Een tijd van ongekende zaligheid brak voor mij aan, al was ik een
ezel. Drie weken lang werd ik verpleegd, gewasschen, gebalsemd,
gemasseerd, overvoed en toen mijn wonden genazen, geroskamd, geborsteld
en had ik niets te doen dan te grazen in madelief-bespikkelde
voorjaarsweide. En bij deze stoffelijke welvaart was ik zoo zalig mij
Charis' kus te heugen en hare omhelzing en zag ik haar vaak van verre,
tusschen hare maagden en gaf ik mij in stilte over aan het gelukzalige
gevoel mijner liefde. Echter niet zonder de bezorgdheid om Charis
zelve, nu ik begrepen had, dat zij betooverd was door Chersonezus, die,
terug gestooten door Menedemus, een tooverban om haar had opgeroepen,
zoo dat zij had moeten verlieven op den eersten, besten ezel, die
haar te moet was getreden. Dit te bedenken weêrhield mij, nog meer
dan de angst, dat Menedemus nooit een handelsreiziger zoû willen
als echtgenoot voor zijn dochter, door welk teeken ook mij bekend te
maken. Zoo ik in mensch weêr herschapen werd, zoû Charis vermoedelijk
zoo geschokt worden, zoo getroffen in hare liefde voor haar ezel,
dat zij er om sterven kon. Ik begreep uit der wondermeesters woorden,
dat door de betoovering haar geest verzwakt was, dat ook haar teedere
lijf geleden had in de winterlange afwachting van den bruidegom,
die eindelijk, onverwachts, gekomen was in mijn vorm van schurftigen
ezel. Nu zeide men haar, dat zij wachten moest, tot haar held, uit
den oorlog terug gekeerd, genezen was van zijne wonden en als ik
haar zag van verre, meende ik werkelijk, dat reeds een nieuwe blos
bloeide op hare wangen, dat hare oogen tintelden van blijderen gloed
en voelde ik mij, hoe verwijderd ook van haar gehouden, gelukkig als
ik mij nimmer gevoeld had. En nauwlijks dacht ik meer aan zilverasters.
Er waren er ook geene; zij werden hier niet gekweekt, zoo als de
Isispriesters de heilige bloemen wisten te doen weligen, in welk
seizoen ook. Er waren hier de wijde madelieve-weiden en om het
vorstelijke lusthuis lagen verspreid de stille vijvers, die de witte
en blauwe wolken spiegelden in hunne gladde plassen, overladen met
de ontlokene lotusschalen, die zich openden naar mate de zon rees
en zich sloten zoo zij daalde. Eens, in een rozigen morgen, dat
ik dwaalde de weide over en tusschen de vijvers door, naderde ik
een der plassen en tusschen de spiegelingen der wolken en de witte
bloemekelken, zag ik mijn eigen beeld. En ik herkende mijzelven niet,
mij herinnerend welk een armzalige ezel mij steeds had aan gestaard
in de wateren der bergstroomen! Ik zag mij terug als een prachtige
ezel, een jonge, gezonde, sterke ezel; mijn effene vacht glom als
zilvergrijze zijde zoo glanzend en glimmend; mijn oogen hadden den
zelfden blauwen glans, dien mijn mensche-oogen hadden gehad; mijne
pooten waren genezen, stonden recht en sierlijk en van louter ledig
dwalen door bloemeweiden, waren mijne hoeven weêr tot smalleren vorm
verfijnd, terwijl mijn manenkam en mijn staartkwast met zorg waren
geknipt en geborsteld en mij gaven het uiterlijk van een weelde-ezel,
die niets heeft te doen dan zich te vermeien tusschen madelieven en
boterbloemen en die zelfs behalve met haver en klaver gevoed wordt
met pastei uit schotels en met Chios-wijn uit drinkschalen! Een
vreemde ijdelheid welde op in mijn menschehart: een ijdelheid om
mijn ezelevorm, die zoo volmaakt was en zoo verfijnd. Ja werkelijk,
nooit had ik een dergelijken prachtigen ezel gezien als ik zelve was
en zoo heel ongelukkig om mijn dierevorm kon ik mij niet meer voelen,
vooral nu ik wist, dat Charis mij lief had. Een menschelijke ijdelheid
was de mijne zeer zeker, een mannelijke ijdelheid, zoo als echter
dieren er wel eens hebben; paarden hebben vooral die ijdelheid, een
paard is ook een edel dier en heeft bijna menschelijke hoedanigheden
en ik voelde mij wel een edele ezel.
