5 Juli 1903. (IV.)

Wat is u toch innig goed en lief voor ons, steeds is u er op uit, om ons

een pleiziertje te bezorgen. O! en als ik bedenk, hoe wij, en in 't

_bijzonder_ ik, al dat goeds en liefs beantwoord, 't Lijkt zoo

ondankbaar, 't heeft er zoo ontzettend veel van of ik al dat goede en

lieve niet waardeer.... Nichtje K. kan zwijgen als het graf.

Vergeving, lieve, beste Oom!

Toen eergisteren uw groet, in den vorm van een overdruk uit "Album Kern"

kwam, vlogen mijne gedachten naar Sonder, en ik nam mij stellig voor ze

spoedig door woorden te laten volgen. En ik ben gelukkig, dat ik mijn

voornemen kan ten uitvoer brengen.

Wij danken u recht hartelijk voor uw lieven, zeer gewaardeerden groet;

het stuk las ik met groote belangstelling.

Als iedere gedachte aan u in daad omgezet werd, wat een bergen van

brieven zou u dan van hier hebben!

Mevrouw van Kol schreef toch zoo hartelijk en sympathiek over u, en dat

maakte ons gelukkig; want dat hoort tot een onzer liefste wenschen, dat

al degenen, die wij hartelijk liefhebben en vereeren, elkaar ontmoeten

in sympathie.

Hoe maakt u beiden het, Oom? Bevalt het u goed in Sonder? Ziet u daar

wel eens Toradja's? Ik kan het mij levendig voorstellen, dat het u

smartte, uw werk voor zoo'n langen tijd te moeten laten rusten. Waar ons

hart is, dat verlaten wij niet gaarne, daar is onze toekomst, ons leven.

En nu ga ik u iets prettigs vertellen. In afwachting van de dingen, die

komen zullen, hebben wij maar alvast ons werk begonnen. Wij hebben hier

thuis een schooltje geopend, dat nu al zeven leerlingetjes telt,

dochters van Inlandsche hoofden. Zooeven kregen wij bericht, dat wij nog

drie kinderen er bij zullen krijgen, en wel van buiten.

Wij zijn begonnen met één leerling; al gauw klom dat getal tot vijf en

morgen komen er acht op de les en over eenigen tijd tien.

Wij genieten telkens weer, als wij onze kindertjes zien. Het is zoo'n

frisch, onbedorven troepje, en hoe keurig netjes komen ze steeds, en ze

gaan zoo aardig met elkander om. Met ons zijn ze al gauw vertrouwd

geraakt; de vormen in acht nemende, zijn ze toch vrij en ongedwongen

tegenover ons, of er geen rang- en standverschil bestond. Dáár willen we

heen. En wat maken de kindertjes het ons gemakkelijk; ze zijn zoo vlug,

zoo bevattelijk en zoo handig, en daarbij zoo gezeggelijk. Nog geen een

keer hebben wij moeten straffen.

De kinderen komen zoo graag, leeren met lust en ijver en de ouders zijn

verrukt. Alles schijnt er op te wijzen, dat wij hier slechts voldoen aan

een lang gevoelde behoefte. Groot is de zegen, die ons toestroomt van

den Vader van Liefde. Schoon, heerlijk de taak, waarmee Hij ons

vereerde: o, mogen wij haar naar behooren kunnen vervullen, mogen wij

het in ons gestelde vertrouwen waard zijn en blijven!

Dat is het, waarnaar wij zoo innig verlangen, wat wij zoo vurig wenschen

te mogen en te kunnen doen: reine, jonge hartjes, frissche, onbedorven

zieltjes, zoo blank als pasgevallen sneeuw, leiden, jonge karaktertjes

vormen.

Bid voor ons! Moge God ons streven en werken zegenen!

O! en dat anderen hetzelfde werk willen verrichten als wij! Goede

krachten zijn er, zij hoeven slechts wakker geschud te worden. Wij

hebben geprobeerd om ons in verbinding te stellen met meisjes en vrouwen

van onze ontwikkeling, doch het lukte niet. Persoonlijk propaganda

maken, zooals wij dat hier gedaan hebben, pakt misschien beter. En--geen

betere preek dan een goed voorbeeld, een goed voorgaan.

Een ons onbekend jongmensch, élève Inlandsch arts, schreef me en droeg

ons zijn twee nichtjes op. Of wij op haar zedelijken invloed willen

uitoefenen. Wij moesten die meisjes schrijven. Wij wilden het gaarne

doen, en hopen, dat het wat zal geven. Maar dat jongmensch zelf is er

een vol gloed en idealen. Ook met een anderen jongen correspondeer ik,

een aardige, lieve jongen, een neef van ons. Wat was hij verrukt, toen

hij me schrijven mocht!

Wij hebben ontegenzeggelijk veel op anderen voor door onze geboorte en

door Vaders maatschappelijke positie. Dat en nog andere dingen maken het

ons gemakkelijk.

Wat wij doen is zoo nieuw. Nooit hebben jonge meisjes met jongelui

gecorrespondeerd. En wij doen het gewoon, of het van zelf spreekt. Wij

gaan met hen om als kameraden, en zij zien in ons zusters. Het is voor

hen nog zoo nieuw, zoo nieuw, dat wij van zoo'n hoogen stand, het niet

beneden ons achten met menschen die in stand zoo ver beneden ons staan,

vriendschappelijk om te gaan.

Het neefje vertrouwt ons, en ziet in ons eene oudere zuster, naar wier

raad en woorden hij gaarne luistert. Ik bid God telkens vurig, dat wij

zijn vertrouwen nooit mogen beschamen, en dat hij in ons steeds moge

vinden, wat hij zoekt en behoeft.

Het doet ons zoo goed om die jonge, reine, geestdriftige naturen te

kennen! O, moge het leven hun rein idealisme niet bederven!

Nooit zijn we gelukkiger, dan wanneer wij een ander zedelijk hebben

kunnen steunen.

't Is vreemd, maar wij beiden hebben ons bijna altijd ouder gevoeld dan

zeer velen van onzen leeftijd en zelfs ouderen dan wij. Dat komt zeker,

omdat wij in ons kort leventje al zooveel hebben ondervonden, doordacht

en doorworsteld.

't Klinkt zoo eigenwijs, als wij hier spreken van onze kinderen en

daarmede onze zusjes bedoelen, die nu toch zooveel jonger niet zijn dan

wij. Maar ook zij beschouwen ons meer als hare moeders, dan als hare

zusters.

Van velen, velen, de moeders, de zusters te zijn, o! moge God ons dat

geven!

Onze school mag zoo weinig mogelijk van een school hebben en wij van

schoolmeesters, doch het moet een groot huisgezin zijn, waarvan wij de

moeders zijn.

Wij zullen ze leeren met daad en woord de Liefde, zooals wij haar

verstaan.

In onze jeugd was een leiddraad voor ons, dat eenvoudige en alombekende

woord: wat ge niet wilt, dat u geschiedt, doe het ook aan een ander

niet.

Mevrouw van Kol vertelde ons veel van uwen Jezus, van de apostelen

Petrus en Paulus en het deed ons goed.

Wat doet het er toe van welk geloof of ras men is, een groote ziel is

een groote ziel, een edel karakter, een edel karakter. Kinderen Gods

vindt men bij elk geloof, onder elk ras.

Ik heb "Quo Vadis" gelezen, en ik heb bewonderd en liefgehad de

geloofs-martelaren, die onder het bitterste lijden nog dankend en

vertrouwend opzagen ten Hooge, nog Zijn lof verkondigden in schoone

zangen. Ik heb met hen geleden, en ik heb met hen gejubeld.

Kent u "Wij beiden" van Edna Lyall? Ook dat is heerlijk mooi. Het

handelt over atheïsten en Christenen, over het ware Christendom en over

de afschuwelijke verdraaiing daarvan, zooals helaas niet weinig voorkomt

in de wereld. Een grootsch figuur is de atheïst Luke Raeburn en

daarnaast ook een heerlijke, edele figuur Erica Raeburn, die van ijverig

atheïst een overtuigd, oprecht vrome, geloovige christin werd. Vader en

dochter, die elkaar zielslief hebben en in elkaar opgaan.

Ook hebben wij gelezen: "de Ziel van een Volk" over het Boeddhisme, een

heerlijk mooi boek ook. Nu zouden wij graag over het Jodendom (zegt u

dat zoo?) lezen. Misschien zullen de boeken van Zangwill ons geven, wat

wij zoeken: "Droomen van het Ghetto".

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 105 / 136 题