Naar Europa gaan! dat zal tot mijn laatste ademtocht mijn ideaal
blijven. Kon ik mij maar zoo klein maken, dat ik in een couvert kruipen
kon, dan ging ik met dezen brief mee naar je toe, Stella, naar mijn
lieven, besten broer en naar.... Stil! nu geen woord meer! 't Is mijn
schuld niet, Stella, als ik hier en daar onzin neerschrijf. De glazen
gamelan in de pendopo weet je er meer van te vertellen als ik. Ze spelen
ons drieën lievelingslied. Het is geen lied, geen melodie eigenlijk,
enkel klanken en tonen, zoo week en zoo zacht, grillig, onbestemd
dooreen trillend, warrelend, maar hoe aangrijpend, hoe roerend mooi is
het! Neen, neen, 't zijn geen klanken van glas, van koper, van hout, die
daar opstijgen; 't zijn stemmen uit menschenzielen, die tot ons spreken,
nu eens klagend, dan weenend en een enkelen keer eens blij lachend. En
mijn ziele zweeft mee met die murmelende, reine, zilveren tonen, omhoog,
omhoog, in de ijle, blauwe lucht, naar de donzige wolken, naar de
schitterende starren;--basgeluiden stijgen op, en de klanken voeren mij
mee door donkere dalen, diepe ravijnen, door sombere wouden,
ondoordringbare wildernissen! En mijn ziele beeft en krimpt ineen van
angst en pijn en smart!
Duizendmalen heb ik "Ginondjing" gehoord, doch geen enkelen klank, geen
enkelen toon kan ik beetpakken. Nu de gamelan zwijgt, weet ik me geen
enkelen klank meer te herinneren, alles is uit mijne herinnering
weggevaagd; die droef-liefelijke geluiden, die me ongekend zalig en toch
zoo diep weemoedig stemmen tegelijk. Ik kan Ginondjing niet hooren,
zonder diep ontroerd te zijn. Als ik maar de eerste tonen hoor van het
prachtige voorspel, dan ben ik weg. Ik wil dat zwaarmoedig lied niet
hooren, en toch ik moèt, ik moèt luisteren naar de murmelende stemmen,
die mij vertellen van het verleden, van de toekomst, en 't is alsof de
adem van die trillende zilveren klanken de sluiers wegblaast, die het
geheimzinnig komende omhullen. En klaar als het heden trekken
toekomstbeelden mijn geestesoog voorbij. Een huivering vaart mij door de
leden, als ik daar sombere, donkere figuren voor mij zie verrijzen. Ik
wil niet zien, maar mijn oogen blijven wijd geopend, en aan mijn voeten
gaapt een afgrond van duizelingwekkende diepte, maar als ik mijn blik
opsla naar boven, welft zich een helderblauwe hemel boven me en gouden
zonnestralen spelen dartel met donzige witte wolkjes en in mijn harte is
't weer licht!
Daar! overtuig je maar zelf, welk een dwaas, onzinnig schepsel ik ben.
Wat een onzin, hè, heb ik daar weer op elkaar gestapeld. Maar nu genoeg,
ik zal trachten verstandig te praten, als een gezond mensch, 't dwaze
overgevoelige schepsel verbannen we uit ons midden, niet waar, Stella?
Mijn zonneland, waar je zoo naar verlangt, is in de laatste dagen
allesbehalve zonnig. Vreeselijke regenbuien elken dag, en verleden
Zondag trad de Japara-rivier buiten hare oevers, vele dorpen en de stad
zelve met haar roodbruin water overstroomend.
En van morgen heeft het feitelijk gestormd, verschrikkelijk heeft de
wind hier huis gehouden. Op 't erf zijn een paar boomen geheel kaal
gewaaid, de dikke takken braken af, alsof het maar lucifersstokjes
waren, en van de mooie koolblandaboomen zie je nu nog maar een paar kale
grijze stammen. Hoe vreeselijk moeten de kampongs dan niet daaronder
geleden hebben. Heele daken waaiden van de huizen af. Vandaag is Pa op
tournee; weer staan er in een verafgelegen district van Pa's afdeeling
verscheidene dorpen onder water. Pa heeft het in deze dagen erg druk;
dan is er bandjir, dan aardstorting, dan weer is er storm. Een kolossale
randoe-boom is onlangs omvergevallen, op een publieken weg, en twee
voorbijgangsters werden er verpletterd van onder uit weggehaald. Den
heelen dag en den heelen nacht hoorden wij de zee brullen en razen. Arm
"Klein Scheveningen" daar heeft de storm 't vreeselijkst gewoed. De weg
naar het badhuis is heelemaal door de golven weggeslagen en het strand
daarvóór is verdwenen. De onverzadelijke zee heeft het ingeslikt. Als 't
vanmiddag niet stortregent, zal ik Pa vragen om daar naar toe te gaan.
Een week of wat geleden waren we op "Klein Scheveningen"; wij stonden
met ons drieën op een grooten rotsblok aan 't strand naar het woeste
golvenspel te kijken. Zóó geboeid waren we door dat ontzagwekkend
schouwspel, dat wij niet eens zagen, hoe meer en meer die aanrollende
reuzengolven onze rots naderden. Eerst als de kleintjes aan 't strand
ons angstig terugriepen, wisten we, dat we geheel ingesloten waren door
het schuimend nat. Tot aan de knieën kletsnat kwamen wij bij de kinderen
terug.