Zoo gingen de dagen voorbij, toen op een morgen de wondermeesters
mij op zochten en tot elkaâr zeiden:
--Hij ziet er nu prachtig uit!
--Hij heeft een vacht, als zilver zoo licht grauw!
--En als zij zoo zacht: voel toch eens!
Zij streelden mij alle drie de vacht: ik trilde van voldane ijdelheid
en de slaven zeiden:
--Wij hebben hem dan ook geborsteld!
--En het heeft hem aan niets ontbroken....
--Wij kunnen Menedemus zeggen, zeide de oudste wondermeester,
--Dat de verloving gevierd kan worden, viel de tweede in.
--Maar een huwelijk zal het wel nooit worden! lachte de derde
wondermeester.
En zij schaterden alle drie....
Maar zeide toen de eerste:
--Arme Charis! Wij moèten haar onttooveren....
En de twee anderen vielen in:
--Is zij onttooverd, dan wordt de verloving verbroken....!!
--En kiest zij een harer neven....
--Izidorus....
--Pamfilius....
--Of Lyzippos misschien....
Ik begreep, dat zij ièder een anderen neef hadden op het oog,
die ieder van hen wederom bevoordeelde, met het geld van Menedemus
natuurlijk.... En ik dacht:
--Als ik maar een ezel blijf.... Een pràchtezel, als ik nu ben.... Een
weelde-ezel, met zilvergrauwe, zijdige vacht....
En ik geloof, zoo mij te dier stonde zilverasters waren geboden, ik
zoû ze geweigerd hebben, uit angst voor Menedemus, die mij weg jagen
zoû, uit bezorgdheid om Charis' geest en gezondheid, uit ijverzucht
op hare neven....
Ik bleef een ezel. En mijne verloving zoû, werkelijk, worden gevierd.
--Bericht Menedemus, zei de eerste wondermeester tot de twee
anderen. Laat hem bevelen alles in gereedheid te brengen. De jonkvrouw
heeft tot nu toe geduld geoefend maar het zoû haar kwaad doen haar
langer nog te laten wachten....
De twee jongere wondermeesters gingen.
--Borstel hem nog eens, beval de oudste.
En de slaven borstelden mij. Ik stond geduldig, zoo als een man
geduldig zit voor den spiegel bij den barbier. De slaven borstelden
mij en ik glom, zelve een spiegel gelijk. Zij schoren mij boven de
hoeven mijn pooten met gladde, breede banden. Zij knipten mij hier
en daar de wilde haren weg....
--Besla hem nu de hoeven en schilder ze....
En ze besloegen mij de hoeven, met gouden ijzers en zij beschilderden
mij de hoeven met menie-rood. Ik bewoog niet.... liet hen poot na
poot behandelen.
De wondermeester lachte luid....
--De geduldigste ezel, dien ik ooit zag! prees mij de wondermeester.
--En de prachtigste, die wij ooit zagen! prezen de slaven.
--Zet hem zijn pluim nu op! beval de wondermeester.
De slaven omvatten mijn kruin in een gouden band, waarin een roode
pluim stak; het voelde wat zwaar maar ik was verzekerd, dat de pluim
mij wel stond,.... tusschen mijn lange ooren.
--En doe hem zijn mantel om....
De slaven, lachende, kwamen met den mantel, die was als een schabrak
van reepen rood en met gouden bloemen doorweven, met gouden franjes,
en met een gouden band om het middel bevestigd en mijn staart trokken
zij tusschen de reepen door; mijn hals en borst en voorrug bleven vrij.
