21 Juli 1902. (VII.)

Er kunnen wondermooie oogenblikken in 't leven zijn, die waarin wij ons

als 't ware los van de aarde voelen, slechts leven het leven onzer ziel,

opgaan in haar jubel, extase,--vooral wanneer zij gevonden heeft, wat

zij behoeft, waarnaar zij hongert: het Hoogere! Zulk een oogenblik was

het voor ons, toen wij in diepe ontroering uw brief lazen, waaruit zoo'n

verfrisschende, versterkende en bovenal zuiverende adem van hoog ziele-

en geestesschoon ons tegenwaaide!

Hoe zal ik u die gevoelens beschrijven, die onze zielen beroerden, bij

't lezen uwer gouden woorden, eene hemelsche genade, zooals wij ze

noemen!

Meer, véél meer dan zedelijken steun gaf u ons, u heeft ons iets van u

zelf gegeven, iets heel moois, heel innigs, dat leeft in uw hart en uwe

ziel.

Zoover en zoolang zochten wij, en wij wisten het niet, 't was zóó nabij,

steeds bij ons: Het is in ons!

Allah of God, het is voor ons nu geen hollen aanroep meer. Dat

woord,--ach, zooveel gedachteloos gebruikt!--heeft thans voor ons een

heiligen, gewijden klank. Dank, innig dank, dat u 't gordijn voor onze

oogen heeft weggeschoven, ons deed vinden het làng, làng gezochte!

Kon ik maar zeggen, hoe rustig, hoe vredig het thans in ons is; hoe

stil, innig gelukkig we zijn; géén angst, géén vrees meer; wij voelen

ons zoo veilig, zoo gerust! Er is _Iemand_, die over ons waakt; er is

_Iemand_ steeds bij ons, en die _Iemand_ zal onze troost, onze steun,

onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dat _voelen_ we.

Ja, waarlijk, God woog niemands taak te zwaar. Hij geeft ieder de kracht

voor het werk, waartoe Hij hem roept.

Dat wij u beiden gevonden hebben, is een Godsgeschenk, is eene

beschikking des Hemels. De Almachtige zond u beiden, beproefde, ervaren

strijders voor Zijn heiligen wil, Zijn hoog gebod, dat Liefde heet, tot

ons, om ons, jonge, onervaren strijdsters bij te staan, te steunen, onze

wankelende schreden te leiden op onzen moeilijken weg.

Dank, o Goestikoe,[1] voor deze genade! Dáárom hebben de Genestet's

schoone woorden in "Terugblik" zoo'n wondere bekoring voor ons! Onze

zielen hongerden, zochten ... wij wisten niet wàt!...

't Is of wij eene wijding hebben ontvangen, het leven lijkt ons mooier,

ons streven heerlijker, en wij zelf voelen ons beter, sterker....

Wij hebben u niet meer kunnen vergeten, sinds wij uwe stem tot ons

hoorden spreken. Nog steeds ruischt mij na, als een requiem uw woord:

"_die niet meer zichzelven leven, maar den geest in hen_".

Dat ik de macht van 't woord bezat, voor één enkele minuut maar, om voor

u mijne gevoelens, zuiver, getrouw te kunnen afbeelden!

Helaas! die macht heb ik niet, ik zal er over zwijgen.

Aan dàt woord dachten wij, toen wij uw verzoek, omtrent 't publiceeren

van mijn brief herlezende, onszelf afvroegen: "Hoe zal 't zijn voor de

zaak?" De vriendschappelijke uiting van "Oost en West" doet ons eene

welwillende ontvangst van het Europeesche vriendenpubliek

verwachten,--maar hoè zal mijn brief ontvangen worden in onze eigen

wereld? Mogelijk, dat de voorstellen van onderwijs en opvoeding met

sympathie zullen begroet worden door onze landslieden, maar die

sympathie zal te niet gedaan worden door de verontwaardiging, die mijne

uitlatingen over de huwelijksquaestie stellig zullen verwekken, en wel

in de eerste plaats bij de mannen.

