Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen

en begaf mij naar het feestterrein, de _Meschwar_. Daar steeg ik af

en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder

een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in

het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans

door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst

vormde om den in 't midden opengestelden vierhoek van soldaten. In

het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds

in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht

stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met

zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der

diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode

sjasjia van de moorsche askari's, omwikkeld met een schitterend witten

tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders,

een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van 't fijnste,

witte mousseline.

Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden

hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep:

"Allah moge onzen heer de zege verschaffen!" _allah ianssar ssidna_,

die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de

vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij,

hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.

Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean

als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en

staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn

niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden

van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met het

woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan

hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten: _la bass, la bass_

d.i. het doet er niet toe.

NASCHRIFT.

Dr. Genthe's Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung

verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver

reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in

Marokko den dood gevonden.

In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den

zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de

doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den

achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op

zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag

de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat

rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren

eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem

had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het

niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.

Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd;

maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en

de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij

alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de

soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat

melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.

Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder

moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het

lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een

lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden,

maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand

het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.

De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer

eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de

daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe's

persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk

gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir

teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt;

maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.

Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken,

't geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was

aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen

werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche

regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling

voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den

laatsten tijd vaker Marokko's schatkist aangesproken. Voor eenige

maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in 't begin van

Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.

AANTEEKENING

[1] Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von

Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche

Literatur 1906.

Uit Marokko De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 3 / 3 段