--Hij ziet er als een echte bruidegom uit! riepen de slaven en de
wondermeester knikte wel te vreden.
Intusschen scheen, op der beide andere wondermeesters aandrang,
Menedemus zijne bevelen te hebben gegeven, bevelen, dat de verloving
zijner dochter gevierd zoû worden, dien zelfden dag. En voerden mij
de drie wondermeesters, met al hunne slaven, naar buiten.... met een
handklap op mijn schoft....
--Zoû hij kunnen loopen, zonder dat wij hem aan een teugel
hielden? raadpleegde de oudste wondermeester de twee anderen.
--Laten wij het eens probeeren....
--Hij is zachtmoedig; hij heeft nooit nog tegen gestribbeld, meenden
de anderen.
--Charmides! lokten zij mij. Charmides, kom dan....
En zij poogden mij te dresseeren, zoodat ik los zoû loopen tusschen de
slaven en er niet op het onverwachts van door zoû gaan, met kluchtige
ezelbuitelingen. De dressuur gelukte hun in minder tijd dan zij zeker
hadden gedacht, want ik had mij voorgenomen zoo tam en beschaafd
een ezel te zijn als geen ezel in Thessalië. Ik trad dus tusschen de
slaven naar voren. Ik liep afgemeten en sierlijk op mijn menie-roode
hoeven met gouden ijzers beslagen. Ter zijde bezag ik mij in een der
vijverplassen en ik was wel te vreden. Tusschen de lotusbloemen,
die al het zonnelicht op vingen als in schalen albast, zag ik mij
weêrkaatst en herkende ik bijna mijzelven aan mijn oogen. Herkende ik
mij bijna aan zekere trekken en uitdrukking van mijn ezelgezicht. En
bewonderde ik mij, zoo als ik vroeger wel eens mij in een metalen
spiegel bewonderd had: toen als een knappe jongen, die op iedere
mooie vrouw verliefd werd; nu als een sierlijk getuigde weelde-ezel,
wiens verloving gevierd zou worden met de lieflijkste maagd ter
wereld! Wèl in mij de weemoed, dat ik geen man was, maar die weemoed
getemperd door het geluk, dat Charis mij liefde al was ik een ezel,
juist omdàt ik een ezel was.
Ik naderde, tusschen wie om mij waren, tusschen de lotusvijvers,
het groote, wijde grasveld, dat zich uitstrekte voor de zuilenrijke,
half-cirkelige portiek van het landhuis. En omdat de slaven koperen
cymbels hadden ter hand genomen, die zij sloegen tegen elkaâr, naderde
ik te mid van mijn stoet met schetterblijde muziek. Andere muzikanten,
met fluiten, voegden zich bij ons en de lieflijke hymenæische melodieën
liepen op en af als blijde beekjes van water. Om mij straalde de
morgen. Als een paleis der goden straalde de witte woning en de
schaduwen langs de zuilen waren bijna azuur, zoo onwerkelijk tooverde
het morgenlicht de tinten òp der dingen van natuur en van menschen Er
beefde een goudene rilling over de plassen, er weefde een trilling
van lenteglans over alles: over het bevend turkoois van het water,
over het warme marmer gloeide die glans van vuur....
Maar uit het landhuis, op muziek ook van fluiten en cymbels, kwam
mij Charis te moet. Zij was omringd door haar vader en broeders en
neven en hare maagden dansten om haar en jubelend liep zij mij tegen.
--O mijn Charmides! riep zij.
.... Hoe wist zij mijn naam toch....?
--O, mijn Charmides, mijn held en mijn heerlijkheid, ben je daar
eindelijk, genezen en zoo krachtig en schoon! O mijn vader, zie: o
mijn broeders en neven, ziet: wie is er met mijn held te vergelijken?!
En zij slingerde om mijn nu zacht zijdigen, zilvergrauwen nek hare
armen en stond toen, zegevierend.