Eenigen tijd geleden vroeg je me, hoe de toestand van den kleinen man
thans is, maar aangezien ik je toen reeds zooveel geschreven had, sloeg
ik die vraag over, daar zij niet met een paar woorden te beantwoorden
was. Ik beloofde je echter een volgenden keer op dat punt te zullen
terugkomen, en dáárvoor kom ik nu eigenlijk bij je. Maar alvorens dat
onderwerp aan te roeren, wil ik je laatsten brief geheel beantwoorden.
Dank Stella, voor je bemoediging. Ik hoop, dat je bewering op waarheid
moge uitloopen. Weet je wat mijn devies is? "Ik wil"! En die twee kleine
woordjes hebben mij al zoo menigmaal over bergen van bezwaren en
moeilijkheden heengedragen. "Ik kan niet!" geeft den moed op. "Ik wil"!
stijgt der bergen top. Ik ben vol moed, vol geestdrift, Stella, houd jij
dat vuur aan! Laat het niet uitdooven! Maak mij warm, laat me gloeien,
Stella, ik bid je, laat me niet los.
Ik dank God, dat ik je met een "neen" kan antwoorden op je vraag of de
toestand van de bevolking nu nog zoo diep treurig is, als Multatuli hem
beschreef. Neen, voor zoover ik weet behoort de geschiedenis van Saïdjah
en Adinda tot het verleden. Wèl wordt er honger geleden soms door 't
volk, doch dit is volstrekt niet de schuld van zijne hoofden. Deze
kunnen toch nooit aansprakelijk gesteld worden voor het lang uitblijven
van den regen, dien de kleine man zoozeer noodig heeft voor zijn velden?
Of kunnen zij soms het overvloedige water weren, dat de hemel over de
sawahs uitstort? En als de padioogst, hetzij door ongediertenplaag,
hetzij door watersnood, hetzij door te langen oostmoesson mislukt, dan
wordt aan de bevolking, wie die ramp trof, de belasting kwijtgescholden
door de Regeering, en in tijden van hongersnood deelt 't Bestuur aan de
noodlijdenden voedsel en geld uit. Worden de velden door muizenplaag
vernield, de Regeering betaalt premieën uit voor het verdelgen van dat
ongedierte. Is er in den westmoesson, zooals nu, door den hoogen stand
van het water in de rivieren, een dijkbreuk ontstaan de hoofden doen al
het mogelijke om het kwaad te herstellen.
Verleden jaar lag een vischvijversdorp een week lang onder water, en
dagen en nachten bleef Pa op de plaats des onheils vertoeven. Uit
particuliere fondsen, die naderhand door de Regeering werden
teruggegeven, werd het herstellen van die dijkbreuk van eenige
kilometers betaald. Maar wat het water der bevolking ontroofde, wie gaf
het haar terug? Van de 100,000 visschen in de vijvers bleven na de
overstrooming nog slechts 15 stuks over. Eenigen tijd na dien ramp kwam
een der ingenieurs der waterwerken Papa vertellen, dat 't zijn schuld
was, dat dat dorpje onder water had gelegen; hij had het water verkeerd
afgevoerd.
Dan heb je Demak, de afdeeling van mijn oom, je kan dat land _niet_ tot
welvaart brengen, wat je er ook aan doet. Van 't eene uiterste val je in
't andere. Daar drogen in den oostmoesson de rivieren uit, en in den
westmoesson verzwelgt het water het land. Tonnen gouds heeft de
Regeering uitgegeven, om het land in den drogen tijd van water te
voorzien, en in den natten de hevige bandjirs tegen te gaan, doch zonder
resultaat. Prachtige kanalen zijn daar gegraven, die aan duizenden werk
verschaften, doch ze blijken van weinig nut te zijn. In den oostmoesson
blijft 't land van dorst versmachten, en in den westmoesson drijft alles
op 't water. Neen, Stella, de Regeering zorgt goed voor 't welzijn der
bevolking van Java, maar helaas, zij laat haar gebukt gaan onder zware
belastingen.
