David Friederich Strausz, Bruno Bauer, Max Stirner en Ludwig Feuerbach,
waren de meest beteekenende scholieren van Hegel geweest, die elk
hun eigen weg gingen bij de ontwikkeling, van de philosophie van den
Meester. Ook Karel Marx behoorde tot de leerlingen van Hegel.
Strausz had behalve zijn "Dogmatiek", de beroemde critiek op "het
leven van Jezus" geschreven. Bruno Bauer heeft voor het onderzoek
naar het "Ontstaan van het Christendom" beduidenden arbeid geleverd,
terwijl Max Stirner weder geheel zelfstandige paden insloeg met zijn
"Einzige und sein Eigenthum", welk werk wel eens als een voorlooper
van het latere anarchisme, van Bakounine en Krapotkine, is genoemd.
Ludwig Feuerbach en Bruno Bauer behoorden tot de meest beteekenenden
van Hegels uitloopers op wijsgeerig terrein. Feuerbach baarde
het eerst als beduidend philosoof opzien, door zijn "Wesen des
Christenthums." Van-uit Hegel's Idealisme, ontwikkelde hij daarin weder
het materialistisch denken. "De natuur bestaat onafhankelijk van alle
philosophie," zoo zeide hij, "zij is de grondslag, waarop wij menschen,
zelven produkten van de natuur, gegroeid zijn. Buiten de natuur en
den menschen bestaat niets, en de hoogere wezens, die onze phantasie
geschapen had, zijn slechts phantastische weêrspiegelingen, van ons
eigen wezen. De mensch is, wat hij eet." De ban was dus verbroken,
het "systeem" was gesprongen en ter zijde geworpen en de tegenspraak
was--dewijl zij slechts in de verbeelding bestond--opgelost.
Het materialisme van Feuerbach is evenwel doodgeloopen. En het was
Karel Marx die in 1845 er met de volgende 11 stellingen positie
tegen nam.
1.
Het hoofdgebrek van alle tot nu toe bestaan hebbend Materialisme--dat
van L. Feuerbach niet uitgezonderd--was, dat het objekt, de
werkelijkheid, de zinnelijkheid, slechts onder den vorm van het objekt
of der aanschouwing werd opgevat; niet echter als menschelijke,
zinnelijke werkzaamheid, praktijk, niet subjektief. Daarvandaan
kon het geschieden, dat de werkzame zijde, in tegenstelling tot
het materialisme, door het Idealisme ontwikkeld werd--maar alleen
abstrakt, daar het Idealisme natuurlijk de werkelijke, zinrijke
werkzaamheid, als zoodanig, niet kent. Feuerbach wil zinnelijke,
van de gedachtenobjekten werkelijk-verschillende objekten; maar
hij vat de menschelijke werkzaamheid zelf, niet op als objektieve
werkzaamheid. Hij beschouwt daarom in het "Wesen des Christenthums"
slechts de theoretische verhouding als het echt menschelijke, terwijl
de praktijk slechts in haren smerig-joodschen verschijningsvorm opgevat
en gefixeerd kan worden. Hij begrijpt daarvandaan niet de beteekenis
van de "revolutionaire", van de praktisch-critische werkzaamheid.
2.
De kwestie, of het menschelijk denken de objektieve waarheid
bijgebracht kan worden, is geen kwestie van theorie, maar een kwestie
van praktijk. In de praktijk moet de mensch de waarheid, d. w. z. de
werkelijkheid en de macht, de dezerzijdschheid van zijn denken,
bewijzen. De strijd over de werkelijkheid en de niet-werkelijkheid
van het denken, dat zich van de praktijk isoleert, is een van zuiver
scholastischen aard.
3.
De Materialistische theorie, dat de menschen produkten zijn van
omstandigheden en van opvoeding, veranderde menschen dus, produkten
van andere omstandigheden en veranderde opvoeding zijn, vergeet,
dat de omstandigheden zelf door de menschen veranderd worden en
dat de opvoeders, zelf moeten worden opgevoed. Zij komt daarom met
noodwendigheid ertoe, de samenleving in twee deelen te splitsen,
waarvan het eene boven het andere verheven is. (Bijv. bij Robert Owen.)
Het tezamenvallen van het veranderen der omstandigheden en der
menschelijke werkzaamheid, kan slechts als revolutionaire praktijk,
opgevat en rationeel worden begrepen.
4.
Feuerbach gaat uit van het faktum der religieuze zelfontvreemding,
van de verdubbeling der wereld in eene religieus voorgestelde en eene
werkelijke wereld. Zijn arbeid bestaat hierin, de religieuze wereld
door hare wereldlijke grondslag te doen oplossen. Hij overziet,
dat na volbrenging van dezen arbeid, de hoofdtaak nog onafgedaan
blijft. Het feit namelijk, dat de wereldlijke grondslag zich vanzelf
opheft, en zich een zelfstandig rijk in de wolken fixeert, is juist
alleen maar uit de zelfverdeeldheid en het zichzelf-tegenspreken dezer
wereldlijken grondslag te verklaren. Deze zelf moet alzoo, eerstens,
in haren tegenspraak verstaan en daarna, door terzijdestelling van
die tegenspraak praktisch gerevolutioneerd worden. Alzoo bijv., nadat
de aardsche familie als het geheim van de heilige familie ontdekt
is, moet men de eerste zelve theoretisch gecritiseerd en praktisch
gerevolutioneerd hebben.
5.
Feuerbach, niet tevreden met het abstrakte denken, appelleert aan
de zinnelijke aanschouwing; maar hij vat deze zinnelijkheid niet als
een practische, menschelijk-zinnelijke werkzaamheid op.
6.
Feuerbach lost het religieuze wezen in het menschelijk wezen
op. Maar het menschelijk wezen is niet een, den individueelen mensch
inwonende abstraktie. In zijn werkelijkheid is 't, het ensemble van
de maatschappelijke verhoudingen.
Feuerbach, die op de critiek van dit werkelijke wezen niet ingaat,
is daarom gedwongen:
1e. Van het historisch verloop te abstraheeren en
het religieuze gemoed voor zich te fixeeren, en een
abstrakt-geïsoleerd-menschelijk individu voorop te zetten.
2e. Kan bij hem daardoor het menschelijk wezen, slechts als
"soort", als innerlijke stomme, de vele individuen alleen maar
natuurlijk verbindende algemeenheid, opgevat worden.
7.
Feuerbach ziet daardoor niet in, dat het "religieuze gemoed", zelve
een maatschappelijk produkt is, en dat het abstrakte individu, hetwelk
hij analyseert, in de werkelijkheid tot eene bepaalde maatschappelijke
vorm behoort.
8.
Het maatschappelijk leven is wezenlijk praktisch. Alle mysteriën,
welke de theorie verleidt en tot mysticisme maakt, vinden hunne
rationeele oplossing in de menschelijke praktijk en in het begrijpen
dezer praktijk.
9.
Het hoogste waartoe het beschouwende Materialisme--d. w. z. het
Materialisme dat de zinnelijkheid niet als een praktische werkzaamheid
begrijpt--het brengt, is de beschouwing van de individu in de
"burgerlijke maatschappij".
10.
Het standpunt van het oude Materialisme is de "burgerlijke"
maatschappij; het standpunt van het nieuwe, dat der menschelijke
samenleving of dat van de vermaatschappelijkte menschheid.
11.
De philosophen hebben tot nog toe de wereld slechts verschillend
geïnterpreteerd, maar het komt er op aan haar te veranderen.