7 Juni 1903. (VIII.)

Onlangs maakten wij kennis met een piepjong ding, dat me erg aan uw a.s.

schoondochtertje herinnerde. Zij was zoo fijn, o zoo fijn, en blikt zoo

vroolijk en gelukkig in het rond; toch heeft zij al veel meegemaakt, dat

jonge ding. Kijk, zoo moesten al uwe dochtertjes zijn! ze zouden dan zoo

uitstekend passen bij haar lief Moedertje. Wij dachten dat jonge ding

een kind van 15--16 jaar, en konden 't nauwelijks gelooven, toen wij

hoorden, dat ze _moeder_ was. Dat ranke, fijne ding, _moeder_! 't Speet

me zoo, dat ik zoo veraf van haar zat, zoodat ik niet met haar kon

praten.

't Was bij Oom,[1] dat ik haar ontmoette, tegelijk met vele anderen.

Wij hadden ons voorgenomen, om dien avond op alles, wat men tegen ons

mocht zeggen, niets te antwoorden dan "ja" of "neen", hopende zoodoende

de menschen van ons af te houden.

Het ging uitstekend, tot een jonge man zich bij ons voegde, de

echtgenoot van dat bekoorlijke kind-moedertje. Hij begon met te

vertellen, dat hij onzen Kartono goed kende, tegelijk met hem examen had

gedaan.

Ik luisterde onwillekeurig met meer belangstelling naar hem, maar

stribbelde toch nog tegen. Doch daar begon hij over kunst, onze

heerlijke Javaansche kunst, over ons volk, over 't Mohammedanisme, enz.

enz. en voor ik 't zelf wist was ik in een levendig gesprek met hem

gewikkeld.

Zoo ziet u, hoe de beste voornemens ijdel kunnen zijn!

Dien avond hoorde ik zooveel interessants, dat ik tevoren niet geweten

had!

Wat hebben wij genoten van den mooien dans van de wajangs. Een was er,

van wie we de oogen niet konden afwenden. Hij danste éénig en was mooi.

Het was eene vrouw, maar moest een man voorstellen.

Heerlijk was het, wat zij ons te aanschouwen gaf! Eene uiting van fiere

kracht, en toch o zoo gracieus en fijn. Dat is 't mooie, 't sublieme in

onze kunst: de voorname, zachte gratie in iedere lijn, in iedere

beweging!

Ik zal die twee feestdagen op Demak nooit vergeten, dat weet ik zeker!

Wij gingen er laat naar bed, maar eigenlijk slapen deden wij niet. Hoe

konden wij dat?--terwijl buiten de gamelan zoo betooverend klonk, en

eene menschelijke stem zoo verrukkelijk daar boven uit zong. Wij konden

niet slapen--de sirenenzang hield ons geboeid--en in ons hart bewoog

zich het idee: 't is wellicht voor 't _laatst_.

Gamelan en zang zullen wij op Batavia nooit zoo mooi hooren. 't Was mij

of ik in die dagen afscheid nam van mijne jeugd.

Iedere phase van ons leven heeft hare eigen bekoorlijkheden, en elk

afscheid is weemoedig.

Lieve, lieve Moeske, zal u ons helpen den eersten tijd in den vreemde

doorkomen?

Heb ons nog méér lief, als de tijd daar is, dat wij om ons heen dierbare

gezichten zullen missen, die noodig zijn voor ons geluk.

Wij kunnen veel ontberen, _liefde_ niet.

U weet wel, dat ons request al een tijd weg is? Wat zal 't antwoord

daarop zijn?

[1] Den Regent van Demak Pangeran Ario Hadiningrat.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 101 / 136 题