Neen, Stella, moedwillig wordt de bevolking niet meer door hare hoofden
geplunderd, en gebeurt dit een enkelen keer toch, de schuldige wordt òf
uit zijn ambt ontzet, òf gedegradeerd. Maar wat er wel bestaat of woedt
liever, is dit kwaad: het aannemen van geschenken, dat ik even erg en
schandelijk vind, als het toeëigenen van goederen aan den kleinen man
toebehoorend, zooals in Max Havelaar. Maar ik mag niet oordeelen zoo
maar losweg op de feiten af, doch ik moet de omstandigheden, waarin de
bedrijvers van dat kwaad verkeeren, ook in aanmerking nemen. Ten eerste
de Inlanders beschouwen het aanbieden van geschenken aan hunne meerderen
als een eerbieds- en hulde-betuiging. Het aannemen dier cadeaux is den
ambtenaren door de Regeering verboden. Maar mindere Inlandsche hoofden
zijn zoo schraal bezoldigd, dat 't bijna een wonder is, hoe zij met hun
karig tractementje kunnen toekomen. Een districtschrijver b.v. die dag
in dag uit zijn rug krom schrijft, verdient 's maands de ongelooflijk
groote som van _f_ 25, en daarvan moet hij met zijn gezin leven,
huishuur betalen, zich net kleeden, uiterlijke praal ten toon spreiden
om het prestige tegenover de minderen hoog te houden. (Beoordeel dit
laatste niet hard, heb liever medelijden met die groote kinderen, want
dat zijn mijne landgenooten voor het meerendeel). Als den eersten keer
zulk een districtschrijver, door den een of anderen dessaman, een tros
pisang of iets dergelijks wordt aangeboden, zal hij 't weigeren; voor
den tweeden keer weigert hij ook nog, maar bij no. 3 is 't bedanken al
weifelend, en ten vierden male wordt het geschenk zonder aarzelen
aangenomen. 't Is geen kwaad, denkt hij, wat ik doe. Ik heb immers niet
gevraagd, 't wordt mij gegeven, en 't zou idioot van mij zijn, om te
bedanken, als ik het zoo goed gebruiken kan. Dat geschenken geven is
niet alleen een eerbiedsbetuiging, doch ook een voorbehoedmiddel tegen
't een of ander kwaad, dat den gever vandaag of morgen van de overheid
treffen kan. Welnu als hij door den wedono wordt opgepakt, om 't een of
ander klein vergrijp, dan kan hij rekenen op de voorspraak van zijn
vriend den districtschrijver. De ambtenaren worden slecht betaald! Een
assistent-wedono 2e klas verdient _f_ 85. Nu van die _f_ 85 moet hij een
schrijver betalen (assistent-wedono's krijgen geen schrijver van
Regeeringswege, ofschoon zij evenzeer gebukt gaan onder schrijfwerk als
wedono's, djaksa's en anderen), een bendy of dos à dos met paard,
benevens een rijpaard houden om tournées in de bosschen te maken, een
huis koopen, meubilair, dan de huishouding bekostigen, en eindelijk den
controleur, regent en soms ook den assistent-resident ontvangen, die in
zijn onderdistrict eenige werkzaamheden komen verrichten. En als de
assistent-wedono heel ver van de kotta[1] woont, dan blijven de heeren
in de pasangrahan[2] logeeren, en de assistent-wedono geniet de hooge
eer, voor voorname monden het eten klaar te mogen zetten. Sigaren, ajer
blanda, geestrijke dranken, en blikjes kosten wat, dat verzeker ik je,
en is voor zoo'n onderdistrictshoofd een heele uitgaaf. En je begrijpt,
dat hij zijn hooge gasten niet maar dingen voorzet, die je bij de hand
hebt. Neen, al de lekkernijen moeten uit de stad gehaald worden. Het is
wel geen moeten, maar de gastheer beschouwt het toch als zijn plicht,
den grooten heeren 't beste voor te zetten, wat hij heeft, of niet
heeft. In Pa's afdeeling gebeurt dit Goddank niet. Als Pa op tournée
gaat, en moet overblijven, dan brengt Pa altijd zelf eten mee. De
controleur doet dit en de assistent-resident ook. En het enkel kopje
thee, dat de heeren dan bij de hoofden gebruiken, ruïneert hen niet. Is
er een moordzaak of diefstal in het onderdistrict, de assistent-wedono
moet natuurlijk de zaak tot klaarheid brengen, dit is _zijn plicht_. En
om de daders op te sporen moet hij vaak diep, zeer diep in zijn beurs
tasten. 't Is meermalen gebeurd, dat Inlandsche hoofden de sieraden van
hunne vrouwen en kinderen verpanden, om gelden te krijgen, die onmisbaar
zijn bij 't tot klaarheid brengen van de een of andere duistere zaak.
Maar ze krijgen dat geld, om der Regeeringswille uitgegeven, toch terug
van de Regeering? Ik zou wel willen, dat 't zoo was. Menig ambtenaar is
tot den bedelstaf gebracht daardoor. Wat moeten in hemelsnaam de
ambtenaren, die niet met hun soldij kunnen toekomen, en geen ouders of
familie hebben, die hen financiëel kunnen steunen, doen? En 't volk komt
steeds met geschenken aandragen, je ziet je vrouw en kinderen met
gescheurde kleeren rondloopen.... Oordeel niet hard, Stella.
Ik ken de zorgen der Inlandsche hoofden; ik ken 't lief en leed van 't
volk. En wat gaat de Regeering nu doen? Zij zal het Binnenlandsch
Bestuur reorganiseeren. Het Inlandsch personeel zal aanzienlijk
ingekrompen worden ten voordeele ... van de Europeesche ambtenaren. Door
die inkrimping zal er jaarlijks _f_ 164.800 uitgespaard worden en dit
komt den Europeeschen ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur ten
goede. Deze ambtenaren worden in vergelijking met andere ambtenaren
werkelijk stiefmoederlijk bezoldigd. Maar moet de Regeering de fout
goedmaken, door 't Inlandsch ambtenaarscorps te benadeelen? Wel is waar
worden dan in ruil hiervoor eenige karig bezoldigde ambten wat 't
financiëele betreft, verbeterd, en krijgen assistent-wedono's van
Regeeringswege klerken, maar wat beteekent dit in vergelijking met de
talrijke hooge posten, (het is volstrekt nog niet bewezen, dat ze
overbodig zijn) die worden afgeschaft. Er wordt algemeen over dezen
Regeeringsmaatregel gemompeld. De voorstellen tot deze reorganisatie
zijn door beide Kamers der Volksvertegenwoordiging goedgekeurd en in
Juli a.s. treedt de reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur in
werking. Bijna al de Residenten hebben tegen deze voorstellen
geprotesteerd, maar Z.E.[3] wil 't nu eenmaal zoo en ondanks alle
protest zal de reorganisatie doorgaan. Ik wil hopen, dat de Regeering
daar geen wrange vruchten van zal plukken.
