Er kunnen wondermooie oogenblikken in 't leven zijn, die waarin wij ons
als 't ware los van de aarde voelen, slechts leven het leven onzer ziel,
opgaan in haar jubel, extase,--vooral wanneer zij gevonden heeft, wat
zij behoeft, waarnaar zij hongert: het Hoogere! Zulk een oogenblik was
het voor ons, toen wij in diepe ontroering uw brief lazen, waaruit zoo'n
verfrisschende, versterkende en bovenal zuiverende adem van hoog ziele-
en geestesschoon ons tegenwaaide!
Hoe zal ik u die gevoelens beschrijven, die onze zielen beroerden, bij
't lezen uwer gouden woorden, eene hemelsche genade, zooals wij ze
noemen!
Meer, véél meer dan zedelijken steun gaf u ons, u heeft ons iets van u
zelf gegeven, iets heel moois, heel innigs, dat leeft in uw hart en uwe
ziel.
Zoover en zoolang zochten wij, en wij wisten het niet, 't was zóó nabij,
steeds bij ons: Het is in ons!
Allah of God, het is voor ons nu geen hollen aanroep meer. Dat
woord,--ach, zooveel gedachteloos gebruikt!--heeft thans voor ons een
heiligen, gewijden klank. Dank, innig dank, dat u 't gordijn voor onze
oogen heeft weggeschoven, ons deed vinden het làng, làng gezochte!
Kon ik maar zeggen, hoe rustig, hoe vredig het thans in ons is; hoe
stil, innig gelukkig we zijn; géén angst, géén vrees meer; wij voelen
ons zoo veilig, zoo gerust! Er is _Iemand_, die over ons waakt; er is
_Iemand_ steeds bij ons, en die _Iemand_ zal onze troost, onze steun,
onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dat _voelen_ we.
Ja, waarlijk, God woog niemands taak te zwaar. Hij geeft ieder de kracht
voor het werk, waartoe Hij hem roept.
Dat wij u beiden gevonden hebben, is een Godsgeschenk, is eene
beschikking des Hemels. De Almachtige zond u beiden, beproefde, ervaren
strijders voor Zijn heiligen wil, Zijn hoog gebod, dat Liefde heet, tot
ons, om ons, jonge, onervaren strijdsters bij te staan, te steunen, onze
wankelende schreden te leiden op onzen moeilijken weg.
Dank, o Goestikoe,[1] voor deze genade! Dáárom hebben de Genestet's
schoone woorden in "Terugblik" zoo'n wondere bekoring voor ons! Onze
zielen hongerden, zochten ... wij wisten niet wàt!...
't Is of wij eene wijding hebben ontvangen, het leven lijkt ons mooier,
ons streven heerlijker, en wij zelf voelen ons beter, sterker....
Wij hebben u niet meer kunnen vergeten, sinds wij uwe stem tot ons
hoorden spreken. Nog steeds ruischt mij na, als een requiem uw woord:
"_die niet meer zichzelven leven, maar den geest in hen_".
Dat ik de macht van 't woord bezat, voor één enkele minuut maar, om voor
u mijne gevoelens, zuiver, getrouw te kunnen afbeelden!
Helaas! die macht heb ik niet, ik zal er over zwijgen.
Aan dàt woord dachten wij, toen wij uw verzoek, omtrent 't publiceeren
van mijn brief herlezende, onszelf afvroegen: "Hoe zal 't zijn voor de
zaak?" De vriendschappelijke uiting van "Oost en West" doet ons eene
welwillende ontvangst van het Europeesche vriendenpubliek
verwachten,--maar hoè zal mijn brief ontvangen worden in onze eigen
wereld? Mogelijk, dat de voorstellen van onderwijs en opvoeding met
sympathie zullen begroet worden door onze landslieden, maar die
sympathie zal te niet gedaan worden door de verontwaardiging, die mijne
uitlatingen over de huwelijksquaestie stellig zullen verwekken, en wel
in de eerste plaats bij de mannen.
