werd den 14de Mei 1771 te Newtown, een landstadje in Montgomeryshire
(Wales) in Engeland, geboren, waar zijn vader winkelier
en posthuishouder was. Zijn moeder stamde uit een geachte
pachtersfamilie. Robert was de jongste van zeven kinderen.
Na in het stadje zijner inwoning de school te hebben doorloopen,
kwam hij bij een koopman in Stanford in de leer, een zekere Mac
Guffog, die zich-zelf in zaken er bovenòp had gewerkt. De jonge Owen
bleef hier vier jaren en benuttigde zijnen vrijen tijd met lezen en
studeeren. Elke minuut die hij van de zaken af kon nemen, wijdde
hij aan de studie der mathematiek, de natuurwetenschappen en der
geschiedenis. Ook hield hij zich met godsdienstige studiën niet onledig
en werd hij al spoedig een twijfelaar in theologische aangelegenheden.
In 't jaar 1795 ging Robert Owen naar Londen met aanbevelingen van
zijn patroon, die hem ongaarne van zich vertrekken zag. Hij vond hier
een betrekking voor 25 L. S. (300 gulden) jaarlijksch, voor een knaap
van 14 jaar, eene gunstige positie in die dagen. Vandaar ging hij in
betrekking in Manchester, eene positie die hem 15 L. St. per jaar méér
opleverde. Minder noch om het salaris, dan wel om eene andere reden,
nam hij de hem aangeboden nieuwe positie aan. De katoenindustrie had
in die dagen reuzenschreden gemaakt en hare hoofdzetel was Manchester.
Het was overigens een geweldigen tijd. Eene machtige sociale revolutie
voltrok zich in Engeland. Terwijl in Frankrijk de politieke revoluties
als het ware over elkander vielen, vond er in het geheim, zonder dat
het iemand zag of kon zien, een revolutie in de maatschappelijke
verhoudingen in Engeland plaats, die bewerkstelligd werd door den
stoom en de stoommachine. Watt had de stoommachine, Arkwright had
de spinmachine en Cartwright had de stoomweefstoel uitgevonden. De
kleinproductie ging haren ondergang tegemoet en de handspinmachine en
de handweefstoel, zij moesten het afleggen tegen den met stoom gedreven
industrie van de groote fabrieken. De in 't raam van de kleinproductie
passende verhoudingen, deugden niet meer. Een zee van ontketende
"vrije concurrentie"--het hoofdleerstuk der staathuishoudkunde van den
econoom Adam Smith--was nu de industrieele maatschappij geworden. De
golven sloegen al hooger en hooger, en wie niet met goed uitgeruste
schepen kwam, ging onder. De machinekrachten ontketenden den strijd
van "allen tegen allen", een eeuw vroeger door den philosoof en
staatsrechtsleeraar Thomas Hobbes zoozeer voorzien.
Niet alleen mannen, ook vrouwen en kinderen togen bij massa's naar die
groote fabrieken met hunne rookende schoorsteenen, hunne stampende en
ratelende machines. De groot-industrie begon haar hoogtijd te vieren
in Engeland, het eerste land dat daarvoor rijp was.
Robert Owen zag dat alles, maar hij zag ook tegelijkertijd, dat de
groot-industrie de produktie op geweldige manier deed toenemen. Hij
zag zoowel voor- als nadeelen van het nieuwe stelsel. En meer dan
iemand van zijnen tijd, heeft hij het ook begrepen. De jonge man
peinsde op middelen, zon op een stelsel om de voordeelen te behouden,
maar de nadeelen zooveel mogelijk te neutraliseeren.
Hij wilde aanstonds katoenfabrikant worden, want hij was inmiddels
in bijna alle geheimenissen van dat vak doorgedrongen. Maar toen hem
intusschen in 1789 een mechanikus met name Jones, dien hij had leeren
kennen, den voorslag deed, om met hem gezamenlijk een fabriek op te
richten, tot vervaardiging van nieuwe machines voor katoenfabrikatie,
greep hij dit denkbeeld aan en zeide zijne betrekking op. Hij werd
machinefabrikant met een kapitaal van 200 pd. sterling, dat hij
van zijn broeder in Londen had geleend. Jones evenwel betoonde zich
ongeschikt, en hij wilde ook geenerlei raad aannemen en in dat geval
hield Owen het voor geraden zijn deelhebberschap aan een kapitalist te
verkoopen en uit de zaak te treden, om tot zijn oorspronkelijk beroep
terug te keeren. Voor het ontvangen geld, richtte hij een gehuurd
fabrieksgebouw in, dat hij voor het grootste gedeelte aan anderen
onderverhuurde en stelde, in de hem overblijvende ruimte een paar
spinmachines op. De ervaringen die hij in zijn korten loopbaan als
machinefabrikant had opgedaan, kwamen hem nu voortreffelijk te stade
en in korten tijd had hij zich een goede cliëntèle verschaft. Alleen
het gebrek aan kapitaal, hinderde hem bij elken stap, dien hij wilde
doen. Tot dat men hem op zekeren dag mededeelde, dat een zekere
heer Drinkinwater, een rijke katoenfabrikant, wiens ouden chef hem
plotseling had verlaten, een nieuwen chef zocht. Owen nam een snel
besluit en bood zich aan. De heer Drinkinwater nam aanvankelijk den
nog geen twintigjarigen jongeling, die zich vermat aan het hoofd
te willen komen van eene der grootste katoenfabrieken van toenmaals
in Engeland, eens op. En met een blik waarin verbazing, zoowel als
geringschatting lag, zeide hij tot Owen: "U is mij te jong!"--"Voor
vier of vijf jaren was ik het wel," antwoordde de jonge Robert.--Nog
grooter verbazing bij den heer Drinkinwater; hij dacht voor het lapje
te worden gehouden. "Hoeveel malen per week bedrinkt u je wel?" vroeg
hij.--"Ik was nog nooit in mijn leven beschonken," antwoordde Owen
heel droog.--"Hoeveel salaris vraagt ge?" begon na een korte pauze
den fabrikant. "Driehonderd pond sterling!" was wederom het korte
antwoord van Owen. Het bleek dat zijn manier van antwoorden, den
grooten fabrikant zoozeer imponeerde, dat hij informaties inwon,
en het resultaat was dat Owen de betrekking kreeg.
Dit was in 't jaar 1791, toen de fransche Revolutie op haar hoogste
punt was gekomen. De jonge Owen had voor politieke kwesties een niet
zeer levendige belangstelling. Of de gebeurtenissen in Frankrijk een
grooten indruk op hem gemaakt hebben, is niet gebleken. Praktische
vragen, vraagstukken die in onmiddellijk verband stonden met het leven,
hadden evenwel zoo veel te meer steeds zijne groote belangstelling
bezig gehouden.
De heer Drinkinwater had geen reden om zijn besluit te betreuren. De
jonge Owen bracht weldra orde in het bedrijf en vervolkomende de
machinerie dermate, dat de fabriek binnen korten tijd, gelijk erkend
werd, het beste en fijnste spinwerk van Engeland leverde. Daarbij kwam,
dat de arbeiders goed werden betaald en humaan werden behandeld. Nadat
een jaar verstreken was, wilde de heer Drinkinwater dan ook van geen
veranderen meer weten; hij verhoogde ten dien einde dadelijk Owen's
salaris tot op 400 pd. st. en verplichtte zich, om, na het derde jaar
dat Owen in zijn dienst zou blijven op een salaris van 500 pd. st.,
hij hem als deelgenoot in de zaak zou opnemen.
Voor dat het contrakt tot stand kwam, verliet Owen de zaak, om eene,
naar hij later zelf toegaf, door hem verkeerd opgevatte handelwijze
des heeren Drinkinwater en richtte in Manchester eene eigene spinnerij
op, echter een voor zulk soort garens, die niet in de fabriek des
heeren Drinkinwater vervaardigd werden, ten einde dezen geen schade
te doen. De onderneming gelukte en Robert Owen werd wat men noemt een
"gemaakt man", door andere fabrikanten met jaloerschheid aangezien;
bewonderd als man van zaken en uitgekreten als een zonderling, omdat
hij absoluut geen vermaak vond in de gezellige omgang dier heeren,
die hun geld en hunnen tijd doodsloegen, terwijl hij zijnen vrijen
tijd doorbracht in litterarisch en philosophisch gezelschap; slechts
met menschen willende verkeeren, waarvan hij meende iets te kunnen
leeren. Hij stelde er meer een eer in, om te gaan met mannen als:
Coleridge, de dichter, Dalton, de scheikundige en Fulton, de uitvinder
van het eerste stoomschip, welke laatste hij vooral met beduidende
geldsommen steunde.
En als Owen wel eens in het gezelschap was van zijne collega's de
fabrikanten, dan had hij zulke verschrikkelijke plannen op te stellen
en ideën te verkondigen, dat het er den anderen koud van werd.
Deze denkbeelden echter liet daarom Owen niet varen, in tegendeel,
zij trokken hem juist aan. Wij zijn hier aangeland bij het keerpunt
in Robert Owen's leven, daar waar hij van een privaat-ondernemer,
een historische beteekenis krijgt als sociaal hervormer.
Tegen het einde der 18e eeuw kwam Owen, op een handelsreis zijnde,
te New-Lanark in Schotland aan. Daar leerde hij een zekere heer Dale
kennen, den eigenaar van een aantal fabrieksinrichtingen aldaar. De
kennis met den vader, leidde tot kennismaking met de dochter; de
kennismaking leidde tot liefde en Owen werd met den vriend, ook
den schoonzoon van den heer Dale en alras den medeeigenaar van de
fabrieken te New-Lanark. In 1800 nam hij de leiding van de gezamenlijke
fabrieken aldaar, bekend onder den naam van "New-Lanark Mills" over,
met inbegrip van alle daarbij behoorende établisementen.
De fabriek van den heer Dale was door hem en Richard Arkwright, de
beroemde uitvinder van de spinmachine, in 1784 opgericht geworden,
toen de katoenspinnerij in Schotland het eerst werd ingevoerd. De
voordeelen, die de waterkracht van de Clyde aanboden, had de keuze
bepaald van deze plaats, die overigens niets aantrekkelijks had. Het
land rond er om heen was onbebouwd; de inwoners dun gezaaid en zeer
ruw, bijna wild; de wegen zoo slecht dat zelfs de hartstochtelijkste
liefhebbers van natuurschoon het niet licht wagen dorsten tot deze
oorden aan de Clyde-watervallen, al te diep door te dringen. Men
moest "handen" hebben voor de fabriek, geen gemakkelijk iets, daar
de bevolking van de plaats geen bijzondere trek had in het werken
in gesloten ruimten. Kinderen voor den fabrieksarbeid waren er in 't
geheel niet te krijgen. Men moest zich dus wenden tot de "werkhuizen"
in het Engeland van die dagen, niet ten onrechte de "Bastilles van den
armen" genoemd, ten einde kinderkrachten te bekomen. En had zoodoende
500 kinderen bij elkander gekregen, meest uit Edinburgh, die in een
daarvoor gebouwd groot huis tezamen werden gebracht, om gekleed,
gevoed en opgevoed te worden.
Ter aanlokking van arbeiders uit andere oorden, bouwde men een dorp om
de fabriek en verhuurde de huizen tegen een lagen prijs. Maar de arbeid
was er zóó impopulair, dat men bijna geen arbeiders kon krijgen, anders
dan verworden menschen en werkeloozen; van alle middelen ontbloote
individuen; menschen die over het algemeen, zedelijk zeer laag en
voor den arbeid bijna onbruikbaar waren, kortom het uitschot van de
armen. En niet zoodra hadden dezen door eenigen tijd te arbeiden er
geheel den slag van gekregen of zij werden weerspannig en onhandelbaar.
Voor de kinderen was naar de toenmaals heerschende begrippen, vrij
goed gezorgd. De lokaliteit waar zij gehuisvest waren, was ruim,
de kamers vrij goed, de kost en de kleeding voldoende. Ook was er
voor voldoende geneeskundige hulp en verzorging, goed onderwijs en
behoorlijk toezicht zorg gedragen. De armenvoogden echter, verlangden
dat de kinderen reeds op 6-jarigen leeftijd zouden opgenomen worden. De
kinderen moesten dus van des morgens 6 tot des avonds 7 uur werken met
de grooten tezamen en daarna eerst, konde men hen onderwijs geven. De
gevolgen daarvan bleven niet uit; de kinderen liepen weg als zij
eenigszins daartoe in staat waren, om naar Glasgow en Edinburgh te
gaan en daar dan dikwijls hunnen ondergang te vinden. Maar alles was
hen liever dan 13 uren per dag te werken onder menschen, zooals het
arbeidspersoneel van den heer Dale was.