En nu over het volk, of de bevolking van Java in 't algemeen. De Javanen
zijn groote kinderen. Wat heeft de Regeering voor de volksontwikkeling
gedaan? Voor de adellijke zonen van het land bestaan er zoogenaamde
hoofdenscholen, onderwijzersscholen en de dokter-djawa-school, en voor
iedereen toegankelijk staan verscheidene Inlandsche scholen, één in elk
district. Doch de Regeering heeft deze laatste inrichtingen van
onderwijs in twee klassen gesplitst. Op de eerste scholen, die alleen op
de gewestelijke hoofdplaatsen zijn geplaatst, wordt hetzelfde geleerd
als vóór de splitsing, doch in de tweede scholen leeren de kinderen nu
alleen Javaansch (lezen en schrijven) en een weinig rekenen. Er mag hier
geen Maleisch geleerd worden, zooals vroeger, waarom, dat is me niet
recht duidelijk. De Regeering is geloof ik van meening, dat, wanneer het
volk leert, het niet meer het land zal willen bewerken.
Papa heeft over het onderwijs een nota aan de Regeering ingediend. O,
Stella, ik wilde wel, dat jij haar lezen kondt. Je moet dan weten, dat
een groot gedeelte van den adel de Regeeringsdaad warm toejuichte. De
Javaansche adel is aan het vervallen en de Regeering, ook die van het
Moederland, en de betrokken personen zelf willen hem er weer op helpen
en aan den bloei brengen. De aristocratie ziet met leede oogen, hoe
zonen uit het volk zich ontwikkelen, in hare gelederen worden opgenomen
door 't Gouvernement om hun kennis, kunde en ijver. Zonen uit 't volk
bezoeken Europeesche scholen en geven blijk in alle opzichten met de
hoogadellijke zoons te kunnen wedijveren. De adel wil het rijk alleen
hebben; hij alleen mag het hoogste gezag in het land in handen hebben,
zich de Westersche beschaving en ontwikkeling eigen maken. En de
Regeering helpt en steunt hem, temeer daar zij daar zelf voordeel van
heeft. Zij vaardigde in 1895 een besluit uit: geen Inlandsch kind (van 6
tot 7 jaar) wordt tot de openbare lagere scholen voor Europeanen
toegelaten, zoo dit niet reeds Hollandsch spreken kan, of het moet
daartoe de speciale vergunning van Z.E. den Gouverneur-Generaal hebben.
Hoe kan nu 't Inlandsch kind vóór zijn 6e en 7e jaar Hollandsch leeren?
of 't moet eene Hollandsche kinderjuffrouw hebben; en dan, al is er
gelegenheid voor 't aanleeren der Nederlandsche taal, het kind moet vóór
alles eerst zijn eigen taal kennen en dus Javaansch leeren schrijven en
lezen. Alleen regenten vragen nu voor hun kroost vergunning om
toegelaten te worden tot de Europeesche scholen; de mindere Inlandsche
hoofden vreezen een nul op hun request te zullen krijgen en doen 't
daarom niet. Is 't pretentieus van Papa, dat hij de Regeering opmerkzaam
maakte op 't feit, dat de Afrikaansche en Amboneesche kinderen direct de
Europeesche scholen mogen bezoeken, zonder een woord Hollandsch te
verstaan? Stella, ik weet van mijn schooltijd zelf nog heel goed, dat
een massa Europeesche kinderen naar school gingen, die evenveel
Hollandsch kenden als ik, toen ik er pas kwam.
Pa zegt in zijne nota: De Regeering kan onmogelijk voor iederen Javaan
de rijst op het bord klaar laten zetten om genuttigd te worden, maar wat
zij wel doen kan, is hem het middel aan de hand te doen, om tot de
plaats te geraken, waar het voedsel te vinden is, en dit is: het
Onderwijs. Het verstrekken van goed onderwijs aan de bevolking, staat
gelijk als gaf de Regeering haar fakkels in de hand, om er verder zelf
den goeden weg mede te vinden, die naar de plaats leidt, waar de rijst
is te verkrijgen.
Neen, Stella, ik zal maar niet verder citeeren, misschien dat ik je
mettertijd de heele nota kan zenden, dan kun je zien daaruit, hoe de
toestand van de bevolking is tegenwoordig. Pa zal al 't zijne doen, om
't volk te verheffen, en ik schaar mij aan zijne zijde. Papa is ook zeer
gehecht aan zijn stamhuis; maar recht is recht en billijk is billijk.
Zie, wij willen in ontwikkeling en beschaving gelijk staan met den
Europeaan. Het recht, dat we voor ons zelf eischen, moeten we ook aan
anderen geven, die 't ons vragen. Het belemmeren van de
volksontwikkeling zou gelijk staan met de daad van den Czaar, die der
wereld de vrede predikte, terwijl hij het goed recht zijner eigen
onderdanen met voeten vertrad. Meten met twee maten, neen! De Europeaan
ergert zich aan vele eigenschappen van den Javaan, bijv. hunne
onverschilligheid, gemakzucht enz. Welnu Nederlander, als gij u zoo
daaraan ergert, waarom doet gij dan niets om die ondeugden te verjagen?
