4 Juli 1903. (VIII.)[1]

Zóóveel hebben wij er reeds voor gestreden en geleden; wij dachten, dat

het genoeg was, dat wij door al dat leed en strijden ons het voorrecht

waardig gemaakt nebben: de bruiden van ons dierbaar volk te zijn! De

vervulling van onzen diersten wensch scheen al zóó nabij, en nu staan

wij er in ééns weer zóó ver af. Moedertje! o Moedertje! Stil, niet

klagen, niet zuchten, niet weenen. Bidden wil ik, slechts bidden tot in

het oneindige, dat wat de toekomst ook ons brengen moge, wij immer

blijven mogen, wat wij waren: blijmoedig, en vertrouwend en geloovend!

Zoo dikwijls heb ik anderen toegeroepen: "Wanhoop niet, en vloek het

kruis niet, levensmoe. In lijden ligt heerlijkheid. Niets geschiedt in

tegenstelling met de Liefde. De vloek van heden blijkt de zegen van

morgen te zijn. Beproeving is goddelijke opvoeding!"

Wie dit met het hart zeggen kan, moet het ook in de practijk weten te

beoefenen. Nu is het mijn beurt om de theorieën, die ik verkondig, zelf

in toepassing te brengen.

Nu wil ik aan niets meer denken, niet aan strijd, aan lijden, aan zorg,

aan beproeving; het maakt mijn hoofd zoo moe, en mijn hart zoo krank; ik

wil ademen in bloemengeuren en baden in zonneschijn; ook die zijn er,

ons ten troost en ten zegen.

En nu van de bloemen die hier in ons hof geuren.

Moeske, wij zijn ons heerlijk werk begonnen. Bedank uw man voor zijn

raad, om dadelijk te beginnen, óók zonder acte. O denk eens, Moeske,

liefste, ons schooltje telt reeds zeven leerlingetjes en er komen nog

steeds nieuwe aanvragen. Heerlijk, zalig!

Wij hadden het niet durven hopen, dat het zóó zou opnemen.

De kinderen vinden het heerlijk, en de ouders zijn verrukt!

Onze eerste leerling is het dochtertje van den vroomsten ambtenaar van

de afdeeling. Wij hebben met de moeder wat gepraat, haar uitgelegd het

een en ander, en het resultaat was, dat de ouders ons hun dochtertje

zonden. Maar het zusje, een prul van nog geen vijf jaar, wilde niet

thuis blijven; zij zou en moest mee. Och, het kan nauwelijks over de

tafel heen zien! Als ik haar niet op een voetenbankje zet, dan neem ik

haar op mijn schoot. Het kleine ding wilde met alle geweld meedoen. Na

deze kindertjes kwamen de dochtertjes van den collecteur en een

dochtertje van den assistent-collecteur. Eergisteren bracht de djaksa

van Karimoen Djawa[2] ook een dochtertje hier om onderwezen te worden.

Stel u voor, Moeske, zij zenden hun dochtertje uit huis, en doen ze hier

bij familie in de kost!

Wij zijn zóó dankbaar! De ouders zijn zóó ingenomen met onze plannen,

dat er een paar zijn, die ons hunne meisjes geheel afstonden, maar dit

hebben wij nog niet willen aannemen--later van ganscher harte. Vandaag

kwam het zusje van Hasim[3] ook op de les. Gisteren kwam een jonge

moeder bij me; met zoo'n innige spijt zeide ze mij, dat ze zóó ver van

ons afwoonde; ze zou zelf zoo graag bij ons komen leeren. Nu dit niet

kan, wil ze voor haar dochtertje bestemmen, wat zij zelf moet missen. En

denk eens, haar kind is nog geen jaar oud. Zoodra het 6 jaar is, zal ze

het ons zenden, waar we ook mogen zijn, en zij vroeg zóó om haar kind te

willen aannemen.

De kinderen komen hier vier maal in de week van 8--12 1/2 uur. Zij

leeren schrijven, lezen, enz., handwerken en koken. Wij onderwijzen niet

volgens de kunst, maar zooals wij denken, dat de Javaantjes graag

onderwezen willen worden.

O, Moeske, u beiden moest toch eens ons troepje zien; u zou daar zóó'n

pleizier in hebben. Ze komen altijd zoo keurig netjes, zien er allen zoo

lief uit en zoo frisch en onbedorven. En wat maken ze het ons

gemakkelijk; ze zijn zoo vlug, zoo bevattelijk en handig, en daarbij zóó

gezeglijk. Ze raakten al gauw met ons vertrouwd, en praten nu vrij en

ongedwongen met ons. Er is een mooi kindje bij, dat eerst een nufje was;

nu merken wij tot onze groote vreugde van die nuffigheid niets meer. Ze

likt niet meer aan hare lippen, en speelt ook niet met hare prachtige

oogen, doch is altijd verdiept in haar werk. Dus die nuffigheid sproot

voort uit ledigheid! En wat gaan ze aardig met elkaar om. Ze spreken

onder elkaar hoog-Javaansch en toch niets gedwongen.

Er is vandaag een jarige in huis; wij wilden de kinderen tracteeren en

op eene bijzondere wijs. 't Moest vanmorgen eigenlijk een handwerkmorgen

zijn, doch wij hebben daar een kookdag van gemaakt. Och, wat repten de

kleine, vlugge, lenige vingertjes zich! Een bakt poffertjes, een ander

flensjes, een ander weer maakt vla. De kinderen krijgen er gloeiende

wangen van. Wat schitteren de oogjes! En ze gingen zoo verrukt naar

huis, om haar baksel aan haar Ouders te laten zien. Zie dat is zegen,

een zegen voor ons. Wij hebben dit werk[4] voor de kleine zusjes

begonnen.

Later zal Kartinah de handwerk- en kookles hebben, en Soematrie neemt

dan de rest voor haar rekening.

Wij hebben gelukkig nog wat benoodigdheden voor handwerken; zoolang de

voorraad strekt, krijgen zij alles gratis; daarna moeten de kinderen,

wier ouders het kunnen, zich het een en ander zelf aanschaffen. Maar met

de andere leermiddelen zitten wij verlegen, waar kunnen wij de

Hollandsche en Javaansche leesboekjes koopen? Zou u dat even aan Meneer

willen vragen, Moeske? Als het goed blijft gaan, en het leerlingenaantal

grooter wordt, zijn we voornemens ... subsidie er voor aan te vragen.

Zou dat mogen, denkt u? Het is _niet_ voor _onszelf_, maar om de kosten

daaraan verbonden te bestrijden. De lagere Inlandsche hoofden kunnen zoo

weinig missen. Hoofden met _f_50 tractement kunnen net hun gezin

onderhouden, en dan werken de vrouwen nog dikwijls hard mee; voor

extra-uitgaven kan niets overschieten. En wij zelf kunnen hun kindertjes

niet altijd alles geven, dat begrijpt u wel.

Zoodra ik reizen mag, gaan we naar Semarang; ik moet door den dokter

worden onderzocht; de rheumatische hoofdpijn mag geen chronische kwaal

worden. Wij gaan dan meteen het een en ander voor onze kleintjes koopen.

Wij hebben hier geen enkele haakpen of lei meer in huis.

[1] Met potlood geschreven na eene ziekte.

[2] Een eilandengroep op de hoogte van Japara.

[3] Een der leerlingen van de Inlandsche artsenschool.

[4] Dit lieve werk is blijven bestaan tot nu toe.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 104 / 136 题