Ik neem er geen woord van terug; integendeel, ik heb daarover nog heel
veel te zeggen, en 't is steeds mijn stellig voornemen geweest, om
daarover eens luide mijne stem te verheffen, omdat alléén _publicatie_
zou kunnen leiden tot de gewenschte verbetering in toestanden, die
verbetering zóó noodig behoeven; maar ik dacht daarmee te wachten tot ik
vasten voet zou hebben verkregen op den gekozen weg, ik mijne vrijheid
en zelfstandigheid zou hebben bevochten.
Doch 't is beter zoo, dadelijk met open vizier te strijden, bij 't begin
af aan der Inlandsche maatschappij te zeggen geheel en al, van welken
geest wij zijn.
Maar wie kaatst, moet den bal terug verwachten, nietwaar? En daarom is
't, dat ik u eenig uitstel vraag met het publiceeren van mijn brief.
Niet, dat ik één woord wil terugnemen van hetgeen ik gezegd heb over het
wreede mannenrecht, dat vrouwen en óók kinderen zoo lijden doet, maar ik
wil mij op andere punten wapenen, waarop men mij mogelijk aanvallen zal,
en dat de zaak zou kunnen schaden.
In dien brief zeide ik, dat nu hoe langer hoe meer Inlandsche ouders
voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen, en beriep mij op de
Gouvernements- en particuliere scholen, die daarvan zouden kunnen
getuigen. Dat bovenstaande een feit is, weten we, èn zelf èn door
kennissen en anderen; maar wij hebben geen vaste gegevens: cijfers, en
die willen we ons verschaffen.
Dan maakte ik melding van een Europeesche school voor dochters van den
adel in de Preanger (Manondjaja). Dit heugelijk bericht las ik in "de
Echo", maar ik kan dat nummer niet weer vinden, wel een ander waarin
staat, dat die Europeesche school voor _kinderen_ van den Inlandschen
adel door de Regeering gesubsidieerd wordt. Daarnaar wil ik informeeren.
Vindt u 't ook niet beter zoo? De gevraagde toestemming om den brief te
publiceeren, heeft u, doch wil u met de uitvoering daarvan nog wat
wachten, tot ik nader bericht zal hebben gezonden?
Dat men mij persoonlijk hard vallen zal om hetgeen ik zeg van die
instelling, zóó gemakkelijk voor den man, maar, o zoo wreed en hard voor
de vrouw, is _niets_; daar ben ik wel op voorbereid, ik verwacht _niets_
anders. Wij houden slechts op _de zaak_, uitsluitend daarop, het oog
gericht, en wat haar zou kunnen schaden, _moeten_ wij voorkomen, niet
waar?
Intusschen het eerste buitje van verontwaardiging en spot, _spot_
vooral, is reeds over ons heengevaren, naar aanleiding van 't artikel
van den heer Stoll in "de Locomotief". Maar 't liet ons koud: Wij doen
zóó ons best om ons te verheffen boven alles wat klein is,
kleinzieligheid, kleingeestigheid e.a.
De spot der menschen deert ons niet, werkelijk!--maar wat ons wèl
verdriet deed en _heel erg_ ook, was, dat wij onze lieve Ouders zooveel
leed moesten doen met ons trouw blijven aan ons ideaal! Maar wij konden
en kunnen niet anders.
't Is wel te begrijpen, dat 't hun hard en zwaar valt, ons, hun
kinderen, het dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een
leven, dat wel aan een mooi doel is gewijd, maar dat _vol moeiten_ zal
zijn, omdat dit nu eenmaal het lot aller baanbrekers is, op welk gebied
en ten welken tijde ook. Goddank! Goddank! dat zij nu eindelijk in vrede
ons hunne toestemming hebben gegeven, om ons leven te wijden aan de
bereiking van ons ideaal.
