aan de kust, had ik mij als het gemakkelijkste en aangenaamste deel
der reis voorgesteld. De weg ligt onmiddellijk aan het strand en
loopt in zuid-zuidwestelijke richting zonder anderen hinderpaal
dan twee rivieren, die men onmiddellijk aan hun monding heeft te
passeeren. Daar echter dezen keer de voorjaarsregens uitgebleven
waren in dit noordwestelijk deel van het land, dat uit het oogpunt
van klimaat tegelijk onder den invloed van den Atlantischen Oceaan
en van de Middellandsche zee staat, mocht men hopen, zonder al te
groote moeilijkheden de niet overbrugde rivieren te passeeren. Naar het
gewoon verloop der dingen moeten deze voorjaarsregens de noodzakelijke
voorwaarde voor een goeden oogst zijn. Zij beginnen meestal op 't
eind van December en duren dan met een tusschenpoos in Januari tot
Mei toe. Voor reizigers in Marokko is echter de droogte een groot
gemak bij het tijdroovend en gevaarlijk passeeren der rivieren.
Het rijden over 't vlakke, effen strand duurde echter niet lang;
de soldaat beweerde, dat wij om de afgesproken plek voor ons kamp
te bereiken, weer het land in moesten gaan. En dus trokken wij weer
voort tusschen de heuvels, die ons schadeloos stelden door het prachtig
uitzicht op de zee en de oostelijke bergen. Alles groende en bloeide,
en geheele velden erica en brem bedekten de hellingen.
Een lange optocht van inboorlingenvrouwen, in losse groepjes
verdeeld, kwam ons tegen en kondigde door gezang zich al in de verte
aan. Het waren Berbervrouwen, die, zooals mijn gevolg meende, van
een bruiloft terugkeerden. Heele dorpen schenen uitgetrokken, want
telkens ontmoetten wij vroolijke drommen in dit stille berglandschap,
waarin dorpen en kampen zeldzaam waren. Naar oud Berbergebruik, dat
zelfs door de strenge voorschriften van den Islam niet op zij gezet
is, waren alle vrouwen ongesluierd. Met trotsch opgericht hoofd, in
haar kortgerokte kleeding, die niets heeft van de vermomming, waarin
de arabische vrouw zich op straat beweegt, lieten deze Berberinnen
zich door den Roemi bekijken. Zij zagen mij wederkeerig onbeschroomd
aan, open en vriendelijk, eerder met welwillende belangstelling dan
met boosheid of beschaamdheid. Er waren niet veel jonge vrouwen bij;
maar alle hadden regelmatige trekken en mooie oogen.
Reeds lang had ik bemerkt, dat mijn brave soldaat zich niet meer zeker
voelde van den weg. Op den gewonen karavaanweg tusschen Tanger en Fez,
dien hij ontelbare malen was gevolgd, zal hij wel elke plek kennen;
maar hier begon hij de voorbijtrekkende ezeldrijvers te vragen, en
nu en dan keek hij bezorgd om zich heen. Ten slotte toen de zon al
zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij,
dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren
in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu
weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water
de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij
volgden die, zoo lang het ging. Op eens waren ze niet meer te zien.
Of de karavaan zich van het strand verwijderd had, of dat wij in
onze slaperigheid niet goed toezagen, maar in elk geval was de
aansluiting verbroken, en de soldaat weigerde, den weg langs de zee
verder te volgen. Wij zouden bij de rivier komen en gevaar loopen,
in het drijfzand te raken, als wij in donker verder reden. Hij meende,
dat niets anders overbleef, dan op den opgang der maan te wachten en
dan verder te gaan, want het dorp, waar de tenten opgeslagen waren,
kon niet ver meer af zijn.
Het was afnemende maan, voorbij laatste kwartier, en dus konden er
nog eenige uren verloopen, eer de smalle sikkel verschijnen zou, om
't onbekende land gebrekkig te verlichten. Niet ver van het strand
stegen wij af en gaven onszelven en onzen paarden eenige rust; maar
de honger plaagde ons. Ik had sinds den morgen niets anders gebruikt
dan een paar sinaasappelen in Asaila en wat zure melk, die een der
Berbervrouwen ons onderweg geschonken had.
Dus moest ik mij hongerig en dorstig in bet zand neerleggen en met
een sigaret de knagende maag tot rust brengen. Het duurde niet lang,
of daar begonnen de bleeke sterren aan den hemel zich achter een
sluier van wolken te verbergen, en een ondoordringbare duisternis
omhulde zee en hemel, strand en duinen. Spoedig werd het zoo donker,
dat ik niet eens meer mijn schimmel, dien de tolk op een paar pas
afstands van mij bij den teugel hield, kon onderscheiden.
Toen volgde er plotseling een windstoot, een paar bliksemstralen en
bijna op hetzelfde oogenblik een regenbui, die ons door en door nat
maakte. Ik had mijn regenmantel bij de bagage der beladen muildieren
gelaten, daar den geheelen dag de lucht noch de barometer regen hadden
voorspeld. En toen ze kwamen aanloopen met een paardedek, nog warm
van den rug van een paard, om mij daarin te hullen, was ik al geheel
doorweekt. Toch gelukte het mij met behulp van dat kleed en met mijn
eigen lichaamswarmte na verloop van enkele uren weer droog te worden
en de plaats in het zand, waar ik lag niet doorweekt te krijgen. De
maan verscheen natuurlijk in 't geheel niet; dus moest het daglicht
worden afgewacht, dat tegen vijf uur 's morgens met moeite door de
zware regenwolken brak.
Dit was het sein voor vertrek. Het was een droevige optocht. Menschen
en dieren waren nat, hongerig, dorstig, moe, stijf en koud. De paarden
hadden den geheelen nacht in den kletterenden regen gestaan; ze lieten
den kop hangen en zagen er bedroevend uit. Ook bij ons, menschen,
was de levensmoed tot een laag peil gezonken, en hij steeg niet,
toen de soldaat ook 's morgens den weg nog niet kon vinden.
Met mijn kijker zocht ik den omtrek af, maar zag niets van een kamp
of van onze beladen muildieren. Geen dorp, geen tent, geen dieren
te zien. Maar daar ontdekte ik op een paar honderd pas afstands de
bruine dsjellaba van een Moor, als om te drogen, over een struik
gehangen. Waar het kleed is, kan de drager niet ver verwijderd zijn;
ik reed erop af en was hoogst verbaasd, plotseling een man hard op
mij te zien toeloopen, terwijl hij mij met alle teekenen van vreugde
begroette als een hond zijn teruggekeerden meester.
Het was een van mijn eigen muildierdrijvers. De lieden waren met
de tenten en dieren dicht in de buurt, en wij hadden niet meer dan
een paar duizend passen van hen verwijderd in de open lucht zonder
beschutting en voedsel den nacht doorgebracht! Het was om te lachen,
maar de vermoeide paarden namen aan de vroolijkheid niet recht deel. In
een laagte, door opuntia's en agaven en allerlei doornstruiken
omringd, hadden zij een uitstekend, veilig kamp ingericht; maar ik
was te ongeduldig, om naar El Araisch, de naaste stad, te komen,
dan dat ik van het kamp gebruik wilde maken.
Het ging weer snel zuidwaarts langs het strand, tot de hooge
muren en torens van El Araisch vóór ons oprezen, veel statiger en
schilderachtiger nog dan die van Asaila.
El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van
Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn
aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier
schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet
gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om
tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar
de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk
een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche
postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te
vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.
Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of
twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen
ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier
was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing
in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats,
een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein
van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een
havenmeester vervult.
Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste
marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel
schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko
had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid,
alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd,
zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het
geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat
deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij
van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein
begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld
van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna
honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika
tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze
naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.
Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de
parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden
van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg
toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier
moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door
een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door den
vestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder,
welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog
versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden
in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het
land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met
behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.
Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont,
moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche
grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien
indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche
vestingwerken aanschouwt. En 's morgens, als ik mijn bad nam,
zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat
en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der
tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink
tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof
het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers
van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok
zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de
mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand
een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien
na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.
Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde
bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met
slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen
tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig
had ik mij niet laten terughouden. Als dit het "vlammend oproer" was,
dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden
toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen
te vergelijken zijn.
Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam
voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren
en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen
en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of
door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd
door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars
huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten,
de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden
geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen
van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de
algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte
ongestoord.
Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want
reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem
onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde
ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen
dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel
op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon
vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld,
die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als
zuivere winst ten deel vielen.
Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld
moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof
mij, dat de plek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de
nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een
merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden
waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers,
wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit
als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel
der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen
van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de
inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en
alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog
aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de
in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag
met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk
amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.
Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn
tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de
bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht
op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige
hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers
van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen
verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren,
en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.
Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in
zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle
goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling
voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik
kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden
aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle
vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen
de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron
aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna
niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte
een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen
wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den
volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile
stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is,
hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik
onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.
Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen
weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den
weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha,
de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg,
den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden
der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het
water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine
eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag,
dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder
dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd
werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den
sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig
over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid
voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat
men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf
aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.
Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine
karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier,
die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de
belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel
Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten
karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer
in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren
genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der
groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen
de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen,
die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan
bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de
hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen
vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers
altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.
Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande
kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid
schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met
lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid
moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier
vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van
de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen,
verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen
beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met
den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van
roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo
sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in
't middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden
en met moed doorgestane gevaren.
Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er
zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of
ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken,
en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het
doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.
Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden
te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en
ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen
gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van
de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug,
om hun gelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.
Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze,
lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange,
gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een
paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt,
weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of
een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling
te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van
Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De
werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris
en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het
doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het
overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling
over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag
door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad
van den sjerif van Marokko binnenrijd.
Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging
liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode
van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog
eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in
groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry
de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik
was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon
voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch
is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.
Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij
rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne
Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat
de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan
geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die
mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van
Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan
hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig
Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk,
vreemdelingen geweerd.
De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el
Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de
reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn
Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die
maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun
schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen
worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het
uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister
plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige
troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een
zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte
tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche
hof in volle pracht te aanschouwen.
Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren,
was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar
het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee
aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te
paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren
der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was
hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen
hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich
terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een
langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd
Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat
oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet
verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van
een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke
buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen,
dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij
uit deze _embarras de richesse_ van groetmogelijkheden gered, door
eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in
't gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei
Abdul Aziz zal geweest zijn.