogte van
ontwikkeling kon komen te staan. De revolutie in de produktiewijze
van de industrie en van de agrikultuur noodzaakte namelijk ook tot
eene revolutie, in de algemeene voorwaarden van het maatschappelijk
produktieproces, d. w. z. van de communikatie- en transportmiddelen.
"Afgezien van de geheel gerevolutioneerde zeil-scheepsbouw,
werden de kommunikatie- en transportwegen aldus geheel en al
door een systeem van rivierstoombooten, spoorwegen, overzeesche
stoombooten en telegraphen aan de produktiewijze van de grootindustrie
aangepast. De verschrikkelijke massa's ijzer evenwel, die er thans te
snijden, te hameren te boren en te vormen waren gekomen, vereischten
hunnerzijds cyclopische machines, welker schepping in de machinebouw
op manufaktuur-achtige grondslag, geheel onmogelijk was.
"De groot-industrie moest zich dusdoende van haar karakteristiek
produktiemiddel, de machinerie, zelf meester maken en machines doen
voortbrengen door machines.
"Zoo werd," eindigt Marx dit historisch-technische onderzoek, "het
coöperatieve karakter van het arbeidsproces, (de verdringing van den
individueelen arbeider door den vermaatschappelijkten) tot een, haar
door den aard van de arbeidsmiddelen, zelve gedicteerde technische
noodzakelijkheid."
De machine wordt door Marx tot het "constante" kapitaal gerekend. Zij
schept geene waarde, maar zet slechts hare eigene waarde aan het
produkt toe. Zij lost zich in het arbeidsproces telkens geheel, maar
in het waarde-vormingsproces, slechts maar gedeeltelijk op. Zij geeft
niet meer waarde van zich af, dan zij in doorsneê verliest door haar
gebruik. Er is dus een groot verschil, tusschen het waarde-deel dat de
machine, en het periodiek door haar op het produkt overgedragen, deel
van de waarde. Er is dus een groot verschil tusschen de machine als
waardevormend en als produktenvormend element. Hoe grooter de periode,
in welke dezelfde machine, herhaaldelijk in hetzelfde arbeidsproces
dienst doet, des te grooter zal dit verschil zijn.
Hoe minder arbeid de machine zelf kost, d. w. z. hoe veel te minder
arbeid erin is neergelegd, des te minder waarde zet zij aan het produkt
toe. Hoe minder waarde van zich afgevend, des te produktiever is zij en
des te meer, nadert haren dienst die der natuurkrachten. De produktie
van machines door machines, doet hare waarde echter inkrimpen, naar
verhouding van hare uitbreiding en werking.
"Uitsluitend als middel tot goedkoopermaking van het produkt beschouwd,
vindt het gebruik van de machinerie daarin hare grenzen, dat hare
eigen produktie minder arbeid kost, dan hare toepassing ervoor in
plaats geeft. Voor het kapitaal echter, laat zich deze grens enger
uitdrukken. Daar het niet, de ten koste gelegden arbeid, maar de
waarde der ten koste gelegde arbeidskracht betaalt, wordt voor hem het
machinegebruik begrensd, door het verschil tusschen de machinewaarde
en de waarde van de door haar vervangene arbeidskracht. Daar de
verdeeling van den arbeidsdag, in noodwendigen arbeid en méér-arbeid,
in verschillende landen in verschillende periodes, of gedurende
dezelfde periode voor verschillende takken van bedrijf, verschillend
is; dan beneden de waarde van zijn arbeidskracht, dan weder daarboven
stijgt, kan het verschil tusschen den prijs der machinerie en den
prijs van de door haar vervangen arbeidskracht, zéér varieeren. Ook,
wanneer het verschil tusschen het, voor de produktie van de machine
benoodigde kwantum arbeids en het totaalkwantum van de door haar
vervangen arbeidskracht, hetzelfde blijft. Het is evenwel alleen
maar het eerste verschil, dat de produktiekosten der waar, voor de
kapitalisten zelven bepaalt en door middel van de dwangwetten van de
concurrentie invloed erop uitoefent." Het is daardoor, zegt Marx, dat
men in het eene land machines in een tak van bedrijf invoert, terwijl
ze in een ander land, absoluut niet toegepast kunnen worden, doordien,
de arbeidskracht in die tak als te goedkoop zijnde, eene toepassing
van de machinerie het produkt duurder, in plaats van goedkooper zou
maken. Ook hier is dus de maatschappelijke tegenstelling, tusschen
het groote belang, dat de menschheid heeft bij machines en het belang
dat bij de produktie-leidende klasse overheerscht, merkbaar.