Ik neem er geen woord van terug; integendeel, ik heb daarover nog heel

veel te zeggen, en 't is steeds mijn stellig voornemen geweest, om

daarover eens luide mijne stem te verheffen, omdat alléén _publicatie_

zou kunnen leiden tot de gewenschte verbetering in toestanden, die

verbetering zóó noodig behoeven; maar ik dacht daarmee te wachten tot ik

vasten voet zou hebben verkregen op den gekozen weg, ik mijne vrijheid

en zelfstandigheid zou hebben bevochten.

Doch 't is beter zoo, dadelijk met open vizier te strijden, bij 't begin

af aan der Inlandsche maatschappij te zeggen geheel en al, van welken

geest wij zijn.

Maar wie kaatst, moet den bal terug verwachten, nietwaar? En daarom is

't, dat ik u eenig uitstel vraag met het publiceeren van mijn brief.

Niet, dat ik één woord wil terugnemen van hetgeen ik gezegd heb over het

wreede mannenrecht, dat vrouwen en óók kinderen zoo lijden doet, maar ik

wil mij op andere punten wapenen, waarop men mij mogelijk aanvallen zal,

en dat de zaak zou kunnen schaden.

In dien brief zeide ik, dat nu hoe langer hoe meer Inlandsche ouders

voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen, en beriep mij op de

Gouvernements- en particuliere scholen, die daarvan zouden kunnen

getuigen. Dat bovenstaande een feit is, weten we, èn zelf èn door

kennissen en anderen; maar wij hebben geen vaste gegevens: cijfers, en

die willen we ons verschaffen.

Dan maakte ik melding van een Europeesche school voor dochters van den

adel in de Preanger (Manondjaja). Dit heugelijk bericht las ik in "de

Echo", maar ik kan dat nummer niet weer vinden, wel een ander waarin

staat, dat die Europeesche school voor _kinderen_ van den Inlandschen

adel door de Regeering gesubsidieerd wordt. Daarnaar wil ik informeeren.

Vindt u 't ook niet beter zoo? De gevraagde toestemming om den brief te

publiceeren, heeft u, doch wil u met de uitvoering daarvan nog wat

wachten, tot ik nader bericht zal hebben gezonden?

Dat men mij persoonlijk hard vallen zal om hetgeen ik zeg van die

instelling, zóó gemakkelijk voor den man, maar, o zoo wreed en hard voor

de vrouw, is _niets_; daar ben ik wel op voorbereid, ik verwacht _niets_

anders. Wij houden slechts op _de zaak_, uitsluitend daarop, het oog

gericht, en wat haar zou kunnen schaden, _moeten_ wij voorkomen, niet

waar?

Intusschen het eerste buitje van verontwaardiging en spot, _spot_

vooral, is reeds over ons heengevaren, naar aanleiding van 't artikel

van den heer Stoll in "de Locomotief". Maar 't liet ons koud: Wij doen

zóó ons best om ons te verheffen boven alles wat klein is,

kleinzieligheid, kleingeestigheid e.a.

De spot der menschen deert ons niet, werkelijk!--maar wat ons wèl

verdriet deed en _heel erg_ ook, was, dat wij onze lieve Ouders zooveel

leed moesten doen met ons trouw blijven aan ons ideaal! Maar wij konden

en kunnen niet anders.

't Is wel te begrijpen, dat 't hun hard en zwaar valt, ons, hun

kinderen, het dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een

leven, dat wel aan een mooi doel is gewijd, maar dat _vol moeiten_ zal

zijn, omdat dit nu eenmaal het lot aller baanbrekers is, op welk gebied

en ten welken tijde ook. Goddank! Goddank! dat zij nu eindelijk in vrede

ons hunne toestemming hebben gegeven, om ons leven te wijden aan de

bereiking van ons ideaal.

