12 Januari 1900. (I.)

Naar Europa gaan! dat zal tot mijn laatste ademtocht mijn ideaal

blijven. Kon ik mij maar zoo klein maken, dat ik in een couvert kruipen

kon, dan ging ik met dezen brief mee naar je toe, Stella, naar mijn

lieven, besten broer en naar.... Stil! nu geen woord meer! 't Is mijn

schuld niet, Stella, als ik hier en daar onzin neerschrijf. De glazen

gamelan in de pendopo weet je er meer van te vertellen als ik. Ze spelen

ons drieën lievelingslied. Het is geen lied, geen melodie eigenlijk,

enkel klanken en tonen, zoo week en zoo zacht, grillig, onbestemd

dooreen trillend, warrelend, maar hoe aangrijpend, hoe roerend mooi is

het! Neen, neen, 't zijn geen klanken van glas, van koper, van hout, die

daar opstijgen; 't zijn stemmen uit menschenzielen, die tot ons spreken,

nu eens klagend, dan weenend en een enkelen keer eens blij lachend. En

mijn ziele zweeft mee met die murmelende, reine, zilveren tonen, omhoog,

omhoog, in de ijle, blauwe lucht, naar de donzige wolken, naar de

schitterende starren;--basgeluiden stijgen op, en de klanken voeren mij

mee door donkere dalen, diepe ravijnen, door sombere wouden,

ondoordringbare wildernissen! En mijn ziele beeft en krimpt ineen van

angst en pijn en smart!

Duizendmalen heb ik "Ginondjing" gehoord, doch geen enkelen klank, geen

enkelen toon kan ik beetpakken. Nu de gamelan zwijgt, weet ik me geen

enkelen klank meer te herinneren, alles is uit mijne herinnering

weggevaagd; die droef-liefelijke geluiden, die me ongekend zalig en toch

zoo diep weemoedig stemmen tegelijk. Ik kan Ginondjing niet hooren,

zonder diep ontroerd te zijn. Als ik maar de eerste tonen hoor van het

prachtige voorspel, dan ben ik weg. Ik wil dat zwaarmoedig lied niet

hooren, en toch ik moèt, ik moèt luisteren naar de murmelende stemmen,

die mij vertellen van het verleden, van de toekomst, en 't is alsof de

adem van die trillende zilveren klanken de sluiers wegblaast, die het

geheimzinnig komende omhullen. En klaar als het heden trekken

toekomstbeelden mijn geestesoog voorbij. Een huivering vaart mij door de

leden, als ik daar sombere, donkere figuren voor mij zie verrijzen. Ik

wil niet zien, maar mijn oogen blijven wijd geopend, en aan mijn voeten

gaapt een afgrond van duizelingwekkende diepte, maar als ik mijn blik

opsla naar boven, welft zich een helderblauwe hemel boven me en gouden

zonnestralen spelen dartel met donzige witte wolkjes en in mijn harte is

't weer licht!

Daar! overtuig je maar zelf, welk een dwaas, onzinnig schepsel ik ben.

Wat een onzin, hè, heb ik daar weer op elkaar gestapeld. Maar nu genoeg,

ik zal trachten verstandig te praten, als een gezond mensch, 't dwaze

overgevoelige schepsel verbannen we uit ons midden, niet waar, Stella?

Mijn zonneland, waar je zoo naar verlangt, is in de laatste dagen

allesbehalve zonnig. Vreeselijke regenbuien elken dag, en verleden

Zondag trad de Japara-rivier buiten hare oevers, vele dorpen en de stad

zelve met haar roodbruin water overstroomend.

En van morgen heeft het feitelijk gestormd, verschrikkelijk heeft de

wind hier huis gehouden. Op 't erf zijn een paar boomen geheel kaal

gewaaid, de dikke takken braken af, alsof het maar lucifersstokjes

waren, en van de mooie koolblandaboomen zie je nu nog maar een paar kale

grijze stammen. Hoe vreeselijk moeten de kampongs dan niet daaronder

geleden hebben. Heele daken waaiden van de huizen af. Vandaag is Pa op

tournee; weer staan er in een verafgelegen district van Pa's afdeeling

verscheidene dorpen onder water. Pa heeft het in deze dagen erg druk;

dan is er bandjir, dan aardstorting, dan weer is er storm. Een kolossale

randoe-boom is onlangs omvergevallen, op een publieken weg, en twee

voorbijgangsters werden er verpletterd van onder uit weggehaald. Den

heelen dag en den heelen nacht hoorden wij de zee brullen en razen. Arm

"Klein Scheveningen" daar heeft de storm 't vreeselijkst gewoed. De weg

naar het badhuis is heelemaal door de golven weggeslagen en het strand

daarvóór is verdwenen. De onverzadelijke zee heeft het ingeslikt. Als 't

vanmiddag niet stortregent, zal ik Pa vragen om daar naar toe te gaan.

Een week of wat geleden waren we op "Klein Scheveningen"; wij stonden

met ons drieën op een grooten rotsblok aan 't strand naar het woeste

golvenspel te kijken. Zóó geboeid waren we door dat ontzagwekkend

schouwspel, dat wij niet eens zagen, hoe meer en meer die aanrollende

reuzengolven onze rots naderden. Eerst als de kleintjes aan 't strand

ons angstig terugriepen, wisten we, dat we geheel ingesloten waren door

het schuimend nat. Tot aan de knieën kletsnat kwamen wij bij de kinderen

terug.

