werd den 7en Februari te Besançon geboren uit gegoede ouders. Zijn
vader was groothandelaar. De jonge Charles toonde reeds vroeg, een
groot gevoel van ingeboren rechtschapenheid. Hij was voor den handel
bestemd, maar hij kreeg reeds als knaap een zoo onoverwinnelijken
afkeer van den handel, dat die op zijn geheele leven den stempel heeft
afgedrukt. Hij leerde niet alleen den handel haten, maar ook verachten.
Hij zeide later zelf, dat men in den handel ophoudt het onderscheid
te leeren kennen, tusschen oprecht zijn en liegen. In katechismus en
op school, had men hem geleerd nooit te liegen, maar dan leidde men
hem in den winkel, om hem vroegtijdig in het edele handwerk van den
leugen, of in de kunst om te verkoopen zich te doen oefenen. Getroffen
door het bedrog en den zwendel van den handel, had hij meermalen
den koopers terzijde genomen, om hen te vertellen, hoe zij bedrogen
werden. Een van hen was zoo dankbaar hem te verraden, hetgeen hem van
zijn vader een pak slaag deed oploopen. En op een toon van verwijt,
zeiden zijn ouders dan ook meermalen "die jongen zal voor den handel
nooit deugen." Inderdaad, bij Fourier was dan ook een diepen afkeer
van den handel gerijpt en, negen jaren oud, zwoer hij den handel een
eeuwigen haat.
Fourier was jong op een bankierskantoor geplaatst in Lyon, maar hij
liep weg, verklarende nooit een koopman te willen worden. In 1790
kwam hij naar Rouen, alwaar hij een positie als reiziger bekwam,
als reiziger naar Parijs, hetgeen in dien tijd een post van groot
vertrouwen was. Hij kreeg daardoor de gelegenheid, zoowat alle groote
steden van Frankrijk, Duitschland, Nederland en België te bezoeken en
daardoor kon hij veel studiën maken, omtrent buitenlandsche toestanden.
Op al deze reizen bestudeerde Fourier het klimaat der verschillende
landen, de toestand van den bodem, de nijverheid, de bouworde van de
steden, de aanleg der straten en het karakter van de bewoners. Geen
architektuur was er in de door hem bezochte steden, die hij niet
kende. Alleen voor de talen had hij weinig zin, daarvandaan de
opmerking, door hem uitgedrukt in zijn hoofdwerk "De theorie van
de universeele eenheid", dat het eene der slimste gebreken van
het menschelijk geslacht was, de vele en verschillende talen te
hebben. Hij beschouwde ééne wereldtaal, waartoe hij het fransch als
de meest geëigende beschouwde, als eene der belangrijkste voorwaarden,
voor eene nieuwe, sociale orde van zaken.
In de Revolutieperiode verloor Fourier zijn vermogen. Maar ook met den
gang van zaken in de Revolutie kon hij zich geenszins vereenigen. Naar
zijne meening had het volk maar zeer weinig bij de Revolutie gewonnen,
daarentegen had die klasse, welke hij het meest onder allen haatte,
de handeldrijvende klasse, het meest daarbij gewonnen.
Niets kon dan ook Fourier meer in toorn brengen, bij de latere
ontwikkeling zijner denkbeelden, dan dat men hem op eene lijn stelde
met de "Jacobijnen" uit de Revolutie. "Neen en duizendmaal neen!" zoo
riep hij dan uit, "mijne theorieën hebben niets te maken met die van
deze lieden, noch iets met hunne omverwerpende denkbeelden!" ....
Wat hij evenwel gezien had, dat was dit: terwijl de menschen der
Revolutie bezig waren alles met bloedig geweld neêr te slaan, wat
naar hunne begrippen aan het geluk van het vaderland in den weg stond,
het kapitaal evenwel, in den schrilste tegenspraak bleef ageeren, met
de gepredikte grondstellingen. Hij zag hoe de schaggerhandel, hoe de
levensmiddelenwoeker, de zwendel met de leverantiën bloeiden, en hoe
de plotseling rijk geworden opkomelingen hunne orgieën vierden. En
niet minder waren hem de oogen opengegaan voor de ellende der massa,
die haar leven voor de Republiek zoo heldhaftig gegeven had. Al
deze waarnemingen, die hij vooral de gelegenheid had volkomen te
maken, door wat hij dag aan dag in kleineren kring om zich heen zag,
brachten dezen denker op de gedachte, dat de samenleving niet juist
georganiseerd moest wezen. En hij zon op middelen, eene maatschappelijk
plan te ontwerpen, dat aan alle deze euvelen een einde kon maken.
Fourier, die van nature reeds een tegenzin had in de studie van
politieke vraagstukken, werd in deze weerzin versterkt, door de
feiten om hem heen. Hij zag de politieke stelsels veranderen, maar
de maatschappelijke euvelen blijven. Dit deed bij hem de gedachte
ontstaan, dat er tusschen de sociale toestand van de maatschappij
en de politieke geen wezenlijk verband bestond; de eerste is even
willekeurig, als den laatste; maar samenhang tusschen beiden bestaat
er niet volgens hem.
Voor hem was het véél gewichtiger het uitgangspunt te vinden, van
waaruit alle beschaving en ontwikkeling ontsproot, en hij meende,
dat datgene wat een Newton voor de natuurlijke wereld had gedaan,
n. l. het ontdekken van de wetten der zwaartekracht, dat dit moest
geschieden voor de materieele wereld, en dat hij het was die dit had
te doen.
Dat hij, Fourier, deze wetten, die het uitgangspunt waren van een
geheel stelsel, hetwelk in staat was den menschheid het verloren
geluk te hergeven, had ontdekt was zuiver toeval, volgens hem. Andere
geleerden vóór hem hadden het ook kunnen doen, en een eigenaardige
beschouwing is het dan ook van hem, dat de 400,000 dikke boekdeelen,
welke er in den loop der tijden waren geschreven en die in Bibliotheken
opgestapeld lagen, van zéér twijfelachtige waarde voor de menschheid
en haar geluk waren.
In 1808 publiceerde Fourier nu ook zijn eerste en
principieel-wetenschappelijke werk: "La théorie des quatres mouvements
et des destinées generales." ("De leer van de vier bewegingen en der
algemeene bepalingen") genaamd.
De gedachtengang door Fourier daarin ontwikkeld, is de volgende. De
wereld bestaat uit drie eeuwige, ongeschapene en onverstoorbare
grondstellingen:
God, of den geest, actief en bewegend principe;
de materie, passief en bewogen principe;
de gerechtigheid of de mathematische wetten, regelend principe.
Analoog aan het wereld-al, bestaat ook den mensch uit drie principes,
namelijk:
de drijfveeren (passiones), aktief en bewegend principe;
het lichaam, passief en bewogen principe;
de intelligentie, neutraal en regelend principe.
God, welke de leider en bestierder is van het wereld-al, kan alleen
de éénheid en de harmonie ervan willen, anders zou hij met zichzelve
in tegenspraak komen. Daarom bestaat er een onafgebroken keten van
betrekkingen tusschen de drie rijken der natuur--dieren, planten,
mineralieën--en de menschen; tusschen den menschen en God, gelijk
tusschen den menschen en den aardbol en het gansche planeten- en
wereldsysteem. Terwijl God den menschen schiep, hen van drijfveeren
en hartstochten voorzag, wilde hij, dat de menschen daardoor gelukkig
zouden worden. Het is dus niet aan te nemen, dat deze drijfveeren
schadelijk zouden zijn, dat van deze hartstochten de eene of de
andere zoude moeten worden onderdrukt of onbevredigd behoeven te
blijven. Integendeel, eene bevrediging daarvan, schept veelmeer
de harmonie van den mensch met zich-zelf en met God. Wanneer wij
desniettegenstaande zoo dikwerf zien, dat deze hartstochten bij de
menschen, zich in eene schadelijke richting openbaren en werken,
dan bewijst dit niets tegen dezen, maar tegen de sociale organisatie
van de maatschappij, welke deze hartstochten op valsche wijze zoekt
werkzaam te doen zijn, of ze zoekt te onderdrukken.
Het zijn vijf bewegingen, welke de wereld voortbewegen en haar hare
bestemming doen naderen:
1. De normale beweging; wetten der aantrekking voor imponderabele
elementen, electriciteit, magnetisme, reuken.
2. De dierlijke of instinktmatige beweging; wetten der aantrekking
voor drijfveeren en instinkten van alle geschapen wezens hoe en
wanneer zij ook waren, zijn en zullen zijn.
3. De organische beweging: wetten der aantrekking voor de
eigenschappen der lichamen: vorm, kleur, smaak, reuk, enz.
4. De materieele beweging--reeds door de mathematici (Newton)
ontdekt--wetten der aantrekking en gravitatie der wereldlichamen
(Planeten en vaste sterren). De kometen zijn, volgens Fourier,
irregulaire lichamen die het wereldruim doortrekken.
5. De sociale beweging--het eigenlijke steunpunt van het geheel--
de wetten, welke de orde en de opeenvolging van de verschillende
sociale gestalten op alle wereldlichamen regelen.
Het middelpunt dezer sociale wetten is de mensch, die daardoor, in den
grond der zaak, tot het middelpunt van het geheel wordt en om wien, ten
slotte, zich alles draait. Wat zou, zoo vraagt Fourier, de wereld voor
een ander doel hebben, wanneer zij niet geschapen was voor de menschen?
De bestemming van den mensch is het geluk, dat in de ontwikkeling van
geheel zijnen aanleg, de bevrediging van al zijne hartstochten ligt. De
mensch behoort te genieten en nogeens te genieten, alles waartoe zijn
hart hem dringt. Deze bestemming was den mensch door God toegedacht.
Fourier legt op het akkerbouwbedrijf of de agricole associatie het
hoofdgewicht; hij ziet het zelfs voor de eigenlijke grondslag aan
van het menschelijk bestaan, die welke de meeste en de aangenaamste
afwisseling geeft. Maar ook de gansche huiselijke bezigheid, de
huishouding in hare uitgebreidste opvatting; handel en nijverheid;
opvoeding; de kunsten en de wetenschappen, zij allen moeten sociëtair
bedreven worden.
De arbeid is volgens Fourier, een noodzakelijkheid voor alle menschen
zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, maar zij moet geene last,
maar een lust wezen. Zij moet in een woord gezegd: aantrekkelijk
zijn. En dit kan zij alleen wezen, wanneer ieder in die richting
drijven kan, waarheen zijne gaven en aanleg hem dringen, tot wat
hem dus het meeste genoegen kon schenken. Daarnevens moet de arbeid,
dikwijls afwisselen en moeten ten dien einde, de arbeidstijden slechts
kort zijn.
Ten einde de verschillende tegen elkander in dwarrelende elementen
te kunnen leiden, is het noodig, dat zich groepen vormen van
gelijkgezinden, voor bepaalde bezigheden. Elk van deze groepen, kan
slechts negen personen omvatten. Er vormen zich evenveel groepen,
als er ondersoorten van arbeid bij eene bepaalde produktietak
noodig zijn; de verschillende groepen vormen: eene serie. Daar
twee menschen niet in alles dezelfde smaak kunnen hebben en ook
niet de voor alles gelijke aandrift, worden dezelfde personen, die
zooeven tezamen gearbeid hebben in ééne groep, in tegenovergestelde
arbeidsgroepen, of serieën van andere produktietakken geplaatst. Niet
alleen dus, dat er voortdurend afwisseling is van arbeid, er is ook
eene voortdurende afwisseling in maatschappelijk verkeer bij dien
arbeid. Deze voortdurende afwisseling van arbeidsbeoefening en van
de personen die den arbeid beoefenen en de daaruit voortvloeiende,
dan weder aantrekkende, dan weder afstootende bewegingen, voldoen
volgens Fourier, aan de hoogste bevrediging, omdat juist daarbij
alle drijfkrachten in het spel komen. Maar zulk eene bevrediging
zou nog geen volkomene zijn, wanneer niet ook de voortbrenging van
den rijkdom door haar kon worden in stand gehouden. Daarom dacht
Fourier een stelsel uit, waarin den maatschappelijken arbeid, op den
grondslag van deze organisatie en samenwerking van alle drijfkrachten
en geaardheden, talenten en kundigheden, kon worden verricht. Het
was het systeem van de phalanstère.
Deze planmatig georganiseerde en geassocieerde bezigheid van honderden
van families, zal, naar Fourier verklaarde, in tegenstelling tot de
private en individueele voortbrenging en het private ondernemerschap
eene groote mate van besparing aan arbeidskracht, werktuigen en tijd
ten gevolge kunnen hebben eenerzijds; en door geschikt aangewende en
gecombineerde werkzaamheid van allen anderzijds, eene vermeerdering
van den rijkdom ten gevolge hebben, die in vergelijking met die van
thans verveertigvoudigd zou kunnen worden en zelfs den armsten zoû
veroorloven eene bevrediging van zijne behoeften, zóó rijkelijk als
heden ten dage den rijkste alleen, dit mogelijk was.
In de Fouriersche "phalanstère" blijft het onderscheid in bezit
voortbestaan. Fourier achtte dit zelfs noodzakelijk voor de harmonie,
die volgens hem juist uit eene geschikte en verstandige combinatie
van tegenstellingen voort kan komen. Zijn socialisme was dat
van verwijdering en van harmonie; van elkander dáárom bekampende
tegenstellingen, omdat zij niet onderling verbonden en dus niet tot
eenheid kunnen komen.
Daarom wendde hij zich steeds tot de grooten en aanzienlijken en niet
tot de geringen, tot de arbeiders of tot het volk. Alleen de eersten
waren in staat zijn plan te doen verwezenlijken.
In de "phalanstère" zou volgens Fourier kapitaal, arbeid en talent
zóó worden beloond, dat aan den arbeid vijf-twaalfde, aan het kapitaal
vier-twaalfde en aan het talent drie-twaalfde van de arbeidsopbrengst
ten goede komt. De beide geslachten zullen volkomen op gelijken voet
worden behandeld. Immers zij werken, vergenoegen en beminnen zich,
met- en onder elkander. Ook de opvoeding van de kinderen behoort
gemeenschappelijk te geschieden; de kinderen zijn het derde neutrale
geslacht en aan hunne opvoeding wijdt Charles Fourier in zijne werken,
groote en breede ruimte. Met grondige diepte en met een wonderbaarlijk
onderscheidingsvermogen, heeft hij steeds over de opvoeding geschreven
en geen pedagoog zal nog heden ten dage deze bladzijden, niet dan
met genoegen lezen.
Wat de verhouding van de geslachten tot elkander aangaat, deze is
door Fourier van een zeer ruim standpunt bekeken. De critiek, dien hij
uitoefent op het tegenwoordig huwelijk, zoowel op zijnen vorm als op
zijne uitwassen, behoort tot het scherpste wat daarover ooit is gezegd.
Onder de nieuwe levensverhoudingen, gelijk Fourier ze ons die
schilderde, genieten de menschen niet alleen het volle geluk, zij
kunnen zelfs bij hunne, zooveel betere, gezondere en natuurlijker
levensverhoudingen een hoogeren ouderdom bereiken. Fourier spreekt
van het bereiken van een leeftijd van 144 jaren, als doorsneê-leeftijd.
Het gansche heelal, is volgens Fourier, die zich hierbij op Schelling
beroept "het spiegelbeeld van de menschelijke ziel." De wereld is ter
wille van de menschen geschapen; na zijn dood wandelt den mensch van
planeet tot planeet, tot een steeds hoogere volkomenheid.
Elke planeet wordt geboren en heeft, gelijk den mensch, hare
kindschheid en hare ouderdom, op- en neêrgaande ontwikkeling, en
dood. Ook de menschheid sterft, en wel, na een totaal-levensduur
van 80,000 jaren, die zich afwikkelen in vier phazen. De phaze der
kindschheid, in welke laatste periode wij ons bevinden, duurt: 35,000
jaar en die van den nedergang eveneens: 35,000 jaren. Dan volgt de
phaze van de ouderdomszwakte, weder met 5000 jaren, waarna de dood
der menschheid en die der aarde intreden. In de tijdruimte van 80,000
jaren beleeft de menschheid 32 ontwikkelingsperioden--wij bevinden
ons in de vijfde, die der civilisatie--en in deze verschillende
perioden, zijn er verschillende hérscheppingen, door welke de dieren-
en plantenwereld en ook het klimaat, in overeenstemming met de hoogere
ontwikkeling der menschen, zich tot hoogere volkomenheid ontvouwen
zal. Met de achtste periode, die van de harmonie, vangt de dageraad
van het geluk aan. Dan wordt de noordpoolkroon (couronne boréale)
geboren, die dan gelijk de zon, niet alleen licht, maar ook warmte
verspreidt en daarmede zullen tal van nieuwe scheppingen ingeleid
worden. De werkingen daarvan zullen zijn, dat Petersburg zoowel als
Ochotsk een klimaat zullen verkrijgen, gelijk Cadix en Constantinopel;
dat het klimaat van de Siberische ijskusten, dat van Marseille en
van den golf van Genua verkrijgt en dat eene vruchtbaarheid van deze
noordelijke deelen der aarde aanvangt, die zal kunnen wedijveren met
die van deze tropische gewesten. Gelijktijdig zal door de inwerking
van dit fluïdum en door de verandering der klimaten, de zee zich
veranderen en haar water een anderen smaak verkrijgen. De bestaande,
thans den mensch nog vijandige en schadelijke zeemonsters als de
haai enz., zullen verdwijnen en door andere schepsels, als anti-haai,
anti-walvisch vervangen worden, die den menschen vriendelijk gezind
zullen worden en zich door hen zullen laten gebruiken tot het leiden
van hunne schepen enz. Evenzoo op het land. Alle wilde dieren, leeuwen,
tijgers, luipaarden, wolven enz., alle giftige reptielen en vergiftige
schadelijke planten zullen verdwijnen en plaats maken voor nieuwe,
der menschheid nuttige gewassen.
Zoodra den ganschen aardbodem met phalanstères overdekt is, zal zij
twee millioen derzelven en vier milliard menschen aanwijzen. Dan
zal Constantinopel hoofdstad zijn van de wereld en zal de door alle
phalanstères gekozen "Omniarch", als heerscher der wereld, aldaar
zijn zetel innemen.
Met het getal van vier milliard, is volgens Fourier, het maximum
bereikt dat het bevolkingscijfer bereiken kan; want wanneer ook de
menschen zich aanvankelijk sterk vermeerderen, de vruchtbaarheid
van het geslacht zal verminderen, naar mate nevens de mannen, ook
de vrouwen sterker zullen worden, hunne geestelijke en lichamelijke
ontwikkeling en opulente levenswijze toenemen zal. Fourier gelooft,
reeds voor onze samenleving de opmerking gemaakt te hebben,
dat vrouwen van groote lichaamskracht en lichaamsgestalte en onder
gunstige materieele verhoudingen levend, minder kinderen krijgen dan
die van een zwakkelijke en geringe constitutie. De eersten zijn zelfs
dikwerf onvruchtbaar.
Dezelfde veranderingen als op aarde, voltrekken zich ook op alle
overige planeten. Geheele nieuwe planeetsystemen zullen zich nog
moeten vormen, ten einde in de sterrenwereld denzelfde harmonie, het
opperste klavier (clavier majeure) te kunnen vestigen, zooals deze
harmonie op aarde gevestigd is in het klavier van de menschelijke ziel,
dat 810 karaktereigenschappen aanwijst.
Fourier rekent bij dit alles met bepaalde mathematische verhoudingen;
alle levensuitingen en levenschijnselen laten zich in bepaalde
mathematische getalverhoudingen uitdrukken. Fourier staat hierbij
geheel op den bodem van Pytagoras (540-500 vóór Chr.), die
gelijk bekend is, eene philosophie van de getallenleer voor alle
verschijnselen, leerde.
In 1829 verscheen Fourier's tweede werk: "Le nouveau monde industriel
et sociétaire". ("De nieuwe industrieele en sociétaire wereld.") Dit
boek bestaat uit één deel en is van alle werken van Fourier wel het
duidelijkst en helderst geschreven. Het kan, om de beknoptheid waarin
zijne denkbeelden erin vervat zijn, als de quintessens van Fourier's
denkbeelden als hervormer, worden beschouwd. Zeven jaren later gaf
hij nogmaals een groot werk in het licht, dat "Valsche industrie"
genaamd was, maar dit boek bevat geen nieuwe denkbeelden en is van
beslist minder waarde, dan zijn "Nouveau monde" en zijn "Théorie des
quatres mouvements" dat zijn.
In 1848 hebben de scholieren van Fourier zijn gezamenlijke werken
uitgegeven, onder den titel: "L'harmonie Universelle et le Phalanstère"
("De algemeene harmonie en de phalanstère"), waarin Fourier zelf
aan het woord is, omtrent zijne plannen en de ontdekkingen zijner
wetenschap.
Hij zegt, dat nadat bij hem eenmaal den twijfel was geweken, dat de
toestand van ontbering, die overal heerschte, van nood en gebrek, het
overal-heerschend-bedrog, het handelsmonopolie en de slavenhandel,
een door God gewilde toestand was, dat hij toen tot de conclusie
kwam, dat deze gansche toestand er eene van overgang was voor de
menschheid; een toestand van verandering in de sociale orde van
zaken. En hij maakte 't zich tot een regel van zijn onderzoek:
de absolute twijfel, en de absolute vermijding van de tot dusverre
betreden wegen. Hij vroeg: wat kan er twijfelachtiger bestaan, dan
deze onvolkomene beschaving?--Wanneer er aan haar ook drie periodes
voorafgegaan waren, die van wildheid, patriarchaat en barbarisme, moet
dan daaruit worden opgemaakt dat zij de laatste is, alleen omdat zij
de vierde is? Kan er niet een vijfde, zesde of zevende sociale orde
komen, die wel-is-waar ons nog niet bekend kan zijn, maar dit alleen,
omdat tot nog toe niemand zich de moeite gegeven heeft van haar te
ontdekken! Men moet dus de noodzakelijkheid, de voortreffelijkheid,
zoowel als de voortduring van deze maatschappij, altijd en altijd
in twijfel blijven trekken. Dit hebben de philosophen nooit gedaan,
omdat zij, zoo zegt Fourier, dit nooit gewaagd hebben, dewijl dan de
nietswaardigheid van al hunne werken voor de menschheid meteen zou
aan het licht gekomen zijn!
In de eerste plaats hield Fourier zich bezig met de landelijke
associatie (association agricole) en bij het nadenken over haar,
geraakte hij tot de theorie der bepalingen. De oplossing van
dit vraagstuk, leidt volgens hem, tot die van alle politieke
vraagstukken. "De philosophen hielden de akkerbouw-associatie voor
eene even zoo groote onmogelijkheid, als de afschaffing der slavernij,
omdat zulk eene associatie tot nog toe niet bestond. Ziende, dat bij
de dorpsbewoners elk gezin op eigen gelegenheid arbeidt, konden zij
zich geen middel denken om hen te vereenigen. En toch zouden er reeds
talrijke verbeteringen kunnen ontstaan, wanneer men de bewoners van elk
vlek, kon vereenigen tot gemeenschappelijke bezigheid, naar verhouding
van hun kapitaal en hunnen arbeid. Aldus zouden 2-300 families, met
ongelijk vermogen, een streek kunnen cultiveeren. Men kan nauwelijks
20, 30, 40 individuen tot gemeenschappelijke bezigheid verbinden,
hoe zoude men het honderden kunnen doen, zegt men. En toch zouden er
voor zulk een associatie op zijn minst genomen 800 personen noodig
zijn. Ik versta hieronder, verklaart Fourier verder, eene samenwerking
bij welke de medeleden door wedijver, eigenliefde en andere middelen,
aan den arbeid gehecht zouden kunnen worden gemaakt.
"Eene zoodanige organisatie komt ons belachelijk voor en toch is zij
mogelijk. Eene agrarische associatie, gelijk ik mij die voorstel en
die wel duizend personen kan omvatten, levert zulke enorme voordeelen
op, dat zij in vergelijking met de tegenwoordige toestanden, aan een
toestand van zorgeloosheid gelijk zou zijn."
De sterkste prikkel voor den landman, zoo gaat Fourier voort,
is de winst. Wanneer de verbondenen maar eenmaal zullen zien,
dat sociëtair-georganiseerden arbeid, hen vijf zesmaal meer winst
oplevert, dan hunne geïsoleerde bedrijven van vroeger dit deden,
zullen zij wel ál hunne onderlinge jalouzieën ter zijde zetten en
tot de associatie toetreden.
"Dan zullen zich de associaties over regionen uitbreiden. Want overal
hebben de menschen den trek naar genot en naar rijkdommen."
Het eerste wat Fourier daarna ontdekte, was de aantrekking der
hartstochten. "Ik zag in dat de voortschrijdende serieën, aan de
hartstochten der beide geslachten, de verschillende leeftijden
en klassen de volle ontwikkeling zouden kunnen geven; dat in de
nieuwe orde, men zooveel te meer kracht en vermogen zoude erlangen,
naar mate men meer hartstochten heeft, en ik concludeerde daaruit:
dat als God zooveel invloed gegeven heeft aan de aantrekking der
hartstochten en zoo weinig invloed aan de rede, hunnen vijand, dat
dit zeker geschiedde, om ons tot organisatie der voortschrijdende
serieën te voeren, welke in elk opzicht de aantrekking bevredigen."
"In de schaduwen van de voorhanden zijnde sociale wetgeving," zoo zegt
hij voorts, "ziet men niet in, dat de ellende der volkeren aanwast,
juist met de sociale vooruitgang. Wij zien reeds die gevaarlijke
werking uit den invloed van den handelsgeest, die daarheen leidt,
de heete luchtstreek te bevolken met zwarte slaven, die men ontrukt
aan hun geboorteland en het gematigde klimaat met witte slaven, die
men in industrieele bagnoos drijft, gelijk men dit heden ten dage
in Engeland doet, iets dat gewis wel in andere landen navolging zal
vinden. Is er zelfs eene gerechtvaardigde zijde aan een toestand,
waarin de vooruitgang van de industrie, zelfs niet eens aan den armen
den behoorlijken arbeid kan garandeeren?"
"Het verbond is de basis van elke economie, wij vinden de kiemen
daarvan verstrooid in het geheele sociale mechanisme, van-af de
machtige Oost-Indische Compagnie, tot aan de arme vereenigingen der
voor een bedrijf vereenigde dorpsbewoners toe.... Wij hebben overal,
zoowel in het kleine als in het groote deze kiemen voor ons welzijn
bij de hand; het zijn ruwe diamanten, welke door de wetenschap
geslepen moeten worden. Het problema is, deze kiemen der associatie,
die in alle takken van menschelijken arbeid terug te vinden zijn,
tot één mechanisme te verbinden, hen tot eene algemeene éénheid te
doen worden."
Wat de sociale beweging aangaat, zoo ziet men elke belanghebbende
klasse, de andere het booze toewenschen; overal is het persoonlijke
belang in tegenspraak met het algemeene belang. De geheele
schrikkelijkheid van een dusdanige toestand, ziet men recht en
duidelijk in, wanneer men ze eerst goed leert begrijpen; wanneer men
de sociëtaire organisatie leert kennen, waarin de belangen een geheel
andere richting uitgaan, wanneer ieder voor het algemeen belang werkt,
juist omdat dit het meest parallel loopt met zijn persoonlijk belang.
"De vrijheid is illusoir wanneer zij niet algemeen is. Waar de vrije
ontwikkeling van de hartstochten tot een zeer kleine minderheid beperkt
is, daar heerscht er slechts onderdrukking. Om de massa eene volkomene
ontvouwing en de bevrediging harer hartstochten te verzekeren, is
eene sociale organisatie noodig, die aan drie voorwaarden te voldoen
heeft. Men moet: 1e een regime der industrieele attractie zoeken,
ontdekken en organiseeren; 2e aan ieder moeten gewaarborgd kunnen
worden de zeven natuurlijke rechten, die ook de wilde bezit; en 3e,
de belangen des volks moet men verbinden met die van de grooten. Want
het volk zal op den grooten afgunstig zijn en hen haten, zoolang het
niet gradueel een aandeel heeft aan hun welzijn. Slechts onder deze
drie voorwaarden, kan men het volk een minimum aan voedingsmiddelen,
bekleeding, woning en hoofdzakelijk, ook aan het vergenoegen
verzekeren, want zonder er een aangename zijde aan te verbinden,
zal ook de nieuwe toestand voor de menschen niet voldoende zijn."
Er is, volgens Fourier, geen voor altijd samengestelde vrijheid
mogelijk die niet in-zich bevat dat minimum. "Geen minimum zonder
industrieele attractie; geen industrieele attractie in den stuksgewijs
verrichten arbeid", waarmede hij bedoelt, in den arbeid gelijk hij
verricht wordt in de privaat-ondernemingen.
De aantrekking tot den arbeid, kan slechts daar aanwezig zijn, waar die
arbeid aangenaam en lucratief is. De verdeeling heeft plaats, volgens
de drie industrieele eigenschappen: arbeid, kapitaal en talent. Het
bevolkingsaantal van een phalanstère mag niet grooter wezen dan van
1800 tot 2000 personen, omdat in dat getal naar Fourier's berekening,
de verschillende hartstochten en karaktereigenschappen ten volle en
doelmatig vereenigd zijn. De economie der hulpmiddelen verkrijgt men,
uit een zoo doelmatig mogelijk tezamenwerken van allen, met elkander
werkenden, omdat allen belang hebben bij de besparing van materialen,
van tijd en van arbeidskrachten.
Zoo zal men in een phalanstère van 400 families, niet 400 keukenvuren
voor 400 private huisgezinnen noodig hebben, maar zullen vier of
vijf groote keukenvuren voldoende zijn. De bewoners zullen in vier
of vijf klassen, naar hunnen stand en naar hun vermogen ingedeeld
kunnen worden, en aldus één gemeenschappelijk paleis kunnen bewonen.
Een phalanstère, die zich bijv. met de wijn- of olieproduktie bezig
houdt, zal slechts een enkele werkruimte noodig hebben, in plaats
van de velen, die thans in een wijn- of olieverbouwende streek bestaan.
De juiste behandeling van den wijn, is den kleinen bezitter onmogelijk,
noch kan hij voor de behoorlijke ligging zorg dragen, noch voor de
verkoeling die noodig is. In eene phalanstère zal de wijn, tengevolge
van de deugdelijke bewaring en verzorging reeds na één jaar, vijfmaal
meer waard zijn. Bovendien kan de phalanstère steeds het produkt
verbeteren, door de kostenbesparing; betere zaden, betere planten
aan te schaffen. Zij kan de beste bodem uitzoeken en de doelmatigste
machines, gebouwen, stallen en bergruimten hebben.
Eene der schitterendste kanten van het sociètaire systeem van den
arbeid, is wel deze, dat daarbij de waarheid in handel en wandel
kunnen worden ingevoerd. "Terwijl de associatie, de coöperatieve,
solidaire en zeer vereenvoudigde, op waarachtigheid en waarborgen
berustende concurrentie, in plaats van de individueele, onsoliede en
door leugenachtigheid opgevreten, willekeurige concurrentie onzer
beschaving stelt, zal zij maar een twintigste van de handen en de
kapitalen daarvoor noodig hebben. Men zal zoodoende den tegenwoordigen
handel als parasietisch kunnen onderdrukken. Men zal door de
phalanstère, in plaats van honderden concurreerende en tegen-elkander
intrigueerende kooplieden en winkeliers, met hunne marktplaatsen en
winkels slechts één groot Warenmagazijn en naar verhouding zeer weinig
personen noodig hebben, dewijl alle koopen en verkoopen naar buiten,
door de phalanstères onder-elkander afgesloten worden.--
"Zoodra mannen, vrouwen en kinderen, de laatsten van af den
leeftijd van drie jaren werkzaam zijn uit aantrekking; wanneer
hartstocht, geschiktheid, wedijver, het verbeterde mechanisme van den
arbeid, éénvormigheid in het doel der handelingen, vrijer verkeer,
verbeteringen van het klimaat, hoogere kracht en langeren levensduur
der menschen, tezamen werken, zullen de arbeidsmiddelen en -krachten
onberekenbaar zich vermeerderen, en het produkt kwantitatief en
kwalitatief zich, daaraan geëvenredigd veredelen en vermeerderen.
"Het meest wel zal het lot van de kinderen in deze
sociétaire organisatie, zich verbeteren. In de slecht geleide
privaat-ondernemingen vinden de kinderen, in de hutten en de
arbeidsplaatsen, schuren en ellendige woningen nòch de verzorging,
nòch de beoordeeling, nòch de aandrift die zij zoo noodig hebben
om zich te kunnen ontwikkelen. Daarbij sterven zij bij massa's in
ongenoemde woningen, door slechte levenswijzen, of worden zij met
kwalen behept. In den sociètairen toestand, zal de sterfte buitengewoon
verminderen; het kinderaantal zal, zoowel lichamelijk als geestelijk,
op ongekende wijze toenemen. Dreigende overbevolking, zal alleen door
de sociètaire organisatie kunnen worden geneutraliseerd.
"De beschaving bevindt zich tegenover alle deze vraagstukken in
een vicieuzen cirkel en dit erkent men allerwege. Men is er perplex
van dat in de beschaving, de armoede de overvloed voorbrengt. Onzen
toestand brengt ons niet het geluk, maar zij levert het niet-geluk op,
de excessen der industrie voeren tot de grootste euvelen, zij brengen
ons van Scylla in Charybdes. En waarom? Omdat wij zonder leiddraad,
omdat wij zonder gids, ronddolen in een labyrinth. Dat ziet men aan
alles. Wij moeten een wegwijzer in het maatschappelijk leven hebben,
eene nieuwe wetenschap en die is volgens Fourier, die van de serieën
der aandriften. Men zegt dat de menschen van heden niet slechter zijn,
dan die van vroeger. Maar een halve eeuw terug, kon men nog voor weinig
geld stoffen van goeden kleur en goede kwaliteit koopen voor weinig
geld. Men kon nog onvervalschte levensmiddelen krijgen, tegenwoordig
heerscht in alles bedrog en vervalsching. De landman-zelf is een
vervalscher moeten worden, gelijk het den koopman reeds lang voor
hem was; melk, olie, wijn, brandewijn, suiker, meel, koffie, alles
is vervalscht. De arme menigte kan geen natuurlijke levensmiddelen
meer bekomen, men verkoopt overal vergiften.
"De handel is schrikwekkend toegenomen en in dezelfde mate het bedrog,
den zwendel en de opzuiging van kapitalen.
"Ten allen tijden en overal, zal de aantrekking der hartstochten, tot
drie doeleinden trachten te komen. Tot de luxe of tot bevrediging der
vijf zinnen; tot groepvormingen en serieën van groepen of bonden van
toeneiging; tot het mechanisme der aandriften, der karakters en der
instinkten; en door alle deze drie, tot universeele gelijkvormigheid.
"Alle groepen zoeken eene serie of een ontwikkelingstrap te vormen,
verschillend in paring en soort. Deze serieën van groepen, zijn
aldus het tweede doel van de aantrekking, terwijl zij zich voor
alle funkties der zinnen en der ziel vormen. Het derde doel, is
het mechanisme van de aandriften of de serieën van de aandriften of
de serieën van groepen. Het is het streven van de vijf zinnelijke
aandriften. 1. Smaak, 2. gevoel, 3. reuk, 4. gewicht, 5. gehoor met de
vier affektieve: 6. vriendschap, 7. eerzucht, 8. liefde, 9. ouderschap,
in overeenstemming te komen. Deze overeenstemming voltrekt zich door
bemiddeling der drie weinig bekende en veel miskende aandriften;
10. de aandrift door intrigue, naar vereeniging van gelijkstrevenden;
11. de aandrift naar afwisseling, naar contrasten; 12. de aandrift tot
beijvering, tot begeestering en tot het streven naar vervolkomening."
Deze twaalf tezamenwerkende aandriften of hartstochten, bevatten
volgens Fourier, de harmonie van de aandriften.... "Tegenwoordig is
de mensch in oorlog met zich-zelven. Zijne aandriften werken tegen
elkander-in. De eerzucht werkt tegen de liefde, het ouderschap
tegen de vriendschap in; en aldus bevinden zich vele aandriften
in disharmonie. Ons doel moet het zijn, een vrijwillig in-elkander
grijpend mechanisme van aandriften te scheppen, zonder een derzelve te
onderdrukken. Dit kan geschieden, door dat ieder individu, terwijl hij
zijn persoonlijk belang beoogt, daarmede tegelijkertijd het algemeen
belang dient.
"De kunst om te associeeren bestaat hierin, een phalanx van serieën van
aandriften, met elkander in volle overeenstemming te kunnen brengen
en te doen ontwikkelen, die volkomen vrij alleen door aantrekking
voortbewogen wordt en toegepast kan worden op de zeven voornoemde
industrieele functies: huishouding, akkerbouw, industrie, handel en
verkeer, onderwijs, wetenschappen en schoone kunsten.
"Een serie der aandriften is een verbinding van verschillende, op en
neder gaande volgreeksen van verbonden groepen. Zij zijn vereenigd
door overeenstemming in smaak voor een of andere bezigheid, zooals
het verbouwen van een zekere vrucht, in welke voor elken tak van
arbeid, zich hierbij een speciale groep vormt. Wanneer eene serie
bijv. hyacinthen of aardappelen verbouwt, moet zij even zoovele groepen
vormen, als er soorten van hyacinthen of soorten van aardappelen in
cultuur gebracht moeten worden. Elke groep vormt zich uit de leden van
de serie, die voor eene bepaalde soort, neiging aan den dag leggen. Er
zijn minstens 40-50 serieën noodig, om eenigermate te voorzien in de
behoeften aan de noodige afwisseling en neutraliseering. De serieën
benuttigen de verscheidenheid van karakters, smaken en instinkten;
van de vermogens, aanspraken en van de trappen van ontwikkeling. Elke
serie is tezamengesteld uit contrasteerende ongelijkheden, zij behoeft
evenzoovele tegenstellingen of antipathiën, als zij overeenstemmingen
of sympathieën noodig heeft. Gelijk in de muziek, waarin men een
akkoord verkrijgt doordien men evenzoovele noten uit laat vallen,
als men aan den anderen kant er aan toevoegt en de contrasten der
tonen één akkoord leveren, zoo levert de vereeniging van de serieën
der groepen, voor de sociale harmonie hetzelfde effect op. Zij brengt
beweging, waarheid, gerechtigheid, direkte en indirekte overeenstemming
en eenheid in den vorm.
"De verschillende groepen moeten zich tegen elkander-in bewegen. Dat
is mogelijk, doordat de groepen slechts gradueel van elkander
verschillende bezigheden verrichten, bijv. niet verschillende soorten
van ooft, maar verschillende soorten van een soort verbouwen. Verder
moeten de arbeidszittingen kort zijn en niet langer dan twee uren
duren. Een groep van zeven arbeiders is voldoende, zij is volkomen,
als zij er negen telt. Dan verdeelt zij zich onwillekeurig weder in
ondergroepen, in de beide vleugels en een centrum. Vier en twintig
groepen is het laagste getal voor eene serie.
"De mensch", zegt Fourier "is uit instinkt een vijand van dwang en van
gelijkheid, hij streeft in elk opzicht gestadig naar verandering. In
de beschaving van thans wordt instinktmatig overal het valsche
bereikt. Steeds wordt het valsche aan het ware voorgetrokken en
het steunpunt van ons tegenwoordig systeem is eene valsche groep,
die welke zich tot het kleinste getal laat terugbrengen: tot de echt.
"Deze groep is valsch door de beperking van het getal, valsch door
het ontbreken van de vrijheid, valsch door het uitelkandergaan en
de splitsing van de smaken. Reeds dadelijk zijn deze verschillen
voelbaar. Nà den eersten dag van het huwelijk, verschilt men bijv. al
over de gerechten, over de bezoeken, over de uitgaven, de conversatie
en over honderd andere dingen meer. Welnu, als de beschaafden van
onzen tijd, in de oorspronkelijkste hunner groepeering niet kunnen
harmonieeren, dan kunnen zij het nog veel minder met het geheel der
groepeeringen in de samenleving."
In de phalanstère van Fourier, is men niet zonder eenige regeering. De
leiders van de serieën en groepen worden officieren genaamd en hebben
militaire graden. Zij hebben den titel van hoofdlieden, luitenants,
vaandeljonkers; er zijn geheele staven in de phalanstère en ten
opzichte van deze waardigheden is er geen verschil tusschen man en
vrouw. De medeleden van de serieën en groepen, verkiezen tot hunnen
leiders diegenen onder hen, die zich in hunnen kring het meest
verdienstelijk gemaakt hebben en daardoor het meest de sympathie
hebben van de anderen.
Fourier is verder van oordeel, dat de menschen, met zeer weinig
uitzonderingen, reeds vrij spoedig hunne vreugde zullen hebben aan
schoone harmonieën van kleuren, aan prachtige en schoone feesten,
standbeelden en gebouwen. En naar alle deze richtingen heen, kan
alleen door de phalanstère het schoonste gewrocht kunnen worden.
Zien wij nu nog voorts hoe, volgens Fourier een onbemiddelde en een
rijke in zulk eene phalanstère hunnen dag doorbrengen. Wij kiezen
daartoe den maand Juni. Des morgens 3 1/2 uur is het opstaan en
aankleeden; 4 uur "séance" in een groep voor de verzorging der
dieren in de stallingen; 5 uur arbeid in een groep van tuiniers;
7 uur ontbijt; 7 1/2 zitting van maaiers; 9 1/2 uur zitting van
groentekweekers. Om 11 uur, tweede zitting in de stallingen; 1 uur
middagtafel; 2 uur boscharbeid; 4 uur arbeid in een werkplaats; 8 uur
beurs; 8 1/2 uur avondeten; 9 uur conversaties en 10 uur slapen-gaan.
De beurs van de phalanstère houdt zich niet bezig met schaggerhandel
in papieren of levensmiddelen, maar met den zorg voor den volgenden
dag. Dan weêr vormen zich nieuwe groepen en serieën. Ook worden
later als de phalanstère in volle werkzaamheid is, het getal der
rustpoozen en maaltijden verhoogd tot op vijf, en worden ook de
zittingen korter. Den korten slaaptijd, verklaart Fourier hiermede,
dat de menschen die in harmonie arbeiden, tengevolge van hun veel
aangenamer levenswijze, veel minder slaap noodig zullen hebben,
dan de beschaafden van tegenwoordig.
Maatstaf van verdeeling van de opbrengst van het produkt in de
phalanstère is: ten 1e de direkte werking, die zij voor de banden der
eenvormigheid van de phalanx in het spel van het sociale mechanisme
heeft; ten 2e de waarde die zij heeft voor de uit-de-wegruiming
van tegenstrijdige hindernissen en ten 3e de omgekeerde verhouding
waarin zij staat tot de sterkte der aantrekking, die zij opwekt. Naar
deze wijze groepeeren zich de verschillende bezigheden, welker
klassificeering en ordening de medeleden der phalanx-zelve te bepalen
hebben. Een overeenstemming is zooveel te gemakkelijker, daar elk
medelid in een gansche menigte van serieën en in een nog grooter
aantal groepen werkzaam is. De gunst die het medelid eener serie
of groep in de bevoordeeling van dividend zou kunnen verkrijgen,
zou hen tot schade zijn in eene andere groep of serie. Zijn eigen
belang dwingt hem dus tot de grootst mogelijke objektiviteit. Ook
is hij erbij geïnteresseerd, dat de harmonie niet gestoord worde,
omdat dit dan tot schade zou wezen van het geheel en zonder twijfel
ook tot dat van hemzelf. Van deze gezichtspunten uit beoordeeld,
geschiedt ook de verdeeling van het inkomen over kapitaal, arbeid en
talent. Fourier geeft hiermede volgende voorbeelden:
"Alippus is een rijke aktieënbezitter, die tot nu toe, ín de
beschaving, voor de uitleening van zijn kapitaal op goederen, 3 à
4 procent maakte. In de phalanstère heeft hij kans 12 à 15 procent
te maken. Hij is zéér voor een rechtvaardige verdeeling, maar zijn
hebzucht kan hem ertoe verleiden, als kapitalist de helft van het
overschot, als dividend voor zich op te eischen. Maar hij komt dan
dadelijk tot het inzicht, dat de beide andere talrijke klassen, welke
arbeid en talent aan de zaak gaven, daarmede zéér ontevreden zouden
zijn en waarschijnlijk binnen weinig jaren zou de phalanstère opgelost
en de schade dan nog veel grooter zijn. Dus vergenoegt hij zich met
eene regeling, die aan zijn kapitaal 4/12, den arbeid 5/12 en het
talent 3/12 toewijst. Hij heeft, naar deze maatstaf, nog driemaal meer
inkomen dan de beschaving hem gaf; hij leeft in de phalanstère veel
goedkooper, hij ziet bovendien de beide andere klassen bevredigd en het
bestaan der maatschappij daardoor verzekerd. Zijne hebzucht wordt in
evenwicht gehouden door twee tegenwichten. Hij heeft de overtuiging,
dat in het algemeen belang tevens zijn eigenbelang opgesloten ligt
en dat in de vooruitgang van de industrieele aantrekking, voor hem
een bron van grooter rijkdom opgesloten ligt. Een tweede voorbeeld:
"Johannes heeft nòch kapitaal, nòch aktieën. Hij is als beschaafde
er dus zéér voor, dat den arbeid, op kosten van het kapitaal en het
talent het leeuwenaandeel bekomt en rekent dus 7/12 voor den arbeid,
3/12 voor het kapitaal, en 2/12 voor het talent. Maar Johannes, als lid
van de phalanstère, denkt er anders over. Als medelid van een groep,
juist dikwijls door het talent dat hij ten toon spreidt de eerste,
komt hij nu tot juiste waardeering van het talent. Bovendien begrijpt
hij, als praktisch burger, welke beteekenis het kapitaal heeft,
welke voordeelen den arbeid eruit kan trekken, hoevele voordeelen
er uit geboren worden voor de serie en de groepen, en vervolgens,
dat zijne kinderen het vooruitzicht hebben met kapitaal te worden
bedeeld. Hij zelve kan door toeneming zijner kennis tot hooger
waardigheid klimmen, ook besparingen maken. En ten slotte zal hij
gevoelen, dat tot een juist evenwicht in de maatschappij, hier den
arbeid iets of wat naar den achtergrond heeft te treden, tegenover
het kapitaal en het talent. Een derde voorbeeld:
"Philintus is medelid van 36 serieën. In twaalf daarvan munt hij
uit, door groote geschiktheid en talent; in twaalf anderen is hij
middelmatig en in de twaalf laatsten, is hij een nieuweling. Als
nu bij het einde van het jaar zijne rekening opgemaakt wordt, zou
hij, in aanmerking genomen de talenten welke hij ontwikkelde in
twaalf serieën, zéér geneigd zijn, deze bijzonder hoog te willen
aanslaan. Maar verstandig als hij is, zal hij moeten inzien, dat
hiermede nòch zijn belang, nòch dat van de phalanstère kan gediend
zijn. Niet alleen staan tegenover de 12 serieën, waarin hij zich door
talent onderscheidde, 24 anderen waarin hij slechts een middelmatig
arbeider bleek, maar ook van die 12 serieën waarin hij uitmunt,
behooren slechts vier tot de eerste klasse, de hoogst beloonde,
die van de noodzakelijkheden; vier anderen in de tweede, en de vier
laatsten in de derde klasse. Hieruit dus, volgt voor hem van-zelf,
dat de eenzijdige maatstaf van de bevoorrechting van het talent hier
geenszins in toepassing kan worden gebracht. Maar daarbij komt nog
iets. Daar de belangen van alle medeleden in de dozijnen van serieën
en honderden van groepen persoonlijk van elkander verschillen; in eene
serie of groep, van twee of van meerdere weder harmonieeren, dezen
wederom in alle andere serieën en groepen in belang van elkander
uiteenloopen, is een intriguenspel ten gunste van enkele serieën
of groepen onmogelijk. In deze honderden, door elkander loopende en
elkander kruisende belangen, waarbij geen individu alleen iets vermag
en geen andere verbinding van gelijke belangen mogelijk is, moet ten
slotte wel het algemeen belang, en dus tegelijk het belang van allen,
op zich-zelve reeds zegevieren.
"Het regime van de serieën der aandriften, is de gewilde gerechtigheid,
die de voorhanden zijnde ondeugd, de zucht naar goud, omzet in den
dorst naar gerechtigheid."
De geheele verdeelingswet formuleert Fourier aldus: "De individueele
hebzucht moet door het collectief belang van elke serie en dat
der geheele phalanstère, als toebehoorende aan eene menigte van
serieën geabsorbeerd worden." En deze wet wordt bereikt, door de
direkte verhouding van het getal der frequente serieën, in omgekeerde
verhouding tot den duur van den arbeid; in de serieën op-zich-zelf. Met
andere woorden, tot hoe meer serieën het individu behoort en hoe
korter dientengevolge de enkele arbeidszittingen worden, zooveel te
lichter zal de neutraliseerende gerechtigheid in de verdeeling van
de arbeidsopbrengst zich voordoen. Met het getal der verschillende
belangen van de enkelingen, groeien ook de mogelijkheid van de meest
rechtvaardige verzoening en de eenvormigheid van het geheel aan.
De hebzucht werkt aldus ten slotte verzoenend in de harmonie. Maar
tegenover haar staat nog een tweede impuls van verzoening: de
edelmoedigheid. Bijvoorbeeld. Het komt er op aan een bedrag van 216
francs te verdeelen, zegt Fourier, onder negen medeleden eener groep,
waarbij het dan toevallig uitkomt, dat de rijksten en welhebbendsten
onder de negen groepsgenooten, tengevolge hunner verrichtingen het
meest uitgekeerd krijgen. Hierop verklaren dan de beide eersten,
dat zij hun kapitaalinkomen in aanmerking genomen, en ook om het
genoegen dat hen den arbeid gedaan heeft, zich met het minimum
zullen vergenoegen, hetgeen vier franken bedraagt. Dientengevolge
blijven en 52 franken over, om onder de overigen te verdeelen. Maar
het voorbeeld van de beide eersten volgen de anderen na, alleen deze
laten, met het oog op hun geringer vermogen, van het hen toekomende
maar de helft vallen, waardoor dus verder nog 20 franken te verdeelen
overblijven. De 72 franken worden nu onder vijf armere sociètaires
verdeeld, zoodat die 24, 18, 12, 9 en 9 franken krijgen.
Wanneer nu hieruit ook voortspruit, dat de rijkste sociètaires slechts
het geringst mogelijk arbeidsaandeel ontvangen--en het grootste
deel van hun inkomen trekken al naar de mate van hun kapitaal--dan
resulteert daaruit, dat hun aandeel in de algemeene opbrengst, in
omgekeerde verhouding staat tot den afstand waarin de kapitalen tot
elkander staan; want voor arbeid en talent bedoelen zij slechts het
kleinste aandeel in beslag te nemen. Daarentegen staat hun aandeel
in de algemeene opbrengst, met betrekking tot het kapitaalaandeel,
in directe verhouding tot de massa der kapitalen. Er komen hier,
evenals in de physieke wereld, twee tegen elkander inwerkende krachten
in aanmerking: de centripetale, welke hier de hebzucht is, en de
centrifugale, die hier de edelmoedigheid vertegenwoordigt.
Ook aan het bevolkingsvraagstuk, heeft Fourier een behoorlijken
aandacht gewijd. Juist in zijnen tijd n.l. kwam het boek van
Thomas Robert Malthus "Over de bevolkingsleer" uit, en werd veel
besproken. Malthus stelde de theorie op, dat de menschheid de tendenz
heeft zich in eene geometrische progressiereeks, dus in de reeks: 1,
2, 4, 8, 16, 32 enz., te vermeerderen; daarentegen vermeerderen de
voedingsmiddelen zich maar in eene arithmetischen reeks: 1, 2, 3, 4, 5,
6, 7, 8 enz. Uit deze, met elkander in tegenspraak zijnde tendenzen,
zou volgens Malthus, binnen vijf-en-twintig jaren--die voldoende zijn
om de verdubbeling van het aantal menschen voort te brengen--de aarde
zoo òverbevolkt zijn, dat de menschheid te gronde zal moeten gaan,
door gebrek aan levensmiddelen.
Fourier nu pakt het vraagstuk van zijne andere zijde aan. Hij huldigt
de grondstelling: stijgende produktiekrachten geven een stijging van
produkt, beiden staan tot elkander in onmiskenbare verhouding. Maar
zegt hij, "vergeefsch zullen de beschaafden naar middelen moeten
omzien, om eene vier- ja, honderdvoudige vermeerdering te bereiken,
die er noodig is, wanneer de menschen veroordeeld moeten blijven zich
te vermeerderen onder den tegenwoordigen socialen toestand, die,
tengevolge van oneconomische toepassing, der maatschappij dwingt,
gestadig het drie- of viervoud van het produkt op te koopen, om het
door de gewoonte bestendigde levensonderhoud der verschillende klassen,
mogelijk te maken."
Ten allen tijde in de beschaving was de bevolkingstoename, in
verhouding tot de voedingsmiddelen, een der klippen waarop de
politiek is gestrand. De Ouden kenden tegen de overbevolking geen
andere middelen dan uitzetting, kinderdooding en wurging van de
overtollige slaven.
"In sociètaire toestand", zegt Fourier, "werpt de natuur tegenover
de excessieve vermeerdering van de bevolking, vier werkzame dammen
op. 1e. De grootere kracht en de lichamelijke ontwikkeling der
vrouwen; 2e. de ruimere levenswijze; 3e. de phanegoramische zeden
en 4e. de gelijkmatige lichamelijke oefening van alle krachten. Wat
de grootere lichamelijke ontwikkeling aangaat, dat zien wij bij de
vrouwen in onze steden; op elke vier vrouwen die onvruchtbaar zijn,
komen drie robuste, terwijl daarentegen de zwakkere vrouwen ook de
vruchtbaarste zijn. Men zal zeggen, dat de vrouwen ten platten meest
robust en tóch ook vruchtbaar zijn. Dit is juist, zegt Fourier,
maar een bewijs te meer, dat alle vier middelen moeten worden
gecombineerd en met elkander verknocht moeten worden gemaakt. De
vrouwen op het platte land zijn vruchtbaar, omdat zij matig leven
en een grove, hoofdzakelijk vegetabiele voeding tot zich nemen. De
vrouwen uit de steden, leven meest weelderiger en geraffineerder,
en daarvandaan hare grootere onvruchtbaarheid. Verbindt men nu in de
harmonie, de lichamelijke krachtsontwikkeling der vrouwen met luxueuser
levenswijze en voeding, dan zal men daardoor twee werkzame middelen,
die de vruchtbaarheid tegenwerken met elkander verbonden hebben."
In de harmonie zullen de menschen dan ook later als tegenwoordig
hunne geslachtsrijpheid erlangen, omdat de niet-onderbroken en steeds
afwisselende lichamelijke oefeningen, alle ledematen in werking doen
komen en langeren tijd de levenskrachten opslurpen zullen. Zij zullen
aldus het oogenblik verlengen, waarop tengevolge van de ontbrekende
absorptie het overschot der sappen, onverwacht, de puberteit vóór het
door de natuurgewilde tijdstip, teweeg zoû brengen. Evenzoo zullen de
gelijkmatige gymnastische oefeningen bij de vrouwen, de vruchtbaarheid
tegengaan, en wel in die mate, dat eene vrouw, welke zwangerschap
wenschte, zich omgekeerd, door onthouding van lichamelijke oefeningen
en grootere industrieele inspanning, op dezen toestand zal moeten
voorbereiden. De ál te groote lichamelijke rust van de tegenwoordige
stedebewoonsters is het wel in hoofdzaak, welke de geslachtsdrift en
het zwanger worden doen stijgen. Een tegenwicht is er, in den regel,
niet aanwezig.
Fourier verklaart, dat de tegenwoordige beschaving, ongeschikt is
om het bevolkingsvraagstuk op te lossen. Hij toont dat aan, door op
Ierland te wijzen, welks bevolking in dezelfde mate verarmt, als het
in aantal afneemt; terwijl het aantal van de onder de ploeg genomen
acres land en het hoofdcijfer van de veekudden, steeds stijgen. De
roof aan grond en bodem begunstigt de kunstmatige ontwikkeling van
de industrie en het verkeerswezen en zoo, zegt Fourier dan ook, dat
de beschaving de "armoede uit overvloed" voortbrengt en dat dit "elk
euvel, elke ondeugd, welke de periode van het barbarisme slechts op
eenvoudige wijze gekend hebben, tot een tweezijdige maakt. Zij gaat
aan haar cercle vicieux, aan hare inwendige tegenspraken ten gronde."
Gelijk het menschelijk lichaam, zoo bezitten de maatschappijen
hunne vier, door bepaalde karaktereigenschappen zich kenmerkende
leeftijden, welke elkander opvolgen. Men kan nòch de opkomst, nòch
de nedergang van eene samenleving bepalen, zoolang men niet de zeer
verschillende karaktereigenschappen weet aan te duiden, welke eene
bepaalde samenleving bezit.
Onze natuurwetenschapsleeraren zijn, wanneer er sprake is van de
onderscheiding bij vrij nuttelooze planten, zeer scrupuleus. Waarom,
vraagt Fourier, zijn onze politici en economisten niet ook zoo,
waar het samenlevingen te beoordeelen geldt? Waarom volgen zij hier
niet de natuurwetenschappelijke methode, bij het onderscheiden hunner
kenmerkende eigenschappen?
Volgens Fourier, zijn de vier phazen der civilisatie en elk harer
kenmerkende eigenschappen, de volgende: