DE SOCIALISTISCHE UTOPISTEN.

In alle kampen en verwarringen der Revolutie, als eenerzijds de

hartstochten den hoogsten graad hadden bereikt, anderzijds de

begeestering gloeide en zich in woorden en daden omzette, bleef er

evenwel iets, dat de menschen, in weerwil van al hun peinzen en hunne

inspanning niet begrijpen konden. De Revolutie had ontzaggelijke

menschenoffers gekost, maar met het guillotineeren van menschen,

bleef evenwel die toestand bestaan.

Die toestand, een economische toestand, was het kapitalisme, dat

juist door de revolutie in Frankrijk zich eerst recht ontplooien kon.

Het kapitalisme had uit alle inwendige, zoowel als buitenlandsche

verlegenheden der Republiek nut getrokken. Het had uit de confiscatie

der goederen, het had uit de assignatenzwendel, uit de instelling van

het wettelijk maximum, uit de rationeeringen, uit de veldtochten met

hunne wapen-, kleeding- en voedingsleveranties; uit het continentale

stelsel tegen Engeland; kortom, uit alle maatregelen, welke de

Constiuante, de Conventie en het "Comité voor publiek welzijn",

nam, door het Directoire het Consulaat en Keizerrijk heen zijn nut

getrokken en er baten voor zich weten uit te slaan.

De groote vermogens kwamen als paddestoelen uit den grond; de

speculatie- en handelsgeest greep meer dan ooit om zich heen

en alom maakte zich de kapitalistische geest meester van alle

private verhoudingen van de menschen onder-elkander. De theorieën

van Adam Smith, die het individualisme tot den grondleer van de

Staathuishoudkunde had verheven, kwamen van Engeland naar Frankrijk

over en vonden daar geheel spontaan, ook hunne verwerkelijking.

En onder het regime van Napoleon I was de oude orde van zaken weder

teruggekeerd. De begeestering voor de "gelijkheid der menschen"

verdween en na Napoleon's val kwam het "ancien regime" ("de oude

regeeringsorde") terug en alles scheen te gaan gelijken op de

toestanden van vóór 1789.

Dat de geest van onderzoek echter nog bestond, bewezen wel op

verrassende wijze twee mannen, die tegelijk, en onafhankelijk van

elkander, opstonden in Frankrijk. De eerste, die wij hier zullen doen

kennen, was de graaf de Saint-Simon.

CLAUDE HENRY DE ROUVRAIJ, graaf de Saint-Simon,

werd den 17en October 1760 geboren. Hij was een achterneef van den

groothertog en pair van dien naam, die in zijne kroniek van het

hof-leven onder Lodewijk XIV, eene der beroemdste memoire-werken

geleverd heeft uit die dagen.

Deze "voorvaderen" spelen dan ook in de Saint-Simon's leven geen

geringe rol. Inderdaad stamde het geslacht in rechten lijn af van

den lageren adel uit het graafschap Vermandois, waarvan onder de

regeering van Lodewijk XIII, een medelid tot den rang van hertog werd

verheven. Deze Vermandois nu, leidden hun geslacht af van Karel de

Groote. In den droom, vertelt de Saint-Simon ons, was hem eenmaal

Karel de Groote verschenen, om hem te profeteeren, dat hij éénmaal

als philosoof, het geslacht tot eene even groote eer zou wezen,

als dezen dit als Vorst geweest was.

Saint-Simon geloofde inderdaad dat hij, als 't ware gepredestineerd

was tot den rol van wereldbeheerschend philosoof. Zijne overspannen

phantazie en zijne overigens levendige verbeeldingskracht, deden

hem dingen gelooven, die zich in de werkelijkheid niet zoo hebben

toegedragen als hij-zelf ze ons mededeelt.

De Saint-Simon was een leerling van de groote d'Alembert, de man die

met Diderot en anderen medewerker was aan de beroemde Encyclopedie

der 18e eeuwsche materialistische wijsgeeren in Frankrijk, vóór

de groote Revolutie. Zijn jeugd verliep in onvaste bezigheden. Wij

vinden hem dan als officier in Frankrijk, dan als medestrijder van

Washington bij de vrijheidsoorlog van de staten van N.-Amerika tegen

Engeland; als diplomatiek agent op eigen gelegenheid in Nederland of

als raadgever van ministeries in Spanje en Mexiko, in welk laatste

land hij omvangrijke irrigatiewerken op touw zette.

In de Revolutie verloor de Saint-Simon, evenals zoovelen, zijn

gansche vermogen en aldus werd hij gedwongen te gaan werken voor

zijn levensonderhoud. Dit deed hij zóó, dat hij, door middel van den

koophandel, waarop hij zich toelegde, alras een nieuw vermogen had

weten bijeen te krijgen. Maar ook dit was weder spoedig door een groote

luxe en verkwisting verdwenen. De Saint-Simon zegt opzettelijk zich

aan zoo groote verkwisting te hebben overgegeven, teneinde daardoor

zijne kennis van het leven te vervolmaken en al het menschelijke,

zelfs het méér dan menschelijke, bij de plannen die hij had voor de

toekomst van het menschelijk geslacht, daarbij in oogenschouw te kunnen

blijven houden. Dat hij ook lang genoeg gelegenheid heeft gehad de

psychologie van de armoede te bestudeeren, en dat eveneens aan zijn

eigen lijf, hinderde hem dan ook geenszins. Het is dan ook uit deze

laatste periode zijns levens, dat zijn werkzaamheid als publicist,

als denker en als hervormer dagteekent.

Het uitgangspunt van de Saint-Simon's denken, was de erkenning

van het armzalige van al het bestaande, van de gansche materieele,

politieke en religieuze nood van zijnen tijd. Zijne critische blik,

kon zich niet laten verblinden, door den glansrijken pronk van de

weelde, die het nieuw-geschapen keizerrijk van Napoleon I ten toon

spreidde; hij zag zeer goed daarachter, de ellende van dat bloeiend

kapitalisme en zijn hart werd ten volle aangegrepen door der menschheid

ganschen jammer. Over het algemeen genomen, was de Saint-Simon een

Faustnatuur. Geniaal en vol van de hem verteerende weetgierigheid,

dreef hem dit alles rusteloos voort naar eene allesomvattende kennis

en tot een door niets in te toomen hartstocht, der menschheid gelukkig

te willen maken. Dat hij bij dit onbeperkt streven, meer dan eens

de reële feiten niet goed heeft kunnen zien, doet niets af aan dit

groote feit, dat hij dingen heeft gezien in een tijd, toen nog door

de geringe ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij, geen

mensch heeft kunnen zien wat hij zag.

De Saint-Simon was 43 jaren oud, toen hij zijn eerste publieke

geschrift schreef, genaamd: "Lettres d'un habitant de Genève à

ses contemporains." ("Brieven van een inwoner van Genève aan zijne

tijdgenooten.") Het kwam uit in 1803, maar werd vergeten, totdat het in

1823 door zijne leerlingen aan deze vergetelheid ontrukt was geworden.

In deze "Brieven" toonde de Saint-Simon reeds zijn denkbeelden aan, van

der menschheid eene leiding te willen geven. Gelijk de maatschappij in

de middeneeuwen door de geestelijkheid was geleid, zoo moest dit ook nu

weder geschieden, thans door het denkend gedeelte van de samenleving.

De hier door de Saint-Simon gedachte heerschappij van den geest, moest

in waarheid die van het genie zijn. Deze genieën moesten onafhankelijk

zijn; geen posten van de regeering behoeven aan te nemen en daardoor

niet verplicht zijn "secondairement" te denken. Zij moesten zich

niet verlamd gevoelen, en met stoutheid zouden zij de wieken van

hunne geestelijke meerderheid kunnen uitspreiden en daardoor de

menschelijke maatschappij steeds ten zegen kunnen verstrekken. "Ruimte

voor de Archimedessen!" was zijn uitroep--"geen hulde meer aan

de Alexanders!" Met andere woorden: de tijd die aangebroken was

beteekende volgens hem, een ten troon stijgen van de wetenschap,

die de plaats innam van de studie van den oorlog.

Bij zijn plan tot organisatie van de maatschappij, verdeelde hij de

menschen in drie klassen. De eerste klasse was die van de vooruitgang;

zij was samengesteld uit de geleerden, de mannen van de kunst, en

allen, die liberale denkbeelden ten beste van de samenleving te geven

hadden. De tweede was die van het behoud, zij bestond uit de eigenaars

van den grond. De derde klasse was die van de gelijkheid. Zij bevatte

dat deel van de menschheid dat niets bezat, geen eigendom, ook niet

een geestelijk.

Tot de eerste klasse zeide hij: "Gij geleerden en kunstenaars, gij

hebt den scepter der publieke opinie in uwen hand, grijpt dien aan

met moed. Overwint slecht der inertie van uwen stand. Mathematici

maakt een aanvang!"

Tot de tweede klasse richtte zich de Saint-Simon met deze woorden:

"Aanvaardt mijn plan, doet het uit vrijen wil, want anders zoudt gij

er door de geleerden toe gedwongen kunnen worden en zou de geschiedenis

van 1789 zich voor u kunnen herhalen. Gij kunt de crisis nog beletten,

en taak van den overgangstoestand kunt gij helpen verlichten. Gij

kunt de "regulateurs" der beweging worden en op die wijze uwe plaatsen

blijven innemen!"

En tot de derde klasse eindelijk zeide hij: "Vrienden maakt dat de

rijken, die tot nu toe geen andere bezigheid gehad hebben dan u bevelen

te geven, gedwongen worden u onderwijs te geven. Wie kunnen u anders

voorthelpen dan de geleerden? Een geleerde is iemand die voorziet,

iemand die voorspelt.

"Bedenkt wel dat gij dáárom alleen, staat onder de heerschappij van

de klasse van de eigenaars,--die tien- en twintigmaal geringer in

aantal zijn dan gij--omdat de eigenaars u in verstand verre de meerdere

zijn. Zoekt met hen op gelijken trap van ontwikkeling te komen. Zoowel

geleerden, als kunstenaars moeten u daarbij ter hulpe komen. Door

mijn ontwerp heb ik getracht alle plannen ter uwer ontwikkeling tot

ééne straal te leiden. Helpt dus! Schrijft in zoo gij kunt. Bij de

keuze der benoemingen zal ik u helpen!"

Het plan beoogde eene algemeene organisatie der maatschappij, op deze

grondslagen: "de geestelijke macht in handen van de geleerden; de

wereldlijke macht in hadden der eigenaars; de macht om hén te benoemen,

die de taak zouden te vervullen hebben van leiders der menschheid te

zijn, in handen van een ieder. Het loon der regeerders moest bestaan

in de algemeene achting en de eerbied die men hen zou toedragen."

In deze "Brieven uit Genève" wilde de Saint-Simon dus aan de menschheid

eene nieuwe organisatie geven; een orde van zaken in de maatschappij,

steunende op het denkbeeld, dat de geheele menschheid één eenheid

was; dat er éénheid moest komen in het menschelijk arbeiden en dat

de geleerden en kunstenaars de mannen bij uitnemendheid waren, om

dat werken te leiden en te besturen.

De taak der vrouw was hierbij niet over het hoofd gezien en ook werd

deze nieuwe orde van zaken door de Saint-Simon, tot een soort nieuwen

godsdienst verheven.

In 1807, na een leven van ontbering te hebben geleden, schreef de

Saint-Simon zijn: "Introduction aux travaux scientifiques du XIX-me

Siècle." (Inleiding tot den wetenschappelijken arbeid der 19e eeuw). In

zekeren zin was dit boek een antwoord op een prijsvraag door Napoleon

Bonaparte uitgeschreven en aan het "Instituut" opgegeven onder het

opschrift: "geeft mij rekenschap van de vooruitgang der wetenschap

sedert 1789 en zegt mij, welke hare tegenwoordige toestand is en

welke de middelen zijn om haar vorderingen te doen maken."

De Saint-Simon past in zijn boek voor het eerst,--en dit is werkelijk

een vooruitgang der wetenschap geweest, al werd het niet officieel

erkend,--deze tweeledige methode toe: die der analyse en die der

synthese. Door analyse, klimt men van bijzondere feiten óp tot een

algemeen feit; door synthese daalt men van het algemeene tot de

bijzondere feiten af, zoo stelde hij vast.

De geleerden van de richting a priori waren voor hem die zoo als Bacon

van Verulam en Descartes. Vooral de laatste, die tot den menschheid

heeft durven zeggen, dat zij slechts gelooven moet die zaken welke haar

door de rede worden aangetoond en bevestigd zijn door de ervaring;

de man die het bijgeloof omverwierp en een volgens vaste methode te

werk gaanden twijfel onderwees.

De richting a posteriori was begonnen bij Locke en Newton in

Engeland. De een op het gebied van de kennis van de georganiseerde

wezens, de ander op dat van de brute lichamen, verkregen hunne

bewonderenswaardige resultaten door toepassing van de analyse.

Beide methodes zegt de Saint-Simon, moeten worden vereenigd; het

was de fout van de denkers der 18e eeuw, dat zij hierbij dachten

aan strijd en aan tegenstelling. Zoowel het generaliseeren als het

particulariseeren, zij hebben verder te zamen recht van bestaan.

Na aldus de gansche wetenschap van de 18e eeuw te hebben getoetst

aan deze twee maatstaven, gaat de Saint-Simon zich in beschouwingen

verdiepen over den godsdienst. En dan krijgen wij eene krachtige

uiteenzetting van hem, dat de Kerk in de middeneeuwen dáárom zoo hoog

in aanzien stond, omdat werkelijk de geestelijken van toen beter en

intelligenter waren dan de leeken. Eerst toen die meerderheid van

verstand en gemoed ophield te bestaan, kwam er scheuring.

Volgens zijne inzichten, gaat de richting in het godsdienstige deze

kant uit: het godsdienstig Deïsme maakt plaats voor het Physicisme,

een godsdienst op natuurkennis gebouwd.

Wat de ethiek aangaat, meent de Saint-Simon, dat het negatief beginsel

van het Evangelie: "Doe niet aan anderen, wat gij niet wilt dat men

u doet", plaats moet maken voor een ander en een positief beginsel.

"De mensch moet werken!" Het denkbeeld van den arbeid in den breedsten

zin opgevat altijd. Maar een rentenier, iemand die niet persoonlijk het

werk bestuurt dat zijn eigendom produktief moet maken, is een wezen

dat de maatschappij tot last is. De zedeleer dient hierop steeds de

aandacht gevestigd te houden. De wetgever moge het vrije en volledige

gebruik van den eigendom toestaan, de moralist is genoodzaakt der

menschheid en der openbare meening te drijven in de richting der

erkenning, dat den nietsdoenden eigenaar, alle achting moet worden

onthouden.

In 't jaar 1813 schreef Saint-Simon twee groote manuscripten, zij zijn

het bij zijn leven gebleven, dewijl hij geen geld had om ze te laten

drukken. Eerst in 1858 zijn zij gedrukt geworden. Zij zijn getiteld:

"Mémoire sur la science de l'homme" en "Travail sur la gravitation

universelle" ("Memorie over de wetenschap van den mensch") en

("Studie over de algemeene zwaartekracht"). Het eerste is wederom

een poging om de Europeesche maatschappij te reorganiseeren. De

studie van den mensch moest allereerst uitgaan van de physiologie,

in de tweede plaats moesten de daden van het menschelijk geslacht

beantwoorden aan de wet der ontwikkeling. De physiologie is de eenige

positieve grondslag voor de kennis die de mensch noodig had. Volgens

de Saint-Simon, had de literatuur als zoodanig, als voortbrengend

middel van beschaving uitgediend; de kennis der natuur kon thans nog

alleen tot resultaten leiden.

De Saint-Simon's uitgangspunt was, dat de mensch van dezelfde natuur is

als de dieren en alleen door eene betere organisatie van het lichaam,

zich boven de dieren heeft weten te verheffen. De menschheid heeft

evenwel gezorgd, de dieren op lageren trap te houden en daarom storend

gewerkt op hunne ontwikkeling.

De Saint-Simon's betoog komt dan vervolgens hierop neer, dat het

geheele stelsel van onze kennis daarheen moet worden georganiseerd,

en gegrondvest moet worden op dit eene geloof: dat het geheel bestuurd

wordt door eene enkele vaste wet. Alle systemen van toepassing nu, alle

die van religie, van politiek, van moraal en van burgerlijk recht, zij

zullen in overeenstemming moeten worden gebracht met dit nieuwe stelsel

van kennis. De geheele maatschappij moest aldus worden geregeld, en

volgens hem was de tijd daarvan niet meer zoo ver af. Immers, politieke

en wetenschappelijke omwentelingen wisselen elkander beurtelings af.

In zijn tweede geschrift, vervaardigd onder den indruk van

gebeurtenissen van 1813, geeft hij o. m. een schoon overzicht van

de philosophie, in den vorm van een toespraak van Socrates aan

zijne leerlingen. En dan nogmaals, een overzicht van de waarde van

de Middeneeuwen voor de beschavingsgeschiedenis der menschheid. Hij

toont aan, hoe slecht de geschiedschrijving dit tijdperk begrijpt, door

het te beschouwen als dat van de "donkere eeuwen der barbaarschheid".

Verder uitwerkende het denkbeeld, dat zoowel de zedelijke als

de natuurwetenschappelijke, ja alle kennis berust op de wet der

zwaartekracht, moeten de geleerden zelven, als geestelijke macht bij

uitnemendheid, de leiding van de wereld op zich nemen. Het geleerdste

lichaam moest de priesterlijke functie vervullen en de nieuwe paus

van zulk eene nieuwe wereldorde, priester van positieve kennis, zal

het tijdperk van den oorlog sluiten, dat van den vrede inwijden en

de anarchie zal alsdan ophouden te bestaan.

In 1814 verscheen onder den titel van: "De la réorganisation

de la Société Européenne, par M. le Comte de Saint-Simon et par

M. A. Thierry, son élève." ("Over de hervorming van de europeesche

maatschappij door de graaf de Saint-Simon en A. Thierry, zijn

leerling"), het eerste eigenlijke maatschappelijk hervormings-werk.

De Saint-Simon stelde daarin voorop, dat de negentiende eeuw tot

taak had te organiseeren, gelijk de aan haar voorafgaande, de 18e,

tot taak had de critiek op de maatschappij te leveren.

In de eerste plaats moesten de Mogendheden naar betere regeeringsvormen

zoeken. Men vergete niet, dat de Saint-Simon dit schreef onder

den geest van algemeene reaktie in de politieke gebeurtenissen na

den val van Napoleon I. Dit betere moest zijn criterium vinden in

de voorwaarde, dat onder zulk een regeeringsvorm elke quaestie van

openbaar belang, achtereenvolgens a priori synthetisch en a posteriori

analytisch werd onderzocht en behandeld.

Dit was volgens hem alléén mogelijk--en ook verwezenlijkt in

het Engelsche parlementaire stelsel--waar voor het onderzoek a

posteriori afzonderlijke en goed onderscheiden politieke machten waren

gevestigd. Het Huis der Gemeenten ging alles na, uit het oogpunt der

locale belangen, onderzocht de zaken a posteriori, terwijl de Koning

daar te lande, het hooge standpunt vertegenwoordigde dat de zaken a

priori behandelde. En het Huis der pairs was werkzaam als "moderateur"

(middelaar) tusschen beiden. Daarbij waren dan maatregelen genomen

tegen het eventueele kwaad, dat de machtige koning het systeem

op zijn grondslagen kon doen wankelen, door de verdeeling van de

koninklijke uitvoerende autoriteit in twee deelen: den koning zelven

en de verantwoordelijke ministers. Zijn plan kwam ten slotte hierop

neêr, dat elke Europeesche staat een eigen parlement moest bezitten

en dat al die parlementen boven zich zouden hebben: een algemeen

Europeesch parlement. Dit zou zijn samengesteld uit twee Kamers, die

der Gemeenten en die van de Pairs. Ieder millioen menschen in Europa

dat lezen en schrijven kon, zou naar de Kamer der Gemeenten van dat

groot-Europeesch parlement, een koopman, een geleerde, een magistraat

en een administrateur benoemen. Van de berekening uitgaande, dat er in

Europa 60 millioen menschen waren, die lezen en schrijven verstonden,

zou men dus 240 leden hebben. Ieder lid van de Kamer zou voor 10 jaren

gekozen worden en ten minste 25,000 franken aan rente moeten zitten.

Nevens die vermogende mannen, het element van de stabiliteit, zouden er

uit de niet-vermogenden 20 leden bij worden gekozen, uit de bekwaamste

geleerden, kooplieden, magistraten en administrateurs, die door die

toelating eene dotatie van 25,000 franken aan grondeigendom zouden

verkrijgen.

De Pairs zouden door den Europeeschen koning worden benoemd uit

de allerrijksten van Europa; ieder Europeesch pair zou ten minste

500,000 francs aan rente moeten bezitten. Ook zouden hier nog 20

pairs bij kunnen toegelaten worden en gedoteerd, uit de mannen van

wetenschap, industrie, magistratuur en administratie te kiezen. Over

een Europeeschen koning, wiens instelling eveneens in het plan lag,

heeft de Saint-Simon zich niet verder uitgelaten.

Tot de bevoegdheden van het Europeesche parlement rekende de

Saint-Simon in de eerste plaats, twistpunten oplossen tusschen de

Mogendheden onderling. Verder het ondernemen en het leiden van groote

werken van openbaar nut voor de Europeesche maatschappij, bijv.:

het verbinden van den Rijn met den Donau en dat van den Rijn aan

de Oostzee, enz. Dan ook zou dit Parlement het openbaar onderwijs,

in zijn geheel, onder zijn beheer moeten nemen. Vervolgens, zou het

"een Wetboek van de zedeleer" moeten ontwerpen en invoeren, gesplitst

in voorschriften voor het algemeen en voor elke natie. Zulk een "code"

zou geheel Europa moeten worden ingeprent.

Na zich aldus te hebben bezig gehouden met het najagen van

hersenschimmen; immers in de dagen waarin hij "De la Réorganisation"

schreef was er in de verste verte niet te denken aan de algemeene

vereeniging van de Europeesche Staten, ging de Saint-Simon zijn

groote denkkrachten besteden aan de hervorming van den arbeid. In

Mei van 't jaar 1817, kwam het eerste deel uit van "L'Industrie"

("Over de nijverheid") onder het motto: "Tout par l'Industrie, tout

pour elle". ("Alles door de industrie, alles voor haar.") Daarin was

Augustin Thierry, den reeds genoemden leerling van de Saint-Simon aan

het woord, die daarin een krachtig betoog hield over de nuttigheid

van de industrieele klasse. In het oude Europa was de krijgsman in

eere, hij achtte zich krachtig, omdat de menschen voor hem leefden;

in het nieuwe Europa is de industrieel de hoofdpersoon, hij heeft

het bewustzijn van zijn sterkte, omdat alle menschen zijn belang

voorstaan en behartigen. Volgens de nieuwe beschouwing is thans die

natie de eerste van allen, die het nuttigst voor de anderen is. Het

geluk van een volk bestaat in maatschappelijke werkzaamheid: eerst

werken dan genieten. "Werkt voor allen, want allen werken voor u,"

dát is de leuze van den nieuwen tijd! En de groote strijd die nog

gevoerd moet worden, gaat thans tegen de onwetendheid en tegen allen

die door haar worden gevoed. De grondslag van de geheele politiek

moet worden: elke natie is eene industrieele maatschappij.

In het tweede deel van 't boek is de Saint-Simon zelf aan het

woord. De maatschappij is volgens hem niet anders dan de éénheid,

van de menschen die arbeiden. Deze gemeenschap kent slechts twee

vijanden: de anarchie en het despotisme. Gedreven door hun eigen

belang, moeten alle menschen ongestoord kunnen arbeiden. Maar er

zwerven rondom hen, en in de maatschappij, een aantal parasieten rond,

die niet arbeiden. De groote taak van elke regeering moet het zijn

den arbeid tegen die schadelijken te beschermen. Een verbond van de

industrie met de denkers moest vervolgens tot stand komen.

De Saint-Simon's gevolgtrekkingen in dat boek waren: "eerbied voor de

produktie en voor de producenten"; mannen van den arbeid moeten den

gang en de loop van den Staat regelen; het verderfelijke van oorlogen

en van monopoliën moesten de menschen inzien; eene verbetering van

de zedeleer was noodzakelijk, omdat aan den arbeid grooten eer

diende bewezen te worden; iedereen behoorde zich te beschouwen,

als behoorende tot het genootschap van arbeiders, De politiek is de

wetenschap der productie. Laat den arbeider dus fier den standaard

opheffen; industrie is gelijkbeteekenend met productie!

In het derde deel, dat ook nog in 1817 verscheen, werd de wending

die de maatschappelijke orde te gemoet moest gaan, tengevolge van

het optreden van de industrie, uit een hooger standpunt bezien. Het

tegenwoordig tijdstip was een overgangstijdperk, zoowel in zeden en

gewoonten als in denkwijze. Geen regime kan zich vestigen, wanneer

niet een daarmede in overeenstemming zijnd philosophisch stelsel

zich eerst baan gebroken had en in de gedachten der menschen zich

had vastgezet. En dan gaat de Saint-Simon in zijn boek verder de

theologische zijde van het Christendom bestrijden. Zooals hij zeide:

de "morale céleste," had te wijken voor de "morale terrestre";

hemel en hel moesten niet langer de menschelijke gedachten in beslag

nemen. Het rijk van de positieve ideën moest een aanvang nemen. Dit

alles moet evenwel zeer voorzichtig geschieden; men moet met geduld

te werk gaan; de bestaande kerken moeten niet worden met opheffing

bedreigd, van-zelf zou dit wel geschieden. Maar de priesters zouden

evenwel bij de wet gedwongen moeten worden, een examen af te leggen

in de positieve wetenschappen.

In het vierde deel, dat in 1818 uitkwam, zijn wij weder op praktisch

terrein. De maatschappelijke kwestie, zegt de Saint-Simon daarin, geldt

de kwestie van den eigendom. De eigendom moet geconstitueerd worden,

met het oog op het groote welzijn van de maatschappij, onder het

tweeledige gezichtspunt dat van den rijkdom en dat der vrijheid. Men

moet het eigendomsrecht inrichten en bepalen op een wijze, die

het gunstigst is voor het aangroeien van den rijkdom en voor het

vermeerderen van de vrijheid van den arbeid. Het eigendomsrecht moet in

zijn volle kracht blijven, maar de uitoefening van dat recht op deze of

gene wijze, moet worden bepaald door een wet. En de Saint-Simon maakt

in dit opzicht geen onderscheid tusschen de landbouw, het handels-

en het fabriekswezen. Bij het handels- of fabriekswezen is de man

die werkt en kapitalen opgenomen heeft, de meester dier kapitalen;

bij den landbouw blijft hij die het land verpacht, die dus niet zelf

aan het land werkt, de voorname rol vervullen. De oude kooplieden en

handwerkers, hebben door vrijkooping hunner gemeenten hunne rechten

moeten koopen; de rechten van de eigenaars van den grond echter steunen

op verovering, steunen op het recht van den sterksten. De Saint-Simon

wil aldus aan de landbouwende standen, de "agricole industrieelen"

dezelfde rechten geven tegenover de grondeigenaren, als de kooplieden

en nijverheidsmannen die reeds bezitten tegenover de lieden van het

kapitaal. De vastheid van invloed, die den grondeigendom heeft, moest

volgens hem, ophouden te bestaan. Bij de volle eerbiediging van den

grondeigendom als zoodanig, wil hij den grondeigenaren niet geheel

vrij laten in de uitoefening van deze hunne rechten; het individueele

eigendomsrecht kan volgens hem, slechts worden gewettigd door het

algemeene en het gemeenschappelijke nut dat er verkregen wordt, door

de uitoefening van dat recht. Het nut kan veranderen, al naar mate

de tijdomstandigheden veranderen.

Men schept daardoor eene klasse van landelijke industrieelen, die

opkomen voor hun grond, die mede betalen in de belasting, die dus

ook invloed uitoefenen op het parlement en die aldaar "de politieke

partij van den arbeid" kunnen helpen versterken.

Saint-Simon wilde de voorwaarden waaronder de eigenaars hunne

gronden kunnen laten verpachten goed zien vastgesteld en evenzoo

de bepalingen, waarbij de eigenaars verplicht kunnen worden bij te

dragen, in de verbetering van dien grond. Van groote waarde is ook

voor de Saint-Simon het nut van grondcrediet-banken.

Als dus zoodoende de landbouwkwestie zal kunnen worden gerangschikt

onder de categorie van industrieele zaken, dan zal de landbouw uit haar

staat van verval op te heffen zijn en een bloeiend leven kunnen gaan

leiden, evenals dit de industrie deed. Een zaak achtte de Saint-Simon

hard noodig, en dat was de meerdere verbreiding van de kennis der

economie. Onder die economie rekende hij vóóral die van Adam Smith

en J. B. Say. De economisten zijn volgens hem, en in bovenstaanden

zin opgevat, de beste bondgenooten van de arbeidende klassen.

In 1819 gaf de Saint-Simon een verhandeling over de politiek

uit, getiteld: "La Politique", of zooals de ondertitel luidde:

"Verhandelingen over de politiek, zooals zij aan de menschen der 19e

eeuw voegt, door eene vereeniging van letterkundigen." Dit geschrift

is bijna uitsluitend van polemischen aard en is vooral gericht

tegen de geringschattende wijze, waarop er destijds over den arbeid,

van machthebbende zijden werd gesproken. De eigenaars, de bezitters

werden toenmaals verklaard te zijn de eenige mannen van kennis en

geschikt om het land te besturen. Dit was de Saint-Simon te veel. Hij

riep alle produceerenden op, om eene nationale partij te vormen,

tegenover de door de van reaktionaire zijde samengeperste nationale

partij van uitsluitend mannen van grondbezit en groot-kapitaal. De

klasse der produceerenden riep hij toe, dat zij zich moest bemoeien

met de politiek "dat zij was die der bijen van de maatschappij en

dat zij verlost moesten worden--zichzelven moesten verlossen--van de

hommels." Hij ried hun aan, eene petitie tot den koning te richten,

met de bede: "Sire, wij zijn de bijen, verlos ons van de hommels!" Dan

zal het begrepen worden, dat de producenten de kracht van het land

zijn en dat het niets dan materialisme is, wanneer alleen de nationale

vertegenwoordiging berustte op de macht van den grondeigendom en het

aktieve element van den arbeid van elken invloed op den gang van zaken

bleef buiten gesloten. Het geschrift is dan ook in twee afdeelingen

gesplitst. Het eerste heet: "Le parti national ou industriel,

comparé au parti anti-national" ("De nationale of industrieele

partij, vergeleken bij de anti-nationale partij.") Het tweede:

"Sur la querelle des abeilles et des frelons, ou sur la situation

respective des producteurs et des consommateurs non-producteurs"

("Over de twisten der bijen en der hommels of bijzonderlijk over de

positie van de voortbrengers en de verteerders niet-voorbrengers.")

Omstreeks dezen tijd was het, dat de Saint-Simon de medewerking van

zijn leerling en "geadopteerden zoon," Augustin Thierry verloor. Zij

gingen uiteen omdat beider opvattingen bleken te zeer uiteen te

loopen. Thierry heeft later groote naam gemaakt als historicus, en

het is in deze hoedanigheid dat wij hem nog verderop met een enkel

woord ook zullen hebben te noemen. Hij is met zijn historische werken

tevens ook niet zonder eenige invloed op de ontwikkeling van Karl

Marx en diens geschiedsphilosophie geweest.

In plaats van Thierry trad nu als "leerling", d. w. z. als medewerker

van de Saint-Simon Auguste Comte op, eveneens een man die zich later

onafhankelijk van zijnen vroegeren meester, een beroemden naam gemaakt

heeft, door zijn positivistisch-philosophische denkbeelden. Ook was

de tijd dat de Saint-Simon "L'Industrie" uitgaf, blijkbaar voor dezen

een goeden tijd, althans in finantieel opzicht. Dit laatste echter

in zooverre, dat de uitgave van dit boek met milde hand werd gesteund

door bankiers als Perier, Lafitte enz., zoowel als door edellieden van

naam als de hertog de Broglie en de hertog de la Rochefoucauld, van

wien er later weder terugkrabbelden toen de Saint-Simon zijn "morale

terrestre" in plaats van de "morale céleste" gesteld wenschte te zien.

In den aanvang van 1820 verscheen "L'Organisateur", dat een positief

plan bevatte tot wijziging van het maatschappelijk bestuur en tot

samenstelling van het Parlement.

De Saint-Simon ging hierin wederom van het begrip uit, dat de 19e

eeuw de nieuwe stelsels moest organiseeren, gelijk de 18e critisch

is te werk gegaan. Hij geeft hier al dadelijk zijn standpunt

omtrent den arbeid in zijn geheel aan, door het bekende beeld,

dat onder den naam van "le Parabole" ("de gelijkenis") beroemd

is geworden. Hij zegt: "Gesteld dat op een nacht in Frankrijk

stierven: de 50 eerste natuurkundigen, de 50 eerste scheikundigen,

de 50 eerste physiologen, de 50 eerste mathematici, de 50 eerste

dichters, de 50 eerste schilders, de 50 eerste beeldhouwers, de 50

eerste musici, de 50 eerste letterkundigen, de 50 eerste mechanici,

de 50 eerste ingenieurs, de 50 eerste artilleristen, de 50 eerste

architecten, de 50 eerste doktoren, de 50 eerste wondheelers, de 50

eerste pharmaceuten, de 50 eerste zeevaartkundigen, de 50 eerste

uurwerkkundigen, de 50 eerste bankiers, de 200 eerste kooplieden,

de 100 eerste landbouwers, de 50 eerste bestuurders van hoog-ovens

en van metaalfabrieken, de 50 eerste wapenfabrikanten, de 50

eerste bestuurders van leerlooierijen, de 50 eerste metselaars,

de 50 eerste timmerlieden, de 50 eerste schrijnwerkers, de 50

eerste smeden, de 50 eerste slotenmakers; kortom, een cijfer van

drieduizend van de eerste mannen van wetenschap, techniek, kunst

en arbeid, zou Frankrijk in ééne nacht moeten verliezen. Dan zou,

volgens de Saint-Simon, Frankrijk als met één slag de ziel van zijn

leven verliezen, in rang beneden andere natiën dalen en eene geheele

nieuwe generatie zou er noodig zijn om het geleden verlies weder te

boven te komen. Maar als nu eens Frankrijk al die mannen behield,

doch op ééne nacht, zou het land evenzoo plotseling verliezen:

"Monsieur" (de broeder van den Koning), de hertog van Angoulème,

de hertog van Berrij, de hertog van Orleans, de hertog van Bourbon,

de hertogin van Angoulème, de hertogin van Berrij, de hertogin van

Orleans, de hertogin van Bourbon en mejonkvrouwe van Condé. Gesteld

dat daarnevens op ééne nacht aan Frankrijk, àl de groot-officieren

van den Kroon, àl de ministers van Staat, àl de Staatsraden, àl de

leden van de rekenkamer, àl de Maarschalken, àl de Kardinalen, àl de

Aartsbisschoppen, groot-vicarissen en kanunikken; àl de prefecten en

onder-prefecten, àl de beambten der ministeries; alle rechters en nog

bovendien de tienduizend rijkste inwoners het land zouden ontvallen,

het ongeluk zou zeker te bejammeren zijn, zegt de Saint-Simon, maar

het land zou geen noemenswaarde schade door deze verliezen lijden. Het

verlies zou zéér spoedig te vergoeden zijn!--En toch zegt hij, hebben

al deze menschen, wiens verlies den Staat niet, of zeer weinig voelen

zou, den grootsten invloed in onze maatschappij, toch hebben zij méér

te zeggen, dan de overgroote massa van producenten en nijveren."

"De armen moeten mild zijn voor de rijken; de onbekwamen hebben den

taak, den bekwamen te leiden en te regeeren. Het is zeker in Frankrijk

de omgekeerde wereld!"

"Het is alsof de maan de zon verlicht," zoo zegt hij vervolgens,

"wanneer men ziet, dat de mannen der oude orde, de mannen der

conjecturale wetenschappen, leiding meenen te kunnen geven aan

nieuwe dingen, aan nieuwe wenschen, aan eene nieuwe orde van zaken,

aan den bedrijvige, positieve vooruitgang." De leiding moet komen

aan de kundigsten en aan de bedrijvigsten en de regeerders moeten er

toezicht op houden, dat de arbeid ongestoord plaats kan vinden. De

arbeid is er, volgens de Saint-Simon, niet om de regeering, omgekeerd,

de regeering is er om den arbeid.

Er worde dus gevormd eene eerste Kamer, welke hij "Kamer van Inventie"

noemt. Zij zal bestaan uit drie secties. De eerste sectie zal bestaan

uit 200 ingenieurs, de tweede uit 50 dichters of literatoren, die

nieuwe denkbeelden hebben, de derde uit 25 schilders, 15 beeldhouwers

of architecten en uit 10 musici. Zij zal zich moeten bezig houden,

met het ontwerpen van werken van openbaar nut, ten doel hebbend

den rijkdom van Frankrijk te doen vermeerderen en het lot van zijn

inwoners te verbeteren. In de tweede plaats moet deze Kamer de openbare

instellingen organiseeren. De leden dezer Kamer hebben zitting voor

vijf jaren, zijn herkiesbaar en hebben eene persoonlijke toelage van

10,000 francs.

Dan worde er gevormd een tweede Kamer, die "Kamer van Onderzoek"

zal genaamd zijn. Zij zal eveneens bestaan uit 300 leden, waarvan

100 natuurkundigen, die zich bezig hebben te houden met de kennis

van de georganiseerde natuur, 100 physici, die zich met lichamelijk

onderzoek, zoowel van menschen, dieren en insecten bezig houden en

100 beoefenaren van de meetkunde. Deze Kamer zal al de ontwerpen van

de Eerste Kamer moeten onderzoeken en toetsen aan hunne kennis en

aan de ervaring. Zij moet de ontwerpen van wetten voor het onderwijs

maken en invoeren. Het onderwijs moet zooveel mogelijk pasklaar,

aan de praktische behoeften des volks, worden gemaakt en daarom

in drie trappen worden verdeeld. Er mag alleen, in geen der drie

soorten van onderwijs, sprake wezen van godsdienstig onderwijs. De

Saint-Simon meent dat, daar ieder vrij is in het uitoefenen van den

godsdienst dien hij verkiest, iedereen ook persoonlijk moet weten,

welke godsdienstige opleiding hij zijne kinderen moet laten geven. Ook

moet deze Kamer een geregeld toezicht houden op de openbare opvoeding.

De leden dezer Kamer genieten mede 10,000 francs per jaar persoonlijke

toelage, worden eveneens voor vijf jaren gekozen, en zijn eveneens

herkiesbaar.

Daarna komt de derde Kamer, waaronder de Saint-Simon zooveel als het

"Huis der gemeenten" in Engeland verstaat, en die hij "Kamer van

uitvoering" noemt. En in deze moet elke tak van den arbeid goed

en evenredig vertegenwoordigd zijn. De leden dezer Kamer genieten

géénerlei toelage, omdat zij vrij zijn door den arbeid dien zij

verrichten. Zij is belast, niet alleen met de uitvoering van de door

de beide eerste Kamers vastgestelde en aangenomen wetsontwerpen,

maar ook met het uitschrijven en het heffen van belastingen.

Het parlement zal eene nieuwe "Code civil" ("Burgerlijk wetboek") en

eene nieuwe "Code criminel" ("Wetboek van Strafrecht") vaststellen. Het

zal den eigendom op nieuwe grondslagen vestigen, gunstiger voor

de voortbrenging in de maatschappij; een stelsel van algemeene

verdediging, dat zoo weinig mogelijk een staande leger noodzakelijk

maakt en een stelsel van algemeene volksweerbaarheid ontwerpen. De

Saint-Simon verwacht, dat als alle staten rondom Frankrijk zich evenzoo

zullen hebben gereorganiseerd, oorlog niet zal voorkomen en dus alle

verdedigingsmiddelen overbodig zullen worden. Een schadeloosstelling

van twee milliard, zal worden toegestaan aan hen, die onder deze

nieuwe orde van zaken schade zullen lijden.

De menschen zullen het een "utopie" noemen, zegt de Saint-Simon, zulk

een plan! Maar dit komt, volgens hem, omdat de menschen geen begrip

hebben van de geschiedenis; geen kennis hebbende van den loop der

beschaving spreken zij van "utopieën". Het is zeer te bejammeren, zegt

hij, dat de geschiedenis een tak is van de wetenschap der letteren,

en niet wordt beschouwd als een wetenschap op zich-zelve, wat zij is.

Intusschen, terwijl zich een aantal leerlingen om de Saint-Simon

geschaard hadden, verergerde zijne pecuniaire positie zeer. Hij

ging zijn zestigsten levensjaar in, kon zijne geschriften alleen

maar gedrukt krijgen, door zich telkens en telkens te vernederen

en openlijk vernederd te worden, en de geringe opbrengst ervan, was

niet in staat om hem in het leven te houden. Van teleurstelling en

van armoê werd hij wanhopig en op een morgen in de maand Maart 1823,

vonden zijne jongeren hem met een kogel in het hoofd liggen op zijn

kamer, evenwel niet doodelijk gewond. Hij herstelde weder, maar moest

een oog verliezen, terwijl zijn gezondheid van nu af zeer zwak en

wankel was geworden. Twee jaren leefde hij nu nog, en in dien tijd

zagen nog het licht: "Catéchisme des Industriels" en het beroemde boek

"Le Nouveau Christianisme" ("Het nieuwe Christendom.")

In de "Catéchisme" heeft de "science générale" waarover de Saint-Simon

het zoo vaak heeft, die hij met zooveel hopelooze inspanning verdedigt,

haar uitgangspunt in de "idee der Industrie." Wat de industrie is

naar haar wezen en welke gestalte zij in de geschiedenis van Frankrijk

heeft aangenomen, welke aanspraken zij kan doen gelden en welken som

van geluk in de samenleving zij heeft doen geboren worden, alle deze

vraagstukken liggen aan deze verhandeling ten grondslag. Hij begint

met de begrippen, industrieel en arbeider te ontleden. Een industrieel

is iemand, die der samenleving de middelen verschaft om in stand te

blijven en om de behoeften der menschen te bevredigen. De klasse van

menschen, die zulks doen, behooren den eersten rang in te nemen; zij

kan allen ontberen, niemand echter haar. Daar alles dóór de industrie

geschiedt, zoo geschiede ook alles vóór haar. Zij vormt de groote

massa van de natie, zij vormt het overwicht aan physieke kracht, zij

bezit de talenten en de intelligenties. Hoe was het nu mogelijk, dat

zij onderdrukt werd, door een kleiner en zwakker aantal? En hierop

antwoordt de Saint-Simon, door ons historisch uiteen te zetten,

de verhouding waarin de industrie tot de staatsmacht staat.

De Franken zijn, naar zijne voorstelling, als de krijgslieden van

Frankrijk te beschouwen, en tegelijkertijd als de bezitters van

grond en bodem; door hen werden de Galliërs onderworpen, die nòch

wapens, nòch vermogen hadden, en niets als hunne arbeidskracht

bezaten. Beide deelen van het Fransche volk kwamen alsnu, vijandig

tegenover elkander te staan; deze heerschend en slechts verteerend,

gene onderworpen en werkzaam. Nog bij de troonsbestijding van

Lodewijk XI waren deze klassen scherp gescheiden. Deze koning echter

verbond zich met de industrieelen, de laatsten kwamen daardoor

langzamerhand tot persoonlijke vrijheid en bezit van geld, terwijl

de militaire klasse der Franken, nog altijd aan haar bezit van den

grond vasthield. Hierdoor ontstond voor het eerst in Frankrijk de

tegenstelling in bezit, die van de eigenaren van geld en industrie en

die van den grond. Tot aan Lodewijk XIV toe vormden grondbezitters,

fabrikanten en handelslieden, drie afzonderlijke corporaties. Maar

onder deze laatste koning begon de industrie zich te ontplooien en

een element in zich te vormen, dat hare geheele gestalte begon te

vervormen. Uit de concurrentie en de behoefte van den afzet, vormde

zich de wereldhandel, die op hare beurt eene klasse van bankheeren

in het leven riep, die bemiddelaars der betalingen werden en in wiens

handen het eigenlijke voordeel terecht kwam; met hen begon de periode

van het credietwezen in de geschiedenis. Het crediet behoort, naar zijn

wezen, den grooten bankheeren en kooplieden toe; om hen te gebruiken,

leenen dezen den fabrikanten en den arbeidenden. Dezen breiden

daardoor hunne zaken uit en daarvandaan komt het, dat de eigenlijke

macht van het geld en alles wat daardoor geschiedt en mogelijk is,

in handen van den bankiers over is gegaan. Als nu de Staat geld

noodig had, boden zij het hem aan, maar onder zekere voorwaarden,

en hier vangt den tijd aan, waarin de geldwisselaars, de bezitters

van het crediet zelfs over de industrieelen konden zegevieren en

zich van den Staat meester konden maken. Op deze wijze was het ook

mogelijk, dat zich de industrieele wereld zelve splitste in twee

klassen, die van de eigenlijke industrieelen, zij die arbeiden, en

die van de slechts-bezittenden; de eersten onderworpen, de laatsten

heerschend. De oude tegenspraak ziet men hier van nieuw af aan opkomen:

zij die het diepst onderdrukt zijn, vormen de beste klasse van de

maatschappij. Zoo komt het resultaat dan te voorschijn, dat de natie,

het volk is industrieel; de regeering feodaal. Terwijl de bankiers van

alle landen, den gouvernementen het crediet van de industrie tegen

hoogen interest verkoopend en zich verheffend op de puinhoopen van

de ineengeslagen leenheerschappij, den toestand van onderworpenheid

van voren af aan zijn gaan bevestigen. Nevens hen verheft zich eene

eigenaardige klasse, die zich tusschen beide klassen in stelt; beiden

dienend, maar die den eene in haar ziel vijandig is, terwijl zij de

andere beheerschend, beiden in stand houdt. Dat is de klasse der

"Legistes", waaronder speciaal de advokaten behooren. Zij vormen

met de bankheeren tezamen, eene middelklasse en zijn de eigenlijke

"liberalen," die tegenover de "Industrieelen" staan. Men vergist zich

zéér, zegt de Saint-Simon, wanneer men beide voor identiek houdt;

integendeel is het liberalisme van eerstgenoemde klasse, niets als

een verkapt egoïsme en de leuze van hunne leiders tegenover het

gouvernement, komt op niets anders neer, dan op het "ôte-toi de là,

que je m'y mette!" ("Verwijder u van deze plaats, opdat ik mij er

neder kunne zetten!")

De ware grondzuilen van het eeuwigdurend welzijn der menschelijke

maatschappij, zijn de industrieelen. "Want," zoo roept hij uit,

"het is duidelijk, dat de industrieele heerschappij die is, welke

den menschen de grootste som van algemeene en individueele vrijheid

kan geven en dat zij alleen aan de moraal de grootste macht in de

samenleving kan verzekeren. Het is verder duidelijk, dat de samenleving

van-uit de feodale heerschappij naar die der industrieele, niet kan

worden overgeleid, door het bloote zakenleven van het bestuur; beiden

staan diametraal tegenover elkander. De eerste wil de grootst mogelijke

ongelijkheid onder de menschen, het laatste, het industrieele systeem,

is gebouwd op de grootst mogelijke gelijkheid van de menschen.