Hoe dankbaar wij hiervoor zijn, kan ik u niet zeggen! Die toestemming

heeft hun en ons zoo ontzettend veel strijd gekost; een heele

geschiedenis van worstelen, hopen en wanhopen, strijd, moeite, lijden en

smart ligt achter ons! Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij in vrede van

onze dierbaren zullen gaan; dat _hun zegen_ op ons streven rust en ons

overal heen vergezellen zal, waar wij gaan in den dienst van het

_Goede_. 't Zou ontzettend _hard_ zijn voor ons, om zonder dien onzen

weg te gaan; 't zou voor immer eene schaduw op ons leven werpen; wij

hebben onze ouders zoo zielslief, en wij _moeten_ dien weg gaan; wij

zouden _nooit_ vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij,

toegevende aan onze kinderliefde, de krachtige roepstem in ons binnenste

smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de

Eeuwigheid!

Ik hoor Moeder nog zeggen: "Welnu kinderen, ik zal gelooven, dat dàt

jullie _bestemming_ is, dat _God_ 't is, die jullie tot dat leven heeft

_bestemd_". Er klonk zoo'n berusting en weemoed ook in haar stem; dat

woord zal ons steeds bijblijven, ten steun en troost op ons pad. En

Vader!

_Diep_ voelde ik zijn smart, en leed met hem.

O! Vader, mijn Vader, kreet mijne ziel, vergeef mij, vergeef uw kind ...

zij kon niet anders.

Die strijd, voor ons het zwaarste, is achter ons. Hoe dankbaar wij zijn,

kunt u zich voorstellen, vooral nu hun toestemming geen scheuring heeft

gebracht tusschen onze lieven en ons, maar de band tusschen ons juist

hechter maakt en nauwer toehaalt.

Dit is een genade Gods!

Wij staan nog voor het leven, maar ons is 't, of wij al een heel leven

achter ons hebben, een leven vol innerlijken strijd en lijden. 't Zal

boekdeelen vullen, u dat alles te vertellen, maar eens zal u het hooren,

hetzij schriftelijk dan wel mondeling.

Als vriendin, _onze vriendin_, in den volsten zin, de mooiste beteekenis

van 't woord, heeft u recht ons geheele leven te kennen, en dat zal u.

Nu ik terugblik op 't verleden, zie ik daar vooral Gods hand, en met

groote dankbaarheid erken en gedenk ik, dat in de moeilijkste

oogenblikken onze Vader ons niet heeft verlaten.

Wie zond ons te rechtertijd vrienden, toen wij, geheel alleen kampend en

worstelend, dreigden onder te gaan in wanhoop? Wie voerde geheel vreemde

menschen van hun verre woon hierheen, naar dat vergeten uithoekje, om

moed en hoop weder te wekken in wanhopige harten?

Toeval!--néén, géén toeval, 't was een beschikking van God. 't Was God,

onze Vader, die hen hier zond, om de jonge, worstelende zielen frissche

kracht en moed te geven. Die ontmoeting was een keerpunt in ons leven.

Tevoren weifelden wij nog, maar daarna waren we _vast_ besloten ons

ideaal te bereiken, wat 't ons ook kosten moge.

't Leek vroeger zoo mysterieus; thans is 't klaar, helder,

God alleen kent 't wereldraadsel; Zijne hand bestuurt het Al; Hij is

het, die wegen ver uiteen, bijeenvoegt ter vorming van nieuwe wegen.

Zoo voerde Hij den weg dier vrienden naar den onze, opdat wij gesterkt

door eene ontmoeting, vereeniging met groote, sterke zielen, een nieuwen

weg konden banen voor hen, die achter ons staan. Wij kenden elkaar

heelemaal niet, en wij wisten niets van hen af. Daar ineens stonden wij

voor elkander, en de zielen tot dusver elkaar vreemd, straalden dadelijk

groote sympathie voor elkander uit. Enkele uren slechts bleven wij in

elkaars gezelschap; toen wij scheidden, wisten wij, dat wij vrienden

voor 't leven zouden zijn.