Waarom steekt gij geen vinger uit, om den bruinen broeder op te heffen?
Geloof me, al dat kwaad is uit te roeien. Neem hem den dichten sluier
van zijne hersens weg, open hem de oogen, en gij zult zien, dat in hem
ook nog iets anders zit, dan de neiging tot het kwade, die in hoofdzaak
voortspruit uit dom- en onwetendheid. Voorbeelden te over, ik hoef niet
ver te zoeken, ook jij niet, Stella. Hier voor je liggen de gedachten
bloot van iemand, die tot het geminachte, bruine ras behoort. Wat kunnen
zij oordeelen over ons, ons doen en laten? Kennen zij ons?
Neen, evenmin als wij hen!
Als je belang stelt in dit onderwerp, zie dan het Octobernummer van
Neerlandia te krijgen. Daar staat de redevoering van mijn broeder op het
Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Gent uitgesproken.
Professor Kern heeft hem daar gebracht en gevraagd om te spreken. De
gevoelens, die hij daar uitspreekt, zijn ook de mijne, de onze.
"Heeft je Vader veel macht", vroeg je me. Wat is macht eigenlijk?
Grooten invloed heeft Papa wel, doch macht heeft alleen de
Overheerscher. Mijn broer heeft gepleit voor het verplicht stellen van
het Nederlandsch als diensttaal. Lees, Stella, lees zijne redevoering,
al is het niet voor je eigen genoegen, dan om mijnentwille. De
Hollanders lachen en bespotten onze domheid, maar als wij ons trachten
te ontwikkelen, dan nemen ze eene uitdagende houding tegenover ons aan.
O! wat heb ik veel verdriet gehad als kind op school, waar de
onderwijzers en vele medescholieren ons zoo vijandig gezind waren. Maar
niet alle onderwijzers en leerlingen haatten ons. Velen kenden ons en
hadden ons lief, evenals de andere kinderen. 't Viel menig onderwijzer
hard, aan een Javaansch kind, het hoogste nummer, hoe wel verdiend ook,
uit te reiken.
[Illustration: Strand te Japara "Klein-Scheveningen".]
Ik zal je een geschiedenis van een begaafden en ontwikkelden Inlander
vertellen. Die jongen legde het eindexamen af, en was no. 1 van de drie
H.B.S. op Java. Het jongmensch was op Semarang, waar hij school ging, en
op Batavia waar hij examen deed, gewoon, dat de deuren der deftigste
huizen voor hem opengingen, voor hem, den genialen gymnasiast met zijne
aangename en beschaafde manieren en groote bescheidenheid. Ieder sprak
Hollandsch met hem, de taal, waarin hij zich zoo uitmuntend kon
uitdrukken. Kersversch van die omgeving kwam hij bij zijne ouders thuis,
en hij wist en dacht niets beters te doen, dan zijne opwachting te maken
bij de autoriteiten van de plaats. Hij bevond zich tegenover den
Resident, die het woord tot hem richtte, en hier beging mijn vriend eene
fout. Hoe had hij 't durven wagen, den grooten heer in diens eigen taal
te antwoorden? Den volgenden morgen kreeg hij zijne benoeming thuis, tot
klerk van een controleur in het gebergte. En daar moest de jonge man
blijven om over zijn "misdaad" na te denken, om alles, wat hij in de
scholen had bijeengegaard, te vergeten. Eenige jaren was hij daar, een
nieuwe controleur, of eigenlijk aspirant-controleur kwam, en die deed de
maat van zijn lijden overloopen. De nieuwe chef n.m. was een voormalig
studiegenoot, iemand, die nu juist niet uitblonk door geestesgaven. De
jongeman, die vroeger in alles No. 1 was, _moest_ nu voor den vroegeren
dommen makker over den grond kruipen, hoog Javaansch met hem spreken,
terwijl hij zelf in brabbel-Maleisch werd aangesproken. Kun jij je het
lijden van een trotsch en fier hart voorstellen, dat zóó vernederd werd?
Hoeveel geestkracht moest er niet in hem schuilen, dat hij zoo lang al
dat gesar en geplaag verdragen kon! Maar ten laatste kon hij 't niet
meer uithouden; hij vertrok naar Batavia en vroeg Z.E. den
Gouverneur-Generaal om gehoor, hetgeen hem verleend werd. Het resultaat
derer audiëntie is, dat hij naar de Preanger werd gezonden, met opdracht
om studies van de rijstcultuur te maken. Hij maakte zich verdienstelijk
door een geschrift over de cultuur van allerlei veldgewassen van het
Hollandsch in het Javaansch en Soendaneesch te vertalen. De Regeering
schonk hem een gratificatie van een paar honderd gulden. Aan de
controleursschool te Batavia was een leeraarsplaats vacant. Een leeraar
in de Javaansche taal repatrieerde. En zijne vrienden (van den
Javaanschen man) deden alle moeite om dien zetel voor hem te verkrijgen,
doch zonder resultaat. Het was een idioot denkbeeld, dat een _Inlander_
Europeesche leerlingen, en wel die later bestuursambtenaren zouden
worden, zoude leeren. Weg met dat krankzinnig voorstel! Ik zou vragen,
wie beter Javaansch zou kunnen leeren, dan een geboren Javaan zelf! De
jonge man keerde naar zijn woonplaats terug; intusschen was er een ander
resident gekomen, en de talentvolle zoon van het bruine ras mocht nu
eindelijk assistent-wedono worden. Niet voor niet was hij eenige jaren
in een afgelegen oord verbannen geweest, hij deed daar levenswijsheid
op, o.a. dat je de Europeesche ambtenaren niet beter kunt dienen, dan
voor hen in het stof te kruipen en in hun nabijheid nooit een woordje
Hollandsch te spreken. Andere menschen zijn nu aan het roer gekomen en
toen de betrekking van translateur der Javaansche taal openkwam,
vertrouwde men hem tijdelijk die post toe. Nu staat hij niemand meer in
den weg!