Hoe dankbaar wij hiervoor zijn, kan ik u niet zeggen! Die toestemming
heeft hun en ons zoo ontzettend veel strijd gekost; een heele
geschiedenis van worstelen, hopen en wanhopen, strijd, moeite, lijden en
smart ligt achter ons! Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij in vrede van
onze dierbaren zullen gaan; dat _hun zegen_ op ons streven rust en ons
overal heen vergezellen zal, waar wij gaan in den dienst van het
_Goede_. 't Zou ontzettend _hard_ zijn voor ons, om zonder dien onzen
weg te gaan; 't zou voor immer eene schaduw op ons leven werpen; wij
hebben onze ouders zoo zielslief, en wij _moeten_ dien weg gaan; wij
zouden _nooit_ vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij,
toegevende aan onze kinderliefde, de krachtige roepstem in ons binnenste
smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de
Eeuwigheid!
Ik hoor Moeder nog zeggen: "Welnu kinderen, ik zal gelooven, dat dàt
jullie _bestemming_ is, dat _God_ 't is, die jullie tot dat leven heeft
_bestemd_". Er klonk zoo'n berusting en weemoed ook in haar stem; dat
woord zal ons steeds bijblijven, ten steun en troost op ons pad. En
Vader!
_Diep_ voelde ik zijn smart, en leed met hem.
O! Vader, mijn Vader, kreet mijne ziel, vergeef mij, vergeef uw kind ...
zij kon niet anders.
Die strijd, voor ons het zwaarste, is achter ons. Hoe dankbaar wij zijn,
kunt u zich voorstellen, vooral nu hun toestemming geen scheuring heeft
gebracht tusschen onze lieven en ons, maar de band tusschen ons juist
hechter maakt en nauwer toehaalt.
Dit is een genade Gods!
Wij staan nog voor het leven, maar ons is 't, of wij al een heel leven
achter ons hebben, een leven vol innerlijken strijd en lijden. 't Zal
boekdeelen vullen, u dat alles te vertellen, maar eens zal u het hooren,
hetzij schriftelijk dan wel mondeling.
Als vriendin, _onze vriendin_, in den volsten zin, de mooiste beteekenis
van 't woord, heeft u recht ons geheele leven te kennen, en dat zal u.
Nu ik terugblik op 't verleden, zie ik daar vooral Gods hand, en met
groote dankbaarheid erken en gedenk ik, dat in de moeilijkste
oogenblikken onze Vader ons niet heeft verlaten.
Wie zond ons te rechtertijd vrienden, toen wij, geheel alleen kampend en
worstelend, dreigden onder te gaan in wanhoop? Wie voerde geheel vreemde
menschen van hun verre woon hierheen, naar dat vergeten uithoekje, om
moed en hoop weder te wekken in wanhopige harten?
Toeval!--néén, géén toeval, 't was een beschikking van God. 't Was God,
onze Vader, die hen hier zond, om de jonge, worstelende zielen frissche
kracht en moed te geven. Die ontmoeting was een keerpunt in ons leven.
Tevoren weifelden wij nog, maar daarna waren we _vast_ besloten ons
ideaal te bereiken, wat 't ons ook kosten moge.
't Leek vroeger zoo mysterieus; thans is 't klaar, helder,
God alleen kent 't wereldraadsel; Zijne hand bestuurt het Al; Hij is
het, die wegen ver uiteen, bijeenvoegt ter vorming van nieuwe wegen.
Zoo voerde Hij den weg dier vrienden naar den onze, opdat wij gesterkt
door eene ontmoeting, vereeniging met groote, sterke zielen, een nieuwen
weg konden banen voor hen, die achter ons staan. Wij kenden elkaar
heelemaal niet, en wij wisten niets van hen af. Daar ineens stonden wij
voor elkander, en de zielen tot dusver elkaar vreemd, straalden dadelijk
groote sympathie voor elkander uit. Enkele uren slechts bleven wij in
elkaars gezelschap; toen wij scheidden, wisten wij, dat wij vrienden
voor 't leven zouden zijn.
Het wonder was begonnen, en het zette zich voort! Eene maand na die
ontmoeting gebeurde iets, dat wij nooit dachten, nooit droomden dat
gebeuren zou. U weet, nietwaar, dat uitgaan voor Javaansche jonge
meisjes géén _adat_ is, dat zij eigenlijk aldoor achter de muren of
bamboezen wanden behooren te zitten, zoolang tot een onbekende "door God
voor haar bestemden echtgenoot" haar komt opeischen en meevoeren naar
zijne woning.
Zoo kort nog maar kennen wij de wereld of vrijheid, hoe u 't noemen wil,
van met den stroom meê te vliegen over ijzeren banen.
Het nooit verwachte gebeurde: wij kwamen op Batavia bij onze nieuwe
vrienden.
"'t Is of ik heel Java doorkruisen moet alléén om jullie te vinden,
jullie zocht ik, jullie mòest ik vinden. En toen ik jullie gevonden had,
was ik zóó voldaan".
Wij waren bestemd om elkaar te ontmoeten, zij, om grooten invloed te
oefenen op ons leven.
Vóór hun komst zweefden wij reeds, doch 't was nog zoo duister om ons
heen. Onbewust, zonder het te willen, hebben zij eene vaste richting
gegeven aan ons nog onbestemd zweven. Daar moesten wij heen, dien weg op
naar het Ideaal!
* * * * *
Over godsdienst hoop ik u een volgenden brief uitvoerig te schrijven.
Heerlijk, dat u daarover met ons praten wil en wij met u vrijelijk er
over mogen spreken. Laat ik u nu slechts dit zeggen ter geruststelling:
U kan er zeker van zijn, dat wij steeds zullen blijven wat wij zijn.
Vurig hopen we met u, dat 't ons gegeven moge zijn eens onzen
godsdienstvorm beminnelijk te maken in de oogen van andersdenkenden.
Steeds hebben wij verstaan en begrepen, dat de _kern_ van alle
godsdiensten is het _Goede_, dat alle godsdiensten goed en mooi zijn.
Maar o! menschen, wat hebt gij daarvan gemaakt!
Godsdienst is bedoeld als zegen, om een band te vormen tusschen alle
schepselen Gods, blank of bruin, van welken stand, sexe, geloof, allen
zijn wij kinderen van één Vader, van één God!
Er is geen God dan God! zeggen wij Mohammedanen, en met ons alle
geloovigen, monotheïsten; God is de Heer, de Schepper van het Al.
Kinderen van één Vader, broeders en zusters dus, moeten elkander
liefhebben, d.i. helpen, steunen. Elkander helpen en steunen,
liefhebben, dàt is de grondtoon van alle godsdiensten.
Och, werd 't maar verstaan en nageleefd, de godsdienst zou voor de
menschheid zijn, wat zijne oorspronkelijke, goddelijke bedoeling is: een
zegen!
Dàt had ons zoo in 't harnas gejaagd tegen den godsdienst, dat de
belijders van de eene leer, die eener andere minachten, haten, ja
vervolgen zelfs soms. Doch nu genoeg hierover.
Neen, helaas!--Hollandsch is de eenige Europeesche taal, die wij lezen,
wat een _groot verdriet_ is voor ons. Dolgaarne willen wij de moderne
talen leeren; 't is eene groote illusie van ons, om mooie werken van
buitenlandsche schrijvers eens te kunnen genieten in 't oorspronkelijke.
Er is hier geen gelegenheid geweest om talen te leeren. Nu zouden wij
gaarne met het Fransch beginnen, waarin een vriendinnetje van ons, eene
onderwijzeres, die uw echtgenoot hier ook ontmoette, ons gaarne helpen
wil.
Zijn er geen Hollandsche vertalingen van Lessing's werk, 't welk u
bedoelde, en van de levensbeschrijving van Pundita Ramabai? Van deze
moedige Indische hebben wij meer gehoord. Ik ging naar school, toen ik
voor 't eerst van die dappere hoorde. O! ik weet het nog zoo goed; ik
was nog heel jong, een kind van 10 of 11 jaar, toen ik gloeiend van
geestdrift in de krant van haar las. Ik beefde van opgewondenheid: dus
niet alleen voor de blanke vrouw is 't mogelijk zich een zelfstandig
bestaan te veroveren!--óók de bruine Indische vrouw kan zich vrij,
onafhankelijk maken.
Dagen lang dacht ik aan haar, en nooit heb ik haar kunnen vergeten. Wat
een _goed, moedig voorbeeld_ toch kan, vermag!--zóó ver gaat en werkt
zijn invloed.
En nu uw zeer vereerend verzoek om onze medewerking voor uw
Volks-kinderbibliotheek. Van ganscher harte ja: zusje en ik vinden 't
heerlijk, een voorrecht, om met u te mogen meewerken, ergo u een
genoegen te kunnen doen; wij hopen maar ten zeerste, dat wij het zullen
kunnen. Wij zullen er ons best op doen, en als er niets tusschenbeide
komt, hopen wij vóór het einde van dit jaar u onze kleine bijdrage voor
uw mooi werk te kunnen aanbieden.[2]
't Is toch zoo aardig; 't was of we al een voorgevoel hadden, dat u ons
dàt vragen zou. Een week of wat vóór de ontvangst van uw brief zaten we
op een avond buiten in den tuin, 't was heldere maneschijn. U weet wel,
niet waar, dat Javaansche kinderen, bij voorkeur de vollemaan-avonden
kiezen, om buiten op 't erf hun spelletje te spelen en liedjes te
zingen. Vóór ons speelde een troepje van dat kleine grut. Onze eigen
kinderjaren leefden weer voor ons op. Daar kreeg ik op eens eene
ingeving, om dien gelukkigen tijd altoos levendig in onze herinnering te
bewaren. Ik haalde papier en potlood, en schreef in 't heldere maanlicht
de spelletjes en zangen zóó uit den mond der kinderen op. Aardig toch,
vindt u niet, en kort daarop kreeg ik uw schrijven met dàt verzoek.
En nu dank ik u hartelijk, ook namens zusje, voor de werkjes, die u ons
zond. Weet u, wat wij elkaar zeiden, na de lezing daarvan? "Die werkjes
zijn voor kinderen bestemd, maar ouders mogen ze wèl lezen, ze moèten
het, ze zullen er zooveel uit leeren".
't Zou mij te ver voeren om u over elk werkje afzonderlijk onze
gedachten te zeggen, doch geloof ons, zèlden lazen wij met zoo'n innig
genot eenig werk. Het is niet iets om door te vliegen, even te genieten
en dan weer te vergeten, maar iets, dat men in zijn ziel prent en niet
weer vergeet.
Verrukkelijk, dat u ons eene verzameling van uwe gedachten wil zenden;
wij danken u daar innig hartelijk voor! Wij zullen er zeker veel, veel
uit leeren. "Een ernstig woord over ernstige dingen" beschouwen we als
een vervolg op eenige punten in uw brief. Beide zijn ze voor ons eene
openbaring!
O! wij danken u zoo innig, innig voor al de schatten en parelen, die u
ons gaf. Kon u mij maar zien, terwijl ik dit schrijf! mijne oogen zouden
u veel, veel meer zeggen, dan mijne pen of mijn mond 't ooit zou kunnen,
van hetgeen ik zoo diep in mijn hart voel voor u.
Iets bijzonder liefelijks, en waarmee u onze Javaansche harten voorgoed
aan het uwe heeft vastgesmeed is uw "Van de reis mee thuisgebracht". Wij
vinden dat een juweeltje; ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel keeren ik
dat stukje wel "opgepeuzeld" heb en telkens met nieuw genot. Ik kan mij
zoo geheel in de gevoelens van dien bruinen vader verplaatsen, wiens
hart u stal door uwe hartelijkheid voor zijn schat. Ik zie hem voor mij
met zijn mooi kindje op den arm; ik zie de blanke vrouw, die't niet
beneden zich achtte, een Javaansch volkskind op hare knie te nemen, te
liefkoozen, zoenen; een eenvoudigen dessaman de hand drukken, zijn
dronk van gastvrijheid uit zulk een simpele drinkschaal drinken!
[Illustration: Haven en visschersdorp te Japara.]
Wat zal dàt zijn hart zoet gestreeld, verrukt hebben! Een Javaan is zoo
gevoelig voor vriendelijkheid, vooral wanneer zij komt van 't blanke
ras, waartegen hij zoo hoog opziet!
Ach! wisten de blanken maar, hoe weinig ze te doen hebben om het hart
van den bruinen broeder te winnen. Geef liefde en gij zult liefde terug
ontvangen. Een vriendelijk woord kost niets, en kan toch zooveel
uitwerken.
Uw "Wat zullen de kinderen lezen?" las ik al eens in de "Gids" nu twee
jaar geleden. Toen reeds interesseerde ik mij er voor. Op dat gebied
ligt in onze Inlandsche maatschappij het geheele veld nog braak; daar is
nog _niets_, totaal _niets_ aan gedaan.
O! wat zijn we toch bevoorrecht, om juist in dezen tijd te leven;
overal, overal is er zooveel te doen! wij hoeven slechts de hand uit te
strekken, om _goed, heerlijk werk_ te vinden! Heerlijk! verrukkelijk!
Waar zal de tijd zijn, dat onze landslieden zullen ontwaken uit hun
sluimer, zich zullen werpen op de hoopen, bergen werk, die op rappe
handen wachten, overal, overal! Zullen wij dien tijd nog beleven?
Neen, zóóveel nièt verlangen; laten wij al innig dankbaar zijn, als wij
het onze kunnen bijdragen tot het banen van den weg daarheen.
En waar zal de tijd zijn, dat wij in werkelijkheid, oog in oog, hand in
hand, u kunnen bedanken voor al 't moois dat u ons gaf en nog zooveel
meer. Geduld!... wij zijn vol hoop en moed. Wij zijn o zoo dankbaar, dat
wij u gevonden hebben, wij laten u nooit meer los, _nooit_! U wil onze
vriendin, onze raadsvrouw en gidse zijn en blijven, nietwaar, altoos?
Zeg ja, het is niet voor één, niet voor twéé menschen, maar voor heel
een volk, vooral voor de Javaansche vrouw!
Natuurlijk zullen wij doodbedroefd zijn, als die tijd dáár is, en wij
afscheid moeten nemen, van allen en alles, die zóó lang een groot deel
van ons geluk uitmaakten; maar wij zullen gaan met den zegen onzer
dierbaren; die zal den donkersten nacht licht voor ons maken, den
warmsten dag koel, en den storm tot zachte bries! Het ongelooflijkste,
het nooit-gedachte, het nooit-gedroomde is geschied; onze Moeder, die in
geheel andere begrippen, meest contra de onze, is opgevoed, gaat en
voelt thans met ons mee, ja, droomt zelfs mee met ons. Dat is een
genade uit den Hooge van onzen almachtigen en algoeden Vader!
Wèl moesten wij eerst over een langen weg van dorens gaan, voor wij tot
de poort kwamen, die onze ideeën toegang tot haar hart verleenden, maar
eenmaal er voor ontsloten, blijft het er voor openstaan. Véél heeft onze
lieve goede Moeder en hebben wij geleden, vóór wij elkaar op die punten
ontmoetten.
[1] Goestikoe = mijn Goesti. Met Goesti wordt hier het Opperwezen
aangeduid.
[2] Van de inzending is helaas niets gekomen, gelijk mevrouw Van Kol
berichtte.