Wat is u toch innig goed en lief voor ons, steeds is u er op uit, om ons
een pleiziertje te bezorgen. O! en als ik bedenk, hoe wij, en in 't
_bijzonder_ ik, al dat goeds en liefs beantwoord, 't Lijkt zoo
ondankbaar, 't heeft er zoo ontzettend veel van of ik al dat goede en
lieve niet waardeer.... Nichtje K. kan zwijgen als het graf.
Vergeving, lieve, beste Oom!
Toen eergisteren uw groet, in den vorm van een overdruk uit "Album Kern"
kwam, vlogen mijne gedachten naar Sonder, en ik nam mij stellig voor ze
spoedig door woorden te laten volgen. En ik ben gelukkig, dat ik mijn
voornemen kan ten uitvoer brengen.
Wij danken u recht hartelijk voor uw lieven, zeer gewaardeerden groet;
het stuk las ik met groote belangstelling.
Als iedere gedachte aan u in daad omgezet werd, wat een bergen van
brieven zou u dan van hier hebben!
Mevrouw van Kol schreef toch zoo hartelijk en sympathiek over u, en dat
maakte ons gelukkig; want dat hoort tot een onzer liefste wenschen, dat
al degenen, die wij hartelijk liefhebben en vereeren, elkaar ontmoeten
in sympathie.
Hoe maakt u beiden het, Oom? Bevalt het u goed in Sonder? Ziet u daar
wel eens Toradja's? Ik kan het mij levendig voorstellen, dat het u
smartte, uw werk voor zoo'n langen tijd te moeten laten rusten. Waar ons
hart is, dat verlaten wij niet gaarne, daar is onze toekomst, ons leven.
En nu ga ik u iets prettigs vertellen. In afwachting van de dingen, die
komen zullen, hebben wij maar alvast ons werk begonnen. Wij hebben hier
thuis een schooltje geopend, dat nu al zeven leerlingetjes telt,
dochters van Inlandsche hoofden. Zooeven kregen wij bericht, dat wij nog
drie kinderen er bij zullen krijgen, en wel van buiten.
Wij zijn begonnen met één leerling; al gauw klom dat getal tot vijf en
morgen komen er acht op de les en over eenigen tijd tien.
Wij genieten telkens weer, als wij onze kindertjes zien. Het is zoo'n
frisch, onbedorven troepje, en hoe keurig netjes komen ze steeds, en ze
gaan zoo aardig met elkander om. Met ons zijn ze al gauw vertrouwd
geraakt; de vormen in acht nemende, zijn ze toch vrij en ongedwongen
tegenover ons, of er geen rang- en standverschil bestond. Dáár willen we
heen. En wat maken de kindertjes het ons gemakkelijk; ze zijn zoo vlug,
zoo bevattelijk en zoo handig, en daarbij zoo gezeggelijk. Nog geen een
keer hebben wij moeten straffen.
De kinderen komen zoo graag, leeren met lust en ijver en de ouders zijn
verrukt. Alles schijnt er op te wijzen, dat wij hier slechts voldoen aan
een lang gevoelde behoefte. Groot is de zegen, die ons toestroomt van
den Vader van Liefde. Schoon, heerlijk de taak, waarmee Hij ons
vereerde: o, mogen wij haar naar behooren kunnen vervullen, mogen wij
het in ons gestelde vertrouwen waard zijn en blijven!
Dat is het, waarnaar wij zoo innig verlangen, wat wij zoo vurig wenschen
te mogen en te kunnen doen: reine, jonge hartjes, frissche, onbedorven
zieltjes, zoo blank als pasgevallen sneeuw, leiden, jonge karaktertjes
vormen.
Bid voor ons! Moge God ons streven en werken zegenen!
O! en dat anderen hetzelfde werk willen verrichten als wij! Goede
krachten zijn er, zij hoeven slechts wakker geschud te worden. Wij
hebben geprobeerd om ons in verbinding te stellen met meisjes en vrouwen
van onze ontwikkeling, doch het lukte niet. Persoonlijk propaganda
maken, zooals wij dat hier gedaan hebben, pakt misschien beter. En--geen
betere preek dan een goed voorbeeld, een goed voorgaan.
Een ons onbekend jongmensch, élève Inlandsch arts, schreef me en droeg
ons zijn twee nichtjes op. Of wij op haar zedelijken invloed willen
uitoefenen. Wij moesten die meisjes schrijven. Wij wilden het gaarne
doen, en hopen, dat het wat zal geven. Maar dat jongmensch zelf is er
een vol gloed en idealen. Ook met een anderen jongen correspondeer ik,
een aardige, lieve jongen, een neef van ons. Wat was hij verrukt, toen
hij me schrijven mocht!
Wij hebben ontegenzeggelijk veel op anderen voor door onze geboorte en
door Vaders maatschappelijke positie. Dat en nog andere dingen maken het
ons gemakkelijk.
Wat wij doen is zoo nieuw. Nooit hebben jonge meisjes met jongelui
gecorrespondeerd. En wij doen het gewoon, of het van zelf spreekt. Wij
gaan met hen om als kameraden, en zij zien in ons zusters. Het is voor
hen nog zoo nieuw, zoo nieuw, dat wij van zoo'n hoogen stand, het niet
beneden ons achten met menschen die in stand zoo ver beneden ons staan,
vriendschappelijk om te gaan.
Het neefje vertrouwt ons, en ziet in ons eene oudere zuster, naar wier
raad en woorden hij gaarne luistert. Ik bid God telkens vurig, dat wij
zijn vertrouwen nooit mogen beschamen, en dat hij in ons steeds moge
vinden, wat hij zoekt en behoeft.
Het doet ons zoo goed om die jonge, reine, geestdriftige naturen te
kennen! O, moge het leven hun rein idealisme niet bederven!
Nooit zijn we gelukkiger, dan wanneer wij een ander zedelijk hebben
kunnen steunen.
't Is vreemd, maar wij beiden hebben ons bijna altijd ouder gevoeld dan
zeer velen van onzen leeftijd en zelfs ouderen dan wij. Dat komt zeker,
omdat wij in ons kort leventje al zooveel hebben ondervonden, doordacht
en doorworsteld.
't Klinkt zoo eigenwijs, als wij hier spreken van onze kinderen en
daarmede onze zusjes bedoelen, die nu toch zooveel jonger niet zijn dan
wij. Maar ook zij beschouwen ons meer als hare moeders, dan als hare
zusters.
Van velen, velen, de moeders, de zusters te zijn, o! moge God ons dat
geven!
Onze school mag zoo weinig mogelijk van een school hebben en wij van
schoolmeesters, doch het moet een groot huisgezin zijn, waarvan wij de
moeders zijn.
Wij zullen ze leeren met daad en woord de Liefde, zooals wij haar
verstaan.
In onze jeugd was een leiddraad voor ons, dat eenvoudige en alombekende
woord: wat ge niet wilt, dat u geschiedt, doe het ook aan een ander
niet.
Mevrouw van Kol vertelde ons veel van uwen Jezus, van de apostelen
Petrus en Paulus en het deed ons goed.
Wat doet het er toe van welk geloof of ras men is, een groote ziel is
een groote ziel, een edel karakter, een edel karakter. Kinderen Gods
vindt men bij elk geloof, onder elk ras.
Ik heb "Quo Vadis" gelezen, en ik heb bewonderd en liefgehad de
geloofs-martelaren, die onder het bitterste lijden nog dankend en
vertrouwend opzagen ten Hooge, nog Zijn lof verkondigden in schoone
zangen. Ik heb met hen geleden, en ik heb met hen gejubeld.
Kent u "Wij beiden" van Edna Lyall? Ook dat is heerlijk mooi. Het
handelt over atheïsten en Christenen, over het ware Christendom en over
de afschuwelijke verdraaiing daarvan, zooals helaas niet weinig voorkomt
in de wereld. Een grootsch figuur is de atheïst Luke Raeburn en
daarnaast ook een heerlijke, edele figuur Erica Raeburn, die van ijverig
atheïst een overtuigd, oprecht vrome, geloovige christin werd. Vader en
dochter, die elkaar zielslief hebben en in elkaar opgaan.
Ook hebben wij gelezen: "de Ziel van een Volk" over het Boeddhisme, een
heerlijk mooi boek ook. Nu zouden wij graag over het Jodendom (zegt u
dat zoo?) lezen. Misschien zullen de boeken van Zangwill ons geven, wat
wij zoeken: "Droomen van het Ghetto".