Owen spreekt den heer Dale vrij van schuld; niet zijn wil was het,
dat de kinderen reeds met hun zesde jaar aan de spinmachine moesten
staan, zegt hij, maar die van het Armentoezicht, dat tot elken prijs
natuurlijk, van de arme, verlaten, ongelukkige kinderen af wilde zijn.
En wat de toestanden aangaat, zegt hij: "als deze nu zoo waren bij
goede werkgevers als den heer Dale, kan men nagaan hoe het er moet
hebben uitgezien bij de slechten."
De toestand van de dorpelingen van New-Lanark was dan ook eene
hoogst ongunstige. Drankzucht, luiheid en armoede waren er heer en
meester. Stelen was er aan de orde van den dag en in 't bijzonder
scheen het een formeel recht te zijn, zich aan den eigendom van den
heer Dale te mogen vergrijpen. Ook heerschte er een godsdienstig
sekte-fanatisme van de allerergste soort. De eene groep van een
zeker soort geloovigen verketterde den andere, en dit werd er niet
beter op, doordien den heer Dale zelve partij koos voor eene der
vele secte-gelooven.
Nog een groot euvel was er, doordien de menschen van New-Lanark,
tengevolge van den grooten afstand van de marktplaatsen veel te dure
prijzen moesten betalen voor hunne levensmiddelen, hetgeen, naar te
begrijpen was onder hen een even groote bron van ontevredenheid, als
het voor den diefstal van andermans eigendom, een groote prikkel was.
Het geheel evenwel scheen, met al zijn euvelen en al zijn ellende een
terrein te zijn, alwaar iemand als Robert Owen zich op tehuis gevoelen
kon. Dadelijk overzag hij het geheel en besloot hij onmiddellijk de
zaak radikaal aan te pakken. Hij ondernam een grondige hervorming. De
enorme moeielijkheden die hij hierbij ondervond verhoogden zijnen
ijver slechts. Hij deed als een wetenschappelijk ontdekker, die hoe
moeielijker de taak, dien hij zich gekozen had werd, met te meer
lust aan de nieuwe studie ging, wetende zijn doel toch te zullen
bereiken. Hij verklaarde zijnen vrienden, dat hij zou inwijden een
geheel nieuw systeem, dat geheel gebaseerd zal zijn op gerechtigheid
en goedheid, dat hij zijn hoofdoogmerk zoû wijden aan de opvoeding
van de kinderen, en alle straffen zoû afschaffen en zou weten te
vervangen door moreele middelen. Men lachte hem uit; maar de lachers
werden hier wel zeer beschaamd gemaakt.
Owen toog aan den arbeid. "Onwetendheid," schrijft Owen's biograaf
Sargent, "immoraliteit, godsdienstige huichelarij, overmatige
arbeidstijd, verduurdering van levensmiddelen, en om op dit alles den
kroon te zetten, een hardnekkig vooroordeel dat men het tegen Owen
"den Engelschman," wiens spraak den schotschen hoog- en laaglanders
bijna niet verstonden, dat alles stond hem in den weg. Hierbij kwam
nog, dat de andere deelnemers hoofdzakelijk het oog hadden gevestigd
op de winsten, die er te maken vielen en alles van een zakenstandpunt
bekeken."
De arbeiders wantrouwden de geheele zaak eveneens. Zij immers waren
zoozeer gewend te worden geëxploiteerd, dat zij onmiddellijk achter
elke vernieuwing van de dingen, eene poging zagen, om meer uit hunne
arbeidskracht te halen. Geen wonder dus, dat er in de eerste twee jaren
slechts weinig was volbracht. "Er was geen middel," schrijft Owen zelf,
"dat er niet tegen mij werd gebruikt; en de vesting van vooroordeelen
en misbruiken die te veroveren was, en wier verovering ik mij vast
voorgenomen had, werd dan ook systematisch en op hardnekkige wijze
tegen mij verdedigd."
Owen was echter te verstandig om met geweld te werk te gaan.
Hij zag in, dat de noodzakelijkste veranderingen zeer talrijk waren
en niet in één handomdraaien gedaan waren te krijgen, temeer, daar
hij van geen enkele zijde op medewerking te rekenen had. De beambten
der fabriek zagen in hun patroon een phantast, die de zaak te gronde
zou richten met zijne plannen en zij verklaarden liever hunne plaatsen
aan de fabriek te zullen verlaten, dan zich te zullen leenen tot zulke
belachelijke dingen, als Owen die met de fabriek voorhad. Hij moest
zich dus voor alles een vasten bodem onder de voeten scheppen, waarop
hij het gebouw zijner wenschen moest vestigen. Maar dit niet alleen,
hij moest zich ook het noodige bouwmateriaal zelf verschaffen. Het
voornaamste was in dat opzicht, mannen te krijgen, die hem bij
zijnen arbeid ondersteunen konden en genoeg vertrouwen in zijn zaak
hadden. Dat was niet gemakkelijk, maar gegeven de uitmuntende takt
die Owen bezat om met menschen om te gaan, om uit ieder te halen wat
erin zat, was deze moeielijkheid geene onoverkomelijke. Hij vond dan
ook wel de noodige krachten.
En nu ging hij met onvermoeiden ijver aan den gang tot het volbrengen
van zijne tweeledige taak: verbetering van het lot der volwassenen
en de opvoeding der kinderen.
Het was vóór alles noodig, in de fabriek-zelf eene zekere orde
te herstellen, omdat het gebrek aan systeem en de wanorde die er
heerschten, werkelijk de fabriek met een bankroet bedreigden, zelfs
onder het oude regime. Repressie-maatregelen, daaraan dacht Owen
niet. Wat zou het hem baten, een paar dozijn "handen" in het tuchthuis
en enkelen aan den galg te brengen? Daarmede waren noch de fabriek,
noch de menschen zelf gebaat, noch hadden Owen's plannen, die hij
met de menschen voor had, daarbij maar eenigszins een voordeel gehad.
Owen geloofde niet aan wat men den "persoonlijken schuld" noemde,
daarvoor had hij een te diep inzicht in de omstandigheden, waaronder
die menschen van New-Lanark leefden en wat dezen van hen hadden
gemaakt. Owen zag dus van elk soort van bestraffing af. Hij zocht het
mistrouwen der werklieden op verstandsgronden te overwinnen, door
beleering hen de dingen te verklaren en door hen louter en steeds
op hun belang te wijzen, dat hen gebood eerlijk en arbeidzaam te
zijn. Ten einde de dieverijen op de fabriek tegen te gaan, trof hij
zeer vernuftige maatregelen, welke de ontdekking van de misdrijven
zeer verlichten en, als 't ware, het politietoezicht in de handen
der arbeiders zelven legde.
Het was Owen's doel geenszins een modelfabriek te stichten, hem was
de sociale zijde van de hervormingen veel meer aangelegen, dan aan
de mercantiele zijde van het vraagstuk. Maar het ging bij hem hierom,
een modelsamenleving op kleine schaal in te richten.
De fabriek was Owen slechts middel tot dat doel. Door haar zocht hij
zijn hervormingsplannen te verwezenlijken, die met de vooruitgang
in de praktijk van den dag, telkens grootere afmetingen begonnen aan
te nemen.
De inrichtingen van New-Lanark waren Owen's proefstation voor sociale
hervormingen. Door deze maatschappij-in-het-klein wilde hij der
maatschappij in het groot, een bewijs leveren van de juistheid en
de uitvoerbaarheid van zijne sociale hervormingsplannen. Door deze
wilde hij beproeven, praktisch de argumenten te weêrleggen van hen,
die zijn plannen misschien in theorie prachtig, maar in de praktijk
voor onuitvoerbaar verklaarden.
Het duurde niet lang of te New-Lanark was er zóóveel verbeterd, dat
de spotters en de lachers, althans niet meer zoo luide lachten en de
twijfelaars tot nadenken gestemd werden. Het stelen hield op, zonder
dat er één arbeider gerechtelijk vervolgd was geworden. En het optreden
en de manier-van-doen van de arbeiders, niet alleen binnen, maar
ook buiten de fabriek, was geheel anders geworden. Dronkenschap werd
steeds minder en dat, zonder dat men de drankwinkels in het dorp had
doen sluiten, wat men Owen aangeraden had. Owen was persoonlijk geen
vijand zoozeer van het alkoholgebruik als zoodanig, maar beschouwde het
drinken en wel, het zich bedrinken, in verband met de maatschappelijke
omstandigheden der arbeiders. Hij vroeg zich af, hoe het kwam, dat de
menschen zulk een misbruik maakten van den alkohol en kreeg allereerst
de overtuiging, dat dit voortsproot uit gebrek aan phijsiek voedsel,
dat den menschen dwong, kunstmatige prikkels tot zich te nemen.
Ten tweede ontbrak het den menschen aan een goed en behoorlijk
"tehuis," aan een behoorlijk en gezellig familieleven, waardoor zij
zich in de kroeg meer thuis gevoelden, dan in hunne eigene woning. Ten
derde kwam het, omdat de menschen geestelijk op een te laag standpunt
stonden en verwaarloosd waren. De meesten van zijn fabriekarbeiders
konden niet eens lezen! Het was dus geen wonder, dat zij geen
denkbeeld hadden van hooger levensgenot en van geestelijk leven,
eene der beproefdste middelen, om de menschen uit de kroeg te houden.
Owen ging planmatig te werk. Hij onderdrukte het "Trucksysteem,"
hetwelk, zooals overal in Groot-Brittanje, ook in New-Lanark in
zwang was, en de arbeiders waren aldus niet meer gedwongen hunne
levensmiddelen te koopen waar die duurder en slechter waren, dan
overal elders. In plaats daarvan stichtte Owen eene coöperatie,
de eerste die bestaan heeft en zeker niet de minst slechte. Hij
kocht waren van de allereerste kwaliteit in het groot en deed ze
aan de arbeiders die ze koopen wilden--gedwongen was men niet--tegen
den kostenden prijs van de hand. Alleen de kosten van beheer werden
hen in rekening gebracht. Het gevolg was, dat weldra alle arbeiders
deelnamen en dat de bevolking van New-Lanark binnen vrij korten tijd,
tot de bestgevoede en de bestgekleede van Engelands arbeidersbevolking
behoorde. Voor de ongehuwden werd een kost- of eethuis opgericht,
eveneens op coöperatieven grondslag, waarin voor hunne voeding en
hunne kleeding den meesten zorg werd gedragen.
Owen liet vervolgens de slechte woningen afbreken en liet er "Cottages"
bouwen van zijne eigene vinding en naar zijne eigene aanwijzingen,
met ruime lustige woon- en slaapkamers, een praktische keuken erbij
en tevens een stukje tuingrond eraan verbonden, om groenten, ooft en
bloemen te kweeken. Voor de kinderen werden bovendien speelplaatsen
opgericht. De nieuwe woningen, met de daarbij behoorende tuintjes
werden voor een lagen prijs verhuurd, zoodat niet meer dan de rente
van het kapitaal in rekening gebracht werd, die opgebracht moest
worden. Niet lang daarna verlieten alle arbeiders hunne ellendige
krotten, om de woningen van de fabriek binnen te trekken.
Een moeielijker werk leverde de geestelijke verheffing van de arbeiders
op. Hier moest tegelijkertijd, van twee kanten uit worden begonnen. Met
bloote opvoeding van de kinderen was men alleen niet klaar, ook de
reeds opgegroeide generatie mocht niet onverzorgd gelaten worden. Voor
de jeugd was een groote school opgericht die binnen korten tijd, onder
de persoonlijke leiding van Owen, tot een modelschool werd. Geschikte
leeraren en leeraressen werden gevormd en aan de school verbonden;
het slaan was streng verboden. De kinderen werden er onderwezen in
lezen en schrijven, in mathematiek, in geschiedenis, geographie en
meer praktische vakken.