Hoe de machine de verhoudingen revolutionneert, zet Marx nu verder
uiteen.
"In zooverre," zegt hij, "als de machinerie spierkracht ontbeerlijk
doet worden, wordt zij tot een middel om arbeid zonder spierkracht
en van een onrijpe lichaamsontwikkeling, maar van grooter lenigheid
aan te wenden. Vrouwen- en kinder-arbeid was daarvandaan het éérste
woord, dat de kapitalistische toepassing van de machinerie wist te
spreken! Dit geweldige vervangingsmiddel van den arbeid en van de
arbeiders, veranderde dan ook aanstonds in een middel, om het getal
loonarbeiders te doen vermeerderen, doordien het in zich opreeg
alle leden van de arbeidersfamilie, zonder verschil in geslacht of
ouderdom, en deze, onder de onmiddellijke heerschappij van het kapitaal
plaatste.".... "De waarde van de arbeidskracht wordt bepaald, niet
alleen door de, tot instandhouding van den individueelen, volwassen
arbeider noodzakelijken arbeidstrijd, maar ook door die, welke er
noodig is, om de arbeidersfamilie in stand te houden. Terwijl de
machinerie alle leden der arbeidersfamilie op de arbeidsmarkt werpt,
verdeelt zij de waarde van de arbeidskracht van den man, over zijn
gansche gezin. Zij ontwaardigt daardoor zijne arbeidskracht. De
aankoop van in vier arbeidskrachten bijv. geparcelleerde familie,
kost wellicht méér, dan vroeger de aankoop van de arbeidskracht van
één gezinshoofd, maar daarvoor komen dan ook vier arbeidsdagen in de
plaats van een; en hunne prijs daalt in de verhouding tot het overschot
van de méér-arbeid van die vier, over den prijs van de méér-arbeid van
die eene. Vier moeten niet alleen den arbeid, maar ook den méér-arbeid
aan het kapitaal leveren, opdat één gezin in het leven blijve. Zoo
verwijdt de machinerie reeds van te voren, met het menschelijk
exploitatiemateriaal, tevens haar eigen uitbuitingsterrein voor het
kapitaal, en tegelijk daarmede, tevens den graad van exploitatie.
"Zij revolutioneert evenzoo goed van grond uit, de formeele
tusschenkomst van de kapitaalsverhoudingen, als zij dit het contract
tusschen kapitaal en arbeid doet. Op den grondslag van den warenruil,
was het eene eerste voorwaarde, dat kapitalist en arbeider als
vrije personen, de een als onafhankelijke warenbezitter, van geld en
produktiemiddelen, de ander als bezitter van arbeidskracht, tegenover
elkander kwamen te staan. Maar nu koopt het kapitaal onmondige of
half-mondigen. De arbeider verkocht vroeger zijne eigene arbeidskracht,
waarover hij, als formeel vrije persoon de beschikking had. Hij
verkoopt thans vrouw en kind. Hij is een slavenhandelaar geworden."
Marx gaat thans over tot een historisch overzicht, gestaafd door
officieele berichten van de fabrieksinspecteurs in Engeland over den
kinderarbeid, van af den aanvang der negentiende eeuw; benevens van de
drooge, maar toch zoo hartverscheurende rapporten van de ellende door
vrouwen- en kinderarbeid, die de eerste bloeiperiode van het engelsche
kapitalisme, tot ver in de jaren 1830 toe, te lezen geven. Wij hebben
ons bij Robert Owen's beschrijving daarmede reeds bezig gehouden. Maar
Marx ziet ook in deze ellende, niet de ellende aan en voor zich,
maar eene die in zich, een revolutioneerend element tevens bevat.
Hij zegt: "door die overwegende toevoeging van vrouwen- en
kinderarbeid, breekt de machinerie eindelijk den tegenstand welke
de mannelijke arbeiders in de Manufaktuur, aan de despotie van het
kapitaal nog konden blijven bieden."
De machine, zoo zegt Marx verder in dit dertiende hoofdstuk, voert tot: