Zóóveel hebben wij er reeds voor gestreden en geleden; wij dachten, dat
het genoeg was, dat wij door al dat leed en strijden ons het voorrecht
waardig gemaakt nebben: de bruiden van ons dierbaar volk te zijn! De
vervulling van onzen diersten wensch scheen al zóó nabij, en nu staan
wij er in ééns weer zóó ver af. Moedertje! o Moedertje! Stil, niet
klagen, niet zuchten, niet weenen. Bidden wil ik, slechts bidden tot in
het oneindige, dat wat de toekomst ook ons brengen moge, wij immer
blijven mogen, wat wij waren: blijmoedig, en vertrouwend en geloovend!
Zoo dikwijls heb ik anderen toegeroepen: "Wanhoop niet, en vloek het
kruis niet, levensmoe. In lijden ligt heerlijkheid. Niets geschiedt in
tegenstelling met de Liefde. De vloek van heden blijkt de zegen van
morgen te zijn. Beproeving is goddelijke opvoeding!"
Wie dit met het hart zeggen kan, moet het ook in de practijk weten te
beoefenen. Nu is het mijn beurt om de theorieën, die ik verkondig, zelf
in toepassing te brengen.
Nu wil ik aan niets meer denken, niet aan strijd, aan lijden, aan zorg,
aan beproeving; het maakt mijn hoofd zoo moe, en mijn hart zoo krank; ik
wil ademen in bloemengeuren en baden in zonneschijn; ook die zijn er,
ons ten troost en ten zegen.
En nu van de bloemen die hier in ons hof geuren.
Moeske, wij zijn ons heerlijk werk begonnen. Bedank uw man voor zijn
raad, om dadelijk te beginnen, óók zonder acte. O denk eens, Moeske,
liefste, ons schooltje telt reeds zeven leerlingetjes en er komen nog
steeds nieuwe aanvragen. Heerlijk, zalig!
Wij hadden het niet durven hopen, dat het zóó zou opnemen.
De kinderen vinden het heerlijk, en de ouders zijn verrukt!
Onze eerste leerling is het dochtertje van den vroomsten ambtenaar van
de afdeeling. Wij hebben met de moeder wat gepraat, haar uitgelegd het
een en ander, en het resultaat was, dat de ouders ons hun dochtertje
zonden. Maar het zusje, een prul van nog geen vijf jaar, wilde niet
thuis blijven; zij zou en moest mee. Och, het kan nauwelijks over de
tafel heen zien! Als ik haar niet op een voetenbankje zet, dan neem ik
haar op mijn schoot. Het kleine ding wilde met alle geweld meedoen. Na
deze kindertjes kwamen de dochtertjes van den collecteur en een
dochtertje van den assistent-collecteur. Eergisteren bracht de djaksa
van Karimoen Djawa[2] ook een dochtertje hier om onderwezen te worden.
Stel u voor, Moeske, zij zenden hun dochtertje uit huis, en doen ze hier
bij familie in de kost!
Wij zijn zóó dankbaar! De ouders zijn zóó ingenomen met onze plannen,
dat er een paar zijn, die ons hunne meisjes geheel afstonden, maar dit
hebben wij nog niet willen aannemen--later van ganscher harte. Vandaag
kwam het zusje van Hasim[3] ook op de les. Gisteren kwam een jonge
moeder bij me; met zoo'n innige spijt zeide ze mij, dat ze zóó ver van
ons afwoonde; ze zou zelf zoo graag bij ons komen leeren. Nu dit niet
kan, wil ze voor haar dochtertje bestemmen, wat zij zelf moet missen. En
denk eens, haar kind is nog geen jaar oud. Zoodra het 6 jaar is, zal ze
het ons zenden, waar we ook mogen zijn, en zij vroeg zóó om haar kind te
willen aannemen.
De kinderen komen hier vier maal in de week van 8--12 1/2 uur. Zij
leeren schrijven, lezen, enz., handwerken en koken. Wij onderwijzen niet
volgens de kunst, maar zooals wij denken, dat de Javaantjes graag
onderwezen willen worden.
O, Moeske, u beiden moest toch eens ons troepje zien; u zou daar zóó'n
pleizier in hebben. Ze komen altijd zoo keurig netjes, zien er allen zoo
lief uit en zoo frisch en onbedorven. En wat maken ze het ons
gemakkelijk; ze zijn zoo vlug, zoo bevattelijk en handig, en daarbij zóó
gezeglijk. Ze raakten al gauw met ons vertrouwd, en praten nu vrij en
ongedwongen met ons. Er is een mooi kindje bij, dat eerst een nufje was;
nu merken wij tot onze groote vreugde van die nuffigheid niets meer. Ze
likt niet meer aan hare lippen, en speelt ook niet met hare prachtige
oogen, doch is altijd verdiept in haar werk. Dus die nuffigheid sproot
voort uit ledigheid! En wat gaan ze aardig met elkaar om. Ze spreken
onder elkaar hoog-Javaansch en toch niets gedwongen.
Er is vandaag een jarige in huis; wij wilden de kinderen tracteeren en
op eene bijzondere wijs. 't Moest vanmorgen eigenlijk een handwerkmorgen
zijn, doch wij hebben daar een kookdag van gemaakt. Och, wat repten de
kleine, vlugge, lenige vingertjes zich! Een bakt poffertjes, een ander
flensjes, een ander weer maakt vla. De kinderen krijgen er gloeiende
wangen van. Wat schitteren de oogjes! En ze gingen zoo verrukt naar
huis, om haar baksel aan haar Ouders te laten zien. Zie dat is zegen,
een zegen voor ons. Wij hebben dit werk[4] voor de kleine zusjes
begonnen.
Later zal Kartinah de handwerk- en kookles hebben, en Soematrie neemt
dan de rest voor haar rekening.
Wij hebben gelukkig nog wat benoodigdheden voor handwerken; zoolang de
voorraad strekt, krijgen zij alles gratis; daarna moeten de kinderen,
wier ouders het kunnen, zich het een en ander zelf aanschaffen. Maar met
de andere leermiddelen zitten wij verlegen, waar kunnen wij de
Hollandsche en Javaansche leesboekjes koopen? Zou u dat even aan Meneer
willen vragen, Moeske? Als het goed blijft gaan, en het leerlingenaantal
grooter wordt, zijn we voornemens ... subsidie er voor aan te vragen.
Zou dat mogen, denkt u? Het is _niet_ voor _onszelf_, maar om de kosten
daaraan verbonden te bestrijden. De lagere Inlandsche hoofden kunnen zoo
weinig missen. Hoofden met _f_50 tractement kunnen net hun gezin
onderhouden, en dan werken de vrouwen nog dikwijls hard mee; voor
extra-uitgaven kan niets overschieten. En wij zelf kunnen hun kindertjes
niet altijd alles geven, dat begrijpt u wel.
Zoodra ik reizen mag, gaan we naar Semarang; ik moet door den dokter
worden onderzocht; de rheumatische hoofdpijn mag geen chronische kwaal
worden. Wij gaan dan meteen het een en ander voor onze kleintjes koopen.
Wij hebben hier geen enkele haakpen of lei meer in huis.
[1] Met potlood geschreven na eene ziekte.
[2] Een eilandengroep op de hoogte van Japara.
[3] Een der leerlingen van de Inlandsche artsenschool.
[4] Dit lieve werk is blijven bestaan tot nu toe.