Eenigen tijd geleden vroeg je me, hoe de toestand van den kleinen man

thans is, maar aangezien ik je toen reeds zooveel geschreven had, sloeg

ik die vraag over, daar zij niet met een paar woorden te beantwoorden

was. Ik beloofde je echter een volgenden keer op dat punt te zullen

terugkomen, en dáárvoor kom ik nu eigenlijk bij je. Maar alvorens dat

onderwerp aan te roeren, wil ik je laatsten brief geheel beantwoorden.

Dank Stella, voor je bemoediging. Ik hoop, dat je bewering op waarheid

moge uitloopen. Weet je wat mijn devies is? "Ik wil"! En die twee kleine

woordjes hebben mij al zoo menigmaal over bergen van bezwaren en

moeilijkheden heengedragen. "Ik kan niet!" geeft den moed op. "Ik wil"!

stijgt der bergen top. Ik ben vol moed, vol geestdrift, Stella, houd jij

dat vuur aan! Laat het niet uitdooven! Maak mij warm, laat me gloeien,

Stella, ik bid je, laat me niet los.

Ik dank God, dat ik je met een "neen" kan antwoorden op je vraag of de

toestand van de bevolking nu nog zoo diep treurig is, als Multatuli hem

beschreef. Neen, voor zoover ik weet behoort de geschiedenis van Saïdjah

en Adinda tot het verleden. Wèl wordt er honger geleden soms door 't

volk, doch dit is volstrekt niet de schuld van zijne hoofden. Deze

kunnen toch nooit aansprakelijk gesteld worden voor het lang uitblijven

van den regen, dien de kleine man zoozeer noodig heeft voor zijn velden?

Of kunnen zij soms het overvloedige water weren, dat de hemel over de

sawahs uitstort? En als de padioogst, hetzij door ongediertenplaag,

hetzij door watersnood, hetzij door te langen oostmoesson mislukt, dan

wordt aan de bevolking, wie die ramp trof, de belasting kwijtgescholden

door de Regeering, en in tijden van hongersnood deelt 't Bestuur aan de

noodlijdenden voedsel en geld uit. Worden de velden door muizenplaag

vernield, de Regeering betaalt premieën uit voor het verdelgen van dat

ongedierte. Is er in den westmoesson, zooals nu, door den hoogen stand

van het water in de rivieren, een dijkbreuk ontstaan de hoofden doen al

het mogelijke om het kwaad te herstellen.

Verleden jaar lag een vischvijversdorp een week lang onder water, en

dagen en nachten bleef Pa op de plaats des onheils vertoeven. Uit

particuliere fondsen, die naderhand door de Regeering werden

teruggegeven, werd het herstellen van die dijkbreuk van eenige

kilometers betaald. Maar wat het water der bevolking ontroofde, wie gaf

het haar terug? Van de 100,000 visschen in de vijvers bleven na de

overstrooming nog slechts 15 stuks over. Eenigen tijd na dien ramp kwam

een der ingenieurs der waterwerken Papa vertellen, dat 't zijn schuld

was, dat dat dorpje onder water had gelegen; hij had het water verkeerd

afgevoerd.

Dan heb je Demak, de afdeeling van mijn oom, je kan dat land _niet_ tot

welvaart brengen, wat je er ook aan doet. Van 't eene uiterste val je in

't andere. Daar drogen in den oostmoesson de rivieren uit, en in den

westmoesson verzwelgt het water het land. Tonnen gouds heeft de

Regeering uitgegeven, om het land in den drogen tijd van water te

voorzien, en in den natten de hevige bandjirs tegen te gaan, doch zonder

resultaat. Prachtige kanalen zijn daar gegraven, die aan duizenden werk

verschaften, doch ze blijken van weinig nut te zijn. In den oostmoesson

blijft 't land van dorst versmachten, en in den westmoesson drijft alles

op 't water. Neen, Stella, de Regeering zorgt goed voor 't welzijn der

bevolking van Java, maar helaas, zij laat haar gebukt gaan onder zware

belastingen.