"Daarom moet het rijk van de industrie a priori gekend worden en

deze "catechismus," is het bewijs, dat de menschelijke geest zich

reeds tot die hoogte opgewerkt heeft. Wat is evenwel de kracht eens

gewonen ondernemers anders dan de eenheid? Daarom moet de goddelijke,

zoowel als de menschelijke moraal, den meest uitstekenden geesten aan

het werk stellen; het industrieele systeem in zijn onderdeelen bloot

leggen en de industrieelen zelven opeischen zich, ter verwerkelijking

kunnen roeping te vereenigen."

Dit is, in 't kort, de inhoud van de "Catéchisme des Industriels." De

Saint-Simon is de eerste, die naar de innerlijke wetten van de

samenleving en de wetten welke haar besturen en op hare vorming en

gestalte van invloed zijn, heeft opgespoord; die hare verschillende

gestalten heeft blootgelegd en onderzocht heeft, wáárdoor zij zich

tracht te vervolkomenen. Hij vond de klasse-tegenstellingen, in

primitieven vorm, tusschen bezit en niet-bezit; tusschen arbeid en

kapitaal en tusschen, wat hij nog noemde: "de strijd der standen."

De Saint-Simon's laatste werk, waaraan hij arbeidde toen zijne

krachten hem reeds voor een goed deel begeven hadden, is "Le Nouveau

Christianisme" geweest. Reeds in zijn "Système Industriel" predikt

hij deze moraal: "God zeide: Bemint u en helpt u onder elkander!";

hier begint hij de stelling te ontwikkelen, dat het waarachtig

goddelijke principe van de christelijke religie is: "de menschen

zullen elkander als broeders behandelen." God had zelf, wel-is-waar

de christelijke godsdienst gesticht, maar de later zich ontwikkelende

clerus is een misgeboorte der christelijke kerk; zij heeft den inhoud

van het goddelijke christendom, tot een menschelijke gemaakt. Het is

dus de taak van onzen tijd, om de godsdiensten weder terug te voeren

tot hunnen waren oorsprong; ze te zuiveren van elk egoïstisch en

tweeslachtig bijmengsel en om de menschheid op het nieuwe Christendom

voor te bereiden.

Hij klaagde den Paus en zijn kerk van ketterij aan; het onderwijs dat

de geestelijkheid den leeken geeft, is valsch en leidt, volgens hem,

van het ware Christendom af. Want in plaats van de levende moraal der

liefde te prediken, stelt de katholieke kerk het doode dogma aan den

spits en in plaats van de kennis te doen vermeerderen, zoekt zij de

leeken absoluut zich van haar afhankelijk te maken. Hij klaagde den

paus van haeresie aan en ook dat hij in zijn eigen Staat een bestuur

in stand houdt, die de moreele en physieke belangen van de behoeftige

klasse in den weg staat, en dan ook nog hiervan, dat de Paus en de

kardinalen, zoomede de geheele geestelijkheid geheel uit den tijd

zijn en tegenwoordig zeer gemist kunnen worden.

De protestantsche kerk critiseert hij eveneens. Hij erkent, dat

Luther met de Reformatie der beschaving een grooten dienst bewezen

heeft, maar in het andere gedeelte der Hervorming, dat der opbouw

van den godsdienst, heeft Luther zijnen navolgers nog veel te doen

overgelaten. De protestanten hebben dan ook eene moraal welke, bij

die zooals zij aan den tegenwoordigen stand der beschaving past,

verre ten achterstaat. De protestantsche cultus is bovendien "zonder

eenige bekoring, onschoon en koud", in plaats van de aanbidding van

het Hoogste te doen vieren met behulp van den kracht van den schilder,

den dichter en de macht van de muziek. Ook gelooft het protestantisme

aan een gebrekkig dogma. Luther gebood den Bijbel te lezen en niets

dan den Bijbel. Het lezen van den Bijbel heeft zeker groote voordeelen

gegeven, maar ook groote nadeelen. Het ware dogma heeft geen gebreken.

De Saint-Simon stelt nu als positief dogma op deze moraal: "in het

nieuwe Christendom zullen de menschen zich wederzijdsch als broeders

beschouwen." Deze godsdienst "zal de samenleving haar grootste doel,

de snelste verbetering van het lot der arme klassen tegemoet doen

voeren." De godsdienst is van nu af eene sociale godsdienst geworden;

haar uitgangspunt is de toestand van de menschelijke samenleving

"de terugvoering naar het aardsche geluk." Het woord van Christus:

"Mijn Rijk is niet van deze wereld!" werd niet begrepen. "Der religie

moet men hare zinrijke zijde teruggeven en den eeuwigen strijd tusschen

materie en kennis, tusschen lichaam en geest moet, in haar verzoend,

ons tegentreden."

Toen de Saint-Simon zijn "Nouveau Christianisme" voleindigd had,

hadden hem zijn laatste krachten reeds bijna begeven. Hij hield

zich toen bezig met de oprichting van het blad "Le Producteur,"

maar hijzelf zag de verschijning daarvan niet meer.

Toen hij zijn einde voelde naderen, riep hij de vertrouwden van zijne

gedachten voor zijn bed en zeide tot hen: "Gij gaat een tijd tegemoet,

waarin goed gecombineerde inspanningen tot een ongekend resultaat

moeten voeren; de vrucht is rijp, gij zult ze plukken." En zich tot

zijn meest geliefde scholier, Olinde Rodrigues, wendend, zeide hij:

"Vergeet niet, mijn zoon, dat men begeestering moet hebben, om

groote dingen tot stand te brengen! Mijn geheele werken laat zich

tezamen vatten in deze eene gedachte: alle menschen de verzekering

der meest vrije ontwikkeling te kunnen geven!" Na eenige minuten,

toen hij reeds met den dood streed, riep hij uit: "De toekomst is

aan ons!" Des morgens den 19en Mei 1825, ontsliep hij in de armen

van zijne leerlingen.

De Saint-Simonistische School telde aanvankelijk vele jonge mannen, die

later tot de eersten intellecten hebben behoord. Het eerst stond zij

onder de leiding van Bazard en Enfantin, waarvan later de anderen zich

afscheidden. Tot hen behoorden behalve de reeds genoemden A. Thierry

en Comte, Buchez, Pierre Leroux, Adolphe Blanqui, Michel Chevalier,

Ferdinand de Lesseps, Felicien David, Armand Carrel enz. Velen hunner

hebben De Saint-Simon's denkbeelden later of geheel, of halverwege

losgelaten.

Gelijk wij schreven, geheel onafhankelijk van De Saint-Simon leefde,

werkte en streed er in denzelfden tijd in Frankrijk een ander groot

denker en een genie van even grooten soort als hij, voor het geluk

van de menschheid.

Beiden leefden in één land, doch kenden elkander niet, hadden elkander

nooit gezien of gesproken en voor zoover bekend, stelden zij zich

ook niet tegenover elkander, althans niet in het openbaar.

Het tweede genie hier bedoeld was Fourier.

Karl Marx en zijne voorgangers · 第 12 / 72 题