Ik zat naast mijn liefde op een soort van troon vol kussens, tusschen
de zuilen van het terras en ik geloof, iedereen was wel verbaasd, dat
een ezel, die gekomen was de Goden wisten van waar, zoo wel-opgevoed
ter neêr zat, op zijn achterdeel, de voorpooten gestrekt en zonder
onwelluidend gebalk en het minste onvoegzaam gebaar, geheel en al
als een goed gedresseerde ezel, terwijl mijn bruid hare armen vaak om
mijn hals sloeg en zoete woorden tot mij zeide. Om ons zaten en lagen
op lage bedden Menedemus en zijne zonen en de neven aan en terwijl
de muziek der fluiten weêrklonk, met gouden cymbelslag onderbroken,
diende een zwerm van slaven ons een maal op, dat zij in vaatwerk van
goud en vazen van opaalblank kristal voor ons neder zetten op lage
tafelen. En het gebeurde alles zoo plechtig als bij een werkelijke
bruiloft. Mijn schotel en drinkschaal waren grooter dan van de
anderen en de wondermeesters hadden het mij zeer gemakkelijk gemaakt
pastei te eten en Chios-wijn te drinken en ik at en ik dronk zoo
mensch-beschaafd, dat--ik lette het zijlings wel op!--allen er schik
in hadden en zich vermaakten en den wondermeesters hunne bewondering
betuigden, zulk een wonderezel van mij te hebben gemaakt.
Voor ons, in den stralenden morgen, glinsterden, zilveren spiegels, de
vijverplassen hier en daar, bloeiden wijd open de witte lotusbloemen,
weken de bloemevijvers weg naar het wijde verschiet en tusschen al
die schitterende waters waren de weiden, bespikkeld met duizenden
madelieven. De olmen en sycomoren vervioletten met vage, in licht
uitgeveegde kruinemassa's van heel verre boomen en over alles zwom
de wijde weelde van blauwe, diepste lucht. En over de weiden en
tusschen de plassen traden de maagden aan en zij dansten er over de
bloemen en tusschen de bloemen, zoo licht, zoo lucht als nymfen,
zoo ijl ook en onwezenlijk, als waren zij droomen en de muziek
klonk zoo ijl en onwezenlijk, als waren de cymbelslagen hoorbare
zonneschijn... Maar toen ik zoo gelukkig zat, roerloos bijna, met
Charis' armen als een lelieboei om mijn nek en naar de dansende maagden
zag, die onze verloving vierden, trof mij een onverwacht schouwspel,
vreemd als een wedergekeerde werkelijkheid. Want tusschen de vijvers
liepen op eens, in het gloeiende dagelicht, vier bruine jongens aan,
naakt en brons, en zij slingerden zich twee aan twee om elkaâr als
Hermes-caduceeën en liepen toen, de twee ondersten op hunne handen,
de twee bovensten zegevierend de handen omhoog, tot zij, in een
gestrengeld, ombuitelden en de bovensten op de handen liepen en die
eerst zoo geloopen hadden zegevierden op hunne beurt. Ik herkende
hen als de reizende kunstenmakers, die op het herbergplein te Delfi
hunne kunsten hadden vertoond en van verbazing zat ik te staren,
toen plotseling ik Demea herkende, met hare beide dansgenooten. Ik
had bijna wel kunnen balken van verwondering, dat ik Demea hier
plotseling verschijnen zag, maar vreemd was het toch niet, dat
Menedemus de reizende kunstenmakers gehuurd had om met hunne spelen
de bruiloft op te luisteren. Tusschen vader en broeders en neven van
Charis, Charis zelve aan mijn zijde, zat ik en verwonderde mij over de
vreemde dingen van het leven en de zonderlinge lotsverwisselingen,
die den menschen overkomen. Zoo Demea geweten hadde, dat zij nu
hare acrobatische toeren ten beste gaf voor Charmides, die een ezel
geworden was en die tóch zijne verloving vierde met de edelste maagd
in Thessalië! Zij liep over een koorde, die de twee mannen gespannen
hielden over de vijverplassen, de bloemoverladen wateren over; zij
liep met gazen vleugels aan en in gouden looveren omgoten en hare
genooten liepen als zij, en omdat de koorde vertrilde in het felle
licht, scheen het of zij drie libellen waren, die zweefden, zweefden
want zij liepen heel snel en het was of er de koorde niet was. En
het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken,
maar ik balkte niet. Toen, plotseling, geleidden de twee mannen
negen jeugdige ezels naar voren op de weide vlak voor ons terras
en het werd mij zoo vreemd te moede, dat ik wel had willen balken,
maar ik balkte niet.... Voor mij zag ik de negen jeugdige ezels; zij
waren getuigd en getooid en zij waren zekerlijk gedresseerd, want zij
dansten recht-op met Charis' maagden en de wondermeesters hielden de
buiken vast van het lachen en allen lachten, maar ik lachte niet en
balkte niet en zat slechts verwonderd te staren....
Toen zette Charis mij een bloemenkrans van lotuskelken, die zij
gewonden had, de lange stengelen door elkaâr, op den kop en zij leunde
tegen mij aan. En zij zeide:
--Mijn lief! Zie, ginds zijn je schildknapen en zij dansen met mijn
maagden om onze oogen te verheugen! Zie je, mijn lief, het zijn
négen schildknapen en zij dansen met negen mijner maagden. Het zijn
schoone jongelingen, mijn lief, maar zoo schoon als jij is er niet
een! Niet een is er, die heeft zoo een lieven kop, rood gepluimd,
goud-omband en lotus-omkranst; niet een is er, die heeft zulke
diep blikkende, blauwe oogen; niet een is er, die heeft zulk een
zacht vochten snoet en zoo een roze, lange tong, of zulke lieve,
lange ooren, die zoo aardig bewegen heen en weêr, heen en weêr! En
niemand heeft er zoo een zilvergrauwe, zijdige vacht en zulke fijne,
sterke pooten met goud-beslagen, menie-roode hoeven! Te vergelijken,
mijn lief, ben je met nièmand, niet met je schildknapen, niet met
mijn broeders, niet met mijn neven, die zijn zoo gewoon-menschelijk
maar, maar jij bent een prins, een vorst, een god, mijn lief; jij
bent een fabelwezen, een mythe-schepsel, en ik min je, ik min je,
mijn lief! Wat ik alleen betreur, o mijn heerlijke lief, is, dat je
niet spreekt tot Charis! Eenmaal slechts heb je mijn naam genoemd en
je stem klonk me zoo zalig toe in mijn ooren en mijn naam sprak je
zoo lieflijk uit als niemand hem uitspreekt, mijn Charmides; allen
harden klank aan mijn naam liet je weg en mijn naam uit je lieven,
open bek, doorklonk mij met zaligheid! O zeg nog eens mijn naam,
zeg nog eens mijn naam, Charmides, o mijn lief!
Ik kon het waarlijk niet nalaten. Om Charis genoegen te doen, zette ik
mij schrap op mijn voorpooten, rekte mijn nek, opende mijn bek en riep:
--Ha.... hi!
Ik hoorde alle de gasten in onuitbluschbaren schaterlach uit barsten
en zelfs de maagden en slaven en zelfs de kunstenmakers lachten om
het gebalk van den bruidegom, maar Charis jubelde:
--Charmides!
En zij omhelsde mij in liefdegeluk en strooide de lotusbloemen om
mij rond...
Zoodra ik echter gebalkt had, schrikte Demea, op het koord.
En afgesprongen, in hare gouden looveren omgoten en met hare gazen
libellevleugelen, liep zij in grootste verwondering naar ons toe,
bleef voor onzen troon en tafel staan en blikte mij diép in de
oogen. En nu zag ik, dat zij werkelijk ontstelde en zij riep, als
Charis geroepen had:
--Charmides!
Maar Charis schrikte op. En zij riep, hare armen om mijn hals:
--Wat wil die koorddanseres! Wil zij mij mijns bruidegoms liefde
ontstelen! Ik ben ijverzuchtig! Ik wil niet, dat zij ons nadert!
Maar Demea, die zich herstelde, riep:
--O, lieflijke bruid, vergeef uw dienares en uw slavin! Ik wenschte
alleen in het glanzende aanschijn te staren van uw onverwinlijken held
Charmides, van den roemrijken veldheer, wiens faam tot de hoogste
luchten weêrklonken heeft en tot de verste horizonnen! En ik breng
hem enkel mijn hulde en roep hem toe: heil Charmides!
Zij riep het en allen stemden in:
--Heil Charmides! Heil den bruidegom!
Bijna had ik gebogen naar links en rechts, maar ik bedacht mij bij
tijds. En balkte daarom slechts:
--Hi--ha!
En allen schaterden het uit en Demea schaterde het uit in mijn oogen.
Maar Charis riep:
--Hij dankt, mijn held, voor uw hulde, o blijde feestgenooten!
En zij wierp zich aan mijn hals en nieuwe spijzen en wijnen werden
voor gediend en er was dans van ezels en maagden en fluitmuziek en
Demea zweefde met de beide andere meisjes over de, in het licht als
wèg vertrilde, koorde en de kunstenmakers buitelden....
Toen het feest ten einde was, daalde de zon, immense bloedroode schijf
aan den einder. De massa's van boomen, de looverkruinen vervloeiden
te zamen in roodgoudig violet, minder doorschijnend; in dichtere
schaduw slopen reeds schimmen van nacht.... Over de vijverplassen
rimpelde in meerderen bries de roode afschijn en brak in kabbeling bij
kabbeling tusschen de platte lotusbladeren en de blanke schalen, die
zich, groener in schutsbladen, sloten. Al de veldbloemen sloten. Het
lusthuis stond overvloeid van rood. En de hemel vervaalde in violette
schemering.
Flambouwen werden ontstoken. En met zang en muziek werd ik in een
feeststoet terug geleid. Maar Charis, droevig, fluisterde, hare armen
om mijn hals:
--Mijn lief, zij gaan ons scheiden....! Zij huwen ons nog niet, zij
huwen ons nog niet: vele offers schijnen eerst den goden te moeten
worden gebracht, opdat geen schaduw over ons geluk kunne vallen! Mijn
lief, zij gaan ons scheiden!
Ik antwoordde niet, zelfs niet balkende, zelve droevig te moê... Wat
zoo ik mij bekend maakte! Ik aarzelde. Ik zoû, ach, onttooverd, niet
meer zijn dan een handelsreiziger en Menedemus zoû mij, onttooverd,
verjagen! En nu, dat ik ezel was, bleef ik Charis' bruidegom. Zonder
verdere hoop en verwachting, maar toch, toch welke zaligheid nog,
in vergelijking met wat onttoovering brengen zoû. Een ezel, een ezel
wilde ik blijven!
En de stoet geleidde mij verder. Niet meer naar een stal, maar naar
een marmerzuilig pavillioen. Tusschen bloemenkransen en maagdendans
en ezelgetrip en flambouwengeflakker en muziekgeschal geleidden zij
mij waar vreemdelingen van aanzien, Menedemus' gasten, gewoon waren te
overnachten. Geleidden zij mij binnen een zaal, purper behangen.... En
weende Charis, scheidende van mij met laatste omhelzing en mede
gevoerd door vader en broeders, die troostten.
De wondermeesters sloten de zaal. Ik zag om mij rond. Een
bed van purper, groot genoeg voor mijn ezelleden. Een bad van
porfier. Bloemenkransen om zuilen. Slaven naderden mij; zij onttuigden
mij, vroolijk om den bruidegom, die een ezel was en verlieten mij
met kluchtige huldebuigingen. Ik bleef alleen....
De nacht viel: door de hoog aangebrachte ramen starrelde de
zomerlucht....
Plots hoorde ik:
--Charmides!
Een stem riep. Ik zag op. Aan een der hooge ramen had Demea zich
buiten opgeheschen en keek zij naar binnen in mijn nachtschemerig
verblijf. En zij riep, fluister-zacht toch:
--Charmides! Ik heb je herkend! Je bent betooverd! Je bent geen
ezel maar je bent mijn Charmides, die betooverd werd! Herinner je,
Charmides, Delfi en den vervallen tempel der Pythia en onze liefde,
onze brandende liefde! Zie, mijn looverenkeurs is het purper, dat
je mij gaaft en om mijn hals hangt de valsche maar wonderkrachtige
peerparel! Charmides, waar is de filter, dien ik je gaf?! O, Charmides,
Charmides, hoor mij! Ik zal je deur open breken--sterk ben ik--en
ik zal je rug beklimmen en wij zullen vluchten van hier en ik zal je
onttooveren met een heel sterken filter en wij zullen gelukkig zijn,
ver van de menschen, op de rotsen, in de wouden, op de bergen! Ik
weet de wondere plaatsen! Charmides, zeg mij, wil je?
Maar ik schudde met mijn kop van neen....
--Charmides!? Wat? Wil je een ezel blijven, wil je een ezel blijven
om Charis! O, dwaze Charmides, die eenmaal een man was, verliefd op
alle vrouwen en nu een kuische ezel is, wien zelfs geen simpele ezelin
bekoort! O, dwaze Charmides, o domme ezel, die zelfvoldaan vertoeft
in een marmeren pavillioen bij een bad van porfier en een bed van
weelderige kussens.... Kom tot inkeer! Knik van ja! Dat ik je deur open
zal breken!? Dat wij, ik op je rug, vluchten zullen van hier! Dat ik je
onttooveren zal! Dat je mij lief hebt, Charmides, als een man, die je
weêr worden zult, en dat je niet Charis lief hebt, voor wie je nooit
anders dan een ezel zal blijven, dwazelijk getuigd als een bruidegom,
die nooit gemaal, nooit gemaal zal worden! Charmides, Charmides, knik!
Ik knikte niet, ik schudde mijn kop van neen.
--Vervloekte Charmides! riep woedend Demea. Blijf dan een ezel,
jij ezel, die je bent, ezelachtige ezel!!
En met een hoongelach glipte zij weg....