Stella, ik ken een assistent-resident, die Maleisch spreekt met een
regent, ofschoon hij weet, dat de laatste goed Hollandsch spreekt.
Iedereen trouwens converseert in het Nederlandsch met dat Inlandsche
hoofd, alleen de assistent-resident niet.
Mijne broeders spreken hoog-Javaansch tegen hunne superieuren, en deze
spreken hen óf in het Hollandsch òf in het Maleisch aan; het eerste doen
zij, die met ons bevriend zijn, en enkelen van dezen verzochten mijn
broers zich tegen hen van de Nederlandsche taal te willen bedienen, doch
zij verkozen 't niet te doen en Pa stond het ook niet toe. De jongens en
Papa weten maar al te goed, waaraan zij zich op dat punt te houden
hebben. Er wordt te veel met het woord prestige geschermd door de zich
godheden wanende bestuursambtenaren. Ik trek mij niets van hun geplaag
aan; ik heb juist pleizier over de wijze, waarop zij het prestige
tegenover ons, den Javaan, bewaren. Met eenige mij zeer bevriende
ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur besprak ik ook deze quaestie.
Ik werd niet tegengesproken, doch mijn beweringen werden evenmin beaamd,
ofschoon ik zeker weet, dat zij mij in hun hart gelijkgaven. Dit is ook
alweer voor 't prestige. Kun jij je nu begrijpen, dat ik een glimlach
niet kan onderdrukken, bij zulk een geval? Het is bepaald vermakelijk,
hoe de groote heeren ons ontzag zoeken in te boezemen. Ik moest op mijne
lippen bijten, om het niet uit te schateren, toen ik onlangs op reis
zijnde, een assistent-resident van zijn kantoor naar zijn woning zag
gaan onder de schaduw van een gouden zonnescherm, die zijn oppasser
boven zijn edel hoofd open hield. 't Was toch zoo'n dwaze vertooning! O,
godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de
schitterende zonnescherm terzijde wijkt, u straks achter uwen rug
uitlacht. Hoe vindt je, dat er vele, ja zeer vele bestuursambtenaren
zijn, die zich den voet en de knie laten kussen door Inlandsche hoofden?
Een voetkus is het hoogste eerbiedsbewijs, dat wij Javanen, òf aan onze
ouders, en oudere bloedverwanten, òf aan onze _eigen_ hoofden geven. Wij
betoonen dat niet graag aan vreemden, en slechts met weerzin doen wij
dat, als 't moet. Neen, de Europeaan maakt zich slechts belachelijk in
ons oog, wanneer hij van ons de eerbewijzen vraagt, waarop alleen onze
eigen hoofden aanspraak hebben. Dat de residenten en
assistent-residenten zich "Kandjeng" laten noemen, is zooals 't hoort,
maar dat zelfs tuinopzichters, weegbrugopzieners en morgen misschien ook
de stationschefs zich zoo door hunne bedienden laten betitelen is gewoon
zotgek. Weten die menschen wel, wat "Kandjeng" beteekent? Zij vragen van
hunne minderen dezelfde eerbewijzen, die 't volk zijne hoofden brengt.
O! O! ik dacht, dat alleen de _domme Javaan_ houdt van dat geflikflooi,
maar nu zie ik, dat de beschaafde, ontwikkelde Westerling daar ook niet
afkeerig van is, ja daar zelfs verzot op is.
Ik sta nooit toe, dat vrouwen ouder dan ik, doch in stand mijne
minderen, mij de hulde bewijzen, waarop ik aanspraak heb. Ik weet wel,
dat zij 't gaarne doen, ofschoon ik zooveel jonger ben dan zij, maar ik
ben eene afstammelinge van het door hen zoo aangebeden oud adellijk
geslacht, voor wie zij goed en bloed veil hebben. Roerend is het, hoe
verknocht de minderen aan hunne grooten zijn. 't Stuit mij tegen de
borst om menschen, ouder dan ik, voor mij in 't stof te zien kruipen.
Met leede oogen ziet menig Europeaan hier aan, hoe de Javanen, hun
_minderen_, zich langzamerhand ontwikkelen, en er telkens een bruine
opduikt, die bewijst, dat hij evengoed hersens in zijn kop en een hart
in zijn lijf heeft als de blanke.