Neen, Stella, moedwillig wordt de bevolking niet meer door hare hoofden

geplunderd, en gebeurt dit een enkelen keer toch, de schuldige wordt òf

uit zijn ambt ontzet, òf gedegradeerd. Maar wat er wel bestaat of woedt

liever, is dit kwaad: het aannemen van geschenken, dat ik even erg en

schandelijk vind, als het toeëigenen van goederen aan den kleinen man

toebehoorend, zooals in Max Havelaar. Maar ik mag niet oordeelen zoo

maar losweg op de feiten af, doch ik moet de omstandigheden, waarin de

bedrijvers van dat kwaad verkeeren, ook in aanmerking nemen. Ten eerste

de Inlanders beschouwen het aanbieden van geschenken aan hunne meerderen

als een eerbieds- en hulde-betuiging. Het aannemen dier cadeaux is den

ambtenaren door de Regeering verboden. Maar mindere Inlandsche hoofden

zijn zoo schraal bezoldigd, dat 't bijna een wonder is, hoe zij met hun

karig tractementje kunnen toekomen. Een districtschrijver b.v. die dag

in dag uit zijn rug krom schrijft, verdient 's maands de ongelooflijk

groote som van _f_ 25, en daarvan moet hij met zijn gezin leven,

huishuur betalen, zich net kleeden, uiterlijke praal ten toon spreiden

om het prestige tegenover de minderen hoog te houden. (Beoordeel dit

laatste niet hard, heb liever medelijden met die groote kinderen, want

dat zijn mijne landgenooten voor het meerendeel). Als den eersten keer

zulk een districtschrijver, door den een of anderen dessaman, een tros

pisang of iets dergelijks wordt aangeboden, zal hij 't weigeren; voor

den tweeden keer weigert hij ook nog, maar bij no. 3 is 't bedanken al

weifelend, en ten vierden male wordt het geschenk zonder aarzelen

aangenomen. 't Is geen kwaad, denkt hij, wat ik doe. Ik heb immers niet

gevraagd, 't wordt mij gegeven, en 't zou idioot van mij zijn, om te

bedanken, als ik het zoo goed gebruiken kan. Dat geschenken geven is

niet alleen een eerbiedsbetuiging, doch ook een voorbehoedmiddel tegen

't een of ander kwaad, dat den gever vandaag of morgen van de overheid

treffen kan. Welnu als hij door den wedono wordt opgepakt, om 't een of

ander klein vergrijp, dan kan hij rekenen op de voorspraak van zijn

vriend den districtschrijver. De ambtenaren worden slecht betaald! Een

assistent-wedono 2e klas verdient _f_ 85. Nu van die _f_ 85 moet hij een

schrijver betalen (assistent-wedono's krijgen geen schrijver van

Regeeringswege, ofschoon zij evenzeer gebukt gaan onder schrijfwerk als

wedono's, djaksa's en anderen), een bendy of dos à dos met paard,

benevens een rijpaard houden om tournées in de bosschen te maken, een

huis koopen, meubilair, dan de huishouding bekostigen, en eindelijk den

controleur, regent en soms ook den assistent-resident ontvangen, die in

zijn onderdistrict eenige werkzaamheden komen verrichten. En als de

assistent-wedono heel ver van de kotta[1] woont, dan blijven de heeren

in de pasangrahan[2] logeeren, en de assistent-wedono geniet de hooge

eer, voor voorname monden het eten klaar te mogen zetten. Sigaren, ajer

blanda, geestrijke dranken, en blikjes kosten wat, dat verzeker ik je,

en is voor zoo'n onderdistrictshoofd een heele uitgaaf. En je begrijpt,

dat hij zijn hooge gasten niet maar dingen voorzet, die je bij de hand

hebt. Neen, al de lekkernijen moeten uit de stad gehaald worden. Het is

wel geen moeten, maar de gastheer beschouwt het toch als zijn plicht,

den grooten heeren 't beste voor te zetten, wat hij heeft, of niet

heeft. In Pa's afdeeling gebeurt dit Goddank niet. Als Pa op tournée

gaat, en moet overblijven, dan brengt Pa altijd zelf eten mee. De

controleur doet dit en de assistent-resident ook. En het enkel kopje

thee, dat de heeren dan bij de hoofden gebruiken, ruïneert hen niet. Is

er een moordzaak of diefstal in het onderdistrict, de assistent-wedono

moet natuurlijk de zaak tot klaarheid brengen, dit is _zijn plicht_. En

om de daders op te sporen moet hij vaak diep, zeer diep in zijn beurs

tasten. 't Is meermalen gebeurd, dat Inlandsche hoofden de sieraden van

hunne vrouwen en kinderen verpanden, om gelden te krijgen, die onmisbaar

zijn bij 't tot klaarheid brengen van de een of andere duistere zaak.

Maar ze krijgen dat geld, om der Regeeringswille uitgegeven, toch terug

van de Regeering? Ik zou wel willen, dat 't zoo was. Menig ambtenaar is

tot den bedelstaf gebracht daardoor. Wat moeten in hemelsnaam de

ambtenaren, die niet met hun soldij kunnen toekomen, en geen ouders of

familie hebben, die hen financiëel kunnen steunen, doen? En 't volk komt

steeds met geschenken aandragen, je ziet je vrouw en kinderen met

gescheurde kleeren rondloopen.... Oordeel niet hard, Stella.

Ik ken de zorgen der Inlandsche hoofden; ik ken 't lief en leed van 't

volk. En wat gaat de Regeering nu doen? Zij zal het Binnenlandsch

Bestuur reorganiseeren. Het Inlandsch personeel zal aanzienlijk

ingekrompen worden ten voordeele ... van de Europeesche ambtenaren. Door

die inkrimping zal er jaarlijks _f_ 164.800 uitgespaard worden en dit

komt den Europeeschen ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur ten

goede. Deze ambtenaren worden in vergelijking met andere ambtenaren

werkelijk stiefmoederlijk bezoldigd. Maar moet de Regeering de fout

goedmaken, door 't Inlandsch ambtenaarscorps te benadeelen? Wel is waar

worden dan in ruil hiervoor eenige karig bezoldigde ambten wat 't

financiëele betreft, verbeterd, en krijgen assistent-wedono's van

Regeeringswege klerken, maar wat beteekent dit in vergelijking met de

talrijke hooge posten, (het is volstrekt nog niet bewezen, dat ze

overbodig zijn) die worden afgeschaft. Er wordt algemeen over dezen

Regeeringsmaatregel gemompeld. De voorstellen tot deze reorganisatie

zijn door beide Kamers der Volksvertegenwoordiging goedgekeurd en in

Juli a.s. treedt de reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur in

werking. Bijna al de Residenten hebben tegen deze voorstellen

geprotesteerd, maar Z.E.[3] wil 't nu eenmaal zoo en ondanks alle

protest zal de reorganisatie doorgaan. Ik wil hopen, dat de Regeering

daar geen wrange vruchten van zal plukken.

En nu over het volk, of de bevolking van Java in 't algemeen. De Javanen

zijn groote kinderen. Wat heeft de Regeering voor de volksontwikkeling

gedaan? Voor de adellijke zonen van het land bestaan er zoogenaamde

hoofdenscholen, onderwijzersscholen en de dokter-djawa-school, en voor

iedereen toegankelijk staan verscheidene Inlandsche scholen, één in elk

district. Doch de Regeering heeft deze laatste inrichtingen van

onderwijs in twee klassen gesplitst. Op de eerste scholen, die alleen op

de gewestelijke hoofdplaatsen zijn geplaatst, wordt hetzelfde geleerd

als vóór de splitsing, doch in de tweede scholen leeren de kinderen nu

alleen Javaansch (lezen en schrijven) en een weinig rekenen. Er mag hier

geen Maleisch geleerd worden, zooals vroeger, waarom, dat is me niet

recht duidelijk. De Regeering is geloof ik van meening, dat, wanneer het

volk leert, het niet meer het land zal willen bewerken.

Papa heeft over het onderwijs een nota aan de Regeering ingediend. O,

Stella, ik wilde wel, dat jij haar lezen kondt. Je moet dan weten, dat

een groot gedeelte van den adel de Regeeringsdaad warm toejuichte. De

Javaansche adel is aan het vervallen en de Regeering, ook die van het

Moederland, en de betrokken personen zelf willen hem er weer op helpen

en aan den bloei brengen. De aristocratie ziet met leede oogen, hoe

zonen uit het volk zich ontwikkelen, in hare gelederen worden opgenomen

door 't Gouvernement om hun kennis, kunde en ijver. Zonen uit 't volk

bezoeken Europeesche scholen en geven blijk in alle opzichten met de

hoogadellijke zoons te kunnen wedijveren. De adel wil het rijk alleen

hebben; hij alleen mag het hoogste gezag in het land in handen hebben,

zich de Westersche beschaving en ontwikkeling eigen maken. En de

Regeering helpt en steunt hem, temeer daar zij daar zelf voordeel van

heeft. Zij vaardigde in 1895 een besluit uit: geen Inlandsch kind (van 6

tot 7 jaar) wordt tot de openbare lagere scholen voor Europeanen

toegelaten, zoo dit niet reeds Hollandsch spreken kan, of het moet

daartoe de speciale vergunning van Z.E. den Gouverneur-Generaal hebben.

Hoe kan nu 't Inlandsch kind vóór zijn 6e en 7e jaar Hollandsch leeren?

of 't moet eene Hollandsche kinderjuffrouw hebben; en dan, al is er

gelegenheid voor 't aanleeren der Nederlandsche taal, het kind moet vóór

alles eerst zijn eigen taal kennen en dus Javaansch leeren schrijven en

lezen. Alleen regenten vragen nu voor hun kroost vergunning om

toegelaten te worden tot de Europeesche scholen; de mindere Inlandsche

hoofden vreezen een nul op hun request te zullen krijgen en doen 't

daarom niet. Is 't pretentieus van Papa, dat hij de Regeering opmerkzaam

maakte op 't feit, dat de Afrikaansche en Amboneesche kinderen direct de

Europeesche scholen mogen bezoeken, zonder een woord Hollandsch te

verstaan? Stella, ik weet van mijn schooltijd zelf nog heel goed, dat

een massa Europeesche kinderen naar school gingen, die evenveel

Hollandsch kenden als ik, toen ik er pas kwam.

Pa zegt in zijne nota: De Regeering kan onmogelijk voor iederen Javaan

de rijst op het bord klaar laten zetten om genuttigd te worden, maar wat

zij wel doen kan, is hem het middel aan de hand te doen, om tot de

plaats te geraken, waar het voedsel te vinden is, en dit is: het

Onderwijs. Het verstrekken van goed onderwijs aan de bevolking, staat

gelijk als gaf de Regeering haar fakkels in de hand, om er verder zelf

den goeden weg mede te vinden, die naar de plaats leidt, waar de rijst

is te verkrijgen.

Neen, Stella, ik zal maar niet verder citeeren, misschien dat ik je

mettertijd de heele nota kan zenden, dan kun je zien daaruit, hoe de

toestand van de bevolking is tegenwoordig. Pa zal al 't zijne doen, om

't volk te verheffen, en ik schaar mij aan zijne zijde. Papa is ook zeer

gehecht aan zijn stamhuis; maar recht is recht en billijk is billijk.

Zie, wij willen in ontwikkeling en beschaving gelijk staan met den

Europeaan. Het recht, dat we voor ons zelf eischen, moeten we ook aan

anderen geven, die 't ons vragen. Het belemmeren van de

volksontwikkeling zou gelijk staan met de daad van den Czaar, die der

wereld de vrede predikte, terwijl hij het goed recht zijner eigen

onderdanen met voeten vertrad. Meten met twee maten, neen! De Europeaan

ergert zich aan vele eigenschappen van den Javaan, bijv. hunne

onverschilligheid, gemakzucht enz. Welnu Nederlander, als gij u zoo

daaraan ergert, waarom doet gij dan niets om die ondeugden te verjagen?