Ik zag Menedemus glimlachen. Ik zag zelfs lachen de jaloersche
neven, de bezorgde broeders. Nu ik werkelijk een zoo goed verzorgde,
wèl doorvoede, glanzig geborstelde ezel was, schenen zij Charis te
gunnen hare verdwazing en lieten zij haar begaan. Zij kuste mij op
den snoet en van zaligheid rilde ik. Tevens nam ik mij voor, niet
te balken, nóoit te balken en mij te gedragen geheel en al als een
kunstig gedresseerde ezel zich zoû gedragen. Hoe gelaten die rol
ook was, zij was de eenige, die mij geschikt scheen, wilde ik mijn
geluk laten duren. Bruidegom, kon ik niet anders zijn dan geduldig
en lijdzaam. Charis kuste mij, maar ik kon Charis niet kussen. Ter
nauwer nood dorst ik mijn ezelesnuit even, speelsch, tegen haar handje
reiken. Charis omhelsde mij, maar ik kon niet Charis omhelzen: ik
stond slechts en onderging wat ik zoo gaarne zelve volbracht had en
mijn geheele manneziel in vorm van weelde-ezel was er op gespitst mij
voegzaam te gedragen, zoodat allen vertrouwen in mij stellen zouden.
Maar Charis, tusschen de maagden, geleidde mij naar het terras in het
midden der zuilen van de portiek. Er waren daar tapijten gespreid;
er waren groote kussens gestapeld. En Charis, met de wondermeesters,
deed er mij zitten, zoo als dezen meenden, dat zij het mij hadden
geleerd; op mijn achterdeel en met de twee voorpooten gestrekt. Ik deed
het deftig, als een geleerde ezel het zoû hebben gedaan en Menedemus
en de broeders en de neven lachten. Zij zetten zich om ons rond. En
Charis vlijde zich aan mijn zij....
--Bijt hij niet? hoorde ik Menedemus fluisteren tot den oudsten
wonderdokter.
--Hij doet geen vlieg kwaad, heer, antwoordde de wonderdokter; maar
wij hebben dan ook werk aan hem gehad, al die weken, dat wij hem
hebben verzorgd en geleerd!
En Charis leunde zich liefdevol tegen mij. Hoe gaarne had ik ook haar
niet aan mijn hart gedrukt. Maar ik had een ezelehart en ik had geen
armen, maar vier pooten. Gelaten bleef ik dus zitten, sidderend van
geluk en ontroering en alleen boog ik, bijna teeder, mijn kop over
haar heen, zijlings met mijn blik van bijna menschelijkheid. Ik hoorde
de broeders en neven lachen: die menschelijkheid trof hen zeker en
zij dachten natuurlijk, dat zij was aangeleerd en zij vonden haar
komiesch en vermakelijk.
Maar Charis zeide mij teeder, terwijl zij opzag in mijn menschelijke
oogen:
--Mijn lief, ik herken je blik... Van den eersten keer, dat ik je
zag... Het was bij de poort van Hypata... Het was buiten de stad,
op den heirweg... Je liep naast mijn draagstoel voort... Je blik,
je lieve blik staarde mij toe... Ik had je lief, ik had je lief om
dien blik... Toen... toen verdween je.... O je verdweent!! En een
slaaf riep luide ons van zijn rijdier toe, dat wie verdwenen was,
Charmides heette en de zoon was van Lyzias uit Epidaurus! Nooit heb ik
je naam vergeten! Charmides, Charmides, weêr heb ik je gevonden, ik,
Charis, de dochter van Menedemus uit Hypata!! En wij zijn gelukkig en
wij zijn verloofd, o Charmides, o mijn Charmides: Charis en Charmides
zijn verloofd!
In den licht-trillenden morgen klonken onze namen te zamen op, terwijl
de fluiten trillerden en de cymbels goud schetterend te zamen sloegen.
En het blijde feest rondom ons, zalige verloofden, begon!