Het wonder was begonnen, en het zette zich voort! Eene maand na die

ontmoeting gebeurde iets, dat wij nooit dachten, nooit droomden dat

gebeuren zou. U weet, nietwaar, dat uitgaan voor Javaansche jonge

meisjes géén _adat_ is, dat zij eigenlijk aldoor achter de muren of

bamboezen wanden behooren te zitten, zoolang tot een onbekende "door God

voor haar bestemden echtgenoot" haar komt opeischen en meevoeren naar

zijne woning.

Zoo kort nog maar kennen wij de wereld of vrijheid, hoe u 't noemen wil,

van met den stroom meê te vliegen over ijzeren banen.

Het nooit verwachte gebeurde: wij kwamen op Batavia bij onze nieuwe

vrienden.

"'t Is of ik heel Java doorkruisen moet alléén om jullie te vinden,

jullie zocht ik, jullie mòest ik vinden. En toen ik jullie gevonden had,

was ik zóó voldaan".

Wij waren bestemd om elkaar te ontmoeten, zij, om grooten invloed te

oefenen op ons leven.

Vóór hun komst zweefden wij reeds, doch 't was nog zoo duister om ons

heen. Onbewust, zonder het te willen, hebben zij eene vaste richting

gegeven aan ons nog onbestemd zweven. Daar moesten wij heen, dien weg op

naar het Ideaal!

* * * * *

Over godsdienst hoop ik u een volgenden brief uitvoerig te schrijven.

Heerlijk, dat u daarover met ons praten wil en wij met u vrijelijk er

over mogen spreken. Laat ik u nu slechts dit zeggen ter geruststelling:

U kan er zeker van zijn, dat wij steeds zullen blijven wat wij zijn.

Vurig hopen we met u, dat 't ons gegeven moge zijn eens onzen

godsdienstvorm beminnelijk te maken in de oogen van andersdenkenden.

Steeds hebben wij verstaan en begrepen, dat de _kern_ van alle

godsdiensten is het _Goede_, dat alle godsdiensten goed en mooi zijn.

Maar o! menschen, wat hebt gij daarvan gemaakt!

Godsdienst is bedoeld als zegen, om een band te vormen tusschen alle

schepselen Gods, blank of bruin, van welken stand, sexe, geloof, allen

zijn wij kinderen van één Vader, van één God!

Er is geen God dan God! zeggen wij Mohammedanen, en met ons alle

geloovigen, monotheïsten; God is de Heer, de Schepper van het Al.

Kinderen van één Vader, broeders en zusters dus, moeten elkander

liefhebben, d.i. helpen, steunen. Elkander helpen en steunen,

liefhebben, dàt is de grondtoon van alle godsdiensten.

Och, werd 't maar verstaan en nageleefd, de godsdienst zou voor de

menschheid zijn, wat zijne oorspronkelijke, goddelijke bedoeling is: een

zegen!

Dàt had ons zoo in 't harnas gejaagd tegen den godsdienst, dat de

belijders van de eene leer, die eener andere minachten, haten, ja

vervolgen zelfs soms. Doch nu genoeg hierover.

Neen, helaas!--Hollandsch is de eenige Europeesche taal, die wij lezen,

wat een _groot verdriet_ is voor ons. Dolgaarne willen wij de moderne

talen leeren; 't is eene groote illusie van ons, om mooie werken van

buitenlandsche schrijvers eens te kunnen genieten in 't oorspronkelijke.

Er is hier geen gelegenheid geweest om talen te leeren. Nu zouden wij

gaarne met het Fransch beginnen, waarin een vriendinnetje van ons, eene

onderwijzeres, die uw echtgenoot hier ook ontmoette, ons gaarne helpen

wil.

Zijn er geen Hollandsche vertalingen van Lessing's werk, 't welk u

bedoelde, en van de levensbeschrijving van Pundita Ramabai? Van deze

moedige Indische hebben wij meer gehoord. Ik ging naar school, toen ik

voor 't eerst van die dappere hoorde. O! ik weet het nog zoo goed; ik

was nog heel jong, een kind van 10 of 11 jaar, toen ik gloeiend van

geestdrift in de krant van haar las. Ik beefde van opgewondenheid: dus

niet alleen voor de blanke vrouw is 't mogelijk zich een zelfstandig

bestaan te veroveren!--óók de bruine Indische vrouw kan zich vrij,

onafhankelijk maken.

Dagen lang dacht ik aan haar, en nooit heb ik haar kunnen vergeten. Wat

een _goed, moedig voorbeeld_ toch kan, vermag!--zóó ver gaat en werkt

zijn invloed.

En nu uw zeer vereerend verzoek om onze medewerking voor uw

Volks-kinderbibliotheek. Van ganscher harte ja: zusje en ik vinden 't

heerlijk, een voorrecht, om met u te mogen meewerken, ergo u een

genoegen te kunnen doen; wij hopen maar ten zeerste, dat wij het zullen

kunnen. Wij zullen er ons best op doen, en als er niets tusschenbeide

komt, hopen wij vóór het einde van dit jaar u onze kleine bijdrage voor

uw mooi werk te kunnen aanbieden.[2]

't Is toch zoo aardig; 't was of we al een voorgevoel hadden, dat u ons

dàt vragen zou. Een week of wat vóór de ontvangst van uw brief zaten we

op een avond buiten in den tuin, 't was heldere maneschijn. U weet wel,

niet waar, dat Javaansche kinderen, bij voorkeur de vollemaan-avonden

kiezen, om buiten op 't erf hun spelletje te spelen en liedjes te

zingen. Vóór ons speelde een troepje van dat kleine grut. Onze eigen

kinderjaren leefden weer voor ons op. Daar kreeg ik op eens eene

ingeving, om dien gelukkigen tijd altoos levendig in onze herinnering te

bewaren. Ik haalde papier en potlood, en schreef in 't heldere maanlicht

de spelletjes en zangen zóó uit den mond der kinderen op. Aardig toch,

vindt u niet, en kort daarop kreeg ik uw schrijven met dàt verzoek.

En nu dank ik u hartelijk, ook namens zusje, voor de werkjes, die u ons

zond. Weet u, wat wij elkaar zeiden, na de lezing daarvan? "Die werkjes

zijn voor kinderen bestemd, maar ouders mogen ze wèl lezen, ze moèten

het, ze zullen er zooveel uit leeren".

't Zou mij te ver voeren om u over elk werkje afzonderlijk onze

gedachten te zeggen, doch geloof ons, zèlden lazen wij met zoo'n innig

genot eenig werk. Het is niet iets om door te vliegen, even te genieten

en dan weer te vergeten, maar iets, dat men in zijn ziel prent en niet

weer vergeet.

Verrukkelijk, dat u ons eene verzameling van uwe gedachten wil zenden;

wij danken u daar innig hartelijk voor! Wij zullen er zeker veel, veel

uit leeren. "Een ernstig woord over ernstige dingen" beschouwen we als

een vervolg op eenige punten in uw brief. Beide zijn ze voor ons eene

openbaring!

O! wij danken u zoo innig, innig voor al de schatten en parelen, die u

ons gaf. Kon u mij maar zien, terwijl ik dit schrijf! mijne oogen zouden

u veel, veel meer zeggen, dan mijne pen of mijn mond 't ooit zou kunnen,

van hetgeen ik zoo diep in mijn hart voel voor u.

Iets bijzonder liefelijks, en waarmee u onze Javaansche harten voorgoed

aan het uwe heeft vastgesmeed is uw "Van de reis mee thuisgebracht". Wij

vinden dat een juweeltje; ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel keeren ik

dat stukje wel "opgepeuzeld" heb en telkens met nieuw genot. Ik kan mij

zoo geheel in de gevoelens van dien bruinen vader verplaatsen, wiens

hart u stal door uwe hartelijkheid voor zijn schat. Ik zie hem voor mij

met zijn mooi kindje op den arm; ik zie de blanke vrouw, die't niet

beneden zich achtte, een Javaansch volkskind op hare knie te nemen, te

liefkoozen, zoenen; een eenvoudigen dessaman de hand drukken, zijn

dronk van gastvrijheid uit zulk een simpele drinkschaal drinken!

[Illustration: Haven en visschersdorp te Japara.]

Wat zal dàt zijn hart zoet gestreeld, verrukt hebben! Een Javaan is zoo

gevoelig voor vriendelijkheid, vooral wanneer zij komt van 't blanke

ras, waartegen hij zoo hoog opziet!

Ach! wisten de blanken maar, hoe weinig ze te doen hebben om het hart

van den bruinen broeder te winnen. Geef liefde en gij zult liefde terug

ontvangen. Een vriendelijk woord kost niets, en kan toch zooveel

uitwerken.

Uw "Wat zullen de kinderen lezen?" las ik al eens in de "Gids" nu twee

jaar geleden. Toen reeds interesseerde ik mij er voor. Op dat gebied

ligt in onze Inlandsche maatschappij het geheele veld nog braak; daar is

nog _niets_, totaal _niets_ aan gedaan.

O! wat zijn we toch bevoorrecht, om juist in dezen tijd te leven;

overal, overal is er zooveel te doen! wij hoeven slechts de hand uit te

strekken, om _goed, heerlijk werk_ te vinden! Heerlijk! verrukkelijk!

Waar zal de tijd zijn, dat onze landslieden zullen ontwaken uit hun

sluimer, zich zullen werpen op de hoopen, bergen werk, die op rappe

handen wachten, overal, overal! Zullen wij dien tijd nog beleven?

Neen, zóóveel nièt verlangen; laten wij al innig dankbaar zijn, als wij

het onze kunnen bijdragen tot het banen van den weg daarheen.

En waar zal de tijd zijn, dat wij in werkelijkheid, oog in oog, hand in

hand, u kunnen bedanken voor al 't moois dat u ons gaf en nog zooveel

meer. Geduld!... wij zijn vol hoop en moed. Wij zijn o zoo dankbaar, dat

wij u gevonden hebben, wij laten u nooit meer los, _nooit_! U wil onze

vriendin, onze raadsvrouw en gidse zijn en blijven, nietwaar, altoos?

Zeg ja, het is niet voor één, niet voor twéé menschen, maar voor heel

een volk, vooral voor de Javaansche vrouw!

Natuurlijk zullen wij doodbedroefd zijn, als die tijd dáár is, en wij

afscheid moeten nemen, van allen en alles, die zóó lang een groot deel

van ons geluk uitmaakten; maar wij zullen gaan met den zegen onzer

dierbaren; die zal den donkersten nacht licht voor ons maken, den

warmsten dag koel, en den storm tot zachte bries! Het ongelooflijkste,

het nooit-gedachte, het nooit-gedroomde is geschied; onze Moeder, die in

geheel andere begrippen, meest contra de onze, is opgevoed, gaat en

voelt thans met ons mee, ja, droomt zelfs mee met ons. Dat is een

genade uit den Hooge van onzen almachtigen en algoeden Vader!

Wèl moesten wij eerst over een langen weg van dorens gaan, voor wij tot

de poort kwamen, die onze ideeën toegang tot haar hart verleenden, maar

eenmaal er voor ontsloten, blijft het er voor openstaan. Véél heeft onze

lieve goede Moeder en hebben wij geleden, vóór wij elkaar op die punten

ontmoetten.

[1] Goestikoe = mijn Goesti. Met Goesti wordt hier het Opperwezen

aangeduid.

[2] Van de inzending is helaas niets gekomen, gelijk mevrouw Van Kol

berichtte.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 70 / 136 题