Waarom steekt gij geen vinger uit, om den bruinen broeder op te heffen?

Geloof me, al dat kwaad is uit te roeien. Neem hem den dichten sluier

van zijne hersens weg, open hem de oogen, en gij zult zien, dat in hem

ook nog iets anders zit, dan de neiging tot het kwade, die in hoofdzaak

voortspruit uit dom- en onwetendheid. Voorbeelden te over, ik hoef niet

ver te zoeken, ook jij niet, Stella. Hier voor je liggen de gedachten

bloot van iemand, die tot het geminachte, bruine ras behoort. Wat kunnen

zij oordeelen over ons, ons doen en laten? Kennen zij ons?

Neen, evenmin als wij hen!

Als je belang stelt in dit onderwerp, zie dan het Octobernummer van

Neerlandia te krijgen. Daar staat de redevoering van mijn broeder op het

Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Gent uitgesproken.

Professor Kern heeft hem daar gebracht en gevraagd om te spreken. De

gevoelens, die hij daar uitspreekt, zijn ook de mijne, de onze.

"Heeft je Vader veel macht", vroeg je me. Wat is macht eigenlijk?

Grooten invloed heeft Papa wel, doch macht heeft alleen de

Overheerscher. Mijn broer heeft gepleit voor het verplicht stellen van

het Nederlandsch als diensttaal. Lees, Stella, lees zijne redevoering,

al is het niet voor je eigen genoegen, dan om mijnentwille. De

Hollanders lachen en bespotten onze domheid, maar als wij ons trachten

te ontwikkelen, dan nemen ze eene uitdagende houding tegenover ons aan.

O! wat heb ik veel verdriet gehad als kind op school, waar de

onderwijzers en vele medescholieren ons zoo vijandig gezind waren. Maar

niet alle onderwijzers en leerlingen haatten ons. Velen kenden ons en

hadden ons lief, evenals de andere kinderen. 't Viel menig onderwijzer

hard, aan een Javaansch kind, het hoogste nummer, hoe wel verdiend ook,

uit te reiken.

[Illustration: Strand te Japara "Klein-Scheveningen".]

Ik zal je een geschiedenis van een begaafden en ontwikkelden Inlander

vertellen. Die jongen legde het eindexamen af, en was no. 1 van de drie

H.B.S. op Java. Het jongmensch was op Semarang, waar hij school ging, en

op Batavia waar hij examen deed, gewoon, dat de deuren der deftigste

huizen voor hem opengingen, voor hem, den genialen gymnasiast met zijne

aangename en beschaafde manieren en groote bescheidenheid. Ieder sprak

Hollandsch met hem, de taal, waarin hij zich zoo uitmuntend kon

uitdrukken. Kersversch van die omgeving kwam hij bij zijne ouders thuis,

en hij wist en dacht niets beters te doen, dan zijne opwachting te maken

bij de autoriteiten van de plaats. Hij bevond zich tegenover den

Resident, die het woord tot hem richtte, en hier beging mijn vriend eene

fout. Hoe had hij 't durven wagen, den grooten heer in diens eigen taal

te antwoorden? Den volgenden morgen kreeg hij zijne benoeming thuis, tot

klerk van een controleur in het gebergte. En daar moest de jonge man

blijven om over zijn "misdaad" na te denken, om alles, wat hij in de

scholen had bijeengegaard, te vergeten. Eenige jaren was hij daar, een

nieuwe controleur, of eigenlijk aspirant-controleur kwam, en die deed de

maat van zijn lijden overloopen. De nieuwe chef n.m. was een voormalig

studiegenoot, iemand, die nu juist niet uitblonk door geestesgaven. De

jongeman, die vroeger in alles No. 1 was, _moest_ nu voor den vroegeren

dommen makker over den grond kruipen, hoog Javaansch met hem spreken,

terwijl hij zelf in brabbel-Maleisch werd aangesproken. Kun jij je het

lijden van een trotsch en fier hart voorstellen, dat zóó vernederd werd?

Hoeveel geestkracht moest er niet in hem schuilen, dat hij zoo lang al

dat gesar en geplaag verdragen kon! Maar ten laatste kon hij 't niet

meer uithouden; hij vertrok naar Batavia en vroeg Z.E. den

Gouverneur-Generaal om gehoor, hetgeen hem verleend werd. Het resultaat

derer audiëntie is, dat hij naar de Preanger werd gezonden, met opdracht

om studies van de rijstcultuur te maken. Hij maakte zich verdienstelijk

door een geschrift over de cultuur van allerlei veldgewassen van het

Hollandsch in het Javaansch en Soendaneesch te vertalen. De Regeering

schonk hem een gratificatie van een paar honderd gulden. Aan de

controleursschool te Batavia was een leeraarsplaats vacant. Een leeraar

in de Javaansche taal repatrieerde. En zijne vrienden (van den

Javaanschen man) deden alle moeite om dien zetel voor hem te verkrijgen,

doch zonder resultaat. Het was een idioot denkbeeld, dat een _Inlander_

Europeesche leerlingen, en wel die later bestuursambtenaren zouden

worden, zoude leeren. Weg met dat krankzinnig voorstel! Ik zou vragen,

wie beter Javaansch zou kunnen leeren, dan een geboren Javaan zelf! De

jonge man keerde naar zijn woonplaats terug; intusschen was er een ander

resident gekomen, en de talentvolle zoon van het bruine ras mocht nu

eindelijk assistent-wedono worden. Niet voor niet was hij eenige jaren

in een afgelegen oord verbannen geweest, hij deed daar levenswijsheid

op, o.a. dat je de Europeesche ambtenaren niet beter kunt dienen, dan

voor hen in het stof te kruipen en in hun nabijheid nooit een woordje

Hollandsch te spreken. Andere menschen zijn nu aan het roer gekomen en

toen de betrekking van translateur der Javaansche taal openkwam,

vertrouwde men hem tijdelijk die post toe. Nu staat hij niemand meer in

den weg!

