Eenvoudige kiem Banken van leening.
Samengestelde kiem Ondernemenden van een bepaald aantal.
Steunpunt der periode Industrieele feodaliteit.
Tegenwicht Heerschappij van monopolisten.
Toon of stemming Illusies over associatie.
Fourier merkt bij dit tableau op, dat hij die karaktereigenschappen,
welke aan alle vier phazen eigen zijn, niet heeft op den voorgrond
gesteld, maar slechts die, welke den eene of de andere phaze
karakteriseeren en die, welke met den eene of met de andere phaze
vermengd zijn. Zoo is de tweede phaze, waar in de Atheners leefden,
eene onvolkomene, eene bastaardachtige periode, die nog merkteekenen
van het barbarisme draagt en waaraan het steunpunt van de tweede phaze,
de bevrijding van den arbeid ontbrak. In Engeland en Frankrijk,
bevindt de civilisatie zich in de nederdalende lijn van de derde
phaze en neigt sterk naar de vierde, welker beide kiemen zij reeds
bezit. Deze toestand wordt door een zich sterk voelbaar makende
stagnatie aangetoond; het genie voelt zich vermoeid van zijne
onvruchtbaarheid en als een gevangene, het pijnigt zich tevergeefsch
af, om eene nieuwe gedachte voort te brengen. De fiskalische geest
aarzelt evenwel niet, de middelen te ontdekken om de vierde phaze te
organiseeren, die wel-is-waar een vooruitgang, maar geen vooruitgang
ten goede is. Er moet een tusschen-phaze geschapen worden, die de
civilisatie, in een garantietoestand overbrengen moet.
"Maatschappijen zoo goed als individuen gaan ten gronde," zegt Fourier,
"wanneer zij zich aan den woekeraars overgeven en het is een feit
van onze eeuw, van leening naar leening te hollen."
Fourier begeeft zich hiermede in een critiek der staatsleeningen. Opdat
een Staat door de geldmachten beheerscht, economisch en finantieel kan
worden uitgebuit en uitgeplunderd, moet men hem tot het sluiten van
leeningen verleiden. Maar met élke nieuwe leening wordt hem den strik
vaster om den hals gedraaid, evenals dit met den privaten persoon het
geval is. De staatsmacht, zegt Fourier, wordt zoodoende ten slotte een
werktuig in de handen der groote finantieele machten, die méér dan de
ministers den gang van zaken beheerschen en leiden; wetten decreteeren,
oorlogen voeren of verhinderen, al naar hun belang dat medebrengt. En
opdat de Staatsmachine naar wensch ga, de regeering ten allen tijde
door de contrôle hare afhankelijke positie bewust zij; opdat verder de
nodige bronnen van inkomsten in den vorm van belastingen van allerlei
aard tot rente-betaling en schulddelging aanwezig zullen zijn, heeft
men het vertegenwoordigend stelsel noodig, door middel waarvan de
hooge persoonaadjes, die de touwtjes der finantieën in handen hebben,
den hun nog ontbrekenden invloed op de gansche wetgeving en het
staatsbestuur erlangen, en den Staat tevens tot hunne melkkoe maken.
Onder de permanente euvelen van zijnen tijd, rekende Fourier de
heerschappij van de philosophen, die niet willen dat het volk tot
de erkenning zal komen van zijn oorspronkelijk recht en het recht
zal eischen, dat het bezit op een bestaansminimum, wat het alleen
maar gegarandeerd kan worden, onder het stelsel van de industrieele
aantrekking.
De maatschappij is overvuld van armen, hare gebreken laten zich
samenvatten in 12 hoofdpunten: 1e Eene minderheid, de heerschende,
bewapent slaven, die eene meerderheid, ongewapende slaven, in
toom hoopt. 2e Gebrek aan solidariteit der menigte en daardoor een
ongedwongen egoïsme. 3e Dubbelzinnigheid aller handelingen in de
samenleving en hare sociale elementen. 4e Inwendige strijd van de
menschen onderling. 5e Het onverstand tot principe verheven. 6e In
de politiek wordt de uitzondering als grondslag van den regel. 7e
Het hardnekkigste en taaiste genie wordt kleinmoedig gemaakt. 8e
Ongedwongen begeestering voor het slechte. 9e voortdurende verergering,
terwijl men gelooft verbetering aan te brengen. 10e Alzijdig ongeluk
voor de groote massa. 11e Het ontbreken van een wetenschappelijke
oppositie tegen de heerschende theorie. 12e Verslechtering der
klimaten. Het laatste door de verminking van de wouden en de daaruit
voortkomende uitdroging van de bronnen, hetgeen volgens Fourier,
noodzakelijk tegen het einde der eeuw, tot excessen van het klimaat
zal moeten leiden.
"De handel," zegt Fourier verder, "is het zwakke punt der civilisatie,
het punt waarbij men haar moet aantasten. In het geheim wordt de
handel, zoowel door de regeeringen, als door de volkeren gehaat. De
rechtschapen bezitter begrijpt niet eens de middelen, waardoor deze
agioteuren zich weten te verrijken. De economisten evenwel, slingeren
hunne anathema's naar de hoofden van allen, die deze grootaardigheid
van den handel verdacht willen maken. Welke schoone phrazes zijn er
niet tot mode geworden, ter hàrer verheerlijking?"
