Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.—

Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een

uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over

vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het

leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen!

Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven?

Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot

zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme.

Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel

genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die

het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers toch

weêr dadelijk voorbij.... Wat deed het er dus toe of men ze had genoten

of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene

maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich

kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een

boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, en

daarmeê basta!

Hij sliep op dit besluit rustig in.

Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven.

Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder

opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag

beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets

wist.

’t Was een soesah!

"Ups" en "downs" in het Indische leven · 第 21 / 83 题