werd op den 5en Mei 1818 te Trier geboren als de zoon van den advokaat
en lateren Justitieraad Marx, die in 1824 met zijne familie van
het Jodendom tot het Christendom overging. Marx' stamboom moet van
af zijn vader opwaarts tot aan de 16e eeuw toe, slechts rabbijnen
aanwijzen; wat zekerder is, dat is, dat zijne moeder afstamde van
een hollandsche, joodsche familie. Beide zijne ouders, waren lieden
van hooge ontwikkeling.
Nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, ging de jonge Marx naar de
Universiteit van Bonn, daarna naar die van Berlijn, waar hij ter
wille van zijn vader rechtsgeleerdheid bestudeerde en, voor zijn
eigen genoegen, geschiedenis en philosophie. Met zijn verstand,
van nature als het ware aangelegd voor de dialektiek, moest de jonge
Karel Marx zich het sterkst aangetrokken gevoelen tot de philosophie
van Hegel. Geen onder die talrijke jongeren, heeft Hegel grondiger
bestudeerd, dan Marx. Wat Marx dan ook zoo machtig tot de philosophie
van Hegel aantrok, dat was hare dialektische methode, welker
revolutionaire spits, juist door het schaduwspel van nevelachtige
begrippen omhuld werd. Marx ruimde veelmeer deze begrippen op, terwijl
hij zich in de massa van historische stof wierp en met deze feiten de
theorie bevruchtte. Van jongs-af bezat hij een onverzadigbare dorst
naar weten en eene rustelooze zelfcritiek. Reeds de vrienden zijner
jeugd klaagden er over, dat hij door zijn nachtwaken om te werken,
zijne sterke gezondheid vaak geschokt heeft. Arnold Ruge schreef aan
Ludwig Feuerbach over Marx: "Hij leest zeer veel; hij arbeidt met
eene ongemeene intensiviteit en hij heeft een critisch talent, dat
somwijlen tot een in overmoed ontaardende dialektiek wordt,.... maar
hij voleindigt niets, hij breekt overal af en stort zich steeds van
voren af aan, in een eindelooze boekenzee. Hij behoort, volgens zijne
geleerde dispositie, gansch der duitsche wereld toe, maar door zijn
revolutionaire denkwijze, is hij van haar buitengesloten." Marx
vereenigde dan ook in zich, alle faustiaansche aandriften van de
duitsche geleerdheid. Hij droeg het leven der wetenschap binnen, zooals
hij de wetenschap in het leven binnendroeg. Dit was de vooruitgang,
die de duitsche wijsgeerige beschaving alleen nog maar maken kon,
die zij onder alle omstandigheden maken moest, wilde zij niet,
van een drijfrad der historische ontwikkeling, tot een traprad voor
kleinburgerlijke denkers worden.
Van de grootste beteekenis voor Marx' jeugd, was zijne verhouding
tot de familie von Westphalen. Dát waren buren van het ouderlijke
huis. De graaf von Westphalen was een Pruisisch beambte, van een
niet gewoon slag en zeer ruim van opvattingen. Zijn vader was de
geheimsecretaris Philip von Westphalen, die in den zevenjarigen
oorlog, vijf fransche maarschalken in vijf veldslagen met succes
versloeg en daarnevens van nature zoo burgerlijk bleef, dat hij nooit
een soldatenuniform droeg en den titel van Generaal-Adjudant van
het leger, waarmede de koning van Engeland hem meende te vereeren,
lachend van de hand wees. Alleen de verheffing in den adelstand,
liet hij zich welgevallen, maar dit, teneinde een meisje te kunnen
huwen dat hem aan geesteseigenschappen evenaarde en de dochter van een
Schotsche baronnenfamilie was: zij stamde af van den beroemden Argyle,
den hertog, die door de veroordeeling onder de tyrannieke regeering
van Jacobus II en den heldenmoed waarmede hij zijn vonnis droeg, in de
geschiedenis van Engeland wèlbekend is. De jongste zoon uit dezen echt
was Lodewijk von Westphalen. In het huis van dezen vrijdenker vond
de jonge Marx een tweede tehuis. Terwijl zijn vader hem de fransche
beschaving deelachtig deed worden, hem Racine en Voltaire voorlas,
leidde de heer von Westphalen hem in de duitsche beschaving in;
las hem Homerus en Shakespeare voor, die dan ook voor altijd, Marx'
lijfdichters gebleven zijn.
Westphalen's kinderen, werden de speelmakkers van den jongen Marx
en het is daarvandaan, dat Marx in de jonge Jenny von Westphalen,
die drie jaren ouder was dan hij, spoedig eene geliefde kreeg, die
hem geheel zijn leven is blijven aanhangen met de grootste trouw en
de grootste liefde. Bereids in 1836, toen Marx naar de Universiteit
ging, was de zaak van eeuwige trouw en liefde tusschen hen beiden
beklonken. Twee jaren later, verloor Karel Marx zijnen goeden en
zachten vader en hiermede eindigde een conflict tusschen hen beiden,
dat in den aanvang zich liet aanzien van genoegzaam ernstigen aard te
kunnen worden, om tot een scherpen breuk te leiden. Het liep nu nog
slechts over Marx' voorkeur voor de philosophie en des vaders neiging,
om een advokaat van hem te maken.