Stella, ik ken een assistent-resident, die Maleisch spreekt met een

regent, ofschoon hij weet, dat de laatste goed Hollandsch spreekt.

Iedereen trouwens converseert in het Nederlandsch met dat Inlandsche

hoofd, alleen de assistent-resident niet.

Mijne broeders spreken hoog-Javaansch tegen hunne superieuren, en deze

spreken hen óf in het Hollandsch òf in het Maleisch aan; het eerste doen

zij, die met ons bevriend zijn, en enkelen van dezen verzochten mijn

broers zich tegen hen van de Nederlandsche taal te willen bedienen, doch

zij verkozen 't niet te doen en Pa stond het ook niet toe. De jongens en

Papa weten maar al te goed, waaraan zij zich op dat punt te houden

hebben. Er wordt te veel met het woord prestige geschermd door de zich

godheden wanende bestuursambtenaren. Ik trek mij niets van hun geplaag

aan; ik heb juist pleizier over de wijze, waarop zij het prestige

tegenover ons, den Javaan, bewaren. Met eenige mij zeer bevriende

ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur besprak ik ook deze quaestie.

Ik werd niet tegengesproken, doch mijn beweringen werden evenmin beaamd,

ofschoon ik zeker weet, dat zij mij in hun hart gelijkgaven. Dit is ook

alweer voor 't prestige. Kun jij je nu begrijpen, dat ik een glimlach

niet kan onderdrukken, bij zulk een geval? Het is bepaald vermakelijk,

hoe de groote heeren ons ontzag zoeken in te boezemen. Ik moest op mijne

lippen bijten, om het niet uit te schateren, toen ik onlangs op reis

zijnde, een assistent-resident van zijn kantoor naar zijn woning zag

gaan onder de schaduw van een gouden zonnescherm, die zijn oppasser

boven zijn edel hoofd open hield. 't Was toch zoo'n dwaze vertooning! O,

godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de

schitterende zonnescherm terzijde wijkt, u straks achter uwen rug

uitlacht. Hoe vindt je, dat er vele, ja zeer vele bestuursambtenaren

zijn, die zich den voet en de knie laten kussen door Inlandsche hoofden?

Een voetkus is het hoogste eerbiedsbewijs, dat wij Javanen, òf aan onze

ouders, en oudere bloedverwanten, òf aan onze _eigen_ hoofden geven. Wij

betoonen dat niet graag aan vreemden, en slechts met weerzin doen wij

dat, als 't moet. Neen, de Europeaan maakt zich slechts belachelijk in

ons oog, wanneer hij van ons de eerbewijzen vraagt, waarop alleen onze

eigen hoofden aanspraak hebben. Dat de residenten en

assistent-residenten zich "Kandjeng" laten noemen, is zooals 't hoort,

maar dat zelfs tuinopzichters, weegbrugopzieners en morgen misschien ook

de stationschefs zich zoo door hunne bedienden laten betitelen is gewoon

zotgek. Weten die menschen wel, wat "Kandjeng" beteekent? Zij vragen van

hunne minderen dezelfde eerbewijzen, die 't volk zijne hoofden brengt.

O! O! ik dacht, dat alleen de _domme Javaan_ houdt van dat geflikflooi,

maar nu zie ik, dat de beschaafde, ontwikkelde Westerling daar ook niet

afkeerig van is, ja daar zelfs verzot op is.

Ik sta nooit toe, dat vrouwen ouder dan ik, doch in stand mijne

minderen, mij de hulde bewijzen, waarop ik aanspraak heb. Ik weet wel,

dat zij 't gaarne doen, ofschoon ik zooveel jonger ben dan zij, maar ik

ben eene afstammelinge van het door hen zoo aangebeden oud adellijk

geslacht, voor wie zij goed en bloed veil hebben. Roerend is het, hoe

verknocht de minderen aan hunne grooten zijn. 't Stuit mij tegen de

borst om menschen, ouder dan ik, voor mij in 't stof te zien kruipen.

Met leede oogen ziet menig Europeaan hier aan, hoe de Javanen, hun

_minderen_, zich langzamerhand ontwikkelen, en er telkens een bruine

opduikt, die bewijst, dat hij evengoed hersens in zijn kop en een hart

in zijn lijf heeft als de blanke.