Fourier, die er van hield alles te ordenen en te klassificeeren,
doet zulks ook ten opzichte van het bankroet. De ware aard van het
bankroet te leeren kennen, hiertoe deden de philosophen, volgens hem,
al even weinig moeite, als zij dit deden, tot het leeren kennen van
de waren aard van den handel en van den woeker.
Napoleon I had gelijk, toen hij zeide, dat men het eigenlijke wezen van
den handel niet kent. Napoleon was bang geworden, door de ervaring die
hij opgedaan had, dat elke schade die men den handel toebracht, door
deze weder afgewenteld werd op de lagere en arbeidende klassen. Zoodra
de handel bedreigd wordt, trekt hij de kapitalen terug, zaait hij
wantrouwen, belemmert hij de circulatie. De handel is als den egel,
die men nergens aanvatten kan, zonder dat men zich zelf steekt.
Fourier meende dat er een overgangsstand moet worden geschapen, die
de civilisatie in den kortst mogelijken tijd kon leiden naar een
hoogere ontwikkelings-phaze en die hij overal, naar wij zagen die
der harmonie noemt. Een stelsel dat in de eerste plaats den handel
van zijnen troon moet stooten.
Hij stelt voor, dat de regeering zich van de banken, zoowel als
van den handel meester maakt. Dit kan geschieden langs tweeërlei
wegen. Een bruske en een zacht dwingende; een concurreerende en een
ondergravende. Ook zijn beide methoden te vereenigen.
Hij veronderstelt dat er een koning bestond van het vaste en niets
ontziende karakter van een Mahmud II (Sultan van 1808 tot 1839),
die aan dwangmaatregelen in dezen de voorkeur geeft. Deze zal de
geheele arme klasse, welke niets bezit, vereenigen en staatshoeven
organiseeren. Men kan rekenen, dat het aantal van hen die geheel
zonder middelen zijn, ongeveer een tiende van de bevolking bedraagt
en op elke vierhonderd familiën veertig arme familieën wonen. Elke 200
personen vormen dan een staatshoeve, die hare noodzakelijke gebouwen,
stallen, vee, grond, werktuigen enz. bevat. Dit aantal is groot
genoeg, om een doelmatig en niet kostbaar bestuur, afwisselenden
arbeid en een lucratieve opbrengst te verzekeren. Deze staatshoeven
moeten zich dan aansluiten bij de industrie, het instituut van het
gefixeerde ondernemerschap van private personen, die van jaar tot jaar
toegelaten zullen worden, onder voorwaarde, dat zij van jaar tot jaar
progressief stijgende retributieën aan den Staat hebben te betalen. Een
maatregel, zegt Fourier, die twee werkingen hebben zal. Ten eerste:
den Staat hooge inkomsten te bezorgen, ten tweede: den onbemiddelden
het ondernemerschap onmogelijk te maken of hen zal dwingen, het op
te geven. De aldus vrijkomende bevolking wordt daardoor naar de
staatshoeven gedrongen; de inkomende belastingen moeten evenwel,
nevens tot de dekking der staatsuitgaven, aangewend worden tot
delging der staatsschulden. Fourier stelt voorop, dat deze inkomsten
ten slotte zeer hoog zullen worden en een belangrijk deel van de
ondernemerswinst absorbeeren zullen, zoodat het private-ondernemerschap
alsdan onmogelijk zal worden en er een toestand zal worden geschapen
gelijk die noodig is, om tot de phaze van de "harmonie" te komen,
welk Fourier beschouwt de hoogste vervolkomening en de vervolmaking
van het menschelijke leven op aarde te zijn.
Fourier stierf te Parijs den 10en Oktober 1837. Op zijn grafsteen staat
gebeiteld: "Hier liggen de overblijfselen van Charles Fourier. De
serie verdeelt de harmonieën. De attracties staan in verhouding tot
de bepalingen."
Tot Fourier's meest bekende en meest ijverige scholieren behoorden:
Victor Considérant, een voormalig genie-officier, die het hoofdwerk
der Fouriersche school: "Destinée sociale, exposition élémentaire
complète de la theorie sociétaire" vervaardigde.
Hij vestigde na veel moeite een phalanstère te Texas "La Reunion"
genaamd, die echter in 1869 te niet ging.
Ook andere pogingen tot het oprichten van dergelijke phalanstères,
n. l. in 1832, nog tijdens Fourier's leven, door Baudet-Dulary in
het leven geroepen en een in Citeaux bij Dijon, met de finantieele
hulp van den engelschman Arthur Young; ook een in Algerije, allen
mislukten eveneens na korter of langer tijd.
Tegelijkertijd met de Saint-Simon en ook met Fourier, werkte en
streed er in Engeland een man, die minder dan de twee eersten, in
geschriften zijn denkbeelden had uiteengezet, maar meer een man was
van de daad. Die man was Robert Owen.