Marx' beste vrienden aan de Hoogeschool waren: Bruno Bauer en
Karl Friedrich Köppen, aan beider omgang verdankt Marx veel van
zijn ontwikkeling. Zij waren beide Hegelianen, gelijk toenmaals in
Duitschland en vooral in Pruissen, geen beteekenende kop, zich aan
den invloed van den grooten Meester der philosophische redeneerkunst
heeft kunnen onttrekken.
Bruno Bauer stamde uit Saksen-Altenburg, en was de zoon van
burgerouders; zijn vader was porceleinschilder in Berlijn. Bruno was
de oudste van drie broeders, die allen in de geleerde wereld naam
gemaakt hebben. Bruno echter, gold als de begaafdste van de drie.
Het was de wensch van Bauer,--die inmiddels reeds in een polemiek met
David Friederich Strausz, den grooten schrijver van het "Leven van
Jezus", gewikkeld was--om Marx naast zich te hebben aan de redaktie
van een critisch tijdschrift, omdat hij van Marx' groote critische
en dialektische begaafdheden, wenschte te profiteeren. In de brieven
die hij Marx schreef, spoorde hij dezen aan examen te doen; hij wilde
Marx een positie zien krijgen aan de Universiteit als hoogleeraar.
Friedrich Köppen was meer geschiedkundige dan philosoof. Beiden hadden
een tijdschrift gegrondvest de "Hallische Jahrbücher" genaamd, waarin
Köppen over historie en historische figuren schreef, en Bauer zijnen
strijd tegen de orthodoxie met groote scherpte streed.
In 't jaar 1841 promoveerde Marx dan, als doktor in de philosophie aan
de Hoogeschool te Jena, met eene dissertatie: "Over de philosophie van
Epikurus", welke dissertatie toen niet in het licht is verschenen. Zijn
voornemen om zich te Bonn als privaatdocent te vestigen, liet hij
weldra varen. De wijze toch, waarop de minister Eichhorn zijnen vriend
Bauer behandelde, lokte een vrij man, zooals Marx zich dit voelde,
allesbehalve aan om zijn nek onder den pruisischen censuur te krommen.
Spoedig daarna krijgt Marx, het was in 1842, de leiding van de radikale
"Rheinische Zeitung", waaraan hij vooràf reeds had medegewerkt. Onder
de medewerkers dier dagen aan dit blad, dat in Keulen verscheen,
en aan de belangen der politiek, handel en nijverheid dienstbaar
was gemaakt, telde men de besten onder de Hegelsche "jongeren" als:
Bruno Bauer, Köppen, Nauwerk, Max Stiner, Georg Jurg, Mozes Hesz,
Hermann Püttmann en den dichter en literator Georg Herwegh.
In de opstellen in dat blad door hem geplaatst, staat Marx nog
geheel op het standpunt van de radikale Hegelianen, die uit zuiver
ideologische, vooròpgestelde meeningen hunne conclusiën trokken; maar
ook reeds, een echo van het fransche socialisme deden hooren. In een
polemiek uit die dagen, zeide hij reeds: De "Rheinische Zeitung",
die de communistische denkbeelden, in hunne huidige gestalte
geen verwerkelijking kan voorspellen ... zal deze ideën aan
eene grondige critiek onderwerpen. Dat evenwel de geschriften van
P. Leroux, V. Considérant en voor alles, de scherpzinnige werken van
P. J. Proudhon niet door invallen van het oogenblik kunnen worden
bestreden, maar na lange en diepgaande studieën kunnen worden
gecritiseerd ..., is onze vaste overtuiging .... "Op praktische
pogingen van communisme, kan men met kanonnen antwoorden, zoodra
zij gevaarlijk worden; maar ideën, die zich meester maken van onze
intelligentie, die onze gezindheid veroveren, waaraan het verstand
ons geweten gaat kluisteren, dat zijn ketens, waaraan men zich niet
onttrekt, zonder zijn hart te verscheuren; dat zijn demonen, welke
de mensch slechts overwinnen kan, doordien hij zich eraan onderwerpt."
De 28ste Januari van 't jaar 1843, in hetzelfde jaar waarin Marx in
het huwelijk trad met Jenny von Westphalen, kwam het verbod van de
regeering tot het langer voortbestaan van de "Rheinische Zeitung"....
Uit de noodzakelijkheid, die hieruit geboren werd voor de vrije
geesten in Duitschland om hunne denkbeelden te verkondigen, kwam
het maandschrift de "Deutsch-Französischen Jahrbücher" voort, dat
ternauwernood één jaar heeft bestaan. Herwegh, Arnold Ruge en Heinrich
Heine hebben eraan medegewerkt en Marx heeft er zijn eerste artikelen:
de critiek op Hegel en het Hegelianisme in gepubliceerd en Engels, zijn
eerste staathuishoudkundige opstellen. De opstellen der eerste heeten:
"critiek op de Hegelsche Rechtsphilosophie" en "over de Jodenkwestie,"
een critiek op artikelen van Bruno Bauer over het Jodendom; die
der laatste: "Omtrekken eener critiek der nationale-economie" en
"de positie van Engeland".
Marx was intusschen naar Parijs gegaan, om er zich voor goed te
vestigen en daar was het, dat hij het fransche socialisme bestudeerde
en dat hij tevens kennis maakte met Proudhon, in wiens bestrijding
hij later tevens de gelegenheid zal vinden, zijn wetenschappelijk
standpunt 't eerst, krachtig te ontvouwen.
Maar éérst moeten wij terug, naar het tijdperk van de
"Deutsch-Französische Jahrbücher" en Marx' critiek op het
Hegelianisme. Hiermede vangen wij dus aan.