Maar gaat uw gang maar, gij zult den drang van den tijd toch niet kunnen

tegenhouden. Ik heb de Hollanders heel, heel lief, en ben hun dankbaar

voor veel, dat wij van hen en door hen genieten. Velen, zeer velen onder

hen mogen wij onze beste vrienden noemen, maar ook zeer, zeer velen,

staan vijandig tegenover ons, om geen andere reden dan dat wij het

waagden in ontwikkeling en beschaving hun nabij te streven. Op zeer

gevoelige wijze laten zij ons dat voelen. "Ik ben Europeaan, gij

Javaan", of m.a.w. "ik overheerscher, gij overheerschte". Niet eens,

doch verscheidene malen sprak men ons aan in brabbel-Maleisch, ofschoon

men zeer goed wist, dat wij de Nederlandsche taal spreken. 't Kan mij

niet schelen, in welke taal men ons aanspreekt, als de toon, die zij

aanslaan, maar heusch is. Onlangs werd een Raden Ajoe ook zoo

aangesproken door een heer en heel bij de hand antwoordde zij: "Mijnheer

excuseer me, dat ik u vriendelijk verzoek, mij maar in uwe taal te

willen aanspreken. Ik versta en spreek wel Maleisch, doch helaas slechts

hoog-Maleisch, het passer-Maleisch ken ik niet!" Of onze mijnheer op

zijn neus keek! leelijk, hoor!

Waarom toch vinden vele Hollanders het onaangenaam om in hun eigen taal

met ons te converseeren? O, ja, nu weet ik het, het Nederlandsch is te

mooi om door een bruine mond te worden uitgesproken. Dezer dagen waren

wij op visite bij Tòtòkkers.[4] De menschen, die bij hen dienden, waren

oude sobats van ons; wij wisten dat zij goed Hollandsch verstonden en

spraken. Dit vertelde ik ook en wat kreeg ik ten antwoord van mijnheer

mijn gastheer? "Neen zij mogen geen Hollandsch spreken". "Niet? Waarom?"

vroeg ik. "Inlanders mogen geen Hollandsch kennen". Verbaasd keek ik den

spreker aan, spoedig bekwam ik van mijne verwondering, en een spottende

glimlach deed mijne mondhoeken trillen. De heer werd bloedrood, mompelde

iets in zijn baard, en ontdekte iets merkwaardigs aan zijn schoen, ten

minste hij wijdde daaraan al zijn aandacht.

Nu nog een klein vertelseltje, dat in de Preanger speelde, 't Was in den

vooravond--de Regent van X. ontving bezoek in zijne kaboepaten. Er was

een particulier en de Resident van dat gewest; even daarna kwam een

aspirant-controleurtje het gezelschap vergrooten. De zoon des huizes,

een gymnasiast, met vacantie thuis, liep de pendopo op. Toen hij echter

zag, dat zijn vader niet alleen was, wilde hij zich weer verwijderen,

doch de Resident had hem gezien en riep hem tot zich. Z.Ed. begroette

den jongen hartelijk en maakte een lang en vriendelijk praatje met hem.

Als het onderhoud met Z.Ed. was afgeloopen, kwam hij naar het jonge

ambtenaartje toe en maakte eene beleefde buiging voor hem. Het heertje

echter vond het niet noodig, om dien beleefden groet met iets meer te

beantwoorden dan een nauw merkbaren hoofdknik, en terwijl zijne koude

oogen hem minachtend van top tot teen opnamen, stootte hij koel dit

woordje uit: "Tabee" (Maleische groet). De jongen verbleekte, zijne

lippen trilden, een paar vuisten balden zich.

Veel later vertelde hij aan den particulier, die dit voorval bijwoonde:

"Ik houd heel, heel veel van de Hollanders, mijnheer, en tel onder hen

mijne beste vrienden, doch ik zal _nooit_ die "Tabee" van dien aspirant

vergeten kunnen, het sneed mij door de ziel".

O! Stella, ik heb blikken geworpen in allerhande toestanden in de

Indische maatschappij, onwillekeurig keek ik achter de schermen van de

ambtelijke wereld. Er zijn afgronden, zoo diep, Stella, dat het gezicht

er van alleen je reeds doet duizelen! Ach God! wat is de wereld toch vol

wandaden, vol akelige afschuwelijkheden! Er zijn residenten en

assistent-residenten, waarbij Slijmering in Max Havelaar nog een heilige

is. Neen, ik wil mijn brief niet maken tot een schandalenkroniek.

O, nu begrijp ik, waarom men tegen de ontwikkeling van den Javaan is.

Wanneer de Javaan ontwikkeld is, zal hij niet meer op alles ja en amen

zeggen, wat zijne meerderen hem verkozen voor en op te leggen.

Zie, in den laatsten tijd worden er in de "Locomotief" (het voornaamste

dagblad van Indië) artikelen gepubliceerd, geschreven door Inlanders. In

die stukken leggen zij hunne opinies bloot over veel, dat sedert jaren

heimelijk de gedachten beroert van zoo niet alle, dan toch het grootste

deel der Inlandsche ambtenaren. Niet alleen de hoogsten van 't land,

doch ook de minderen laten hunne stemmen hooren. De dagbladen noemen dit

een verblijdend teeken des tijds en juichen 't zeer toe. Hoe de

Europeesche ambtenaren er over denken, is mij niet bekend; wel weet ik,

dat een controleur, eene reorganisatie van het Binnenlandsch Bestuur

voorstelde, die de Regeering niets kost en die ten goede komt niet

alleen aan de Europeesche, doch ook aan de Inlandsche ambtenaren. Hij

bepleitte het nut van een bestuur van eigen hoofden, over het volk. Een

denkbeeld, dat ook door de beide Kamers der Staten-Generaal wordt

voorgestaan. Zij ook eischen het verplicht stellen van het Nederlandsch

als diensttaal tusschen de Europeesche en Inlandsche ambtenaren.