Voor volwassenen werden aparte onderwijsklassen opgericht, leeszalen
en een bibliotheek gesticht en in weerwil dat voor de deelname aan
alle deze dingen geen dwang was ingevoerd, was de deelname weldra
zoo algemeen, dat na eenigen tijd New-Lanark, behalve den grijsaards
geen inwoner meer had, die niet ter dege kon lezen en schrijven. Het
intellektueele peil der bevolking rees dan ook zeer schielijk en kwam
zeker boven het doorsneêpeil van de fabrieksplaatsen, in het Engeland
dier dagen te staan.
In de fabriek werd de behandeling eveneens op veel humaner en
praktischer manier ingericht, dan dit voorheen het geval was. Straffen
waren principieel verboden. Goede loonen werden betaald en Owen wist
de menschen het snel duidelijk te maken dat, hoe beter zij arbeidden,
des te meer dan hunne loonen zouden stijgen, en dat dan ook zooveel
te meer zoude gezorgd kunnen worden, voor hunne moreele en materieele
verheffing. Hij maakte er voor de menschen geen geheim uit, dat ook
dan de eigenaren van de fabriek daar beter bij zouden varen. Maar door
te wijzen op hetgeen hij had gedaan, en op hetgeen hij voornemens was
daarenboven te doen, kon hij met een goed geweten verklaren, dat voor
hem de fabriek geen doel, maar een middel was, om tot de oplossing te
komen van het problema, de arbeid die tot dusver voor den arbeiders
een vloek geweest, voor hen in een zegen te doen veranderen.
En de eenige dwang, welke hij uitgeoefend had, was eene moreele,
n.l., de dwang van de publieke opinie.
Ten einde, om zoo te zeggen, een soort gerecht onder de arbeiders,
uit de arbeiders zelven te verkrijgen, voerde Owen den "Silent Monitor"
("stille vermaner") in. Hij liet voor elken arbeider vier borden maken,
van verschillende kleur: een wit, een blauw, een geel en een zwart. De
eerste was goed, de tweede tamelijk goed, de derde middelmatig en de
laatste onvoldoende. Al naar het werk van de week uitviel, liet Owen
een der vier borden naast den arbeider neerhangen, op den Maandag
waarop het werk aanving, zoodat dan elkeen kon oordeelen over eens
anders arbeid en gedrag. Deze borden hadden bovendien nog dit voor,
dat de arbeiders die hunnen plicht niet gedaan hadden, geen standjes
kregen, maar zelven zien konden hoe men over hun werk dacht. Owen
controleerde zelf deze borden steeds en zorgde voor de meest stipte
gerechtigheid bij hunne verdeeling.
Owen ging misschien hier wat schoolmeesterachtig te werk, maar
het was hem liever aldus te handelen, dan eene heerschappij van de
fabrieksopzichters langer te handhaven. Hij wilde den arbeiders dan
ook niet anders opvoeden dan met moreele middelen, als een werkelijk
pedagoog.
In New-Lanark, werd door Owen in 't jaar 1809 de eerste
kleine-kinderenbewaarplaats en kleine-kinderenschool opgericht die
er tot dusver bestond, en alle scholen van dit soort waren geschoeid
op de leest van Robert Owen's eerste stichting van dien aard.
In een rede door Owen in 1812 te Glasgow gehouden, ter eere van
zijnen vriend Lancaster, den beroemden schoolhervormer, zijn zijne
grondstellingen over opvoeding neergelegd.
Hij zeide daarin: "Wat is de oorzaak van de lichamelijke en geestelijke
verschillen, welke wij in 't algemeen onder de menschen waarnemen? Zijn
zij ons aangeboren, of ontstaan zij uit den bodem, waarop wij ter
wereld komen? Noch het een, noch het ander. Deze verschillen zijn
eenig en alleen: werkingen van verschillende omstandigheden en van
de opvoeding. De mensch wordt een ruwe en een gruwzame wilde, een
kannibaal--of een beschaafd en een goedaardig wezen, al naar mate van
de omstandigheden, waarin hij van zijne geboorte af is gekomen. Hieruit
volgt dus, dat het cardinale punt voor ons is, te overwegen of wij
deze omstandigheden beïnvloeden, of wij ze beheerschen kunnen; en
als dit zoo is, in welke mate wij dit kunnen doen.
"Stellen wij het geval eens, ten einde eene proef te nemen brachten
wij bijv. een aantal pasgeboren kinderen uit ons geboorteland naar
ver-afgelegen landen, leverden ze daar aan de inboorlingen over en
lieten ze daar achter. Zouden wij één oogenblik hebben te twijfelen
aan het resultaat? Neen! De kinderen zouden gezamenlijk, zonder
uitzondering, gelijk worden aan elke gewone inboorling en van die in
karakter niet verschillen.
"En zouden op gelijke manier, een zeker aantal van jongegeboren
kinderen tusschen het "gezelschap der vrienden" ("genootschap van
kwakers") eenerzijds en tusschen het verwaarloosde gedeelte van de
Londensche bevolking welke St. Giles bewoont anderzijds uitgeruild
worden, dan zouden de kinderen van de eersten, opgroeien en gelijk
worden aan die van de laatsten; vóórbestemd voor elk misdrijf,
waarentegen de kinderen der laatsten tot evenzoo matige, goede
zedelijke menschen opgroeien, gelijk de eersten dat zijn."
Dit waren, in 't kort, de grondprincipes van Owen; de beginselen van
zijn sociaal systeem, welke hij sedert 't jaar 1812, toen hij met zijne
agitatie begon, en in een gansche rij van brochures, voordrachten
voor het volk en in tal van memories aan staatslieden nederlegde:
"de mensch is het produkt der omstandigheden; ellende en misdaad,
zij zijn de gevolgen van de onnatuurlijke levensverhoudingen."--Het
moet alzoo onzen taak zijn, op de invoering van andere verhoudingen te
werken. En dit is in het belang van alle menschen, omdat alle menschen
zonder uitzondering, onder de bestaande omstandigheden te lijden
hebben. Elk mensch heeft een gelijk recht op welzijn, voorzoover dit de
vooruitgang van de beschaving en de stand der produktie mogelijk maken
en op de hoogst mogelijke graad van ontwikkeling, voorzoover dit zijn
lichamelijke en geestelijke eigenschappen mochten vereischen. Daarom
is het volgens Owen, eene maatschappelijke noodzakelijkheid, dat alle
kinderen een zoo goed mogelijke opvoeding verkregen, opdat de huidige
klassebevoorrechting in dit opzicht, ten minste niet meer heerschen,
en voor eene organisatie plaats maken zal, waarin elk lid van de
samenleving arbeiden kan voor de gemeenschap en deze hem wederkeerig,
een menschwaardig bestaan daarvoor in ruil waarborgen kan.
Robert Owen vergenoegde zich niet met de hervormingen aan zijn eigen
fabriek te New-Lanark, hij strekte zijne bemoeiingen ook uit over
geheel Engeland. Het was een boozen tijd voor Engeland. De Coalitie-wet
verbood den arbeider op elke manier, zich te vereenigen. De
omstandigheden waren evenwel té verschrikkelijk voor den arbeiders,
dan dat zij zich zoo maar konden nederleggen bij hetgeen er in 't land
gebeurde. De wetten dreven hun echter tot het plegen van daden van
geweld. Vooral de jaren van 1814-1824, kenmerkten zich door geweldigen
strijd. In 't laatste jaar werd toen de coalitie-wet eerst ingetrokken,
door het werken van het parlementslid Joseph Hume.
Robert Owen begreep, dat voor de kinderen althans iets moest worden
gedaan. In 1802 was er reeds een wet op de kinderarbeid in het
Parlement tot stand gekomen, maar deze wet werd of in het geheel
niet, of zeer slecht uitgevoerd. Owen riep ten dien einde in 1815
eene Meeting van de schotsche fabrikanten, te Glasgow bijeen, maar
ondervond van geen enkele zijde medewerking. Toen ging hij zelf aan
den arbeid en op reis, teneinde de noodige gegevens te verzamelen voor
zijn agitatie. Hij deed deze reis vergezeld van zijn zoon Robert Dale
Owen; ging naar Engeland en door Schotland.
Toen hij genoegzaam gegevens had, bezocht hij den minister Robert Peel,
bij wien hij aandrong op het indienen van een wetgeving op den arbeid
van jonge kinderen en volwassenen. Immers, het was hem gebleken, dat
er in die dagen, als regel en niet als uitzondering, door kinderen
van tien jaren doorgaans veertien uren per dag werd gewerkt, met
een oponthoud van een half uur per dag voor eten, dat niet buiten,
maar binnen de fabriek werd genuttigd.
Na eene onnoemelijke tegenwerking, kwam in 1819 de eerste Wet op den
Kinderarbeid tot stand, niet in die mate zooals zij door Owen werd
gewenscht, maar dan toch als eerste stap, in de door hem aangewezen
richting.
Van af 1813 tot 1816, publiceerde Owen zijn vier opstellen, getiteld:
"A New view of Society or Essays on the principle of the Formation
of the human Character and the Application of the Principle to
Practice". ("Nieuwe inzichten omtrent de samenleving, of studieën
over de vorming van het menschelijk karakter en de toepassing van
het beginsel in de praktijk").
In de aan de fabrikanten gerichte "Voorrede" tot deze uitgave zegt
Owen o.a.:
"Sedert de algemeene invoering van een levenloos mechanisme in de
Britsche manufaktuur, wordt den mensch, zeer weinige uitzonderingen
hier buiten beschouwing gelaten, als eene machine van lagere orde
behandeld; men heeft er veel meer zorgen aan besteed, de ruwmaterialen
van het hout en het ijzer, dan die van het lichaam en ziel van de
menschen te verbeteren. Wijdt aan deze kwestie eens de haar toekomende
aandacht, en gij zult zien dat de mensch, zelfs in zijn hoedanigheid
als werktuig tot de voortbrenging van den rijkdom, nog beduidend
beter kan worden gemaakt! Maar nog een veel belangrijker opmerking,
valt er in dat opzicht te maken. Benuttigt de middelen, die thans
genoeg voor iedereen duidelijk waarneembaar kunnen zijn en gij zult
daardoor, niet alleen deze levende werktuigen volkomener maken,
maar gij zult ook leeren, dat men ze zoo voortreffelijk kan maken,
dat ze niet alleen het tegenwoordige, maar ook die van 't geheele
verleden in alle opzichten overtreffen zullen!"
Owen had een vredelievend karakter en meende dat de belangen van
fabrikanten en arbeiders, langs den meest vredelievenden weg te
verzoenen waren. Dit belette hem evenwel niet in te zien, dat er
een groote klove tusschen hen gaapte; dat er een geweldige antagonie
bestond tusschen het kapitaal en den arbeid. Maar hij was overtuigd,
dat de vervulling van hetgeen hij meende dat de plichten waren van
de werkgevers ertoe zou leiden, dat er eene toenadering tot stand
zou kunnen komen, welke de hervorming van de maatschappij langs
vredelievenden weg, niet alleen niet in den weg stond maar ook in de
hand zoude werken.
Daardoor, dat hij praktisch deze plichten wist te formuleeren,
stond hij reeds verre boven zijne tijdgenooten; zooals hij ook
verre boven economen van zijnen tijd, als Robert Malthus stond, op
wien hij reeds toentertijd het inzicht vòòr had: 1e dat een zekere
mate van welstand, de onbepaalde voorwaarde is, voor een zedelijken
levenswandel; en 2e dat de ontwikkeling van de groot-produktie, aan
de beschaafde menschheid eene buitengewone mate van produktiviteit
kan verzekeren. Zoodat dus diens vrees geenszins behoefde te worden
bewaarheid, dat de productie eenmaal te kort zou kunnen komen te
schieten.
Zijn goede hart en zijn bijzonder praktische ervaring, deden hem
dan ook menig nieuw gezichtspunt aan de hand. Zijne theoretische
inzichten waren wel-is-waar, door die van den in zijn tijd levenden
liberalen apostel Jeremias Bentham sterk beïnvloed, maar zij waren
verder zelfstandig door hem uitgewerkt. "De mensch is," volgens Owen,
"uitgerust met een natuurlijk streven naar geluk, de regeering heeft
dus ten doel, ons, geregeerden en regeerenden gelukkig te maken. De
beste regeering is deze, welke in de praktijk de grootst mogelijke
som van geluk aan het grootste getal menschen weet te bezorgen,
waarbij allen, zoowel regeerders als onderdanen inbegrepen moeten zijn.
"Alle gecompliceerde en elkander tegensprekende motieven voor goede
verhoudingen, zijn op een enkel principe der handelingen terug
te voeren, hetwelk door zijne voorlichtende werkzaamheid, het oude
verdorven systeem overbodig maakt en ten slotte zich in alle deelen der
wereld zal oplossen. Dit principe is het geluk van het eigen-Ik, goed
begrepen, en gelijkvormig verwerkelijkt, hetgeen slechts kan worden
bereikt door eene verhouding, waarin het geluk van de menschheid
bevorderd wordt. Want iedere macht, welke het wereld-al beheerscht
en doordringt, heeft den menschen zoo gevormd, dat zij progressief,
van uit eene toestand van onwetendheid, tot eene van intelligentie
moeten opklimmen, welker grenzen de menschen niet bepalen kunnen;
zoodat zij bij dit voortschrijden eerst ontdekken moeten, dat hun
individueel geluk slechts door het groeien en het uitbreiden van het
geluk van allen hen omgevenden, groeien en toenemen kan."
Het is Owen's onomstootelijke overtuiging geweest, dat de wereld
alleen door deze erkenning kan worden verbeterd, dat slechts naar
die verhouding waarin het streven der menschen naar eigen geluk of de
liefde tot zich zelf geleid wordt, deugdzame en zegenrijke handelingen
overwogen kunnen worden. En zoowel karakter als opvoeding, berusten bij
den mensch op de erkenning van die waarheid. Owen was er van overtuigd,
dat de menschen tot nog toe eene valsche opvoeding hebben gehad;
valsch onderricht en valsch gevormd zijn geworden en dat daaruit,
alle menschelijke ellende is geboren geworden. Owen geloofde der
menschheid van deze waarheid te kunnen overtuigen, al had hij zelf,
eveneens een slechte en onware opvoeding gehad. Want hoezeer dat
laatste ook het geval is, toch maakt hij zich niettemin sterk, dat
het zijn meergevorderd inzicht was, dat hem der menschheid thans
aldus kon doen beleeren.
Owen's overtuiging was het, dat aan elke maatschappij een zeker
karakter kon worden gegeven, hetzij goed of kwaad, hetzij vernuftig
hetzij dom, en dat de middelen daartoe zoo goed als in handen waren,
van hen die invloed konden uitoefenen op den gang van zaken in de
wereld. Die middelen moesten echter nu worden aangewend. Het was
een feit, dat drie-vierde gedeelte van de gansche bevolking van
Groot-Brittanje en Ierland behoorde, tot die der arbeidenden. Men
liet het echter toe, dat het karakter van die menschen werd
gevormd zonder eenige leiding, onder omstandigheden, die hen
noodwendig moesten brengen tot een levensloop van ellende, ondeugd
en onzedelijkheid. Terwijl de hoogere klassen, wel-is-waar zeiden te
gelooven aan beginselen, maar eveneens deden, alsof die beginselen
niet bestonden. Zulk een toestand zou als zij lang voortduurde tot
den opstand moeten leiden, omdat het lijden van de bevolking en van
de arbeidende klassen van Groot-Brittanje en Ierland werkelijk èrger
is, dan de toenmaals zooveel besproken slavernij van de negers in
Amerika. Owen gebruikte het eerst benaming voor de fabrieksarbeiders
van "blanke slaven" en leverde het bewijs, dat zij met betrekking tot
gezondheid, voeding en kleeding er veeltijds slechter aan toe zijn,
dan de zwarte slaven.
De hoofdzaak was nu het allereerst te zorgen voor de jeugd; een zorg
die rustte op het denkbeeld dat de mensch zijn eigen karakter niet
vormt, maar dat dit voor hem gevormd wordt, door de omstandigheden
waardoor hij is omringd.
Het doel van het gouvernement is om regeerders en geregeerden gelukkig
te maken, daarom behoorde elke regeering zich te laten leiden door
het denkbeeld, dat het beter is misdaden te voorkomen, dan ze te
bestraffen. Alle aanleidingen die tot het misdrijf aanzetten, behooren
daarom door de regeering te worden weggenomen. Oorlog behoorde er aan
de kroegen te worden aangedaan. De rechten op gedistilleerd behoorden
te worden verhoogd; een stelsel van licentieën (vergunningen) in
sterke en in strenge mate dient er te worden toegepast. Elk loterij,
ook die van den Staat uitgaande, moet worden afgeschaft.
Het stelsel van de armenwetten dient grondig te worden herzien,
en er moet worden tegengegaan, dat den vlijtigen arbeid, voor
het onderhoud van luien en leegloopers heeft te zorgen. Dan moest
de geheele strafwetgeving herzien worden, en het beginsel van de
preventiviteit moest geheel worden doorgevoerd.
Een hervorming van de Staatskerk achtte Owen niet minder noodig. Owen
was n.l. langzamerhand, door de ervaring geleerd, een vijand van
de officieele godsdienst geworden, hetgeen ten slotte niet het minst
geleid heeft, tot zijn maatschappelijk isolement en zijne verwijdering,
ook van diegenen zijner tijdgenooten, welke hem in den aanvang,
geldelijk tot het ten-uitvoer leggen van zijne plannen in staat
hadden gesteld.
Owen vatte zijn betoog in de vier hier behandelde opstellen te zamen,
in de navolgende twee reeksen van wetten. De eene reeks zou moeten
bestaan in eene algemeene onderwijs-regeling voor het geheele land,
zoowel omvattend den geest van het onderwijs, als de voorziening
van de schoolgebouwen, de normaal-inrichtingen voor onderwijzers en
hunne gansche vorming op het oog hebbend. De tweede reeks, zou aan de
hervorming van den arbeid moeten zijn gewijd. Zij zou moeten worden
ingeleid door eene wettelijke enquête, naar de arbeidstoestanden in het
Vereenigd Koninkrijk, naar de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid
in hunnen ganschen omvang, ook wat aangaat de werkeloosheid. Owen hield
zich overtuigd, dat deze laatste geen maatschappelijk euvel zoozeer,
als wel een euvel der opvoeding was en dat daarin gelegen was een
reden tot armoede en niet in de z. g. n. "Wet van Malthus." Het was
z. i. niet de massa van menschen, die kwaad was voor de menschheid,
het waren de groote onwetendheid, de domheid en de verwaarloosde
opvoeding der menschen, die al het kwaad over de wereld gebracht
hadden. Ieder individu kon geleid worden, en wel in die richting,
dat hij veel meer produceert, dan dat hij verteert; daar er volgens
Owen's vaste overtuiging veel meer was of geschapen kon worden,
dan er noodig was om dadelijk te worden verteerd.
Inmiddels was Owen steeds voortgegaan, de inrichtingen van New-Lanark
te verbeteren en steeds volkomener te maken. De bezoekers stroomden
naar dat oord, om het "wonder van dien tijd" in oogenschouw te
nemen. Jaarlijks kwamen meer dan tweeduizend belangstellenden naar
New-Lanark, en de hooge wereld was niet het minst, onder dat aantal
vertegenwoordigd. De Koning van Saksen zond Owen een medaille, de
Koning van Pruissen schreef hem eigenhandig brieven. Groot-Vorst
Nicolaas van Rusland begaf zich in 1816, persoonlijk derwaarts en
verwijlde zelfs een paar dagen in Owen's huis. De Hertogen van het
Koninklijk huis van Engeland, toonden de grootste belangstelling in
de instellingen van New-Lanark en de Hertog van Kent, de vader van
Koningin Victoria, was zelf op vriendschappelijken voet met Robert
Owen er door gekomen.
Dit alles maakte Owen evenwel niet trotsch, of deed zijn
hervormingszucht omslaan in conservatisme, of in zucht om de grooten
der aarde wèlgevallig te zijn.--Juist, integendeel! Het is een bewijs
voor de groote naïviteit van Owen, voor het kinderlijk vertrouwen,
dat hij in de menschen stelde, dat hij deze blijken van belangstelling
aanzag voor aansporingen die men hem wilde geven, steeds verder voort
te gaan. Maar hij zou bittere ervaringen opdoen met dat vertrouwen.
Telkens en telkens kwam er oppositie van den kant der geldschieters,
hoofdzakelijk Kwakers, die méér winsten verlangden, of wel het meest
van alles, nu eens wenschten opgehouden te zien met die oneindige
hervormingen, welke Owen nooit moede was in te voeren, teneinde aldoor
maar te verbeteren en te verbeteren.
Maar erger werd deze oppositie, of liever zij verscherpte zich, door de
kwestie van het onderwijs. Owen had n. l. in zijn onderwijsinstituten
een neutraal onderwijs ingevoerd, van een soort, gelijk dat bij ons
nog gehuldigd wordt in de openbare school.
Hij nam een Christendom aan, dat boven geloofsverdeeldheid stond, een
universeel Christendom dus. Hij was de meening toegedaan, reeds in zijn
"New View of Society" uitgesproken, dat men, om de ongelegenheden te
vermijden die altijd moeten oprijzen, wanneer men een bepaald geloof op
school invoert, de kinderen slechts behoorde te leeren uit die boeken,
welke zoodanige voorschriften der christelijke godsdienst inprenten,
die gemeen zijn aan alle uitingen of secten van het christendom.
Dat was den kwakers, die een positief christendom voorstonden, zeker
niet naar den zin. Nog veel minder was het van hunne gading, dat Owen
de kinderen op school, onderricht liet geven in dansen, in muziek en
ze liet oefenen in militaire exercitieën. Owen gaf ter wille van zijn
drieduizend menschen, die in New-Lanark het zoo goed hadden, veel toe.
Maar telkens en telkens herhaalden zich de grieven van de zijde
der financiers. Men liet niet na Owen wetten te stellen, hem op de
vingers te tikken; ten slotte wilde men hem zoo bedillen, dat hem het
handelen feitelijk, daardoor tot eene onmogelijkheid werd. In 1822
nam Owen ontslag, verliet New-Lanark, na een bestuur van 25 jaren,
dat den grootsten zegen had aangebracht.
Owen zegt zelf, dat hij zijne benijdenswaardige positie in New-Lanark
alleen prijs gaf, om volkomen vrijheid te verkrijgen voor zijne
agitatie en om al zijne krachten te kunnen aanwenden, tot eene grondige
hervorming van de menschelijke maatschappij. In New-Lanark vergewiste
hij zich, door de, onder de ongunstigste omstandigheden op zich genomen
praktische toepassing, van de juistheid van zijne principes--onder
ongunstige omstandigheden, die voor een deel voortvloeiden uit de
natuurlijke oppositiegeest van de menschen, tegen een experiment
dat, bij al de instemming die het vond, toch er toe geëigend was
als het ware, om de onhoudbaarheid aan te toonen van, en het geloof
te schokken, in, de principes waarop de tegenwoordige wereld was
gebouwd. Sedert de verbreking van den band, die er tusschen hem en
New-Lanark bestond, vestigde Owen zich weer in Londen. Tusschen
de herfst van 1824 en den zomer van 1829, was Owen eenmaal in de
Vereenigde Staten, eenmaal in West-Indië en eenmaal in Mexiko. Drie
jaren te voren bezocht hij Frankrijk, Oostenrijk, Pruissen, Beijeren
en Saksen. Al deze reizen deed hij, als studiereizen en met dat eene
doel voor oogen: de voortdurende welvaart van het menschelijk geslacht
te kunnen grondvesten.
In 1825 stichtte Owen in Amerika de eerste kolonie op communistischen
grondslag. Hij noemde haar "New-Harmony". Owen had voor deze kolonie
30,000 acres land aangekocht van de sekte der Rappiten. De kolonie
bloeide een tijd lang, maar hoe langer hoe meer deze tot de praktijk
moest komen, zag Owen in, of liever het bleek, dat men kapitalistische
instellingen niet zoo maar tot Communistische kan maken, en dat
daartoe veel meer en veel andere dingen behoorden, dan de goeden wil,
het edel gemoed en de energie van een man, als hij was.
Na het in Mexiko nog eens beproefd te hebben, keerde Owen naar Engeland
terug. Voor zijn familie had hij intusschen gezorgd en hij zou zich
nu geheel aan de arbeidende klassen gaan wijden. Reybeaud vertelt,
dat Owen van 1826 tot 1837, duizend openbare redevoeringen gehouden,
vijfhonderd adressen heeft verzonden, tweeduizend tijdschrift-artikelen
geschreven heeft en driehonderd reizen gedaan heeft.
In 1829 deed Owen een diplomatieke poging, die gelukkig geslaagd mocht
heeten. Tusschen Engeland en de Vereenigde Staten waren n.l. kwesties
ontstaan, die tot een oorlog hadden kunnen leiden, en wel daarom
zoozeer de verhoudingen tusschen beide naties geprikkeld maakten,
omdat het in den grond van de zaak handelskwesties waren. Owen,
die bij den toenmaligen president van N. Amerika Jackson, zoowel als
bij den Staatssecretaris van Buren in hoog aanzien stond, gebruikte
zijne aanwezigheid in Amerika daartoe, om de verschilpunten met
de beide mannen grondig te bespreken. Het resultaat was, dat Owen
aan de Engelsche regeering kon melden, dat de Amerikaansche, de
bereidwilligheid tot een vredelievende oplossing van de kwesties toonde
en dat binnen weinige weken, een twist, die door de vakdiplomaten
behandeld, misschien tot een oorlog geleid zou hebben, door een
niet-diplomaat, op de beste wijze tot oplossing werd gebracht.
In 't jaar 1832 stichtte Owen dan zijne bekende ruilbank, die in
verbinding met de Coöperaties en de produktieve-associaties door
wederzijdsch crediet, den arbeiders in staat zoude stellen, zich
te emancipeeren van het kapitalistendom. Het plan mislukte, evenzoo
als 17 jaren later de ruilbank door Proudhon in Frankrijk gesticht,
met ongeveer dezelfde bedoelingen mislukte, omdat het crediet van
hen die niets hebben, ook niets waard is.
Tusschen 1836 en 1838, zag ook Owen's hoofdwerk "The New Moral World"
(De nieuwe moreele wereld) het licht, eerst als weekblad, later in
1844, als boek. Het bevatte zeven deelen en kan als samenvatting,
van datgene wat Owen wilde, worden beschouwd. Het is, naar zijn eigen
meening, zijn omvangrijkste werk geweest, waarin hij zijn diepste
gedachte heeft nedergelegd.
Het Eerste deel verzamelt de gegevens over de menschelijke natuur. Owen
geeft hier niets nieuws en wij kunnen dus volstaan met hetgeen
daaromtrent vroeger omstandig is medegedeeld. De mensch vormt nòch
zichzelven, nòch zijne meeningen, nòch zijne gevoelens; zij-allen
worden voor hen gevormd, door de omstandigheden, waarin hij is
geplaatst. Hiermede valt dus de leer te zamen, dat men het allereerst
moet aanvangen, die omstandigheden te begrijpen. Men moet niet
oordeelen of veroordeelen, maar men moet leeren begrijpen. Men moet de
natuur beluisteren en haar volgen, want de natuur is niet slecht. Ook
de mensch is niet van nature-uit verkeerd; de maatschappij waarin
hij verkeert vormt hem zooals hij is. De tegenwoordige beschaving
is op den slechten weg. Men moet het natuurlijk instinct volgen en
bevredigen. Het tegenstreven der natuur, het gedurig tegenwerken harer
bedoelingen, dááraan is het te danken, dat de menschelijke karakters
dien betreurenswaardigen trek verkregen hebben, waaraan zij lijden.
In plaats van het egoïsme der onwetendheid, moest er onder de
menschen gaan heerschen, de welwillendheid van het inzicht in de
werkelijkheid. De mensch is bestemd een sociaal wezen te zijn. De
verschillende onderscheidingen moeten wijken onder de menschen; de
religies zullen te-niet worden gedaan, de priesters overbodig worden
bevonden, de menschelijke trots verdwijnen en eene hérschepping van
den mensch zal er komen, zoo schoon als zij er nog nooit geweest
is. Owen meent, dat hij hetzelfde voor de menschheid op 't oog had,
als Gallileï gedaan had voor de natuurwetenschap, toen hij bewees,
dat de aarde om de zon en niet de zon om de aarde draaide.
Het Tweede deel behandelt de leer en de kennis van de
maatschappij. Naar Owen's overtuiging moest de menschheid zich bezig
houden met vier onderwerpen: ten 1e, met de produktie van den rijkdom;
ten 2e, met de verdeeling van den rijkdom; ten 3e, met de opvoeding
en het onderwijs, en ten 4e: met de regeering. De produktie lijdt
tegenwoordig aan deze gebreken, dat alles tegen elkander inwerkt;
dat er geen harmonie, dat er geene samenwerking is; daar is overal
wanorde, daar is overal scheiding en er is verdeeldheid en daardoor
is er een enorme verspilling van arbeidskracht. Men werkt hard,
véél te hard en nog is er te weinig, nog steeds produceert men niet
genoeg. Elk beginsel van produktie, dat op een gezonde basis staat,
moet er op zijn ingericht: een vereeniging en eene verbinding van
de productiemiddelen tot stand te brengen; landbouw bij nijverheid,
geoefendheid en kennis bij kapitaal te brengen, dezen samen te
vereenigen, dàt moet het doel van de produktie zijn; dat is de gezonde
grondslag van de nieuwe moreele wereld, die Owen, aan de menschen
wilde laten zien. Maar terwijl de combinatie van al deze verschillende
elementen tot een eenvoudig en een overvloedig resultaat zou leiden,
wordt het heil gezocht in eene geweldige concurrentie, van den een
tegenover den ander, elk toegerust met zijn eigene middelen. Het is
een onafgebroken strijd, een worsteling, een hijgen en een zwoegen van
fragmenten tegen fragmenten, waarvan de gevolgen zijn: een verwijdering
van den mensch, van zijn voedsel en eene verwijdering van de natuur;
een ophooping van menschen in gangen, sloppen en stegen, zonder licht,
zonder lucht en zonder reinheid.
Wat blijft er over van al datgene, waarop de mensch recht heeft,
van een fatsoenlijk dak, dat den mensch noodig heeft om er
onder te vertoeven; van goed onderwijs, van het genoegen, van het
gezellig verkeer, van liefde en van vriendschap? Door de gruwelijke
tijdsverkwisting van arbeid, van tijd en van kapitaal, wordt er door
de individuen gebrek geleden, hoe zij zich ook aftobben. Bij een
verstandige leiding van arbeidsassociatie, behoefde er zooveel te
minder te worden gearbeid,--misschien slechts vier uren daags--om
al de producten voort te brengen, welke er noodig zijn, om aan de
behoeften van de consumptie te voldoen.
Bij de verdeeling der rijkdom is volgens Owen, deze verspilling van
arbeid en produkt nog meer zichtbaar. De ware leer van de verdeeling,
zegt Owen, is de producent zoo dicht mogelijk bij den consument
te plaatsen. De consumenten moesten als uit den voorraad of uit het
magazijn, kunnen putten. En in plaats daarvan, heeft zich tusschen den
producent en den consument eene klasse van tusschenpersonen genesteld:
die der kooplieden, die koopen en verkoopen in 't groot, in 't klein,
op de beurs of in den winkel. Zij nemen overal hunne winst, laten
zich geducht betalen en vormen het doode gewicht der maatschappij.
Zij zien er niet tegen op, om voor meer winst de waren te bederven,
te vervalschen. Zij noemen zich verdeelers of verspreiders van den
rijkdom, maar moesten eigenlijk verspreiders van de menschheid genoemd
worden. Zij moesten bij elken gezonde regeling van de verdeeling
verdwijnen, want zij kosten der maatschappij te veel, veel meer
dan men oppervlakkig denkt. Owen, die een kwart-eeuw fabrikant was,
kon daar dan ook wel met verstand van zaken, een oordeel over vellen.
Ook richten die verdeelers banken op, die in verband met het slechte
geld-systeem, alle voordeelen van den arbeid aan zich trekken en als
het ware de produkten, van hun weg, dien zij hebben af te leggen, van
producent naar consument, onderscheppen. Plaats den mensch naast zijn
voedsel, zegt Owen, en naast zijnen rijkdom, dan behoeft dit niet,
tot hem te worden gebracht.
Opvoeding en onderwijs zijn slechts twee onderdeelen van de vorming
van het karakter, met welke taak de maatschappij zich bezig moet
houden. De tegenwoordige wetgevers deden dat tot nog toe niet. Want er
is noodig een vorming of eigenlijk een vervorming van de uitwendige
omstandigheden om de menschen heen, en zulk eene taak, kan alleen
door de georganiseerde maatschappij op zich genomen worden. Neemt zij
die taak op zich, dan is vóór alles noodig, dat zij tot het inzicht
komt, hoezeer o. a. de godsdienst een zonderlinge rol gespeeld
heeft, om het milieu waarin de menschen tot nog toe geleefd hebben,
te doen verworden. "De godsdienst, die voortkwam uit de imaginatie
van de menschen en niet uit hunne rede; de godsdienst, die òveral
donker-gekleurde glazen zette, waar het licht van de waarheid, helder
schijnen moest."
Men zal ook de ongerijmdheid inzien, van stichtingen als Oxford en
Cambridge, die instellingen van gepriviligeerd Onderwijs, en men zal
overal instellingen van gelijk onderwijs in het leven roepen, men moet
dat onderwijs organiseeren, men moet de uitstekendste mannen aan dat
onderwijs kunnen weten te verbinden. Reeds van af de prilste jeugd,
moet men daarmeê beginnen. En het was dan ook volgens Owen's plannen,
dat in Engeland en ook in gansch de beschaafde wereld, de eerste
kleinkinderbewaarplaatsen (crèches) tot stand gekomen zijn.
Ook omtrent het staatsbestuur, had Owen zijn eigen denkbeelden. De
taak van het gouvernement bestaat niet in onthouding, maar in
ingrijpen. Het gouvernement moet leiden en niet lijdzaam blijven. De
taak van het gouvernement is wel degelijk positief en niet negatief,
gelijk de economisten uit Owen's tijd, op het voetspoor van Adam Smith,
hadden geleerd.
De slotsom van dat alles is deze: dat de elementen der maatschappij,
tot eene vaste eenheid en orde moeten worden georganiseerd.
Om die harmonie te vestigen, die eerbied van gevoelens en belangen
in de maatschappij tot stand te brengen, wilde Owen een vaste
grondslag scheppen van het gemeenschapsleven. Deze bestond voor hem
in de genootschappelijkheid of de communiteit. Het is de keus, de
"nucleus", die den band van de enkele huisgezinnen vervangt. Op eene
juiste vestiging dezer "nuclei" komt het voor de maatschappij der
toekomst, in alles aan.
Het Derde deel houdt zich bezig, met de opnoeming en de ontvouwing van
alles, wat voor het geluk der menschen noodig is. Die voorwaarden zijn
volgens Owen talrijk. Hij noemt er dertien op. Zij hebben betrekking
op goede gezondheid; op een zorgvuldige opvoeding; op het verkrijgen
van meerdere kennis; op het bekomen van genot; op het bewustzijn
en het streven om voortdurend tot het geluk van onze medemenschen
werkzaam te zijn; op het bezitten van vrienden; de vrijheid en de
gelegenheid van associatie,--van gedachte en geweten; de afwezigheid
van bijgeloof en op het zich bevinden in een maatschappij, wier wetten,
instellingen en schikkingen, in overeenstemming zijn met de wetten der
natuur. De arbeiderstoestanden, onderwerpt Owen dan aan de scherpste
critiek. De streng doorgevoerde arbeidsverdeeling, door welke den
arbeider-mensch opgeofferd wordt aan het product, wil Owen vervangen
zien worden, door een àlzijdigen arbeid, dien hij ook eischt, in 't
belang van de gezondheid van den mensch en in het strikte belang van
een harmonische ontwikkeling van lichaam en geest. Owen verklaart
zich een sterken voorstander van eene afwisselende bezigheid van
lichaam en geest, mits die geest zich niet bezig houdt met vakken,
als bijv. de theologie, rechtsgeleerdheid of de medicijnen.
Owen meent dat het bestaan der prostitutie, wel het sterkste bewijs
is, op welken lagen trap van ontwikkeling wij nog staan.
In het Vierde deel ontvouwt Owen, wat volgens hem, de inhoud van
een redelijke godsdienst der menschheid moet zijn. Hare geest
is gegrondvest op waarheid en liefde. Het wezen der Godheid,
is volgens Owen nu eenmaal onbegrijpelijk, daarom is er over
twisten, nutteloos. Godsdienst trouwens, bestaat in daden en niet in
begrippen. Het vraagstuk van het leven nà den dood is een, waarmede
de menschen wijs doen zich niet in te laten; de mensch moet slechts
bedenken, hoe hij hier op aarde heeft te leven en te werken. Hij moet
zijn liefde over alle schepselen--ook over de dieren--uitstrekken. Hij
moet er zijn doelwit op richten, de maatschappij waarin hij leeft,
voortdurend volkomener te maken. Deze godsdienst is eene praktische,
die alle andere, zeer onpraktische zal doen verdwijnen, meent Owen.
Tal van gebreken onzer samenleving noemt Owen òngodsdienstig, niet
gebaseerd op de liefde en op de ware verhouding, van de menschen
tot elkander.
Het heffen van ongelijk-drukkende belastingen is òngodsdienstig. De
verhouding van de twee geslachten--mannen en vrouwen--is volgens Owen
al het minst godsdienstig; de praktijk om de vrouwen tot slavinnen
van het gezin te maken, is een bewijs onzer òngodsdienstigheid.
Ten slotte is onze geheele maatschappij òngodsdienstig, daar men er in
haar zich hard er-op toelegt, niet om waarheid, maar om onwaarheid te
spreken. De eenige taal, door woorden of blikken gesproken, moet de
taal der waarheid zijn. De waarheid zonder mysterie, zonder bijmengsels
en zonder eenige vrees voor menschen of hoogere machten.
In het Vijfde deel, wordt op het vreemde verschijnsel gewezen, dat
aan het einde der 18e eeuw, wel werd gedacht aan het construeeren
van een nieuwen Staat, maar niet aan het vormen van een nieuwe
maatschappij. Dit laatste, is evenwel belangrijker dan het eerste. Owen
vindt dat de Amerikanen, die evenzoo handelden, op een zandgrond
gebouwd hadden.
Onder het gezichtspunt van de voortbrenging, moet alles worden terzijde
gesteld, wat doet denken aan den ouden krijg om rijkdom. Hierin
moet Engeland de andere naties voorgaan. Er zal geen goede toestand
meer komen, dan voor dat, tot de vestiging van de communiteiten
wordt overgegaan. Zoolang men verstrikt blijft in de leeringen der
economisten, zoolang zullen de regeerders met de handen in den schoot
moeten blijven zitten. Maar reeds moet nu tot nationaliseering
worden overgegaan der spoorwegen; van staatswege moeten nieuwe
worden aangelegd en de gronden, die langs deze lijnen vrijkomen tot
"communiteiten" worden ingericht.
De tegenwoordige standen en rangen behoorden, in een goed geregelde
maatschappij, niet te bestaan. Alleen ouderdom en ervaring, zouden
aanspraken kunnen doen gelden op eenig onderscheid. Kennis is de
eenige maatstaf, waarmede de menschen behooren te worden gemeten. Geen
mensch heeft het recht, zegt Owen uitdrukkelijk, van een ander mensch
te verlangen, dat deze iets voor hem doet, wat hij niet bereid is
voor anderen te doen, of in andere woorden uitgedrukt: alle menschen
hebben gelijke rechten. De natuurlijke en zedelijke klassenverdeeling
van het menschelijk geslacht, is de verdeeling naar den ouderdom,
die Owen in acht klassen verdeelt.
Eerste klasse: Van-af de geboorte tot het einde van het vijfde jaar. Na
het eerste tijdstip van den zuigelingstijd, komen de kinderen in de
verplegingsinrichtingen en kleine kinderscholen, waar hunne eigenlijke
opvoeding een aanvang neemt.
Tweede klasse: bestaande uit kinderen van vijf tot tien jaren. In de
eerste twee jaren, dus totdat het zevende jaar is afgelegd, wordt het
onderwijs der kleine-kinderscholen, met de door de noodzakelijkheid,
aan lichaams- en geestesontwikkeling gestelde behoeften voortgezet. Van
het achtste jaar af, wordt aan het onderwijs regelmatigen arbeid,
zoowel in huis als in tuin verbonden. Natuurlijk mag die arbeid de
krachten der kinderen nooit te boven gaan, integendeel daarmede in
volkomen overeenstemming zijn. Zij staan daarbij onder de leiding van
de jongere leden van de derde klasse. Deze arbeid vormt voor Owen een
deel der opvoeding, en het doel der opvoeding, moet hierbij geen enkel
oogenblik uit het oog worden verloren. In weerwil daarvan, zal ook dit
onderwijs nuttig zijn voor de maatschappij en zijnen winst dan ook,
ruimschoots loonen.
Derde klasse, bestaande uit kinderen van 10 tot 15 jaren. In de eerste
drie jaren, alzoo tot de afgelegde 12 jaren, hebben de kinderen der
derde klasse--onder oppertoezicht van volwassenen--den arbeid van die
der tweede klasse te leiden en er het opzicht over te houden. Van af
het 13de jaar, worden zij ingewijd in de hoogere kunsten en takken
van bedrijf en zoodanig opgeleid, dat zij den rijkdom en het welzijn
van de gemeenschap, gepaard aan het zoo groot mogelijk genoegen
voor zich-zelf, kunnen bevorderen en dit op de meest praktische
manier. Hunnen arbeid omvat het gansche gebied van landbouw en
industrie, de mijnbouw, de visscherij enz. In alle deze verrichtingen
worden de medeleden der derde klasse regelmatig, zoo vele uren per
dag bezig gehouden, als in overeenstemming, is te brengen, met de
lichamelijke ontwikkeling en het doel van de opvoeding. Het onderwijs
strekt zich uit, over alle takken van wetenschap en voor een goede
en volkomene ontwikkeling van het lichaam, wordt mede zorg gedragen.
De Vierde klasse bestaat uit de jonge personen van 15 tot 20 jaren. In
deze arbeids-klasse vindt de ontvouwing van het geslachtsleven
plaats. Der neigingen worden geen dwang opgelegd, en de volkomene
vrijheid, waarmede zij zich kunnen uiten, gepaard aan de volkomen
afwezigheid van velerlei omstandigheden, welke de verhouding van
de geslachten tot elkander in de huidige maatschappij onnatuurlijk
en immoreel maken, waarborgt eene reine en op wederzijdsch-geluk
gegrondveste, verbinding van de twee seksen. De leden der vierde
klasse, nemen naar de mate hunner hooger ontwikkelde arbeidskracht
in grooteren omvang dan de leden van de derde klasse, deel aan den
maatschappelijk-noodzakelijken arbeid, echter met de voortdurende
ondergeschiktmaking van dezen arbeid, aan het doel der opvoeding. Zij
hebben--onder oppertoezicht der volwassenen--den arbeid van de derde
klasse te leiden en tot onderricht derzelven, mede behulpzaam te zijn.
Vijfde klasse: bestaande uit staatsburgers en staatsburgeressen van
20 tot 25 jaren. Deze klasse omvat, het tot arbeiders en onderwijzers
geschiktste gedeelte, van de leden der samenleving. Wie dezen leeftijd
achter den rug heeft, behoeft geen deel meer te nemen aan de eigenlijke
produktie. De leden der vijfde klasse zijn de werkmeesters en de
werkmeesteressen; de direkteuren en de direktrices in elken tak van
bedrijf, van produktie en van opvoeding. Zij hebben in het algemeen
genomen--maar alleen in hoogeren en volkomener graad--de leiding van de
bedrijven, inrichtingen enz. gelijk die heden ten dage de direkteuren,
leeraren etc. die hebben.
Door deze vijf klassen, is volgens Owen, voor de vermeerdering van
den rijkdom der maatschappij, genoegzaam gezorgd en voor de vorming
van deugdelijke karakters, eveneens.
De Zesde klasse: bestaande uit staatsburgers en staatsburgeressen
van 25 tot 30 jaren, heeft tot taak, de door de jongere leden
voortgebrachte rijkdom te bewaren en te verdeelen, en deze verdeeling
zoo praktisch mogelijk te organiseeren. Owen meent, dat twee uren
daags, bij een praktische organisatie daarvan, daardoor in beslag
genomen worden. De rest van den tijd, moet besteed worden, met het
bezoeken van de werkinrichtingen en het toezicht houden, dat, in
't algemeen de zaken niet alleen gaan, maar ook dat de produktie
vooruit gaat.
Daarom moet dit bezoeken der volwassenen, geen zuiver belangstellend
bezoeken zijn, om de nieuwsgierigheid te bevredigen, of een plichtmatig
iets doen, dat men liever nalaat. Neen, het moet evenzeer strekken
tot vermeerdering van kennis, als tot een prikkel om met de opgedane
ervaring te rade, de produktie steeds op een hoogere trap van volmaking
te brengen.
Een ander deel van den dag, moet worden doorgebracht met het beoefenen
van schoone kunsten, wetenschappen, allerlei experimenten, lezingen,
conversatie, pleziertochten en beleering aan anderen op alle gebied,
en tot het aankweeken van vriendschap.
De Zevende klasse, omvattende alle leden der gemeenschap van 30 tot
40 jaren, heeft tot taak de leiding der inwendige aangelegenheden van
de gemeenschap; het instandhouden van de vrede en de bevordering van
de welvaart, van de gansche gemeenschap.
De Achtste klasse, omvattend de leden van de gemeenschap van 40 tot
60 jaren, vormt een "Raad der ouden" en, terwijl de geheele leiding
van alle inwendige aangelegenheden in handen der Zevende en die van
produktie en consumptie enz. in handen is van de Zesde klasse, is de
achtste klasse een Raad van appèl, die twisten beslecht, die er rijzen
mochten tusschen de overige klassen, en als laatste instantie daarover
moeten beslissen. Ook is het de taak van deze klasse, om zich bezig
te houden met de buitenlandsche aangelegenheden; eene bezigheid, die,
aangezien zij een pad is, waarop nog al veel moeielijkheden en veel
wrijvingen kunnen voorkomen, alleen gekend kan worden, door ervaren
en werkelijk wijze mannen, die geduld en omzichtigheid bezitten,
voor deze teere kwesties.
Zij die boven 60 jaren zijn, worden in geen klasse meer ingedeeld. Zij
hebben, vindt Owen, hunne plichten tegenover de gemeenschap vervuld
en moeten nu verder ongestoord worden overgelaten aan het private
leven; het staat hun vrij om zich onledig te houden met verrichtingen,
die het geheel ten goede komen, maar verplicht daartoe zijn zij niet.
De centrale regeering, bestaat bij Owen, uit commissies welke gekozen
worden, door de gedelegeerden van de beide regeerende klassen, dus
van de maatschappelijke leden der 7e en der 8ste ouderdomsklasse,
van 30 tot 60 jaar. Door zulke commissies, die terzijde worden
gestaan door de gedelegeerdenvergaderingen als Parlement, zullen
ook de betrekkingen tot de andere Staten, die ook op dezelfde manier
georganiseerd moeten zijn,--verzorgd en geregeld worden.
In het Zesde deel van de "New-Moral World" bespreekt Owen de
algemeene constitutie der Regeering nog nader en behandelt hij de
overgangswetten. Zij zijn vijf en twintig in getal. De vier eersten
betreffen de volkomen vrijheid van geweten, van geloof en van
denken. De zeven daaraan volgende, over onderhouds- en levensrecht,
het onderwijs en de opvoeding en het huwelijk. Dan zes, die de regeling
omvatten der "communiteiten," het nadeel van den privateneigendom
tegengaan en op den arbeidstijd, zoowel als op den grondeigendom,
slaan.
En ten slotte een zevental, dat betrekking heeft op de leiding en de
regeling van den tegenwoordigen toestand, naar eene nieuwe, zooals Owen
die geschetst heeft. De laatste en 25ste wet, geeft enkele regelen van
arbitrage aan, bij verschil over sommige punten van regeling. Wanneer
deze wetten ingevoerd zijn, kunnen alle anderen worden afgeschaft en
is de toestand genoegzaam, voor een nieuwe voorbereid.
In het Zevende Deel, komen nu nog de conclusies der
voorafgaande. Vervolgens geeft Owen daarin een sterk betoog over
de noodzakelijkheid, de wereld op meer moreele grondslagen te
vestigen. Hij voorspelt daarin veel, hetgeen hem den naam van den
"ouden profeet" verschaft heeft. Hij ziet de anarchie naderen. Thans
heerschen weinigen over velen, maar die velen zullen zich vereenigen
en dan zullen die velen, op hunne beurt, een macht worden. De naties
zullen opstaan. Reeds nu zijn revoluties te voorzien en deze zullen
zich uitbreiden en vermeerderen. Groote rampen ziet Owen over de
menschen komen. En dit alles is te voorkomen, daar een zachte en
vriendelijke toekomst mogelijk is, zoo de menschen maar geneigd waren
den hand te slaan aan de vervorming hunner samenleving, wat Owen's
eenigste hoop is, voor de toekomst der menschheid.
Wij deelen nu de "Vierentwintig stellingen" mede, die Owen den 5en
Maart 1889 verdedigde in een openbaar debat, tegenover den Reverend
Mr. Legg, een "dissenter."
1. Van af de vroegste tijden der bekende geschiedenis, hebben alle
menschelijke aangelegenheden berust, op fundamenteele fouten.
2. Die fouten waren: ten eerste, het geloof dat den mensch geschapen is
met een vrijen wil, te gelooven, dat hij gevoelde en handelde, zooals
het hem beliefde en dat hij daarom voor zijne gedachten, gevoelens en
handelingen aan zijne medemenschen verantwoordelijk moet zijn. Ten
tweede, het geloof dat de mensch zijn eigen karakter vormt, en dat
hij daarom de maatschappij voor dezelve verantwoordelijk moet zijn,
naar de mate van de begrippen van degenen met wien hij tezamen leeft,
hoe onverstandig en onzinnig deze begrippen ook mogen zijn.
3. Deze beschouwingen staan in tegenspraak met de feiten. En het is
daarvandaan gemakkelijk te bewijzen, dat zij onverstandig en onzinnig
zijn--schadelijk in den hoogsten graad, voor de eenheid, de vrede,
de deugd en het geluk van het menschelijk geslacht--werkelijk van
nut voor geen énkel individu, welken rang of welke positie hij ook,
het zij in welk land ook mag toebehooren of bekleeden.
4. Deze dwalingen loopen door alle menschelijke verrichtingen, van
af de vroegste tijden. Zij zijn van hetzelfde soort als deze dwaling,
die duizende jaren geduurd heeft, dat de aarde vlak is en onbewegelijk,
en dat de zon om haar heen draait.
5. Deze, in het oogvallende feiten, zijn met de ingebeelde
voorstellingen, dat ieder mensch zijn eigen karakter, zijn eigen
gevoelens en handelingen bepaalt, zoo handtastelijk in tegenstelling,
dat deze dwalingen niet zoo lang den menschelijken geest hadden kunnen
beheerschen, waren zij haar niet voortdurend opgedwongen geworden,
door eene algemeene organisatie der maatschappij, bestaande uit
eene drie-eenheid van machten, waartegen tot op heden geen individu,
met het geringste uitzicht op succes, vermocht te strijden.
6. Deze drie-éénheid van macht bestaat primo uit: de geopenbaarde
godsdiensten, door menschen uitgevonden; secundo: uit menschelijke
wetten, en tertio: uit regeeringen, gesteund door de onwetendheid en
door de zelfzucht der menschen. En deze maatschappelijke organisatie,
heeft de heerschappij gekregen, over alle volkeren der aarde.
7. Deze organisatie kon bij die volken, welke de kunst hadden
verkregen, om feiten en wetten van de natuur af te zien, en de
wetenschappen uit haar af te leiden, niet in stand worden gehouden,
zonder dat de maatschappij werd ingedeeld in klassen, waardoor de
invloedrijksten en machtigste klassen, een open en schijnbaar recht
verkregen, om deze organisatie in het leven te houden.
8. Geen lid der menschelijke familie, heeft eenig werkelijk belang
bij de instandhouding van deze grondfouten, waarop de tegenwoordige
samenleving berust, of bij de klassen-verdeeling, waardoor deze
dwalingen, der menschheid worden opgedwongen.
9. Deze dwalingen, deze organisatie en deze klassen-indeeling,
zijn de eenige oorzaken der onwetendheid en van de armoede; van den
tweespalt tusschen geest en belang, van de hartstochten, de ondeugden,
de misdaden; kortom, van het totaal van ellende, waarvan tot nog toe,
de geheele menschelijke samenleving doordrongen is geweest.
10. Zoolang deze grondfouten, deze organisatie en deze
klassenverdeeling door de autoriteiten en door de publieke opinie
worden ondersteund, is eene genezing van het kwaad niet te verwachten.
11. Wanneer de wil van het volk ten opzichte van deze, de welvaart en
het geluk van elk individu in zich bevattende kwesties, verheldering
wenschte en tot eene oplossing wilde komen, zijn er tegenwoordig
genoeg middelen voorhanden, om allen die tot het menschelijk geslacht
behooren, beter, wijzer, deugdzamer, rijper en gezonder te maken dan
ooit te voren--zelfs met de individuen der bevoorrechte klassen--het
geval is geweest.
12. Het is thans, buiten allen twijfel van het hoogste belang voor de
menschheid, voor elk menschelijk wezen, onverschillig van welken rang
of positie, dat deze grondfouten der samenleving, die der organisatie
en die verdeeling in klassen, publiek en zonder eenig voorbehoud
worden veroordeeld en worden opgegeven.
13. De verwerving dezer kennis door een deel van de samenleving,
is een genoegzaam bewijs, dat de tijd gekomen is, waarin deze groote
omwenteling in den geest der menschen, zich begint te voltrekken.
14. De ontdekking van deze zeer gewichtige waarheden en de mededeeling
derzelven aan het publiek van de beschaafde wereld, zal noodzakelijk
tengevolge hebben, dat eene groote verandering bewerkstelligd en
algemeen zal worden doorgevoerd; in weerwil van de nog heerschende
onkunde en het aangekweekte vooroordeel.
15. Die omwenteling zal vrede, zal liefde en welstand, deugd en
geluk in het menschelijk leven brengen, en er kunnen de grootste en
de heerlijkste resultaten door worden bereikt.
16. Die grondfouten, die desorganisatie en die klassenverdeeling,
zij hebben zekere verbindingen van uitwendige omstandigheden noodig
gemaakt, om bij de klagelijke omstandigheid en de verwarring waarmede
de zaken van de menschheid tot-nog-toe werden bestuurd en geleid,
zoovele dwalingen te kunnen doen samenwerken.
17. De mensch was, is, en zal steeds zijn, het gewrocht zijner
omgeving; van de omstandigheden om hem heen. De werking dezer
omstandigheden wordt in geringe, niet nauwkeurig te bepalen mate
gemodificeerd, door de eigenlijke gesteldheid en de verbinding van
de organen en de geschiktheden van de individueele organisatie der
menschen.
18. De hoogere of lagere ontwikkeling, de ellende, of het geluk van
de menschen, hangen in zeer hoogen graad af, van den aard en den
toestand der uiterlijke omstandigheden, welke den mensch omgeven.
19. De bevrijding van die hoofddwalingen, van de desorganisatie en de
klassenverdeeling, welke in het verleden en het heden, den chaotischen,
foutieven en onzinnigen toestand van de samenleving geschapen hebben,
wordt in het leven geroepen door eene volkomene verandering van de,
tegen het gezond verstand indruischende uitwendige omstandigheden,
welke deze grondfouten, deze desorganisatie en deze klassenverdeeling
ter hunne voortduring noodzakelijk gemaakt hebben, in tegenstelling
met de nieuwe feiten, welke door den tijd en door de ervaring gestadig
in een of ander deel van de wereld, tot ontwikkeling gekomen zijn.
20. Eene gansch nieuwe orde van de uitwendige omstandigheden, kan thans
in het leven geroepen worden, met behulp der middelen, die onder de
gemakkelijkste contrôle van de maatschappij kunnen staan. Eene orde
van zaken scheppen, die onfeilbaar voor het menschelijk geslacht een
hooger karakter als tot dusver bereikt is--en een verreweg hoogeren
welstand voor allen, als tot dusverre geheerscht heeft zullen in het
leven roepen, van omstandigheden, welke aan alle oorlogen en aan alle
tweedracht tusschen personen, zoowel als tusschen volkeren, een einde
kan maken. En eene welke vrede, vriendschap en liefde tot hun recht
zullen doen komen en die een verreweg hoogeren graad, van bestendig
toenemend weten en welzijn,--als tot dusverre gekend was,--voor alle
menschen grondvesten zal.
21. Deze uitwendige omstandigheden zullen bestaan: uit zichzelf
instandhoudende en op wetenschappelijke grondslag berustende
instellingen voor de voortbrenging en de verdeeling van den rijkdom;
voor de huiselijke gemakkelijkheid van allen; voor de ontwikkeling
van het karakter van allen, van af de geboorte tot aan den ouderdom
en van de lokale en algemeene regeering van allen, zonder ter hulpe te
nemen, het tot dusver gevolgde onrechtvaardige en barbaarsche systeem,
van persoonlijke straffen en persoonlijke belooningen.
22. Deze nieuwe instellingen zullen zijn, inrichtingen waarvan
elk, voor de opname en de instandhouding eener gemeente van 500
tot 2000 personen (in de gewone verhouding van mannen, vrouwen
en kinderen); welke gemeenten zich rijkelijk zelven onderhouden
kunnen, met behulp van den hoogeren trap van hun weten en hun goed
geleide nijverheidsvlijt, en ondersteund worden door de onbegrensde
hulpmiddelen van de mechaniek en de chemie, welke tot bevrijding
van alle ongezonde en weerzinwekkende verrichtingen van het leven,
in praktijk kunnen worden gebracht.
23. Deze doeltreffende veranderingen van de uitwendige toestanden,
welke er toe bestemd zijn, de gestadige vooruitgang en het steeds
groeiende geluk van het menschelijk geslacht te verzekeren, kunnen
met veel geringer offers van kapitaal, van tijd en van arbeid,
toegepast en in stand gehouden worden, als thans noodig is, om den
tegenwoordigen chaotischen en op tegenstrijdigheden berustenden
toestand van de maatschappij, in stand te houden
24. De volkomen verandering van den tegenwoordigen, in den nieuwen
toestand, kan plaats vinden, zonder eenige wanorde of verwarring teweeg
te brengen, en kan door eene, op voor elk individu weldadige wijze,
worden in 't leven geroepen.
In den loop dier discussie had Owen nog verder de gelegenheid, om
zijne meeningen nader uiteen te zetten. Hij zeide toen ook nog dit:
"Wanneer het nu toch zoo gemakkelijk is de dwalingen van de samenleving
te bewijzen, hoe is het dan mogelijk, dat zij zich duizende jaren
achtereen, hebben kunnen staande houden? Ik moet hierop antwoorden:
door een drieëenigheid van machten--door geheimzinnige,--tegen het
gezond verstand indruischende godsdiensten; door menschelijke wetten,
die met de wetten der natuur in strijd zijn en door regeeringen, die
op onrecht en geweld steunen. De gansche wereld wordt volgens deze
principes geregeerd; ons geheele maatschappelijke systeem is er op
gebaseerd. En onze belachelijke en domme verdeeling van de menschen
in klassen, een toestand, wier weêrzinwekkendheid ik nu wil daar
laten, is tegenwoordig de hoofdsteunpilaar van deze avontuurlijke en
weêrzinwekkende verhoudingen."
Owen nam nu een aantal houten wervels van verschillende grootte,
waarmede hij de positie en de verhouding der verschillende klassen
tot elkander, wilde aantoonen en verklaren.
"De grootste dezer wervels," zeide hij, "stelt de totaal-bevolking van
Groot-Brittanje voor. Die welke er in grootte op volgt en ongeveer het
drie-vijfde van de grootte der grootste heeft, stelt de talrijkste
klasse voor: die der arbeiders, welke de voortbrengers zijn van
alle rijkdom en desniettegenstaande, in de diepste onwetendheid
en armoede leven. Dat deze belangrijkste, de eenig onontbeerlijke
klasse van de bevolking tot zulk een ellendig bestaan gedoemd is,
kan geen enkel lid van de menschelijke samenleving tot waar voordeel
strekken. De volgende wervel stelt voor: de dieven, de vagebonden en
de paupers. De vierde, die welke de kleine-kramers voorstelt, heeft
tot levensregel: goedkoop inkoopen en duur verkoopen. Dan volgen de
kooplieden, bankiers, de groothandelaren, fabrikanten en de zoogenaamd
geleerde standen. Dan het leger en de vloot, waarbij een mensch als
een ruw en ongevormd wezen toetreedt, na weinig weken is gevormd tot
een volkomen, niet-weder-te-herkennen individu, omgedrild en ingewijd
wordt in de verbazend verhevene wetenschap om zijne medemenschen,
op het gemakkelijkst naar een anderen wereld te helpen.
"Dan komen de grondeigenaren en de adel. Dan de clerus en de Huizen
der Lords en de leden van het Lagerhuis. De kleinste wervel stelt de
koninklijke familie, de bisschoppen en de aartsbisschoppen voor. En de
groote massa nu wordt door dit allerkleinste werveltje geregeerd! Dit
is toch wel een kinderachtige orde van zaken, waarbij niemand voordeel
heeft!"
"Men heeft mij tegengeworpen," zeide Owen vervolgens bij de discussie:
"ik troost de menschen met de toekomst, ik spijzig hen met een wissel
op de eeuwigheid! Wie kan echter van mij verlangen, dat ik de wereld
verander met één handomdraaien? Ik wil geen wonderen verrichten;
ik wil alleen de fouten en gebreken van den tegenwoordigen toestand
en hare ontwikkeling aantoonen en de mogelijkheid aangeven, om tot
verbetering dier toestanden te geraken. Heeft het Christendom soms het
welzijn van de menschheid bevorderd, op de een of andere manier? Ik
vraag U: wat hebben wij in de 1800 jaren, waarin de christelijke
religie bestaan heeft, door dat christendom gewonnen? Welk nut heeft
het ons gebracht? Wat waren zijne daden? Wat waren zijne werkingen? Ik
heb alleen ontdekt, dat sedert het Christendom bestaat, de christenen
van elken aard, van elke sekte, confessie en partij, gestadig elkander
hebben bevochten; wegens hunne geloofstellingen, elkander in de haren
zijn gevlogen en elkander uitgeroeid hebben!
"En wanneer ik bedenk, hoe de christenen overal en sedert alle
tijden, door alle menschelijke ondeugden en fouten bevangen waren;
hoe liefdeloos, hatelijk, egoïstisch en gruwzaam zij overal en ten
allen tijde, onder elkander, en tegen andersdenkenden waren, dan,
moet ik zeggen houd ik het voor een zeer groote dwaasheid, te spreken
van de "zegeningen des christendoms."....
"Ik weet niet wanneer de menschelijke samenleving verstandig zal zijn
ingericht, maar dat weet ik er wel van, dat, wanneer dit eenmaal zal
zijn geschiedt--en ik hoop dat dit niet zoo lang meer zal duren,--dat
dan niet 1800 jaren behoefden te verloopen, alvorens de menschheid
geleerd zal hebben, in vrede en vriendschap gelukkig onder elkander
en met elkander te leven."
...."Tegen de stelling, dat het karakter der menschen het produkt van
uitwendige inwerkingen is, heeft men voorts aangevoerd, elk mensch
heeft een hem aangeboren, hem ingeplant geweten. Niets kan meer
in strijd zijn met alle waarheid en elke ervaring. De waarheid is
deze: het geweten wordt juist zoo en net zoo gefabriceerd, als een
katoenenstof of een of andere waar. Voor een Hindoe kunnen wij een
Hindoe-geweten vervaardigen, voor een Kannibaal een kannibalen-geweten
enz.....
"Men werpt mij tegen: ik wil den menschen tot machines maken. Laat
dit zoo zijn; dan wil ik toch in elk geval goede machines van
hen maken en dit is ongetwijfeld mogelijk. En zonderling, die
menschen, die het in mij laken, dat ik den mensch voor het produkt
der omstandigheden verklaar, loochenen het in weerwil daarvan, dat
de menschen de omstandigheden contrôleeren kunnen en drijven hunne
inkonsekwentie nog verder, waar zij aannemen, dat dezen mensch,
die de omstandigheden niet vermag te contrôleeren, tòch voor zijne
handelingen verantwoordelijk gesteld kan worden."
Robert Owen had zijn gansche leven lang de illusie gekoesterd,
en dit had hij gemeen met zijne tijdgenooten, de Utopisten in
Frankrijk, dat de Vorsten en Grooten der aarde in hun eigen belang,
gelijk hij meende, zijne sterkste medewerkers zouden worden bij zijn
hervormingsplannen. Zijn geloof was ijdel; maar tot aan het laatst
van zijn leven, dat hij zonderling genoeg, als spiritist eindigde,
is hij, desondanks blijven gelooven aan de waarheid van zijn stelsels
en aan de toekomst van zijne plannen.
In het jaar 1818, toen te Aken het congres der "Heilige Alliantie"
tezamen kwam, wendde Owen zich tot deze bijeenkomst, om te trachten
haar te winnen voor zijne wereld-hervorming. Hij richtte toen zijn
"Adres aan de hoofden der Regeeringen en der Kerken en aan de Mannen
van den leidenden invloed in de beschaafde Wereld", waarin hij
o. a. zeide:
"Opdat de groote en glorierijke hervorming van den toestand der
menschen, zonder wanorde en verwarring, en zonder nadeel voor
welk individu ook, zich kan voltrekken, behoorden de bestaande
regeeringen, elk een of meer, van de ervarenste en voor dezen arbeid
meest geëigende persoonlijkheden in de respektieve Staten te benoemen,
welke een Congres zouden moeten bijeenroepen op een plaats, die zich
daartoe het best leende, ten einde zich daarop te verstaan, omtrent
de meest praktische maatregelen, waardoor eene hervorming op de voor
beide deelen, regeeringen als volken, heilzaamste manier is tot stand
te brengen."
Natuurlijk had de "Heilige Alliantie" geen ooren naar Owen's
voorstellen, evenmin als zij dit had, naar die van de Saint-Simon of
Charles Fourier, die zich tot haar wendden.
Wat de arbeidersbeweging in Engeland betreft, is Owen wel de eenige
econoom van zijnen tijd geweest, die de beteekenis van de Trade Unions
voor de positie van den arbeid tegenover die van het kapitaal, heeft
begrepen. In den tijd van Owen, was er niet één staathuishoudkundige
van naam, die niet in de individueele vrijheid het hoogste heil
van de menschheid en voor de nijverheid, van het allervoornaamste
gewicht achtte.
Owen trachtte de Trade Unions dienstbaar te maken aan zijne algemeene
plannen, tot hervorming van den arbeid. Door middel van de algemeene
Vakbond der Engelsche arbeiders trachtte hij dat te doen. Hij streefde
hiermede, in den grond der zaak een denkbeeld na, dat aan de besten
onder de Engelsche Trade Union-mannen steeds heeft voor den geest
gestaan, maar tot op den huidigen dag, nog niet verwezenlijkt is.
In September 1833 hield Owen een toespraak op het Congres der
"Builders-Union", waarin hij de stelling ontwikkelde, dat de arbeid
de bron is van alle rijkdom en dat die rijkdom voor de voortbrengers
kon behouden blijven door een wereldverbond van de voortbrengende
klassen. De stichting van een "Algemeenen Bond van de voortbrengende
klassen" in 1834, was het gevolg van de Owensche agitatie. Hij werd
gevolgd door die der "Grand National Consolidated Trade Unions",
die meerdere invloed had dan de eerstgenoemde, en welker agitatie en
propaganda, zelfs, nadat hij zelve niet meer bestond, van grooten
invloed is geweest op de denkbeelden van de vakvereenigingsmannen
in Engeland. Het Owensche socialisme heeft in Engeland lange jaren
eene krachtige school gevormd, onder arbeiders, zoowel als onder
intellektueelen.
Tot Owen's beste scholieren kan William Thompson worden gerekend,
die, grondiger econoom, dan hij, vooral de theorieën uitwerkte en
ze propageerde.
Den 17en November 1858 blies Owen, als een zwakke en op het laatst
geheel hulpelooze grijsaard, den laatsten adem uit. Zijn laatste
woorden waren, schrijft zijn zoon: "De verlossing is gekomen!" Zij
was dit inderdaad voor den man, die zoo oud werd en in zijn leven
van een groot vertrouwen in de menschheid, zooveel teleurstelling
ondervond en zooveel smaad oogstte.
Wat Owen gemeen had met zijn groote tijdgenooten, Saint-Simon en
Fourier, dat was zijne utopistische wereldhervormingzucht; wat hem van
hen onderscheidde, dat was zijne praktische blik op de industrieele
vooruitgang, waarvan door hem zoo dikwerf de blijken gegeven zijn.
Owen zag dan ook in de toename van de groot-industrie op
nijverheidsgebied niets, dat aan-zich slecht is en verderfelijk,
gelijk de conservatieve socialisten van zijn tijd bijv., maar iets
dat alleen in staat is, de wereld beter te maken. Door de geweldige
toename van den rijkdom, die alleen kon worden in het leven geroepen
door de produktie op den grootst mogelijken schaal, alleen daardoor
kon ook, volgens Owen, de menschheid datgene bereiken wat zij bereiken
moest, n.l. een algemeen-maken van de opbrengsten van den arbeid:
een communisatie van de nationale goederen. Owen wilde nooit terug,
maar steeds vooruit.
En het is vooral hier, bij dat punt in Owen's beschouwingen, dat de
latere sociaal-demokraten, dat Marx heeft kunnen aanknoopen. Omdat,
gelijk men later zal zien, Marx het kapitalistisch produktiestelsel als
een historisch proces in de ontwikkeling der maatschappelijke produktie
beschouwt, dat zich, hoofdzakelijk door zijn eigene voortontwikkeling,
zelve oplossen moet.
De ontwikkelings- en bewegingswetten van het kapitalistische stelsel,
waardoor dit zal moeten geschieden, heeft Marx later ontdekt. Maar
dat de moderne groot-produktie op den grootstmogelijken voet en
met de meest volmaakte produktiewerktuigen en krachten, de hefboom
is, voor de vooruitgang van de menschheid naar de communistische
samenleving, is een ontdekking door Robert Owen gedaan, in een tijd,
toen de kapitalistische groot-industrie, in verhouding tot de middelen
waarover zij later beschikte, nog in hare kinderschoenen stond.
De eene groote Utopist, de graaf de Saint-Simon, profeteerde dat
de toekomst aan den arbeid was, en verklaarde de politiek voor de
wetenschap der produktie. De andere, Charles Fourier, uit burgerlijker
kringen voortgesproten, critiseerde op geweldige wijze de burgerlijke
samenleving en toonde aan, "dat de armoede in onze maatschappij uit
overvloed voortkomt." En de derde, Robert Owen eindelijk, ontdekte
den arbeid als den bron van allen rijkdom in de kapitalistische
maatschappij, d. w. z. als de eenige voortbrenger der ruilwaarden;
en ontdekte voorts, dat in de nijverheid, de menschheid niet terug
moet naar de klein-produktie, maar integendeel, vérder voort moet op
den weg van de groot-produktie. Bovendien heeft de laatste, praktisch
aangetoond, den grooten invloed die er uitgaat van het stoffelijk
milieu op den mensch en van de veranderingen, die deze als sociaal
wezen, daardoor kan ondergaan. Al heeft dit Owen ook hier en daar
overschat, het blijft een feit, dat hij der wereld met de bewijzen
in den hand heeft aangetoond, van hoeveel gewicht, de verandering
van het sociaal milieu op de samenleving is en kan worden.