Maar gaat uw gang maar, gij zult den drang van den tijd toch niet kunnen
tegenhouden. Ik heb de Hollanders heel, heel lief, en ben hun dankbaar
voor veel, dat wij van hen en door hen genieten. Velen, zeer velen onder
hen mogen wij onze beste vrienden noemen, maar ook zeer, zeer velen,
staan vijandig tegenover ons, om geen andere reden dan dat wij het
waagden in ontwikkeling en beschaving hun nabij te streven. Op zeer
gevoelige wijze laten zij ons dat voelen. "Ik ben Europeaan, gij
Javaan", of m.a.w. "ik overheerscher, gij overheerschte". Niet eens,
doch verscheidene malen sprak men ons aan in brabbel-Maleisch, ofschoon
men zeer goed wist, dat wij de Nederlandsche taal spreken. 't Kan mij
niet schelen, in welke taal men ons aanspreekt, als de toon, die zij
aanslaan, maar heusch is. Onlangs werd een Raden Ajoe ook zoo
aangesproken door een heer en heel bij de hand antwoordde zij: "Mijnheer
excuseer me, dat ik u vriendelijk verzoek, mij maar in uwe taal te
willen aanspreken. Ik versta en spreek wel Maleisch, doch helaas slechts
hoog-Maleisch, het passer-Maleisch ken ik niet!" Of onze mijnheer op
zijn neus keek! leelijk, hoor!
Waarom toch vinden vele Hollanders het onaangenaam om in hun eigen taal
met ons te converseeren? O, ja, nu weet ik het, het Nederlandsch is te
mooi om door een bruine mond te worden uitgesproken. Dezer dagen waren
wij op visite bij Tòtòkkers.[4] De menschen, die bij hen dienden, waren
oude sobats van ons; wij wisten dat zij goed Hollandsch verstonden en
spraken. Dit vertelde ik ook en wat kreeg ik ten antwoord van mijnheer
mijn gastheer? "Neen zij mogen geen Hollandsch spreken". "Niet? Waarom?"
vroeg ik. "Inlanders mogen geen Hollandsch kennen". Verbaasd keek ik den
spreker aan, spoedig bekwam ik van mijne verwondering, en een spottende
glimlach deed mijne mondhoeken trillen. De heer werd bloedrood, mompelde
iets in zijn baard, en ontdekte iets merkwaardigs aan zijn schoen, ten
minste hij wijdde daaraan al zijn aandacht.
Nu nog een klein vertelseltje, dat in de Preanger speelde, 't Was in den
vooravond--de Regent van X. ontving bezoek in zijne kaboepaten. Er was
een particulier en de Resident van dat gewest; even daarna kwam een
aspirant-controleurtje het gezelschap vergrooten. De zoon des huizes,
een gymnasiast, met vacantie thuis, liep de pendopo op. Toen hij echter
zag, dat zijn vader niet alleen was, wilde hij zich weer verwijderen,
doch de Resident had hem gezien en riep hem tot zich. Z.Ed. begroette
den jongen hartelijk en maakte een lang en vriendelijk praatje met hem.
Als het onderhoud met Z.Ed. was afgeloopen, kwam hij naar het jonge
ambtenaartje toe en maakte eene beleefde buiging voor hem. Het heertje
echter vond het niet noodig, om dien beleefden groet met iets meer te
beantwoorden dan een nauw merkbaren hoofdknik, en terwijl zijne koude
oogen hem minachtend van top tot teen opnamen, stootte hij koel dit
woordje uit: "Tabee" (Maleische groet). De jongen verbleekte, zijne
lippen trilden, een paar vuisten balden zich.
Veel later vertelde hij aan den particulier, die dit voorval bijwoonde:
"Ik houd heel, heel veel van de Hollanders, mijnheer, en tel onder hen
mijne beste vrienden, doch ik zal _nooit_ die "Tabee" van dien aspirant
vergeten kunnen, het sneed mij door de ziel".
O! Stella, ik heb blikken geworpen in allerhande toestanden in de
Indische maatschappij, onwillekeurig keek ik achter de schermen van de
ambtelijke wereld. Er zijn afgronden, zoo diep, Stella, dat het gezicht
er van alleen je reeds doet duizelen! Ach God! wat is de wereld toch vol
wandaden, vol akelige afschuwelijkheden! Er zijn residenten en
assistent-residenten, waarbij Slijmering in Max Havelaar nog een heilige
is. Neen, ik wil mijn brief niet maken tot een schandalenkroniek.
O, nu begrijp ik, waarom men tegen de ontwikkeling van den Javaan is.
Wanneer de Javaan ontwikkeld is, zal hij niet meer op alles ja en amen
zeggen, wat zijne meerderen hem verkozen voor en op te leggen.
Zie, in den laatsten tijd worden er in de "Locomotief" (het voornaamste
dagblad van Indië) artikelen gepubliceerd, geschreven door Inlanders. In
die stukken leggen zij hunne opinies bloot over veel, dat sedert jaren
heimelijk de gedachten beroert van zoo niet alle, dan toch het grootste
deel der Inlandsche ambtenaren. Niet alleen de hoogsten van 't land,
doch ook de minderen laten hunne stemmen hooren. De dagbladen noemen dit
een verblijdend teeken des tijds en juichen 't zeer toe. Hoe de
Europeesche ambtenaren er over denken, is mij niet bekend; wel weet ik,
dat een controleur, eene reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur
voorstelde, die de Regeering niets kost en die ten goede komt niet
alleen aan de Europeesche, doch ook aan de Inlandsche ambtenaren. Hij
bepleitte het nut van een bestuur van eigen hoofden, over het volk. Een
denkbeeld, dat ook door de beide Kamers der Staten-Generaal wordt
voorgestaan. Zij ook eischen het verplicht stellen van het Nederlandsch
als diensttaal tusschen de Europeesche en Inlandsche ambtenaren.