Heerlijk! dat mijn broer dus niet alleen staat.

Het is hier net als bij jullie de vrouwenbeweging, de Javaan emancipeert

zich. En evenals jullie vrouwen en meisjes daar tegengewerkt worden door

hen, die eeuwenlang de meesters zijn geweest, wordt de Javaan hier door

zijn meerdere in zijne bewegingen belemmerd.

Het is hier nu nog maar een begin. Goddelijk toch, dat mannen van naam

en aanzien onze zaak behartigen. De strijd zal fel zijn; de strijders

zullen niet alleen te kampen hebben met de tegenstanders, maar ook met

de onverschilligheid van eigen landgenooten, voor wie zij de lans

breken.

En als de strijd van de mannen aan het woeden is, dan zullen de

vrouwtjes opstaan. Arme mannen, wat zult gij 't volhandig hebben!

O! heerlijk, dat wij juist leven in dezen tijd! de overgang van het oude

in het nieuwe!

Dezer dagen las ik: "Keurt niet af, gij ouden van dagen, al wat nieuw

is. Bedenkt, dat al wat nu oud is, ook eens nieuw is geweest". (Ik

citeer uit het geheugen.)

O, wat heb ik geschreven; ik hoop, dat ik je er niet al te zeer mee

vermoeid heb. En, o, vergeef me, als ik door mijn geestdrift mij te zeer

heb laten meeslepen en hier en daar iets schreef, dat je pijn doet!

Stella! vergeef me, dat ik zoo heelemaal vergat, tot wie ik sprak. Ik

ontmoette je in zoo groote sympathie. Mij heb je gezegd, dat ik niets

anders voor je ben dan eene geestverwante. En evenzoo heb ik je

beschouwd! Ik ben geen Javaan, geen kind van het geminachte bruine ras

voor je, en je bent voor mij, niet eene die tot het blanke ras hier

behoort, dat den Javaan haat en veracht en bespot. Je bent voor me de

blanke in den waren zin van het woord, de blanke van huid en van ziel,

tegen wie ik _hoog_ opzie, die ik liefheb van ganscher hart, en met mij

vele landgenooten stellig, als zij je kenden. O, dat alle Hollanders zoo

waren als gij en vele mijner blanke vrienden, die ik hoogacht en

liefheb!

Barthold Meryan is mij toegezegd, doch tot nu toe zie ik niets komen,

denkelijk heeft de boekhandelaar het eerst uit Nederland moeten laten

komen.... Maar ik las dezer dagen "Moderne Vrouwen", door Jeanette van

Riemsdijk uit het Fransch vertaald. Teleurgesteld legde ik het boek

neer, ik had er zooveel schitterende recensies over gelezen. Deze

tendenzroman moest in alle opzichten hooger staan dan Hilda van

Suylenburg. Het moest volmaakt zijn en heelemaal zonder gebreken.

Maar ik voor mij vind, dat H.v.S. nog altijd de Ratoe (Vorstin) is van

alle tot nu toe verschenen werken over de Vrouwenemancipatie. Ik zal mij

er wel voor wachten om een kritiek (!!!) uit te spreken over de "Moderne

Vrouwen", maar naar mijn inzien mist dat boek die gloed en bezieling van

H.v.S.

Wil je wel gelooven, dat ik in één stuk door H.v.S. had uitgelezen? Ik

sloot me in onze kamer op, vergat àlles, ik kon 't boek niet uit mijn

handen leggen, 't sleepte me zoo mee!

't Is jammer, dat mijn notitieboekje zoek is geraakt; ik wou je vragen

iets te lezen, dat ik onlangs gelezen heb. Het is een stuk uit het

Engelsch vertaald en heet: "Het doel der Vrouwenbeweging", ik weet

echter niet goed meer of dat in de "Gids", dan wel in de

"Wetenschappelijke bladen" heeft gestaan. En dan wat je lezen moet, als

je 't nog niet kent, "De Wajang Orang" van Martine Tonnet in "de Gids",

November-nummer. Het is iets over Javanen en hun kunst en het hof te

Djokjakarta, heel interessant. Ge zult er van genieten, heusch. Dezer

dagen las ik voor den tweeden keer "Minnebrieven" van Multatuli. Wat is

hij toch een geniale man. Heerlijk, dat eerdaags eene goedkoope uitgave

van al zijn werken verschijnen zal. Ik zal Papa maar eens heel lief

aankijken.

De vader van onzen assistent-resident is een goede vriend van Multatuli,

en van hem hooren we eenige bijzonderheden uit het leven van dat genie.

Couperus is nog steeds in Indië, als hij weer in het Vaderland terug is,

zal er, geloof ik, een schitterend boek over mijn land verschijnen. Wat

is zijn taal toch eenig en mooi!

[1] Kotta betekent hoofdplaats.

[2] Pasangrahan is een logeergebouwtje van Gouvernementswege voor

reizende ambtenaren bestemd.

[3] Met Z.E. (Zijne Excellentie) wordt de Gouverneur Generaal bedoeld.

[4] Tòtòkkers = sedert kort in Indië gevestigde personen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 23 / 136 题