Heerlijk! dat mijn broer dus niet alleen staat.
Het is hier net als bij jullie de vrouwenbeweging, de Javaan emancipeert
zich. En evenals jullie vrouwen en meisjes daar tegengewerkt worden door
hen, die eeuwenlang de meesters zijn geweest, wordt de Javaan hier door
zijn meerdere in zijne bewegingen belemmerd.
Het is hier nu nog maar een begin. Goddelijk toch, dat mannen van naam
en aanzien onze zaak behartigen. De strijd zal fel zijn; de strijders
zullen niet alleen te kampen hebben met de tegenstanders, maar ook met
de onverschilligheid van eigen landgenooten, voor wie zij de lans
breken.
En als de strijd van de mannen aan het woeden is, dan zullen de
vrouwtjes opstaan. Arme mannen, wat zult gij 't volhandig hebben!
O! heerlijk, dat wij juist leven in dezen tijd! de overgang van het oude
in het nieuwe!
Dezer dagen las ik: "Keurt niet af, gij ouden van dagen, al wat nieuw
is. Bedenkt, dat al wat nu oud is, ook eens nieuw is geweest". (Ik
citeer uit het geheugen.)
O, wat heb ik geschreven; ik hoop, dat ik je er niet al te zeer mee
vermoeid heb. En, o, vergeef me, als ik door mijn geestdrift mij te zeer
heb laten meeslepen en hier en daar iets schreef, dat je pijn doet!
Stella! vergeef me, dat ik zoo heelemaal vergat, tot wie ik sprak. Ik
ontmoette je in zoo groote sympathie. Mij heb je gezegd, dat ik niets
anders voor je ben dan eene geestverwante. En evenzoo heb ik je
beschouwd! Ik ben geen Javaan, geen kind van het geminachte bruine ras
voor je, en je bent voor mij, niet eene die tot het blanke ras hier
behoort, dat den Javaan haat en veracht en bespot. Je bent voor me de
blanke in den waren zin van het woord, de blanke van huid en van ziel,
tegen wie ik _hoog_ opzie, die ik liefheb van ganscher hart, en met mij
vele landgenooten stellig, als zij je kenden. O, dat alle Hollanders zoo
waren als gij en vele mijner blanke vrienden, die ik hoogacht en
liefheb!
Barthold Meryan is mij toegezegd, doch tot nu toe zie ik niets komen,
denkelijk heeft de boekhandelaar het eerst uit Nederland moeten laten
komen.... Maar ik las dezer dagen "Moderne Vrouwen", door Jeanette van
Riemsdijk uit het Fransch vertaald. Teleurgesteld legde ik het boek
neer, ik had er zooveel schitterende recensies over gelezen. Deze
tendenzroman moest in alle opzichten hooger staan dan Hilda van
Suylenburg. Het moest volmaakt zijn en heelemaal zonder gebreken.
Maar ik voor mij vind, dat H.v.S. nog altijd de Ratoe (Vorstin) is van
alle tot nu toe verschenen werken over de Vrouwenemancipatie. Ik zal mij
er wel voor wachten om een kritiek (!!!) uit te spreken over de "Moderne
Vrouwen", maar naar mijn inzien mist dat boek die gloed en bezieling van
H.v.S.
Wil je wel gelooven, dat ik in één stuk door H.v.S. had uitgelezen? Ik
sloot me in onze kamer op, vergat àlles, ik kon 't boek niet uit mijn
handen leggen, 't sleepte me zoo mee!
't Is jammer, dat mijn notitieboekje zoek is geraakt; ik wou je vragen
iets te lezen, dat ik onlangs gelezen heb. Het is een stuk uit het
Engelsch vertaald en heet: "Het doel der Vrouwenbeweging", ik weet
echter niet goed meer of dat in de "Gids", dan wel in de
"Wetenschappelijke bladen" heeft gestaan. En dan wat je lezen moet, als
je 't nog niet kent, "De Wajang Orang" van Martine Tonnet in "de Gids",
November-nummer. Het is iets over Javanen en hun kunst en het hof te
Djokjakarta, heel interessant. Ge zult er van genieten, heusch. Dezer
dagen las ik voor den tweeden keer "Minnebrieven" van Multatuli. Wat is
hij toch een geniale man. Heerlijk, dat eerdaags eene goedkoope uitgave
van al zijn werken verschijnen zal. Ik zal Papa maar eens heel lief
aankijken.
De vader van onzen assistent-resident is een goede vriend van Multatuli,
en van hem hooren we eenige bijzonderheden uit het leven van dat genie.
Couperus is nog steeds in Indië, als hij weer in het Vaderland terug is,
zal er, geloof ik, een schitterend boek over mijn land verschijnen. Wat
is zijn taal toch eenig en mooi!
[1] Kotta betekent hoofdplaats.
[2] Pasangrahan is een logeergebouwtje van Gouvernementswege voor
reizende ambtenaren bestemd.
[3] Met Z.E. (Zijne Excellentie) wordt de Gouverneur Generaal bedoeld.
[4] Tòtòkkers = sedert kort in Indië gevestigde personen.